De naam van _Baker_ is een zonneklaar bewijs dat er (schoon 't volk
baakster zegt) juist geen uitgang op _ster_ vereischt wordt, om de
titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te kennen te
geven. Vrouwelijker dan het hare is er wel geen. De onbescheidenheid
van het geslacht der mannen heeft hen reeds, in spijt der natuur, in
verscheidene vakken van maatschappelijke bedrijvigheid ingedrongen,
die oorspronkelijk en naar recht tot het grondgebied der vrouw
behooren. Er worden mannen gevonden, die voor ons de naald hanteeren;
er zijn er, die ons den pot koken, ja zelfs zijn wij mannen, voor
het grootste gedeelte, met verachting der welvoegelijkheid, door
mannen ter wereld geholpen. Maar nog nimmer heb ik de eer gehad
iemand van mijne kunne te ontmoeten, te kennen, of te hooren noemen,
die het beroep van baker, anders dan in cas van de hoogste urgentie
en slechts voor een enkel oogenblik, had uitgeoefend. Heeft een man u
gebakerd, mijnheer? Zou een man u hebben _kunnen_ bakeren? Dat zij
verre. De uitvoerige zorg die dat vereischte, die gij behoefdet,
trotsche heer der schepping! die daar heenstapt als een pauw en op
laarzen met sporen!--die gij behoefdet, heer vrouwenhater! die daar
geen andere verplichtingen aan de teedere kunne erkent of begeert,
dan dat zij u ter wereld gebracht heeft--die gij behoefdet in dat
aandoenlijk oogenblik, toen gij schreiend en naakt dit tooneel uwer
heldhaftigheid werdt opgedragen, opdat licht en lucht u niet terstond
beschadigen, uwe eigene onbesuisdheid u niet voor goed ongelukkig
maken zoude, en gij er niet al uw leven zoudt uitzien als een Turk;
die uitvoerige zorg kon onmogelijk iemand anders dan een _baker_
(zelfst. n. w. vrouwelijk) u bewijzen. Het is ijselijk jammer dat
gij uzelven toen niet aanschouwd hebt, met uwe knietjes opgetrokken
tot uw kinnetje, en liggende voor de mande in haar warmen schoot;
dat gij de vriendelijke oogen niet over u hebt zien lichten, met een
uitdrukking van zoo teeder, zoo ontfermend een liefde, dat zij u al
uw leven zou zijn bijgebleven. Maar wat was het? Gij hadt toen nog
geene oogen die zien konden. Veel minder droegt gij een bril.
De naam _baker_ komt van _baken;_ dat is _warmen, koesteren._ Een
baker gehad te hebben is: in de eerste dagen zijns levens gebroeid
en gekoesterd te zijn. Het is niet anders. Spijt het u, heer Jeune
France? Meent gij dat het beter zou geweest zijn u, op zijn Laplandsch,
in heet water te baden en daarna in de sneeuw te rollen, in plaats
van u met de voetjes voor de mand te houden en u in doek op doek in
te wikkelen, zoodat slechts deze uwe handen en dit uw aangezicht--het
zag, op mijn woord, toen zoo geel als goud--zichtbaar bleven, om de
bewondering van huisgenooten en buren gaande te maken over _zulk_
een kind? Meent gij dat, bij eene andere behandeling, uw baard nog
voorspoediger zou zijn opgegroeid, uw hand zich nog gespierder onder
uw glacé handschoentje zou hebben vertoond, en gij u te paard en te
voet nog krachtiger en leniger bewogen zoudt hebben dan nu? Het is
mogelijk. Maar hier is het portret van mijnheer uw overgrootvader. Ook
gebakerd, mijnheer! Ook gebakerd in zijn tijd; en ik geloof vrij wat
broeiender, vrij wat stijver dan gij; de gebakerde kindertjes geleken
toen ongelijk veel meer dan nu op de poppen van den zijdeworm; maar
wat dunkt u? Hij ziet op u neder, alsof gij _nog_ in de luren laagt.
Houd uwe baker in eere. In het vooruitzicht der bange ure, bij
haar naderen, als zij dáár was, was de stille, altijd bedaarde,
ondervindingrijke, medegevoelende, handige, _zacht_handige,
kloekzinnige vrouw voor uwe moeder als een engel Gods. En ook
daarna! Haar trouwe zorg voor _u_ was het eenige niet. De jonge moeder
had nog steeds veel zorgen noodig; zij, die zoo zorgeloos was, toen
alles goed ging en haar eersteling aan haar boezem lag, en die allerlei
gedaan en allerlei gewaagd zou hebben dat haar jong leven had kunnen
in gevaar stellen en u van een moeder berooven, eer gij nog wist dat
gij een moeder hadt. Wat u betreft: nooit heeft, in uw volgend leven,
een vreemde zooveel geduld gehad met al uw kuren bij dag en bij nacht:
nooit een vriend (zelfs geen kunstvriend) u zoo overvloedig in het
aangezicht geprezen; nooit een weldoener zoo veel "stank voor dank"
van u ingeoogst. Van harte hoop ik, mijnheer! dat gij hare ontschatbare
diensten nog eenmaal zult weten te waardeeren, bij het kraambed van
de echtgenoote van uw hart, bij de vuurmand van uw eerstgeboren zoon.
Dan zij het oogenblik daar, waarin gij zeggen zult: "O, mijn Baakster,
gezegd Baker! Gij trokt een goed loon; gij hadt veel noten op uw
zang; de meiden haatten u deswege met al het vuur van een gloeienden
partijhaat; gij ontvingt een schat aan fooien; gij deedt mijn moeders
amandelstrikken en moscovisch gebak verdwijnen als een morgennevel;
maar gij waart onbetaalbaar! Gij hadt, als ik het zeggen mag,
uwe vooroordeelen, uwe bijgeloovigheden, uwe eigenzinnigheden; gij
waart wellicht niet geheel en al vrij van kwaadsprekendheid. Maar
uwe teedere, nauwgezette, waakzame zorg geven u aanspraak op een
kroon. Mij is in mijn kindsche dagen, op alle scholen, in alle
geschriften voor de jeugd, steeds voorgehouden de plichten van
dankbaarheid te betrachten jegens mijne ouders en onderwijzers; maar
mijnen kinderen zal ik erkentelijkheid inprenten jegens hunne ouders,
en onderwijzers, en Bakers...
"En zulks te meer, nu het getal onderwijzers met een leeraar in de
gymnastiek vermeerderd is."
Dit opstel schijnt alleen van de _goede_ bakers te spreken.
_Hildebrand_ heeft geene slechte gekend. Zijn eigen baker was een
uitstekende. Hij zal zich zijn leven lang verbazen dat er, met zulk
een baker, niets voortreffelijkers van hem geworden is.
1841.