TEUN DE JAGER.

Het laatste eenigszins teekenachtige dorp aan Hollands westelijken

kustkant is zonder twijfel het armelijk Schoorl. Het ligt aan den

voet der duinen, ter plaatse waar die het allerbreedst zijn, om bij

Camp plotseling geheel af te breken en, tot Petten toe, het land hare

bescherming te onttrekken en dat groote open te veroorzaken, hetwelk

de beroemde Hondsbossche zeewering, tot welker instandhouding zooveel

paalwerk en zooveel maaltijden onvermijdelijk zijn, noodzakelijk

maakt. Evenals in het aangrenzend Bergen treft hier den wandelaar

het aangenaam schouwspel eener hooge, met dicht kreupelhout en koele

bosschages bewassen duinhelling; en van die Heerlijkheid af, welke

_Borselens, Brederodes_, en _Nassaus_ onder hare vroegere bezitters

telt, tot aan ons klein Schoorl toe, gaat men, langs een bevallig

slingerenden zandweg, ter wederzijde altijd in de schaduw van eiken,

iepen, berken en allerlei geboomte, langs welks stammen zich hier

en daar het klare duinwater in kronkelende beekjes voortdringt,

en waartusschen zich aan weerskanten, van afstand tot afstand, de

kleine stulpjes der bewoners vertoonen, aan de westzijde niet zelden

half in het duin begraven en van boven grauw van bloeiende mossen en

knoestige zwam.

Aan het einde van dit aangenaam pad steekt het groene torentje van

Schoorl spits in de hoogte, om op het eigenlijk dorp en zijne vele

graanakkers neder te zien, waar de gort geoogst wordt die tot de

vermaardheden der Alkmaarsche markt behoort. Die deze liefelijke

bosschages doorwandeld heeft en, na zich eerst in de koele lommer

en daarna in de eenige herberg van het dorp te hebben verkwikt,

nog hooger noordwaarts op wil, moet eerst zijn rekening met het

geboomte sluiten; want hem toeft niet anders dan het Hondsbosch, dat

in het geheel geen bosch is, daarna de Zijpe, Westfrieslands grootste

drooggemaakte vlakte, en dan de woestijn van het Koegras, totdat hij

bij den Helder in het Marsdiep staat te staren en aan den oostkant

het eiland Tessel ziet opdoemen, waar reizigers van verzekeren dat

er een lief boschje bestaat, tusschen den Burg en het Schild, nietig

overschot van vroegere woudpracht.

Het was in de laatste dagen van September 183*, op een zeer vroegen

morgen, voordat de zon nog op was, dat de kleine deur van een der

boven beschreven stulpjes aan den duinkant nabij Schoorl openging,

en zich een jonge man op den drempel vertoonde, die met oplettendheid

lucht en windstreek in beschouwing nam. Een schoone bruingevlekte

patrijshond was reeds, zoodra de bovendeur was opengegaan, over de

onderdeur gesprongen, en rolde zich nu met kennelijk genoegen voor

zijne voeten in het zand of sprong tegen zijne knieën op, en legde

zich dan weder voor een oogenblik, met de voorpooten uitgestrekt en

den kop daartusschen, neder, om straks weer op te springen, zachtkens

jankende en alle de geluiden en figuren ten uitvoer brengende van

een jachthond, die genoegen smaakt. Over 't geheel is er geen dier,

dat lichter te vermaken valt en minder spoedig blasé is. Zijn meester

behoeft slechts naar het geweer te grijpen, en deze beweging roept

onmiddellijk de schitterendste vooruitzichten van genot en zaligheid

voor de ontvlamde verbeelding van den hond, waarvan ik mij overtuigd

houd dat de opgenoemde vreugdeteekenen niet dan flauwe bewijzen zijn,

vergeleken bij het gevoel dat zijn ruige borst doortintelt; en zulks

niettegenstaande hij zeer wel weet dat voor hem al de genoegens van

den dag zullen bestaan in loopen, staan, drijven, en aanbrengen,

zonder ooit of immer eenige hoop te mogen voeden op het geringste

aandeel in den buit.

De jonge jager--want het was er een--zag er in zijn versleten groen

buis, met de oude weitasch en ouden hagelzak kruiselings over de beide

schouders, de broek in de laarzen, de groene lakensche muts schuins

opgezet, en het kort dubbel jachtgeweer, met het groen, afhangend

cordon onder den arm, recht teekenachtig uit. Hij was groot en forsch,

een blonde zoon der Celten, en zijn bruinverbrand gelaat deed het

heldere blauw zijner oogen te meer uitkomen; maar op dit oogenblik,

als hij eerst naar de lucht en daarna om zich heen keek, hadden zij

eene neerslachtige uitdrukking.

"Koesta, Veldin!" riep hij, en het was alsof de blijde sprongen van

het dier hem verveelden, dat niet gehoorzaamde aan dit bevel, maar

zijne knieën nog steeds met dezelfde vroolijkheid bleef lastig vallen,

daar hij de deur sloot. Hij gaf Veldin een schop.

Het dier droop met den staart tusschen de beenen af, en jankte.

"Kom maar hier, Veldin!" hernam de jager, berouw toonende. En hem

den kop streelende, voegde hij er bij: "Kan jij 't helpen, dat de

baas slecht geslapen het?"

Hij nam den weg aan naar het dorp.

Indien de Schoorlsche jeugd haar _Teun_ den Jager, want zoo heette hij

algemeen, op dezen vroegen morgen had zien gaan, zij zou haar oogen

nauwelijks geloofd hebben. Want nooit zag zij zijn oog zoo droevig,

nooit zoo ter aarde geslagen; nooit was zijn stap zoo slenterend

en onverschillig. Hij was bij haar voor den opgeruimdsten borst van

het dorp bekend; en het zij hij de kinderen en nieuwsgierige knapen

wonderlijke jachtleugens diets maakte, hetzij hij de jonge meisjes

koude hagelkorrels onder den halsdoek vallen liet, of de oude besten

met zijne vroolijke invallen opleukerde bij het spinnewiel, altijd

scheen het uit zijn hart te komen, uit zijn zorgeloos en blijmoedig

en luchtig hart. En toch behoorde _Teun_ de Jager tot die gestellen,

bij wie de vroolijkheid minder eene eigenschap dan een vermogen der

ziel schijnt te zijn, en was er onder deze levendige beek zijner

opgeruimdheid, waar zich niets dan licht en bloemen in schenen te

spiegelen, een bodem van ernst en droefgeestigheid. Aan deze gaf hij

zich niet zelden in de eenzaamheid over, en eene kleinigheid was in

staat hem in die stemming te brengen. Dan was hij zwaarmoedig, ja

moedeloos. Dan dacht hij, zonder merkbaren overgang, aan zijne moeder

en zijn vader die hij had zien sterven, en "aan de groene boompjes"

van het kerkhof; dan zag hij voor zichzelven geen ander verschiet

dan van armoede en gebrek; totdat de tegenwoordigheid van menschen

hem uit die mijmering opwekte, en hij weer de vroolijke, grappige

_Teun_ de Jager was van altijd. De jacht was zijn lust en zijn leven,

en van half September tot 1 Januari genoot hij eerst recht. Met het

blijmoedigst gezicht van de wereld ging hij telken morgen vóór de

zon in 't veld, maar wonderlijke dingen kon hij denken op die lange,

eenzame wandelingen, met het geweer in de hand en niemand òm hem dan

zijn getrouwe Veldin. Heden scheen er veel naargeestigs op til te

zijn voor hoofd en gemoed, want traag en druilend was reeds het begin.

Zijn gelaat helderde evenwel niet weinig op, als hij bij een klein

huisje stilstond, dat zich aan zijn rechterhand half tusschen het

geboomte verstak. Hij luisterde aan het gesloten venster. Een oogenblik

scheen hij te aarzelen; toen vermande hij zich en tikte met de bruine

knokkels twee-driemaal tegen het oude luik. Een geluid van binnen,

alsof er eene stoel verzet werd, beantwoordde dit sein.

Hij glimlachte.

"Ze zullen er wezen!" riep hij luide.

"Wêl goed!" antwoordde een welluidende vrouwestem, die uit de diepte

scheen te komen.

Nog een oogenblik vertoefde hij; en langzaam vloeide de glimlach weg

op zijne lippen en hernam zijn gelaat de sombere uitdrukking van zoo

even. Hij hief zijn hoofd op en miste den hond.

Hij floot zachtkens. Veldin was dichter bij dan hij gedacht had

en sprong uit het hooge toeterloof, waaronder zich, vlak naast het

stulpje, eene kleine duinsprank verschool, te voorschijn.

"Duivelsche hond! motje nou al zuipen?" gromde hij baloorig. Maar

terstond veranderende, zei hij zacht tot zichzelven: "Als _Sijtje_ wist

dat ik knorrig op den hond was! Ik verdien vandaag ongelukkig te zijn."

Een ongelukkige overtuiging voor iemand die ter jacht gaat.

Nu verhaastte _Teun_ de Jager zijne schreden en bereikte het dorp.

De hond scheen het akkerland voor zijne bestemming te houden en

verwijderde zich rechtsaf. Hij riep hem terug.

"Hierheen, Veldin!" zei hij vriendelijk: "je mot klimmen, man Ze hebben

de stoppels nog niet noodig; in 't duin is nog genoeg te grazen." En

hij wendde zich links.

"Mot je boven wezen, _Teun_?" vroeg een man, die ook al op bleek

te zijn en plotseling te voorschijn kwam, met een grijs buis met

jachtknoopen, een stok in de hand, en een hoed, met een groenen band

er om, op.

"Ja, _Jantje_!" antwoordde de jager; "ze zijn nog te druk bezig op

de geest."

"Je spreekt een waar woord," zei de oppasser van het Berger Bosch,

want die was het. "Wil je niet reis opsteken?" voegde hij er bij,

hem minzaam zijn pijp voorhoudende.

"Dankje, _Jantje_!" hernam _Teun_; "'k heb van daag me tabak nog niet

verdiend. Je bent er al vroeg bij. Heb je een strooper op 't spoor,

of hoe zit het?"

"Neen, maat!" antwoordde de oppasser. "Ik ga op Schoorldam af; ik

mot te Alkmaar wezen, en ik rij met _Jaapie_ mee. Een gelukkige jacht!"

"Dankje, hoor!" zei de ander. En, van den hond gevolgd, naderde hij

het duin en maakte zich een weg door het kreupelhout, nat van den

mist, waaruit duizend nietswaardige mosschen verschrikt opvlogen,

en klom naar boven.

Toen hij den top des heuvels onder zich had, zag hij op het dorpje

terug. De zon begon de kim te bereiken en wierp reeds hare eerste

stralen uit. De najaarsmist begon te blinken van al die kleurige

tinten, die het doen schijnen alsof de regenboog op aarde is afgedaald;

het kruis op de torenspits begon te glimmen, en de droppels, die

aan de punten der dichte bladeren beefden, namen hunne dichterlijke

gelijkenis op schitterende juweelen aan. Zijn oog zocht het plekje,

waar _Sijtjes_ stulpje zich onder het geboomte verschool. Niets bewoog

zich daar, en ook in geheel het dorp was alles nog in stilte begraven;

een enkele haan kraaide; een enkele hond kroop langzaam uit zijn hok te

voorschijn; maar geen menschelijk wezen bewoog zich. Alleen zag hij,

op het rechte pad naar Schoorldam, den jachtoppasser, die zijnen weg

met haastige schreden vervolgde.

"Alles slaapt nog," zei _Teun_ de Jager tot zichzelven,

"en _Sijtje_ is zeker ook weer ingesluimerd. Zouën ze allegaar

droomen?"--"Gekheid!" vervolgde hij; en haalde zijn veldflesch te

voorschijn; en, zich houdende alsof hij den hond toedronk: "Komaan,

Veldin! den eerste zen dood!"

Daarop spande hij de beide hanen van zijn dubbelloop, en begon het

jachtveld af te treden.

In geheel Schoorl en Bergen was geen beter jager dan _Teun_. Hij

behoorde tot die weinige gelukkigen die zoo goed als zeker van hun

schot zijn. "Weet je wel, waar 't an houdt," had de oude _Krelis_

eens gezegd, daar hij voor _De Roode Leeuw_ met eenige boeren op de

bierbank zat en _Teun_ voorbijkwam, beladen met een zwaren jachtbuit;

"weet je wel, waar 't an houdt, dat _Teun_ de Jager, als er twee

hoenders opgaan, de een vóór hem en de ander achter zijn rug, ze

toch allebei neerleit?"--"Omdat ie een dubbeld geweer het," had men

geantwoord.--"Mis, maat!" had _Krelis_ gezeid: "omdat ie een dubbelde

kerel is." Vandaar, dat _Teun_ de Jager ook nimmer klaagde over al die

tegenwerkende omstandigheden in de vier elementen, waaraan een aantal

jagers het alleen toeschrijven, als zij platzak thuiskomen, en zelden

breed opgaf van hazen of patrijzen, die hij wel niet thuisbracht,

maar waarvan hij zich toch overtuigd hield dat zij in een of andere

onnaspeurlijke krocht aan hunne wonden zouden moeten overleden zijn.

De teug, het voor een jager zoo welluidend getik der hanen van zijn

geweer, de blijde zonneschijn, schenen _Teun_ de Jagers somberheid te

verdrijven en hem moed in te boezemen; de omstandigheid dat hij het

jachtveld werkelijk bereikt had wekte zijnen geest op. Veldin sprong

wakker voor hem uit en begon al spoedig zeer gewichtig met den neus

langs den grond te snuffelen.

"De hond begint nou al te werken," zei _Teun_; "dat zel goed gaan."

Ook duurde het niet lang, of een schuchter haas sprong op. De twee

schoten vielen, het een na het andere. De hond sloeg aan; het haas

was vrij.

"Wat duivel nou!" nep _Teun_ de Jager, en smeet het geweer

neder. Verbaasd zag hij den langoor na, die nergens gekwetst was en,

van den hond vervolgd, de vlakte dóórrende, tot hij aan de andere

zijde van een duin verdween, waar Veldin hem woedend en met een

onafgebroken kort keffen nazat, maar telkens grond verloor.

Hij floot den hond terug en laadde op nieuw.

"Ik dacht wel, dat ik ongelukkig wezen zou," riep hij uit. "Nou,

't was maar een haas! Zacht, Veldin!" En hij vervolgde zijn weg.

"'t Was maar een haas," zei _Teun_ de Jager; maar wat wilde hij

dan? Laat ik u iets van _Sijtje_ vertellen, en gij zult het begrijpen.

Ik zal niet beginnen met te zeggen dat _Sijtje_ het mooiste was van

al de Schoorlsche meisjes; want zulk een uitdrukking zegt soms niets,

soms te veel, en is in alle gevallen afgezaagd. In duizend verhalen is

het meisjen altijd het mooiste van den omtrek. Maar zeker was dit een

allerliefst kind; teerder en fijner dan de meeste boerinnetjes, en dat

het zilveren oorijzer van 's zondags, in de week zeer goed missen kon

om er allerbevalligst uit te zien. Zij was een weeskind en de steun

en troost van een oude grootmoeder en een doofstom broertje van een

jaar of tien. Dit drietal maakte te zamen het kleine huishouden van

't stulpje onder 't geboomte uit. En behalve hare grootmoeder en het

ongelukkige kind, had _Sijtje_ niemand liever dan _Teun_ den Jager,

en indien zij 't hart had gehad om ooit of ooit aan haar grootmoeders

dood te denken, zou zij er misschien al heel na aan toe geweest zijn

om zich voor te stellen _Teun_ de Jagers vrouw te worden. Zooals de

zaken nu stonden, plaagde zij _Teun_, en _Teun_ haar, uit alle macht,

en verder kwam het niet. Maar de oude grootmoeder mocht _Teun_

graag hooren schertsen, en het doofstomme kind was overgelukkig

als het hem naderen zag, en als hij het leerde knippen van steenen

te maken om mosschen te vangen, en _Sijtje_ zag _Teun_ met groote,

heldere, donkerblauwe oogen al heel vriendelijk aan, als hij den jongen

voorthielp of liet hobbelen op zijn knie, tot hij van vreugd het eenig

geluid maakte dat hij te voorschijn kon brengen. En 's avonds als

_Teun_ naar huis ging, gebeurde het wel, dat zijne lippen haar blank

aangezichtjen (en ook niet meer) aanraakten; en het "wel te rusten,

_Teun_!" was er niet minder vriendelijk om.

Maar gisterenavond had _Sijtje_ hem erg geplaagd, want het was reeds de

zesde dag van de jacht, en schoon _Teun_ menig haas had thuisgebracht,

hij had nog geen enkel patrijs geschoten.

"Neen, _Teun_-broer!" had _Sijtje_ gezegd: "haar, dat gaat nog;

maar veeren kanje niet schieten; die zijn je te gauw of, maat!"

"Hoeveel hoenders wilje, dat ik je morgen thuisbreng?" vroeg _Teun_.

"Ik zal 't je maar niet te zwaar opleggen, jongen!" antwoordde

_Sijtje_. "Schiet er twee, en ik zel leuven dat je 't nog kenne."

"'t Zel beuren, _Sij_!" riep de jager, en sloeg zijn arm om haar

middel, "'t Zel beuren na je woorden, of mijn naam zal geen _Teun_

de Jager meer zijn!" En hij trok haar naar zich toe.

"Bedaard, _Teun-tje_!" riep het meisje; "geen gekheid hoor! Zoenen,

ben je raar? Als er maar eerst hoenders zijn, dan zullen we reis

kijken. Foei, jongen, geen gekheid!" En zij lachte dat ze schaterde,

om aan hare ernstige waarschuwing klem bij te zetten.

"Erg best," antwoordde de minnaar; "maar weet je wat, _Sij_? geef me

een zoen op hand; en als ik je morgen geen hoenders breng, dan nooit

geen zoen meer; maar breng ik ze mee: wee je gebeente!"

"Gedaan!" riep _Sijtje_ vroolijk, en zij trad naar hem toe, en gaf

hem een fikschen handslag, en liet zich een kus op de wang drukken,

waarbij zich haar mondje iet of wat minder afdraaide dan anders; en de

doofstomme jongen, die het aanzag, lei zijn hoofd in den nek, sprong in

het rond van genoegen en klapte in de handen op het heugelijk gezicht.

Verbaast het u, dat _Teun_ de Jager heden met eenige minachting op

"maar een haas" nederziet?

En toch! Had hij het haas maar gehad! want het scheen er meer en meer

naar te staan alsof hij niets thuis zou brengen. Te vergeefs had

hij reeds een paar uur door het breede Schoorler duin omgedwaald;

door valleien, waar hij tot over de enkels in het dichte, bruine

mos stapte; over witte blinkerds, waar het droge, rollende zand zijn

voetstappen uitwischte; langs vlakten, waarin brakke poelen den grond

doorweekten; nergens, om een Noordhollandsche jachtterm te gebruiken,

nergens "bedekte [32] hij leven". Wel speurde hij hier den "voet"

van een haas, en verder het "gewei" [33] van hoenders; maar noch

het eerste noch de laatste deden zich voor. Hij schoot met zekere

kwaadaardigheid een witten uil, die zich op zijne lichte spokige wieken

uit een heesterwilg ophief, raapte hem op, en smeet hem verachtelijk

van zich. Veldin berokkende hem ook nog eene laffe teleurstelling,

daar hij voor iets stond dat, toen het eindelijk uit het dikke mos

opvloog, bleek niets meer dan een slechte leeuwerik te wezen. En

zoo verliepen de trage uren, en _Teun_ de Jagers neerslachtigheid

kwam terug, nog vermeerderd door de vermoeienis en de hitte van den

stijgenden dag. Opeens was het alsof er een luchtig windjen opstak,

dat verkwikkend door zijn bezweete haren blies, en toen hij daarop

nog éénen hoogen witten zandheuvel besteeg, zag hij de groote zee

voor zich.

De zee is altijd een ontzaglijk gezicht, maar als men haar ziet op

een volstrekt eenzame plek, met niets dan het dorre duin links en

rechts en achter zich, zonder hut aan het strand of zeil op hare

vlakte, dan grijpt de aanblik dier uitgestrekte ledigheid u dubbel

aan. U overvalt een gevoel alsof gij nu werkelijk aan de uiterste

grens der wereld stondt, alsof gij nu inderdaad de eenige, de laatst

overgeblevene bewoner der aarde waart. Huiverend zette _Teun_ de

Jager zich op den top des heuvels neder, zette het geweer in de rust,

en staarde op de zonnige golven. De hond rustte hijgend naast hem uit;

zijn roode tong hing lang en droog uit zijn bek. Hier aan de volle zee,

en toch geen lafenis!

_Teun_ de Jager haalde een stuk brood en een paar zure appelen uit

zijn weitasch te voorschijn en deelde met zijn vriend. Ook nam hij

de veldflesch om een teug te nemen, maar zette haar weer van den mond.

"Neen!" zeide hij met een zucht. "Och, die droom! Ik wou dat ik dien

droom kwijt was!"

Hij wilde den bangen droom van dien nacht, waarover wij hem reeds

hebben hooren klagen en die de oorzaak zijner neerslachtigheid was,

van zich afschudden; maar het gezicht van de zee bracht er hem

bijzonderheden van te binnen, die hij reeds had vergeten. Alras

verdiepte hij er zich slechts te levendiger in.

Hij was weer, even als in zijn slaap, ter jacht met de zonen van

de ambachtsvrouw van Schoorl; evenwel niet in het Schoorler Veld,

maar in het Berger Bosch. Hij droeg een nieuw jachtbuis met zonnige

gouden knoopen, en _Sijtje_ had hem de veer van een fazanten haan op

de muts gestoken. Plotseling vlogen er drie hoenders voor hem uit,

maar hij kon ze niet onder schot krijgen; telkens vielen zij neder,

als om hem te sarren; maar zoodra hij naderde, kraaiden zij, klapten

met de vleugels, en vlogen verder. Eindelijk wilde hij een poging doen

om ze van zeer verre te schieten; maar zijn geweer ketste en viel hem

uit de handen. Toen kraaiden de patrijzen alle drie driemaal, en een

er van vloog op den hoed van den jonker, waar het zitten bleef. "Mag

ik schieten, jonker?" riep hij. De jonker wuifde vriendelijk met de

hand van ja. Hij lei aan--het hoen viel. Maar toen hij ging om het

op te rapen, was noch het hoen, noch de jonker van Schoorl te vinden;

maar daar lag het bloedige hoofd van _Sijtje_, en zag hem met gebroken

oogen aan; en toen hij daar lang op staarde, daar kwam eensklaps

de zee, en het hoofd begon op de golven te bewegen, en achteruit

te gaan, en verdween, en kwam weer boven, en verdween weer, totdat

hij ontwaakte. Zijn haan kraaide; het licht scheen door de reten en

vensters. Hij kleedde zich tot de jacht.

En nu, daar hij lang op de zee staart, herhaalt zich het visioen,

en het hoofd van _Sijtje_ verschijnt tusschen de zonnige, schuimige

rimpels van de Noordzee, en gaat op en neder met de golven.

Hij wendde zijn gezicht af van den plas, en strekte zich voorover in

het hangen van den heuvel uit, met de armen onder het hoofd. Weldra

geraakte hij in slaap, en het akelig schouwspel speelde hem op nieuw

voor den geest; maar de gansche zee werd rood als bloed, en vlammetjes

en vonken dansten er op rond, en zwierden er overheen in kringen. Op

eens, daar dreunden twee schoten. Hij ontwaakte. Veldin was door het

geluid opgevlogen en draafde reeds den heuvel af.

Statig trok een blauwe rookwolk van achter een naburig duin omhoog,

en een groote klucht patrijzen vloog haar verschrikt vooruit. _Teun_

riep den hond terug en volgde de hoenders met de oogen. Zij zakten

aan den anderen kant van den heuvel zachtkens lager, en trokken mèt

den wind zuidwaarts heen. Het volgende oogenblik verscheen er een man

op den top van dat duin en zag rond waar zij bleven; maar zij waren

reeds weer gevallen. Daarop laadde hij bedaard zijn geweer en _Teun_

de Jager zag hem een koppel mooie hoenders in de tasch bergen, nadat

hij die eerst een oogenblikje met welgevallen bekeken had.

Het was _Derk Joosten_, de eenige mensch in geheel Schoorl, die

hem niet lijden mocht, en dien hij niet kon uitstaan. Want _Derk

Joosten_ was een gemeene knaap, en die er niet vies van was het vak

van strooper aan dat van jager te verbinden, en hij had hem eenmaal

betrapt, daar hij in den laten avond bezig was strikken te zetten,

eene liefhebberij, waaromtrent de Schorelaars in een kwaden naam

zijn. Voor het overige was hij een slecht jager en, met stroopen

en al, bracht hij in een jachtseizoen niet half zooveel thuis als

"de dubbelde" _Teun_; wat hem in dezen zeer verdroot.

Zoo ras _Derk Teun_ den Jager bemerkte, riep hij hem half gebiedend

toe:

"Waar zijn ze heen 'etrokken, _Teunis_?"

"Dat mot _jij_ weten!" antwoordde deze.

"Kan ik dan door den berg heen kijken?" grauwde _Derk Joosten_. "Heb

_jij_ al wat?"

"Geen haar of veer!" riep _Teun_ de Jager openhartig.

"Ik al!" riep _Derk_ grijnslachend; en hij haalde een haas en drie

patrijzen uit de tasch, en hield die triomfant in de hoogte.

"Ieder zijn beurt, _Derk_!" riep de andere hem toe.

"Ja!" schreeuwde _Derk_; "en of jij van daag ereis geen beurt hadde,

d..derskind!"

Toen daalde hij het duin af, en ging zijns weegs, zich naar het

noorden wendende.

"Nou naar het Achterveld, Veldin!" zei _Teun_ de Jager tot zijn hond,

en een straal van moed blonk weder in zijne oogen; een blijde lach

kwam op zijn bruin gezicht. Hij nam een korte teug uit de veldflesch,

en wandelde zuidwaarts op.

Hij had de plek waar hij de patrijzen had zien vallen goed in

zijn ziel geprent. Naar alle berekening was het eene hem zeer wel

bekende vlakte, die er uitziet als eene mislukte ontginning en hier

en daar bezet is met kleine boschjes van bremstruiken, kruipwilg,

en dwergachtige berkeboompjes. Hij hield echter nog meer zuidwaarts

aan, als ging hij de plek voorbij, om de hoenders tegen den wind te

schieten. Toen naderde hij de vlakte; maar de patrijzen waren wild

geworden. En lang voor hij ze onder schot kon hebben, vlogen ze op en

trokken een goed end wegs zuidoostelijk af, waar ze weder neervielen.

"Geduld," dacht _Teun_; en nadat hij vruchteloos de vlakte had

afgezocht of er ook een enkel was achtergebleven, ging ook hij in

die richting, om de klucht te vervolgen.

Zoo ging het hem nog drie of vier malen, evenals in zijn droom; de

patrijzen bleven hem telkens vooruit. Hij verloor echter den moed

niet; het gezicht der hoenders in 't verschiet, hoe sarrend ook,

hield dien gaande. Maar zóó was zijn ziel van patrijzen vervuld,

dat ik bijna geloof dat er dwars over zijn weg een haas had kunnen

heengaan zonder dat hij het, hoe goed jager hij ook was, anders dan te

laat zou bemerkt hebben. Na een paar uren jagens rustte hij nogmaals

uit bij een plek, waar de hond welwater vond. Het dier, niet tevreden

zich te laven, legde zich geheel op zijn buik in den plas, maar zag

er na die verkwikking ook weer zoo levendig en wakker uit, als in den

vroegen morgen. _Teun_ nam er een voorbeeld aan en vervolgde de jacht.

Reeds had hij het Berger Bosch op zijde. Op eens ziet hij de klucht

weer opvliegen, en kort daarop nedervallen. Hij haastte zich in

die richting aan te treden. Reeds naderde hij tot de plek waar zij

wezen moesten! De hond hield den neus met de meeste oplettendheid

langs den grond. _Teuns_ hoop was nog zoo levendig niet geweest

dien ganschen dag. Maar op eens! daar valt hem de jachtpaal van den

Ambachtsheer van Bergen in 't oog, wiens ban zich nog eenige roeden

verder dan het bosch uitstrekt. Reeds was de hond dien snuffelend

voorbij gegaan. De verzoeking was groot. Hij had nog niets opgedaan,

na eene vermoeiende jacht van zoovele uren! Nog meer! hij had zich

beroemd dat hij patrijzen mee zou brengen. Hoe zou _Sijtje_ hem

den beloofden kus weigeren; erger! hoe zou zij hem uitlachen! Zijn

naam zou geen _Teun_ de Jager meer zijn. De oppasser van het Berger

Bosch was naar Alkmaar. _Derk Joosten_--ha, hoe tergend had hij de

hoenders opgeheven!--was noordwaartsuit gegaan. En dáár, een veertig

schreden verder misschien, lagen de voorwerpen van zijn verlangen,

neen, van zijn behoefte, de mooie hoenders, vermoeid van den langen

tocht, wie weet hoe vast, uit te rusten in het hooge mos.

Hij gevoelde dat hij beefde; het hart sloeg hem in de keel. De

hond ging al snuffelend verder. Hij hief zijn oogen op en zuchtte

diep. Een ondeelbaar oogenblik--en hij riep den hond terug, die

onwillig gehoorzaamde. "_Teun_ de Wilddief wil ik dan toch voor

mezelven niet hieten", verzuchtte hij.

Hij keerde den jachtpaal en het jachtveld des Heeren van Bergen den rug

toe, en op eens--als om hem te beloonen--een luid gesnor! Met de korte

vleugels ruischende, vloog, vlak vóór hem, een koppel hoenders op;

achterblijvers, die den trein niet hadden kunnen volgen. Op hetzelfde

oogenblik was zijn vinger aan de trekkers; de twee schoten knalden. Het

eene patrijs viel onmiddellijk loodrecht neder; het andere trok nog

een oogenblik verder, draaide in de lucht, en viel evenzeer. Terwijl

Veldin het eerste greep, ging hij om het ander zelf op te rapen. Het

leefde nog, en poogde zich in het mos te verbergen, maar hij pakte

het. Droevig en klagelijk zag het dier hem aan met zijn klein rond

oog, waarin het licht reeds half was uitgebluscht. Hij liet het weder

vallen. Met zulk een oog had _Sijtje_ hem aangezien in dien akeligen

droom. Het geheele visioen stond hem voor den geest. Toen hij het

patrijs opnieuw opraapte, was het grijze vlies geloken.

De noodlottige herinnering is voorbij, en _Teun_ de Jager vervolgt

vroolijk het overige gedeelte van zijn weg. Hij heeft wat hij

wenschte. De tot instandhouding zijns naams vereischte twee patrijzen

hangen op zijn heup. Hij heeft _Sijtjes_ kussen niet verbeurd. Het

weder geladen geweer valt hem licht. Zoo stapt hij door hoog heidekruid

en bremstruiken verder. Een kwartier uurs later, en een haas springt

op, en valt bijna op hetzelfde oogenblik, "door het snellere lood

in zijn vaardige sprongen gestuit", als de dichterlijkste jager van

geheel Holland gezongen heeft.

"Hoe later op de markt hoe schooner volk!" zegt _Teun_ de Jager. En

weltevreden met zijn jacht, stapt hij rustig op Schoorl aan.

Het was reeds laat na het middaguur, en nog een vermoeiende klim en

verre wandeling, ofschoon de afstand hemelsbreedte zoo groot niet

was. Maar wat beteekende vermoeienis? Triomfant zou hij _Sijtje_

met zijn jacht voor de oogen treden.

"Mag _ik_ het haas dragen, _Teun_?" vroeg een kleine jongen met

stroogeel haar en koffiebruine wangen, die op het laatste duin van

Schoorl uit het kreupelhout te voorschijn kwam waarin hij zich een

stok gesneden had, als hij de ruige pooten door het net van de weitasch

steken zag.

"Jawel, _Krelis_-broer!" zei _Teun_ de Jager vroolijk: "ik zel 't

je geven; maar je mot er niet van snoepen, hoor!" Hij zette zich op

den grond en, de tasch openende, wierp hij er eerst de hoenders uit,

die hij bovenop geschikt had. De jongen greep er een op, en bekeek het.

"Hè, wat een vette!" zei de jongen. "En watte mooie oochies!" voegde

hij er bij, in kinderlijke speelschheid een der oogen van het hoen

opentrekkende en het _Teun_ voorhoudende.

"Laat de oogen dicht, kwajongen!" zei _Teun_ de Jager met drift;

en weder kwam er een wolk over zijn voorhoofd.

Toen hing hij het haas, met de achterloopers door elkaar gestoken op

den stok van den knaap; en deze, trotsch op zijn vracht en zich groot

gevoelende boven al de boereknapen der gecombineerde Heerlijkheid

Schoorl, Groet en Camp, daalde gezwind met den langoor naar beneden.

Maar _Teun_ de Jager verborg de beide hoenders in den binnensten zak

van zijn weitasch, dat er geen veertjen uitstak. "Ik zal me oolijk

houen," zei hij tot zichzelven, "en reis kijken wat ze doet."

Zoo wandelde hij het dorp door en den zandweg op, in stilte berekenende

of het waarschijnlijk was dat _Sijtje_ op dit uur van den dag thuis

zou wezen of niet. Hij was nog een vijftig schreden van haar stulpjen

af. Daar ritselde het hout aan zijn linkerhand, en _Sijtje_ sprong

met een luiden kreet, om hem te verschrikken, te voorschijn. Het

doofstomme kind volgde haar langzaam.

_Teun_ de Jager verschrikte werkelijk meer dan _Sijtje_ had kunnen

verdachten. Een koude rilling ging hem door de leden. Maar hij

herstelde zich.

"Platzak!" riep hij met een lach.

"Da's niet waar!" zei het vroolijke meisje, "want ik heb den jongen al

'ezien met 'et haas. Maar waar zijn de hoenders, _Teun_?"

"Ik heb er geen te pakken kennen krijgen!" zei _Teun_ de Jager; maar

hij gevoelde dat zijn gezicht hem verried. "Toch niet, _Sij_!" voegde

hij er bij, toen deze hem ongeloovig aanzag.

"Al waar, maat?" zeide zij, en greep naar de tasch om zich te

overtuigen.

Maar hij trok haar de tasch uit de lieve hand en schoof ze met een

woesten ruk op zijn rechter zijde. Het meisje lachte en sprong voor

hem heen, om er toch in te zien. Het schot dreunde; de hond sloeg aan;

en _Sijtje_ lag bloedende aan zijn voeten.

In de plotselinge beweging om de weitasch op zijn andere zijde te

schuiven, had een der kleine mazen van het net den haan van zijn linker

loop gevat, het geweer in de hoogte geheven, en het schot doen afgaan.

_Teun_ de Jager en de beide knapen stonden versteend; maar het

doofstomme kind kwam het eerst tot bewustzijn; woedend vloog het

op _Teun_ aan en beet hem in den arm. Het geweer was op den grond

gevallen. Op eens bukt de ongelukkige jager zich en vat het bij de

greep; maar een forsche hand grijpt de tromp, en ontrukt het hem. Het

was een boer, die toegeschoten was, en nu den anderen loop in de

lucht afschoot. Het halve dorp snelt toe en dringt zich om het lijk

van _Sijtje_ en om den rampzalige, die zijn geweer terug begeert en

in stomme razernij met de omstanders worstelt.

Aan _Sijtje_ was niets meer te doen. Ieder weet, dat een schot hagel

_à bout portant_ duizendmaal erger wonden maakt dan een kogel; want

iedere korrel maakt eene afzonderlijke, en de hoeveelheid lood is

ongelijk zwaarder. Maar ook, het schot had het lieve kind vlak onder

het hart getroffen. Van geheel Schoorl beweend, ging zij ter ruste

onder "de groene boompjes" van het kerkhof. De oude grootmoeder en

het doofstomme kind waren alles kwijt.

De ongelukkige _Teun_ de Jager verviel in zware koortsen, waarin hij

onophoudelijk ijlde en raasde. In den nacht nadat _Sijtje_ begraven

was, ontsloop hij zijn in slaap gevallen waker en klom het venster

uit. De oppasser van het Berger Bosch, die laat tehuiskwam, zag hem

in den maneschijn boven op het duin in zijn hemd arbeiden. Hij ging

op hem af. _Teun_ herkende hem niet.

"Wat doe je daar, _Teun_?" riep hij met een forsche stem, en greep

hem bij den arm.

"Jonker!" zei de ongelukkige verschrikt en zachtjes: "Ik begraaf

haar. Aanstonds komt de zee."

En hij dekte zand over een der patrijzen, waar hij een kuil voor

gegraven had met zijne vingeren.

Den volgenden avond had hij den geest gegeven.

1840.

Camera Obscura · 第 48 / 64 题