BRIEF VAN HILDEBRAND AAN SCHIPPER RIETHEUVEL [35]

Aan den eerzamen Dirk Rietheuvel, bijgenaamd den Mottige,

Emeritus-Schipper bij het Haarlemsche Veer; op het _Levendaal_,

te Leiden.

Geachte Vriend!

Hoe menig, menig jaar is reeds voorbijgesneld sedert dien gelukkigen

tijd, waarin het mij zoo menigmaal gebeuren mocht een genoeglijk uurtje

(laat mij zeggen: een _viertal_ uurtjes achtereen) met u te slijten in

den _stuurstoel_ of, wanneer de weersgesteldheid dit minder wenschelijk

maakte, in de _roef_ uwer schuit; gij, in dat geval, op den drempel

van het deurtje gezeten, den schanslooper aan, den zuidwester op,

terwijl de knecht aan 't roer stond en niet kon nalaten van tijd tot

tijd eens mede te grinneken, wanneer uw onuitputtelijke geest aan

't werken was. Drommels, Rietheuvel! ik heb vele mensenen ontmoet

die aardig waren, en nog oneindig meer die het volstrektelijk wilden

wezen, maar uws gelijken in aardigheid heb ik zelden gevonden. Hoe gaat

het tegenwoordig, bestevaar? En wat zeggen er de kleinkinderen van,

daar gij bij uw Guurtje, uw jongste, naar ik mij meen te herinneren,

het restje uwer dagen slijt? Hangen zij u niet aan de lippen, als de

oude vertelsels weer opkomen, in het schemeruurtje, als er geen licht

in 't vertrek is dan het wisselvallig licht van het vlammetje dat door

de kieren van de kacheldeur schijnt? Van de _kachel_deur; want, gelijk

den bloei van het veer, hebt gij ook den bloei van het _haardvuur (sit

venia verbo_--als prof. S. zeide, dien gij zoo menigmaal hebt gevaren

dat gij 't van hem overgenomen hebt) reeds vele jaren overleefd.

Deze opmerking wekt misschien eene reeks van weemoedige gedachten bij

u op, die ik echter zeker ben dat gij weder eensklaps met een luimige

wending weet af te breken. Doch dit laatste, mijn beste Mottige! zal

niet noodig zijn, wanneer gij mijn brief slechts niet uit de handen

legt, eer gij hem ten einde toe hebt gelezen: een brief met geen

ander oogmerk geschreven dan om uwen laten levensavond niet weinig

op te leukeren door eene mededeeling, welke u alleszins stof tot

zelfvoldoening en een billijk gevoel van waarde opleveren zal.

Heugt het u niet, mijn waarde vriend! hoe, nu dertig jaren geleden,

alle mogelijke roefreizigers schenen saamgezworen te hebben om u,

dag uit, dag in, te vervelen met hun schijnheilig beklag, omdat

het te voorzien was dat de spoorwegen (rare dingen, waarvan geen

hunner nog eenig denkbeeld had!) niet altijd in Nederland onbekend

blijven en gewisselijk uw eerzaam beroep ten eenemale in den grond

boren zouden? Hoe gij, in die moeielijke dagen, al de krachten

van uwen vaardigen geest hadt in te spannen om uw goede luim te

redden en het eentonig gejammer keer op keer af te snijden? En

zou het u daarbij vergeten zijn, hoe gij, te midden van deze

worstelingen, op eenmaal op het treffend denkbeeld kwaamt van een

nieuw vervoermiddel, door een nieuwe beweegkracht gedreven, waarvan

uw ver vooruitziende geest voorspelde dat het, eenmaal in practijk

gebracht, tot stoom en spoorwegen staan zoude, gelijk deze thans tot

de trekschuiten? Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen

naam van _Onderaardschen Schietblaasbalg_ en wist de werking van dit

mechanisme, door niets anders gedreven dan de _persing der lucht_, zoo

duidelijk en, ik mag zeggen, zoo smakelijk voor te stellen, ja ook met

teekeningen van eigene of bevriende hand zoo gelukkig op te helderen,

dat menig trekschuitreiziger uw roef niet zonder een diepen indruk van

't gehoorde verliet, gelijk ikzelf dien dan ook altijd bewaard heb,

en zelfs zoo vrij ben geweest dien weder te geven in een opstel, onder

den nederigen titel van "De Veerschipper", buiten uw weten gedrukt,

en dat misschien nimmer onder uwe oogen gekomen is, maar waarin,

zoo aan uwe begaafdheden in het algemeen, als aan deze uwe vinding in

't bijzonder, eene welverdiende hulde is toegebracht.

Welnu, geniaalste aller geniale veerschippers, hetzij die al of niet

van de kinderpokken geschonden zijn, en het meerder vernuft al of

niet als eene gelukkige tegemoetkoming aan mindere lichaamsschoonheid

bij hen te beschouwen zij!--wat zult gij zeggen, indien ik u naar

waarheid verhaal, dat de uitvoerbaarheid van uw denkbeeld gebleken,

dat uw stoute gedachte verwezenlijkt, dat de _Onderaardsche

Schietblaasbalg_, in het oogenblik waarin ik u schrijf, in vollen

gang is--vooralsnog niet "tusschen Amsterdam en Rotterdam", waar de

waterachtigheid van den bodem wellicht nog lang duchtige bezwaren

tegen een dergelijke onderneming zal opleveren--maar in Engelands

groote hoofdstad Londen, waarvan het u wel bekend zal wezen dat

zij alleen eene oppervlakte beslaat van een uur of zes, zeven in

't rond, nergens van eenig kanaal of trekvaart doorsneden! ... Geen

nood! Zij heeft hare talrijke _omnibus_-lijnen, die haar in alle

richtingen doorkruisen; zij heeft hare _spoorweg_-lijnen, over hare

hemelhooge huizen heen en tusschen hare ontelbare schoorsteenen

door, zoowel als hare spoorweglijnen onder den grond; doch thans

ook; wie is het geweest, Rietheuvel! die uw denkbeeld gestolen,

die uw echt Hollandsche vinding, onder den grond, onder den bodem

der zee door, naar Brittanje overgevoerd heeft, ener tot zijn eigen

profijt hoogstwaarschijnlijk bij het Engelsche parlement een patent op

gevraagd, dat u van alle voordeelen uitsluit?--thans heeft zij ook haar

_Onderaardschen Schietblaasbalg_--"pijpen, buizen, kanalen, weetje",

(van het eene einde van de stad naar het andere) en "vicie versie",

waarin, met de hoogst mogelijke snelheid, brieven en pakketten, en

ook menschen, vervoerd worden door geen ander middel dan de _persing

der lucht;_ met den besten uitslag; geheel naar uw gronddenkbeeld;

ofschoon onder een anderen naam, lang niet zoo duidelijk als dien,

welken uw vaardig brein tegelijk met de zaak had opgeworpen, en

meer naar de lamp riekende dan naar eenig ander licht, den naam van

_Pneumatische Expeditiebuis_ [36]. Slechts, opdat ik u dit terstond

zegge, slechts dames zijn door dit middel nog niet vervoerd kunnen

worden. Want hoewel de stijve wijde mouwen, waarvan gij voor dertig

jaren gewaagdet, nu geen bezwaar meer opleveren, zoo is sedert, in de

zoogenaamde _crinolines,_ een ander ontstaan, hetwelk onoverkomelijk

is, zal er, nevens de kanalen van den Schietblaasbalg in questie, in

het Onder-aardsche Londen nog eenige ruimte overblijven voor hetgeen

billijkerwijze voor gas-, water-, en andere leidingen gevorderd wordt.

Het moet een treffend oogenblik geweest zijn, waarde vriend! toen,

voor weinige weken, na eenige voorloopige proefnemingen met

levenlooze pakjes en ongevoelige zakken, de eerste personentrein van

het zoogenaamde Holborn afging om, men mag zeggen "in een zucht",

en niet alleen _"in_ een zucht", maar nu ook "door middel van een

zucht", een afstand af te leggen van meer dan een half uur gaans, en

dat heen en terug. De plechtigheid had plaats onder opzicht van den

Hertog van Buckingham, _Chairman of the Pneumatic Despatch Company,_

hetwelk ik voor u niet beter weet te vertalen dan door _Commissaris

van het Onderaardsche Schietblaasbalg-Veer_, en in tegenwoordigheid

van een aantal mannen van wetenschap. Laatstgenoemden waren metterdaad

de eerste passagiers, en het moet een aandoenlijk schouwspel geweest

zijn, toen de een voor, de ander na--niet op de weegschaal die,

bij uwe eerste vinding onontbeerlijk, bij deze na-vinding gemist

schijnt te kunnen worden, maar--in de laden stapte, die allen voor

eenige oogenblikken aan het daglicht onttrekken zouden. De houding,

welke de geleerde heeren hierbij hadden aan te nemen, was om de

waarheid te zeggen, noch opwekkelijk, noch gemakkelijk. Zij waren

genoodzaakt zich plat op den rug neder te leggen, niet zonder de

behoefte aan een hoofdkussen te gevoelen, hetwelk hier ontbrak,

maar door u zeker niet vergeten zou zijn geworden, en lagen daar,

twee aan twee, niet ongelijk aan dooden in hunne kisten. Het geheel

deed metterdaad eenigszins den indruk van een levendbegrafenis-,

een Albrecht-Beyling-tooneel. Maar nauwelijks had men den tijd

zich dit te zeggen, of ziet! daar waren onze mannen reeds weder

terug en hadden, behalve van eenige oogenblikken "niks niemendal

as egyptische duisternis", van niets te vertellen dan van eene min

of meer onaangename gewaarwording bij het afgaan en aankomen; (het

"geknipknap der veeren" waarschijnlijk), en voorts van, _op de ooren_,

een zeker gevoel van drukking, hetwelk ongeveer het vierde deel van

een minuut aanhield en "best te vergelijken scheen met hetgeen men" (ik

weet niet of gij het u herinnert?) "in een _duikerklok_ ondervindt, een

zuiging, alsof men onder een golf werd doorgetrokken"; op de _oogen_,

een zeer opmerkelijke koude, niet ongelijk aan die van vallend water,

waarschijnlijk min of meer alsóf men onder den drop van een dakgoot

uitgestrekt lag; en voor den _neus_, geen de minste gewaarwording als

zoude de atmosfeer in de buis vuil of bedorven zijn, maar wel hier

en daar een roestluchtje, dat verdwijnen zal als de machine wat meer

gebruikt zal worden en alzoo zichzelve glad maken en houden. Wat de

beweging betreft, men had ze niet onaangenamer bevonden dan die van

een oude waggon op een niet al te besten spoorweglijn, en gij zult

mij toestemmen dat men, sedert de roekelooze verwaarloozing der

trekschuiten, wel nergens ter wereld op iets dat veel beter zoude

kunnen zijn, rekenen kan. De eerste passagiers van de _Pneumatische

Expeditiebuis_ waren dan ook ten eenemale voldaan; de Hertog van

Buckingham gaf zijne hooge tevredenheid onbewimpeld te kennen;

de aandeelhouders in de onderneming betoonden zich ondubbelzinnig

in hun schik; en het gevolg van den proefrit is geweest, dat men

besloten heeft het onderaardsche Londen zoo spoedig mogelijk van

een Schietblaasbalg-net te voorzien, zoo volkomen, dat daardoor alle

bovenaardsche spoorwegstations en markten en postkantoren onderling

vereenigd zullen zijn. Met 35 Engelsche mijlen aan buizen en een

kapitaal van vijftien millioen Hollandsche guldens is dit te doen. [37]

Bij mijn eerstvolgend bezoek aan Engeland, hoop ik mij met eigen oogen

te gaan overtuigen hoe ver men gevorderd is. Maar hoe zeer zoude ik

wenschen u daarbij aan mijne zijde te hebben, waardige man! tot nog

toe niet erkende, maar daarom niet minder hoogst verdienstelijke

Uitvinder van hetgeen bestemd is zoo krachtig bij te dragen tot de

oneindige eer onzer zoo bewonderenswaardige eeuw! Denk er eens over,

Rietheuveltje! Gij zijt wel hoog bejaard, maar zoo ik verneem nog

krachtig genoeg. Voor zeeziekte behoeft gij, bevaren Schipper! wel

niet bang te wezen, en de zaak heeft voor u een belangrijkheid, als

voor niemand anders. Maar als gij het doet, gij kunt er stellig op

rekenen dat er alle werk van gemaakt zal worden om u aan den Hertog

van Buckingham en, door dezen, aan de Koningin te doen voorstellen,

en als gij besluiten kondt u te laten angliseeren, ik zie niet waarom

er met zoo wel een _Sir_ Derrick Reedhill zou kunnen gemaakt worden,

als er een _Sir_ Joseph Paxton gemaakt is.

Hoe het indertijd met die der Trekschuiten is gegaan, weet ik niet;

maar alle groote uitvindingen hebben dit bijzondere gemeen, dat

zij meer dan eens, en niet zelden in verschillende landen, òf te

gelijkertijd, òf op onderscheidene tijden, hebben plaats gehad.

Dit is met het Kompas, met het Buskruit, met de Drukkunst, de

Gasverlichting, en ook met het gebruik van den Stoom als beweegkracht

geschied. Menigmalen gaat het zooals het hier gegaan is. Een genie

als het uwe vindt iets uit, voor de menschheid van het hoogste

gewicht. Maar die menschheid is op dat oogenblik de uitvinding nog

niet waardig; zij is voor de weldaad, welke deze in staat is aan te

brengen, nog niet rijp. Zij beschouwt die uitvinding als een aardig

denkbeeld, een zonderbaren inval, een grap, indien maar niet, zooals

met den eersten uitvinder van het stoomgebruik het geval geweest is,

als een gewrocht van onzinnige hersenen! Eeuwen of, in ons geval (wij

leven in deze onze 19de eeuw zoo snel) tientallen van jaren moeten

verloopen, eer een tweede genie opstaat, gelukkiger dan het eerste, om

de uitvinding te herhalen of weder aan den dag te brengen, en nu alles

gereed te vinden om haar op te nemen en haar een heilrijk succes te

doen te beurt vallen. En terwijl de wereld vervuld is van het gedruisch

dat zij bij deze hare tweede verschijning maakt, en schatten en

eereteekenen hun toevloeien die het geluk mogen smaken haar metterdaad

in werking te brengen, ligt de eerste vader (de grootvader!) van het

vruchtbare denkbeeld reeds sedert lang te vermolmen in een vergeten

graf, of brengt, als gij, mijn beste Rietheuvel! onder den titel van

emeritus-veerschipper, het overschot zijner dagen, met een allerkarigst

pensioentje, in een buurt als het Levendaal door, en heeft niemand die

hem op de rijke denkbeelden van zijnen eertijds zoo machtigen geest

en hunne gelukkige verwezenlijking door anderen, opmerkzaam maakt,

dan zijnen hem altijd in liefde gedenkenden vriend

Dec. 1865. _Hildebrand_.

P.S. Vóór het sluiten dezes verneem ik nog, dat ook reeds de Pruisische

hoofdstad Berlijn van een _Schietblaasbalg_ voorzien is.

Camera Obscura · 第 63 / 64 题