Telken jare, in den beginnne van het jaar, wordt het Haarlemsch
straatpubliek onthaald op het voortreffelijk gezicht van een vijf- of
zestal jonge reuzen, welke, met een ouden reus aan 't hoofd, langs de
straten worden gezien, vooral op de hoogte van het Gouvernementshuis en
den Doelen, waar zij door straatjongens met even veel belangstelling
worden aangegaapt en nageloopen als een bedelende Poolsche Jood met
langen baard en spitse muts of, omstreeks den kermistijd, een Parijsche
Armeniër met geparfumeerde kleederen en gebloemden tulband. Het
personeel der jonge reuzen verandert jaarlijks, daar er bij dezen
optocht geen andere geduld worden dan die hun achttienden verjaardag
gevierd hebben en hun negentienden nog niet hebben beleefd. Maar de
oude reus, die aan 't hoofd stapt, is en blijft dezelfde en wordt
slechts met ieder jaar een jaartjen ouder. Deze reuzen zijn alle
volmaakt op dezelfde wijze gekleed. Zij dragen (om te beginnen met
hetgeen het meest in 't oog loopt) ontzettend wijde korte broeken,
met diepe zakken waarin zij hun handen bestendig verborgen houden, en
nauw om 't lijf sluitende wambuizen, waaronder zich een dichtgeknoopte
damasten of blauwkatoenen borstrok, naar gelang van den geldelijken
toestand des eigenaars, vertoont. Buis en broek zijn van een grove
bruine stof, geen laken. Op het kleine hoofd voeren zij een lagen,
breedgeranden ronden hoed om, en hunne dikke kuiten zijn omkleed
met grijze kousen. Hooge schoenen bedekken hunne groote voeten. Als
versierselen van weelde dragen sommige, en althans de oude, kleine
ronde gouden of zilveren knoopjes in de roodgeruite das, aan de
hemdsmouwen, en vóór in de broek. Het uitzicht dezer reuzen is
niet kwaadaardig. Zij hebben knokige, vooruitstekende voorhoofden
en jukbeenderen, waartusschen hunne vriendelijke lichtgrijze oogen
verborgen liggen; breede monden; kleine witte tanden, en dunne haren
van de echt Celtische kleur, die bij den ouden reus reeds eenigszins
beginnen te verbleeken. Zooals zij zich daar op Haarlems straten
vertoonen, maken zij uit het contingent van het eiland Marken voor
de nationale militie, met den Edelachtbaren Heer Burgemeester van
datzelve eiland aan 't hoofd.
Kent gij het eiland Marken? Het levert het doorslaandst bewijs
dat soberheid en ontbering de kloekste menschengeslachten kweeken
en in stand houden. Marken is, zou men zeggen, een hoop slijk in de
Zuiderzee; meer niet; hier en daar een weinig gras voor een enkel mager
paard, en voorts geen plantenleven dan een steel of wat lepelblad,
tegen de scheurbuik. Op Marken geene schaduw van een enkelen boom. Op
Marken geen schijn of zweem van eenigen oogst. Op Marken zelfs geen
bakker. Het brood dat het reuzengeslacht, hetwelk op dien moddergrond
tiert, eet, wordt in Monnikendam bereid; en als de veerschuit, die
het dagelijks aanbrengt, de slechte haven niet binnen kan loopen,
hongeren de reuzen. En toen heeft zich aldaar het waarachtig type
onzer oudste voorouders bewaard, in die mannen van meer dan zes voet,
met schouders als Atlassen en goudgele lokken; en de nieuwsgierige,
die den voet onder dit eenvoudig visschersvolk zet, vindt er de huizen,
de gewoonten, de zeden, de begrippen van voor twee eeuwen; ofschoon
het niet te ontkennen is, dat de lichtingen voor den krijgsdienst,
en het verval der groote en kleine visscherijen, dat den Markenaar nu
ook tot een ansjoviszouter maakt, hem eenigszins uit zijn afgesloten
kring hebben gerukt. Ik voer er heen met een zeventigjarig grijsaard
aan 't roer, die zoo vast aan spoken en toovernaars geloofde als
aan de Heilige Drieëenheid. Ik hoorde er een godgeleerd gesprek,
waarin van Voetianen en Coccejanen werd gesproken op eene wijze, alsof
die twisten nog aan de orde van den dag, alsof de heeren Voetius en
Coccejus, in blakenden ijver, nog alle dag te spreken waren. Ik zat
er in de burgemeesterswoning mijn kleeren te drogen bij een vuur,
waarvan de rook geen anderen uittocht had dan door het dak. En toch
werd mij ook aldaar de keus gegeven tusschen een glas Parfait Amour,
of een glas Rose sans épines, naar welgevallen, en de man verhaalde
mij, dat hij er "den Gouverneur spuutwien" (zoo noemde hij champagne)
had "voorgezet", toen ZEx. hem, op zijn toer langs de eilanden,
bezocht had. Ik moet hem evenwel het recht doen van te verklaren,
dat hijzelf zoo min het een als het ander met de aanraking zijner
burgemeesterlijke lippen verwaardigde.
Verwonderenswaardig is de hoogte der bedsteden, waarin dit reuzenvolk
den zegen des slaaps geniet. Het zijn een soort van torens, welke zij
met verscheidene trappen beklimmen. Indien gij echter hunne woning
beschouwt, en van een dezer groote zwaluwnesten, tegen den zolder
opgehangen, de gordijnen ziet opengeschoven, en uw oog stuit op een
hoogen stapel kussens, waarvan de sloopen op een zeer eigenaardige en
alleen Markensche wijs zijn bewerkt en waarover een keurige sprei ligt,
op dezelfde wijs bestikt, zoo waan niet dat daar de plaats is, waar
de Titan zijne Titane in de armen zinkt. Het is het pronkbed. Want
ook hier wordt gepronkt. Dat getuigen bovendien alle de wanden der
armelijke hut, niet minder blinkende van gedreven koperen schotels,
dan de poffertjeskraam der beroemde firma _Spandonk_.
Maar gij verbaast u, als gij dit eiland in zijne lengte en breedte
doorwandelt, ja zelfs de huizen binnentreedt, geene vrouwen te
zien. Geen wonder; zij zijn volkomen menschenschuw en vluchten op den
aanblik van een vreemdeling. Zoo gij er echter eene enkele te zien
krijgt, zult gij bemerken dat zij een paar hoofden kleiner zijn dan
de mans en zelden uitmuntende in schoonheid. Zij dragen witte kappen,
waaruit het vóórhaar in twee lompe, onbevallige, niet krullende vlokken
langs haar aangezicht valt. Haar jak en rok zijn van grove stof,
en op de borst spelden zij een witten doek, al wederom op Markensche
wijze bestikt. Het jak is meestal veelkleurig, en wel zoo, dat het
van achteren anders is dan van voren; doorgaans toonen de Markensche
vrouwen een rooden boezem en groenen rug, of omgekeerd. De kinderen
hebben geen ander speelgoed dan een tamgemaakte zeemeeuw, die zij
een ijzeren ring om den hals doen dragen. Wat hun voorkomen betreft:
gij moet ze niet beoordeelen naar het proefje, dat daarvan op de
laatste kermissen is te zien geweest, toen gij u, tot uw uiterste
verbazing, eenige honderden ponden gevormd menschenvleesch, op naam
van een zuigeling van drie maanden, zaagt voorstellen. Het toonde
u echter wat de natuur op Marken vermag, en welk een voedzaamheid
de Markensche moedermelk bezit; weshalve ik alle Monnikendamsche
huisvrouwen, die wel Markensche dienstmaagden gebruiken, aanraden
zoude zich van Markensche minnen te onthouden.
De koddigste figuur maken te midden van dit ouderwetsch, dit
zeventiende-eeuwsch geslacht, de predikant, de schoolmeester en de
chirurgijn; pygmeeën, bij ongeluk onder deze enakskinderen verdwaald,
en wier meer hedendaagsche kleeding zonderling afsteekt bij die
der landskinderen, die allen orthodox, allen hardleersch, en allen
welvarende zijn.