Een Leidenaar sprak eenmaal Charon aan:
"Ik bid u, bootsman! hoor mijn beden!
Zoo 'k eenmaal in uw schuit moet treden,
Och, laat het zijn bij donkre maan!
Indien 'k mag peuren uit uw bootje,
Krijgt gij de helft van 't waterzootje,
En 'k wijs u bovendien den grond,
Daar ik mijn vetste wurmen vond."
_Studenten-Almanak_ 1836.
Het wapen der stad Leiden vertoont de _sleutels_ van _St. Pieter_. Een
onvergefelijke misslag! Het had zijn _vischnet_ moeten wezen. Het
is de stad der visscherij; óók de academiestad; óók de stad der
egyptische Farao's, óók de stad van bul en bolussen; maar boven en
behalve dat alles, de stad der visschers.--Nader haar van den kant der
Hoogewoerds-, der Koe-, der Witte-, der Rijnsburger-, der Marepoort,
of van welke poort gij wilt: overal wappert u van de leuning der
poortbrug een opgeheschen totebel tegen.--Wandel de Leidsche singels
rond: geen drie boomen zult gij zien, of gij ziet bij den derden een
hengelaar, in das, jas, en gras gedoken, een neuswarmer in den mond,
aan zijn rechterhand een kluit vuil geworden vischdeeg, aan zijn linker
drie of vier zieltogende bliekjes. Bezoek Leiden bij hoog water: gij
zult de lieden van den Apothekersdijk en de Oude Vest op heeterdaad
verrassen, daar zij bezig zijn in hunne voorhuizen de binnengespoelde
stekelbaarsjes te verschalken. Volg Leiden in de vergaderzaal der
Edelmogenden: gij zult het zich met hand en tand zien weren tegen de
droogmaking van het Haarlemmermeer, op grond van het overoud recht
der Stad op een gedeelte van het vischwater.
Als ik echter zeide dat de stad Leiden een vischnet voeren moest,
noemde ik het gepaste, maar het meest gepaste nog niet. Ik sprak
van het net, om bij _St. Pieter_ te blijven; maar zoo gij mij vraagt
wat het eigenlijk wezen moest? Een paar gekruiste hengelrieten, een
paar vischhoeken overkruis. Het is zelden om den visch, dat men te
Leiden vischt; het is om te visschen; en de langzaamste genieting
van dit genot gaat voor de beste. Niet om met een enkelen trek
van de zegen, een tweemaal daags ophalen van een schakel, of met
zethengels, die hun dienst doen terwijl gij slaapt, een macht van
"schubbig watervolk" bijeen te brengen, is het den echten Laienaar
te doen. De zaligheid van het _nop_ hebben, van het zien trillen,
indoopen, onderduiken van den dobber, en daarin, van het zuigen van
een langwijlig aaltje, het leuteren van een zeurig postje aan den
onmerkbaren hoek, is hem genoeg. Katvisch is hem even welkom als
doop- en waterbaars. Katvisch is den Laienaar dierbaar! Al wat aan
den angel bijt en, met bloedende kieuwen en half uitgeboorde oogen,
van den angel kan worden afgescheurd--ziedaar wat hem gelijkelijk
gelukkig maakt.--"Een hengelaar kan geen goed mensch zijn," heeft
Lord _Byron_ gezegd; maar de Laienaar heeft één troost: "'en slecht
minsch die 't zait!" Mij dunkt; ik hoor het hem antwoorden.
Van Engelschen gesproken! zij hengelen met geschilderde vliegen,
om niet bij iedere vangst een _dubbele_ wreedheid te begaan. Wat
zouden zij wel zeggen van de gruwzaamheid, waartoe zich de Laienaar
in staat gevoelt, als hij den peurstok gereed maakt?--_Please, Sir!_
volg mij in deze achterbuurt. Het heet hier De Kamp. Kijk eens, zoo
gij kunt, door dit groene vensterglas naar binnen. Wat ziet gij?--"Ik
zie een vrouw met de haren door de muts, die kleine ronde koekjes
bakt."--Best; van water en meel en een beetje olie. Het is voor de
lui, voor wie een oortjesbroodje te duur is opeens. Het is de vrouw
van den Leidschen Peuëraar. Ziet gij haar man niet?--"_Yes_, die
_fellow_ met een slaapmuts op, in een duffelsche jas?" Dezelfde. Het
is de Leidsche Peuëraar in eigen persoon. Een karakter, dat alleen in
deze stad gevonden wordt. De linkervleugelman van de opgaande linie
van Leidsche visschers. De verwerpelijkste vorm, waaronder zich de
algemeene hengelliefhebberij voordoet. Wat doet hij?--"Hij rijgt
iets aan een touw, dat hij uit een rooden pot haalt; iets langs,
iets smerigs."--Recht zoo! het zijn pieren _Sir_! niets dan pieren,
pieren van het echte soort, met gele kransjes om de koppen. In dien pot
zijn meer dan honderd pieren; en zij worden door zijne nijvere handen
aan een vrij dik snoer geregen, bij den kop in, en bij den staart uit.
Straks zult gij hem van dezen pierenguirlande een soort van kwast
zien maken, niet ongelijk aan het uiteinde van een bloedkoralen
bayadère. Met deze wormenfranje wordt gevischt; dat heet peuren;
en deze zonderlinge passementmaker heet de Peuëraar! _"Horrible,
horrible, most horrible!"_--"Net niet!" zou de Peuëraar antwoorden,
indien hij u verstond, "net niet, jou vreemde stoethaspel, want door
_die_ weg krijgen de (n)alen geen hoek in der gezicht. Zieje wel; je
kent alle dingen tweileidig opvatten."--Het plat Leidsch is leelijk,
en het Leidsch van den Peuënaar is het platste.
Als de maan donker is, gaat de Peuënaar tegen het vallen van den
nacht uit, met een lantaarn onder den arm, en zijn korten peurstok,
waarvan de bovenbeschrevene wormentroetel af moet hangen, in de hand,
de blauwe slaapmuts op 't hoofd, de duffelsche jas aan, klompen aan
de voeten, een "paip in zen hoofd". In zijn zak berust een groote
flesch jenever, en in zijn tabaksdoos bewaart hij een briefje, waarin
de commissaris der Politie van Leiden getuigt dat de daarin genoemde
Peuëraar geen schelm is, en misschien wel geen hout kapen zal, al komt
hij met zijn schuitje wat dicht onder een zaagmolen. Zoo wandelt hij
naar het een of ander kroegje, waar hij volgens afspraak een anderen
Peuëraar vindt en, na nog gauw "voor drie cintjes" genomen te hebben,
begeven zich de collega's naar hun gemeenschappelijk schuitje, een
klein platboomd vaartuigje, dat zij met riemen en een gerafeld stuk
doek, onder den geüsurpeerden titel van zeil aan een stok opgestoken,
in beweging brengen. Zooras men een goede ligplaats gevonden heeft,
wordt het zeil gestreken, het anker geworpen, een rietmat tegen den
wind opgezet, en het peuren neemt een aanvang. Het is een aesthetisch
ding. Alles komt hier aan op het gevoel. De kunst van peuren bestaat
in het zachtjes op en neder bewegen van den peurstok, waardoor de
verlokkelijke wormenfranje in een gestadige onrust is. En telkens als
des Peuëraars fijngevoelige vingertop--neen! als zijn _hart_ hem zegt
dat hij beet heeft--slaat hij op, en het verschalkte aaltje spartelt
in de schuit. En zoo ras het vischwater daar ter plaatse is uitgeput,
wordt het zeil geheschen en een andere ligplaats opgezocht. Zoo dwalen
de Peuëraars over Rijn, Zijl, Leidsche vaart, Haarlemmermeer, ja,
komen dikwijls tot zeer nabij de hoofdstad; en nacht op nacht wordt
gesleten in onvermoeid gepeur.
"Hoe zuur wordt dat eerlijk stuk brood gewonnen!" Dank voor uw
medelijden, mevrouw! het doet uw hart eer aan. Maar geloof nooit dat
het dezen lieden om brood te doen is. Uwe edele ziel waant dat hier
voor vrouw en kroost wordt gezorgd, met opoffering van nachtrust en
gemak. In het minst niet. Er is een test met vuur, er is zout, er is
een koekepan aan boord. De aal wordt op de plaats gevild, gesneden,
gebraden, en door het vriendenpaar, onder rijkelijke bevochtiging
met Schiedamsch vocht, gegeten, terwijl de vrouw haar cents-koekjes
bakt, en zelve met hare kinderen honger lijdt. Daarom ook, als deze
Ulyssessen, na hun langen zwerftocht, eindelijk hunne huisgoden
weder komen opzoeken, worden zij gewoonlijk door hunne getrouwe
Penélopé's met den vereerenden titel van _Luibak_ begroet; een
liefdenaampje, hetwelk deze teederen voor hare dierbare wederhelften
hebben uitgedacht.
"Loibak!" heet het van hare bespraakte rozelippen, "Loibak! kom je
weer oit je smulschoit?"