DE NOORDHOLLANDSCHE BOER.

Kom op een vrijdag voormiddag in het kaasseizoen te Alkmaar! De meer

dan zeventig dorpen, die rondom de Noordhollandsche metropolis liggen,

hebben hun contingent geleverd. Beemster, Purmer, Schermer, Waard

hebben zich leeg geschud in het kleine, nette stadje. Al de straten

die in een poort eindigen, en vooral de zoogenaamde Dijk, een breed

plein binnen de stad, staan vol van hun geel en groen afgezette wagens,

op het krat beschilderd met bloempotten, krulletters, gedichten. Al de

stallen rooken van den damp hunner paarden; al de bierhuizen en kroegen

dampen van den rook hunner pijpen. Al de scheerstoelen prijken met

hunne ingezeepte aangezichten. Waar gij komt: bij den tabaksverkooper,

in de koomenij, in den pottewinkel, bij den schoenmaker, die alle

dubbel hebben uitgestald, bij den notaris, den advocaat, den dokter,

en ten huize van de duizend en een dijkgraven en penningmeesters van

polders, overal ontmoet gij een boer. De een zoekt er den burgervader

van zijn dorp die, van Alkmaar uit, de belangen zijner kinderen het

best behartigen kan; de ander haalt bij den smidsbaas een recept voor

een ziek paard, dat deze nooit anders dan gezond gezien heeft. Dat

Alkmaar, al de overige dagen van de week zoo stil en levenloos, dat

het een stedeken schijnt opzettelijk vervaardigd voor begrafenissen;

een gissing, waarin de bijzondere kosten aan de begraafplaats

besteed een iegelijk versterken moet die ze zich verstout; is nu

aan een van gewemel en gegons vervulde bijenkorf gelijk. Inderdaad

zijn hier de bijen bijeen, die uit de Kenmersche en Westfriesche

boterbloemen haar honig en was zuigen.--De Langestraat--een straat,

die haar naam van de familie _De Lange_ schijnt te ontleenen welke,

beurtelings met elk der letters van 't A B C gequalificeerd, op drie

vierden der deurposten prijkt--is van boeren en boerinnen vervuld;

de laatste in lange "reeken" bijeen, de stoepen der goudsmeden op-

en af drentelende, of de koekwinkels in- en uitstroomende, in luid

gesprek, lachende met groote monden, en zich op de knie kloppende

bij iedere nieuwe uitbarsting van boerinnegeestigheid.

Maar de grootste drukte is op het Waagplein, waar de kleine gele

kazen bij duizende ponden op uitgespreide en met het naamcijfer

der eigenaars gemerkte zeilen nederliggen.--Al wat gij hier ziet,

moet vóór klokslag van tweeën verkocht zijn. Na dat uur mag geen

koop meer worden gesloten, en geen boer wil of kan zijn kaas weer

meenemen. Hij _moet_ ze verkoopen, even zeker als de kooplieden uit

de eerste hand haar _moeten_ inslaan. Den hoogsten prijs te maken is

een kunstje, dat menig boer, die er vrij dom uitziet en 't op alle

andere punten in geen geringe mate _is_, uitnemend verstaat. Aardig

is de gemaakte toorn, waarin geloofd en geboden en waarmede de koop

eindelijk gesloten wordt, alsof de beide partijen elkander met grimmige

gezichten wijs willen maken dat het bloed er uit moet.--Maar nu komen

de kaasloopers in hun witte pakken en met hun gele, groene, en roode

hoeden, op hun onveranderlijk sukkeldrafje, en brengen den verkochten

stapel op burries waar hij heen moet, in een schip, of in een pakhuis.

Zie hier nu de levenskracht van Noordholland. Het is niets anders

dan deze kaas, die het verdedigt tegen de woede der zee, die het een

groen land doet zijn en blijven die al Noordhollands schoorsteenen

rooken doet.--Wilt gij weten of het den boer welgaat? Zoo verneem

naar den prijs van de kaas.--Vraagt gij of het armenzakje het des

zondags gewaar wordt dat de vrijdag voordeelig is geweest? of de

landheer het merkt, dat de kaas het geheele jaar door "praizig"

was?--Antwoord: Neen.--Goudsmeden en koekebakkers merken het al zoo

goed; boerekermissen, de Alkmaarsche kermis, floreeren er van. Want

de vrouw houdt van opschik en zoetigheid, en de man weet grof geld te

verteren als hij uit is voor zijn pleizier. In dit regenjaar 1841,

is het hooi bitter slecht uitgevallen, maar toen de kermisklok te

Alkmaar geluid had, kwamen er niet minder sjeezen en wagens om binnen,

langs alle wegen en door alle poorten, beladen met boeren en boerinnen,

die er zich den witten wijn en den rooden met suiker en al wat verder

tot opscherping der levensgeesten ter tafel kon worden gebracht,

en de pontekoek daarbij, niet minder om lieten smaken dan in eenig

vorig jaar; en het paardespel daverde niet minder afgrijselijk van

hunne onbepaalde bewondering voor de edele kunst der halsbrekerij

en de onovertreftelijke grappen van den clown die omvalt als een

stok.--De klachten--werden "tegen korstijd" voor den landheer gespaard,

om ZEd. in rekening te valideeren.

Het echt oud Noordhollandsch boerentype verdwijnt langzamerhand,

of wijzigt zich, zooals alle typen. Op deze Alkmaarsche kaasmarkt,

vindt gij het in allerlei schakeeringen. Dit oude kereltje, wiens

vroolijke oogen, ruim zoo goedlachs als zijn mond, uitkijken onder den

breeden rand van een rondbolligen hoed, dien hij met een pijpesteeltje

op zijn hoofd vastschroeft tegen den wind, is het oudste type. Een

smal gevouwen rood katoenen dasje is met gouden knoopjes om zijn

hals vastgemaakt. Een lang bruin wambuis met één rij groote knoopen

op nonactiviteit (haken en oogen doen den dienst) hangt hem tot over

de heupen. Zijn korte broek acht het gebied over schenen en kuiten

harer onwaardig, en laat het geheel over aan de grijze kousen die in

dikke schoenen met zware zilveren gespen eindigen.--Zoo wandelen er

hier nog enkele rond, met lange geschilde stokken in de hand, die hen

tot de kin reiken.--Mijn bestek verbiedt mij al de tusschentypen te

beschrijven;--maar wilt gij het jongste zien? Hier is het. Een blauw

buisje met een fulpen kraag, dat hem tot even onder de schouderbladen

reikt,--de rest geheel pantalon, pantalon van groen fluweel; een wollen

das, rood, groen en geel gevlamd, om den hals, en naar verschil van

gelegenheden, een grooten, hoogen, breed opgaanden, veel omvattenden

hoed op 't hoofd, of een bontharige pet, met de klep, naarmate van

regen of zonneschijn, in de oogen of in den nek gedraaid.--Tien tegen

een, dat het oudste type een vroolijke praatvaar, en het jongste een

stugge, stijve, achterdochtige houten hark van een vent is.

Te markt gaan is de voornaamste bezigheid van den Noordhollandschen

boer. Hij is eigenlijk een koopman en beheerder van zijn

bezittingen. Dat is al. Zijne zedelijke eigenschappen zijn meer

negatief dan positief. Vraagt gij of hij een ijverige kerel is? Ik

antwoord: "Hij past op zijn spul". Vraagt gij of hij geregeld

leeft? Antwoord: "Hij drinkt alleen op marktdagen en kermissen". Is

hij een ophakker en een smijter? "Nooit als hij nuchteren is". Is hij

eerlijk? "Hij melkt geen andermans koeien uit". Is hij barmhartig? "Hij

is goed voor zijn beesten". Heeft hij zijn vrouw lief? "Der is geen

beter keezer". Bemint hij zijn kinderen? "Ze krijgen dikke stukken"

(boterhammen), "en de miester mot ze niet an 't hoofd sleen". Is hij

godsdienstig? "Hij gaat getrouw ter kerk".

Zijn ideaal is te wonen op een eigen boereplaats, in een gedeelte

van den polder, waar hij de wijde vlakte rondom zich heeft, zonder

iets dat zijn vergezicht afbreekt, en geen andere meiden of knechts

na te houden dan zijn eigen kinderen. De afgoden van zijn hart zijn

een mooi zwartbont beest met volle uiers, en een jong paard voor een

blinkende boeresjees met vergulde wielen. Als hij, op dat luchtigste

en sierlijkste van alle ouderwetsche en nieuwerwetsche rijtuigen,

met zijn opgeschikt wijf naar een boerekermis rijden mag, en het

gelukt hem, door middel van zijn paard (de zweep gebruikt hij zelden)

afgrijselijk in den bek te trekken, zijn evenmensch voorbij te rijden,

dan smaakt hij een genoegen, waaraan de Abstwouder boer niet gedacht

heeft, toen hij zich zoo opwond over:

"Appels enten, peereplukken,

Maeien, hooien, schuur en tas

Stapelen vol veltgewas;

Schaepescheeren, uiers drukken",

en wat dies meer zij.

1841.

Camera Obscura · 第 61 / 64 题