Een flink wijf is _Gees Riek_, rijzig, kloek en welgemaakt. Haar
aangezicht blinkt van dat frissche rood en dat glanzige wit, hetwelk
aan de Westfriesche vrouwen eigen is, waarbij als zij "op 'er Zundags"
zijn, het snoer van bloedkoralen, groot als knikkers, zoo helder
"ofspeurt" (afsteekt). Ik verzeker u dat zij die niet bleekdragen,
en _Gees_ allerminst. Ieder vindt dat de kap haar goed staat op dat
glad, wit voorhoofd, bij dat kleine rechte neusje, die kleurige wang,
die groote blauwe oogen, die zachte ronde kin, dien blanken hals! Het
eenig gebrek van haar schoonheid, een gebrek dat zij met de meeste
Noordhollandschen gemeen heeft, is haar gebit, bedorven door zoetekoek
en oneindig veel slappe koffie. Gij vraagt wat voor kleur van haar
zij heeft. Niemand weet dat. Het is tot den wortel afgeschoren; daar
komt geen lokje voor den dag. Haar wordt een onwaardig versiersel
gerekend, waar men een gouden naald over 't voorhoofd, een goud ijzer
(vergeef de tegenstrijdigheid der benaming) over de ooren, een paar
gouden boeken aan de slapen, en een paar gouden spelden daarnevens
draagt, en men er bij wagen zoude, dat de kap, de mooie, heldere,
spierwitte, zorgvuldig gestrekene kap, niet glad zou zitten.--Maar wat
is dan dat zwarte dotje, dat bij de gouden boeken uitkomt? Het is een
kleinigheid valsch haar, onbescheiden vrager! aldaar aangebracht als
eene verontschuldiging voor het afscheren van eigen; of nog liever,
als een wetenschappelijk bewijs dat de Noordhollandsche boerin, zoowel
als al wat papillotten legt, friseert en brandt, zeer wel weet, dat
er tot dat opzichtig gedeelte van 't menschelijk lichaam, hetwelk
het hoofd heet, haar behoort. Alle boerinnen dragen dit toertje;
het is een ingehaald krulletje, dat de staart in den bek steekt,
van zwart haar. Blond is bij allen verafschuwd.
Als gij al de bijzonderheden van haar uitwendige persoon behoorlijk
hebt opgenomen, begeef u dan tot de beschouwing van haar innerlijke
waarde.
Daar staat zij nu die, na zijn beesten, het hoogst staat aangeschreven
in de schatting van _Dries Riek_, haar welbeminden echtgenoot. Ik zeg,
na zijn beesten. Want als zijn beesten sterven, kost de inkoop van
andere geld; een vrouw is omniet terug te vinden, en brengt mogelijk
nog wel een stuivertje mee. Misschien wel zoo'n beste _keezer_
niet--maar een mensch moet wat wagen,--in de koeien zit hij _ook_
niet! 't Kan goed en kwalijk uitvallen; da's aventuur."
De bestemming der Noordhollandsche boerin, als zoodanig, is _keezen,
keezen_, altijd _keezen_, is bestendig te zorgen dat de melk, die 's
ochtends en 's avonds na "melkerstaid" wordt binnengebracht, de deur
niet uitga dan in de gedaante van goede, gezonde en niet barstende
kaas. En dat geeft haar dagelijks zoo veel werk, dat men niet weet
hoe zij den tijd vindt om kinderen te krijgen. Nochtans krijgt zij
ze in groote menigte. Maar ook, als het "puppie" (de pasgeborene)
een dag of drie door de buren is "gekeken", en in deszelfs bewonderde
tegenwoordigheid het betamelijk aantal suikerstukken (beschuiten met
suiker) gegeten werd, verlaat zij de kraamkamer alweer, en begeeft
zich oogenblikkelijk aan de kaastobbe.
Indien gij zindelijkheid zien wilt die het hart goed doet,
kom dan haar boerderij binnen. Het is hier niet de Zaansche en
Broek-in-Waterlandsche kleingeestigheid, die op muilen rondsluipt en
alle meubelen en huisraad spaart, wrijvende, poetsende, en gladmakende
wat zij niet zou durven gebruiken; maar een heldere reinheid, die
altijd wascht en schoonhoudt en blinken en glanzen doet, temidden
van het veelvuldigst, het onophoudelijkst gebruik. Zie deze lange
rij van ter halfmanshoogte afgeschotene appartementjes, over bijna de
geheele lengte der boerderij; de beschotten en posten alle spierwit, en
blinkend koperwerk daartegen opgehangen; den vloer met zand bestrooid
en in figuren aangeveegd. Gij zoudt er met uw besten rok in gaan
zitten. Echter zijn dit dezelfde plaatsen waar des winters de beesten
staan. Uit de groep (goot), die er langs heen loopt, zoudt ge immers
melk lusten! Maar zie nu de karn, de kaastobbe, de pers, de kuipen,
de doeken, de koppen waarin de kaas haar zout en haar vorm krijgt:
het is alles even zuiver en lekker om aan te zien. Het hout is ruw en
het koper glad van 't schuren. En _Gees_ zelve! laat zij vrijelijk
voor uw oogen met haar blooten dikken arm in de melktobbe roeren,
waarin zij het stremsel gegoten heeft,--de kaas zal er u niet minder
om aanstaan.--(Het is heel wat anders, een Noordhollandsche boerin,
of een keukenmeid op een stoomboot!)--De kleine kinderen, ziedaar het
eenige dat vuil is. Maar ze rollen ook den geheelen dag met de kleine
honden op de werf in 't zand. Binnenshuis is hun grondgebied geenszins,
dan om te slapen en te eten. Allerminst in dat gedeelte der woning,
waar de kaas gemaakt wordt. Daar is de boerin alleen. Maar als de
melk thuis komt, ontwaken in onderscheidene hoeken der boerderij:
een cyprische kater, een witte poes, een zwarte en een roodbonte kat
uit hun dutje en komen, nog rekkerig en geeuwerig, op de emmers aan,
waartegen zij zich op hunne achterpooten verheffen, gelijk geleerde
kermishonden om een trom, en zulks, zindelijk als deze dieren zijn,
om met hun zindelijke tongen het hun toekomend gedeelte van de melk
af te roomen, en daarna hun zoete droomen wederom op te vatten, op
de plaat, op een warme stoof, en in 't kozijn van een venster daar
de zon op staat.
_Gees_ is goedhartiger, spraakzamer, en een weinig minder eigenzinnig
en bevooroordeeld dan haar man, met wien zij nooit kijft dan in 't
geval dat hij den hoogsten prijs niet voor de kaas gemaakt heeft,
die haar teedere handen bereid hebben. In haar jonge jaren was zij
vrij luidruchtig als ze eenmaal losraakte, maar op den duur zou men
het haar niet hebben aangezegd. Zij had vele aanbidders, waarmede
zij, naar 's lands wijs, beurtelings kermis hield, zonder hare keuze
te willen bepalen en zonder dat het eenigszins tot gevolgtrekking
leiden mocht. Haar echtvriend heeft haar een beetje bij verrassing
genomen. Zij betuigt een goed man aan hem te hebben en zou hem niet
graag missen. En aan die waarheid moet gij niet twijfelen, al verneemt
gij dat zij, bij eventueel overlijden van haar _Dries_, binnen 't jaar
met haar knecht trouwt, een "jong borst", dien zij er nooit op heeft
aangekeken, bijna zoo oud als haar oudste zoon,--niet omdat _zij_
volstrekt een man, maar omdat de boerderij een boer moet hebben.
De wijze nu, waarop _Dries Riek_ zijn _Geesje_ vrijde en trouwde was
een recht staal van Noordhollandsche zeden en, uit zijn eigen mond
opgeschreven, aldus:
"Dinsdag anësniejen, vrijdag anëteekend. Je zelt zeggen: hoe dat zoo
haastig? Maar we waren met zijn drieën jonge borsten vrijgezel, en we
hadden mekaar der de hand op 'geven; die 't lest trouwt, die zel 't
gelag betalen. Nou, den iene van ons die was al weg, met de Franschen,
weetje; daar hebben we nooit meer van 'hoord. Doodgeschoten, wil ik
denken, deur de kezakken. Maar zaterdag hoor ik, dat me broer--die
was dan eindelijk de derde man, verstaje!--trouwen gong. Ik denk,
jonges! 't gelag betalen, en gien waif; dat geet niet an. Nou,
's zundags gong ik er op uit, hoor; maar ik wier gesteurd. Deer ik
_toe_ kwam, was gezelskap; dat kon 'k al hooren, weetje, buiten de
deur. 'k Docht, nien! deer pas ik niet. Maar dinsdag; toe vond ik er
iene. En toe kreeg ik 't klaar. Ze kon me wel; maar toch alevel, dàt
had ze niet 'docht. En ik trouwde net met me broer op dezelve dag;
gnap hoor--Och heer! de witkoppen"--daarmede het schoone geslacht
bedoelende--"de witkoppen te bedotten, _da's_ geen duit weerd. Altijd
'en best waif der an 'ehad. En keezen! ze ben der geen beter."