"Morgen!" zegt de jager en hij steekt zijn groen gemutst hoofd om 't
hoekje van de deur der woning, waarin de boer en de boerin met acht
à negen kinderen, twee knechts en een meid hun ochtendstuk zitten
te gebruiken.
"Morgen, _Arie_!" roept de boer, terwijl de roggebroodskruimels, die
hem bij deze begroeting uit den vollen mond vallen, door den jachthond
worden opgesnuffeld. "Rais opsteken?"--"Twaalf blaadjes!" zegt de
jager, zich op de stalling nederzettende en een pijpjen uit zijn pet
krijgende, terwijl hij het geweer tusschen de beenen houdt, waarvan
de boerin de oogen niet af kan houden.
"'t Staat in de rust, moeder!"--"Nou ja, _Arie_; da's goed; maar een
mensch is er toch altijd skrimpeljeuzig van!"
"Heb je der al gevangen, _Arie_?" vraagt de boer. De boeren noemen
het _vangen_.
"Twee _Krelis_-oom, twee; ik heb ze zoolang bij _Sijmen_ neergeleid."
"Nou," merkt de vrouw aan, "ik denk dat _Arie_ der al menig ientje
'hikt het."
"Ik wou ze wel rais bij mekaar zien," zegt de jager. Jagers hebben
altijd het heimwee naar een dal _Josaphats_ van het door hen geschoten
wild.
"Zie je der hier nogal?" vraagt hij verder.
"_Ik_ bespeur ze zoo niet," zegt _Krelis_, "maar hier me _Piet_,
die ziet ze nogal dik."
"Gisteren avend," zegt _Piet_, een opschietende knaap, de oudste van
_Krelis_-oom, die met een wensch in de oogen beurtelings den jager
en de weitasch en het geweer heeft aangekeken; "gisteren avend ging
er temet ien tusschen me bienen deur. Een dikke, hoor."
"Mag de jongen rais meeloopen?" vraagt _Arie_ aan _Krelis_-oom.
"Nou ja", antwoordt deze: "'t zel wel lukken."
_Piet_ verslikt zich haast aan de laatste korst van zijn roggebrood
met kaas. Een taaie sliet wordt uit den dorsch te voorschijn gehaald,
en pols en polsdrager zijn geïmproviseerd.
Zoodanig is de wording van den polsdrager; maar nooit was een schepsel
ter wereld dankbaarder voor zijn bestaan; geen begunstigde slaaf kleeft
zijn meester getrouwer aan dan de polsdrager den jager. Hij verlaat
zijn zijde niet. Hij springt den jager vóór over alle slooten en klimt
hem over honderd dijkjes na; hij wandelt met hem het jachtveld met
vermoeiende ziegezagen af; hij staat, als de hond staat, en apporteert
als de hond apporteert. Spreekt de jager: hij hangt aan zijne lippen,
bezield met het onbepaaldst geloof. En niet licht zijn de proeven,
waarop hij in dezen gesteld wordt. Geen grooter leugenaars dan
schaatserijders en jagers, zegt men wel. Maar wat wondergeschiedenissen
deze laatsten ook mogen opdisschen; van zes hazen geschoten op één
stuk, van twee watersnippen in één schot in den donker; van hazen,
die op één looper nog een gezicht ver wegliepen; van andere, die
met uitgeschoten oogen tegen den hond insprongen; van hoenders die
ronddraaiden, neervielen, weer opvlogen, weer ronddraaiden, en nog reis
neervielen; van arenden die op den hond gingen zitten, en roerdompen
die met den laadstok wegvlogen: de polsdrager trekt geen enkele dezer
groote gebeurtenissen in twijfel; de jager in het algemeen is zijn
orakel, zijn afgod; het valt hem niet in dat er mogelijkheid bestaan
zou van eenige opsiering, eenige vergrooting bij 's mans verhalen; en
in 't bijzonder houdt hij _dien_ jager, met wien hij op dat oogenblik
jaagt, voor den grootsten van alle jagers, den Nimrod Nimrodorum. Ja,
zelfs, indien er iets vergroot moet worden, hij is de eerste om den
jager die moeite te besparen, wanneer hij hem al de verhalen, die hij
zich van hem herinnert, nogmaals te binnen brengt, en zich nogmaals
doet mededeelen. Schiet de jager raak: de polsdrager, schoon hij niets
gezien heeft dan wat vuur en rook, heeft het haas driemaal over den
bol zien buitelen; is het haas vrij: de polsdrager beweert dat hij
er de wol bij vlokken heeft zien afstuiven. Gebeurt het een enkele
maal; het gebeurt _nooit,_ zweren jagers en polsdragers; maar het zou
toch kunnen zijn; na een ongelukkige jacht; met sneeuw aan de lucht;
tegen het sluiten;... dat er een haas ... _meegenomen_ moet worden,
die--op de grensscheiding van een privatieve jacht ligt,--kortom! om het
hatelijk woord dan maar te zeggen,--in 't leger moet worden geschoten,
ofschoon er dan ook strikt genomen een pols en een polsdrager is om
hem te doen rijzen ... Poef! de lepels hebben zich niet boven het
gras opgeheven--hij ligt al te trekken--
"Net toen hij oprees," zegt de jager.
"Je was der gouw bij", zegt de polsdrager, "hij was je haast te
gouw of."
"Een ander zou 'em in het leger geschoten hebben!" zegt de jager.
"Dat loof ik er ook wel van," zegt de polsdrager; "hij zou aars net
het dijkie overëwipt hebben toen ie 't beet kreeg."
De polsdrager spreekt aldus, niet uit beleefdheid of uit laagheid,
maar uit volle overtuiging.
"Een mooi haas," zeit de jager, daar hij den armen drommel met een
klap in den nek afmaakt. "Een mooie rammelaar".
"Een mooie rammelaar," echoot de polsdrager.
"Ik zei 't je ommers wel, dat er op dit stuk ien raizen zou?" herinnert
de jager.
"'t Is waar ook," antwoordt de polsdrager, schoon de jager de woorden
niet van zijn lippen heeft laten komen. "Je zag het vast an den hond?"
"Neen!" zeit de jager, die (let wel!) nimmer des polsdragers
venatorische gissingen goedkeurt, "dat niet."
"Had je 'm dan 'speurd in 't slik an den dam?"
"Ook niet!" herneemt de jager met groote wijsheid; "maar daar was
daareven ommers een voedster opëgaan."
"Was dat een voedster, _Arie_, die je misschoot?"
"Misschoot?" vraagt de jager met verontwaardiging. "Hij had hagel
genoeg. Je zelt 'em morgen wel vinden...."
En de polsdrager is den anderen dag op dat stuk, om den aan de
gevolgen zijner wonden overledene te zoeken; en indien hij hem
niet vindt--stroopers moeten er vóór hem geweest zijn om hem weg
te halen, een wild dier hem hebben verslonden, of wel, medelijdende
natuurgenooten zullen hem, daar zij hem vonden, wentelende in zijn
"zweet" (d.w.z. bloed), op hun rug hebben, weggedragen, tot dicht bij
de naaste eendekooi, waar hij, onder bescherming van het kooirecht,
den adem rustig heeft kunnen uitblazen, aan het ruige kantje van een
kille sloot, wel overtuigd dat het hem niet aan hagel ontbroken heeft.