Eindelijk heb ik hem gezien, mijn vriend, gezien en bewonderd! Het
monster van Bleekloo, de aangebedene, de gevierde, de hoop van allen,
die nog niet wanhopen aan den goeden smaak en den echten geest
der Hollandsche schilderschool; van allen, die nog gelooven in het
dunne coloriet van _Van Dijck_ en het krachtig penseel van _Frans
Hals_. Hoe zal ik u een denkbeeld geven van zijn manier, van zijn
talent, ik die het Vaticaan niet gezien heb, en dat nog wel aan u,
die geen der naaischolen van Bleekloo te vinden weet: of zeg mij,
kunt gij vergelijkingen maken tusschen de vermoedelijke bekwaamheden
der verschillende echtgenooten van de verschillende naaivrouwen _Blok,
Over den Kant, Preveilie_ en andere? Neen voorzeker, gij weet niet, dat
noch de man van juffrouw _Over den Kant_, noch die van juffrouw _Blok_,
noch die van juffrouw _Preveilie_, noch zelfs die van _Naatje de Zoom_
ooit of ooit het penseel behandeld hebben, overmits deze geen van allen
den maagdelijken voor den huwelijken staat hebben verwisseld. En toch,
hoog over het hoofd van juffrouw _De Zoom_ zetelt het genie, zetelt
de hoop des vaderlands; het is haar vader. Het is niet de kunstenaar,
dien gij in hem groet; het is de kunst zelve. Nauwelijks heeft hij den
ouderdom van achtenzestig jaren bereikt; welk een heerlijke dageraad
gaat voor de Hollandsche schilderschool op!--Helaas! ik weet niet
hoe ik het u duidelijk zal maken wat wij in hem te wachten hebben,
wat zijn talent kenteekent, wat hem op de onbereikbare hoogte, die
hij besteeg, geheel alleen doet staan, _geheel_ op zichzelf! En toch,
ik wil het beproeven; want ik wil den Avondbode een vlieg afvangen
en het Handelsblad vooruitzijn. Ik wil u, in het hartje van Parijs,
het vaderlandsche bloed van edelen trots doen gloeien; ja gloeien, ja
tintelen, ja bruisen moet het! Gij zult weten wie onze Bleekloosche _De
Zoom_ is, al zou ik ook aan de æsthetische beschouwing van zijn talent
iedere uitboezeming van vriendschap en hartelijkheid ten offer brengen,
al moest ook dit mijn geschrijf veel meer van een feuilleton in een
der genoemde dagbladen of van een artikel in den Letterbode hebben dan
van een vertrouwelijken brief--al moest, van bladzijde 1 tot bladzijde
4 toe, _De Zoom, De Zoom, De Zoom_! uw lezende aandacht absorbeeren.
Zoo ik begin met u te zeggen dat _De Zoom_ een monster is, zeg ik niet
te veel. Hij heeft, als ik reeds zeide, pas achtenzestig jaren bereikt;
nooit heeft hij een meester gehad; de natuur deed hem geboren worden
met dat eigenaardig gevoel voor 't schoone en verhevene, dat hij met
zooveel waarheid en kracht op het doek weet uit te drukken. Als een
klein kind op school, teekende hij reeds zijn meester uit op de lei,
met een pijp in den mond, en maakte hij patroontjes voor zijn zuster
die uit borduren ging. Ook beschilderde hij niet zelden de deuren der
pakhuizen en der nachtwachtsverblijven met wit en rood krijt. Een
voorbijganger vond hem met dit werk bezig en bewonderde de kracht
van zijn schetsen. Die voorbijganger was zelf kunstenaar. Hij was
huisschilder en glazenmaker. Weldra vertrouwde hij hem de kunst toe
en wijdde hem in de geheimen van het tempermes in. Niet lang duurde
het of _De Zoom_ begon zich op de uithangborden toe te leggen. Het
eerst leerde hij koffiekannen en trekpotten schilderen, daarna
werd hem zelfs de uitvoering van een glas bier toevertrouwd. Het
opmerkelijkste was het schuim. Nooit had men zulk schuim gezien. Het
was meer dan bierschuim; het was champagneschuim. Verbeeld u, mijn
waarde! welk een verbeeldingskracht in een huisschildersjongen,
wiens vader mandemaker was, en die dus, naar alle waarschijnlijkheid,
nooit champagne had zien schuimen. Langzamerhand liet zijn meester
hem toe ook wapens te malen; en hierin was het vooral dat zijn goede
smaak uitschitterde. Met voorbeeldelooze stoutmoedigheid bracht hij
alles tot het natuurlijke terug; alle leeuwen geel met zwarte manen,
gelijk de echte barbarijsche. Hij wist van geen roode, geen blauwe,
geen zwarte. Die hem van _keel_ en _sabel_ sprak, deed hij het aanbod
van een pak slagen, en hij zou eens bijna gestorven zijn van woede,
toen men hem zeide dat sommige wapenschilders roode arenden hadden
voorgesteld met blauwe neb en blauwe klauwen. "Want", zeide hij,
"een arend is toch bruin". En hij had gelijk. Ondertusschen was hij
nu op de hoogte om tot het eigenlijk dierschilderen, voor zoover dit
zijn meester te pas kwam, over te gaan, en reeds had hij werkelijk de
schets gemaakt van een _dorstig hart_, toen de ongelukkige _troubles_
van die dagen--tusschen 85 en 90--ook den jeugdigen _De Zoom_ in
hunnen maalstroom meevoerden. Hij verdween nu voor een poos van het
tooneel en men hoorde niet van hem. Men spreekt van een spotprent,
die hij op den Prins zou hebben gemaakt, waarvan de hoofdgedachte
was: _een groote goudsbloem die door een keeshond van zijn steel werd
gebeten_; en van nog eene andere op de Engelsche natie, waarvan de
voorstelling vergeten is geraakt. Hoe het zij, men zou ook _De Zoom_
bijna vergeten hebben, ware hij niet verleden jaar plotseling weder
te voorschijn gekomen met zijn meesterstuk: _'t Is een toer om der op
te komen_. Het denkbeeld is niet nieuw. Een groot paard staat geheel
opgetuigd en gezadeld, en een zeer klein man maakt zich gereed het
te bestijgen, 't welk hem, aangezien de kleinheid van zijn postuur,
zeer moeielijk valt. Alles is in deze schilderij leven en beweging. De
pogingen van den dwergachtigen ruiter _die der niet op kan komen_
spreken, door het groene jachtbuis dat hij aanheeft heen,--men ziet
hem vlak op den rug--in alle spieren. Met veel geestigheid heeft de
schilder de laarzen en de sporen zóó zwaar en kolossaal voorgesteld,
dat men gevoelen moet dat ook deze eene belemmering zijn om het paard
te beklimmen. Het uitstekendste van alles is echter het paard zelf,
in hetwelk voor te stellen men zeggen mag dat het genie van _De
Zoom_ het zenith van zijn vlucht heeft bereikt. Met voorbeeldelooze
stoutmoedigheid heeft hij over de zwarigheden van zijn bestek, ja
zelfs over de natuur gezegevierd, en de evenredigheden dermate weten
te beheerschen en in te richten, dat vooral de hoogte van het ros,
en dus de moeielijke bestijgbaarheid, sterk in 't oog springt. Dit
heeft ten gevolge gehad, dat de hals zeer inëengedrongen heeft moeten
worden, en zelfs de kop niet dan klein kon wezen. Zooals het hier is
voorgesteld, gelijkt het teffens op een paard, een olifant, en een
hazewindhond; maar de karakters dezer drie schepselen spelen derwijze
dooreen in de schilderij, dat men zeggen kan dat het scheppend genie
des schilders hier een nieuw wezen heeft voortgebracht. Ik spreek niet
van de uitvoerigheid, waarmee het hoofdstel van het ros, waarmede
de gestreepte rijbroek van den ruiter zijn afgemaald, noch van het
landschap, waarover een donderwolk hangt, die door een toovergloed die
uit den grond schijnt op te komen, wordt verlicht. Mijn bestek verbiedt
mij hier verder over uit te weiden. Ook vergt gij het niet. Hetgeen
ik van _De Zoom_ gezegd heb, zal u genoegzaam hebben doen blijken dat
dit jeugdig talent gemakkelijk alle andere talenten in ons vaderland
achteruitzet en overtreft.
_De Zoom_ is niet groot van gestalte; zijn gelaat is meer vervallen dan
mooi. Gewoonlijk draagt hij een blauwe slaapmuts met witten omslag;
hij rookt en snuift beide. Hij draagt sedert vijf jaren een bruinen
jas, halfsleets op een boelhuis gekocht. Zoo zag ik hem vóór mij;
bezig zijnde met het portret van een zijner vrienden. Hij leide de
laatste hand aan het haar, om vervolgens tot het voorhoofd over te
gaan; want hij behoort niet tot die losbollen van schilders, die voor
zij nog eens geteld hebben hoeveel rimpels gij in uwe tronie hebt,
maar aanstonds zes, zeven groote strepen neerzetten, kris, kras,
heb ik jou daar! en u langzamerhand als uit een mist in het leven
roepen. "Men moet met orde werken," zegt hij: "menig schilder heeft
een portret bedorven door aan den bakkebaard te beginnen, eer hij de
wenkbrauwen haar eisch gegeven had." "Dit haar," zeide hij mij, "komt
u wat stijf voor; maar de man draagt een pruik," voegde hij er bij,
"en ik zeg altijd, een pruik moet een pruik blijven."
Van waar--o mijn vriend, verklaar mij dit raadsel!--vanwaar heeft
een mandemakerszoon deze stoutmoedige denkbeelden? O! het genie! Het
genie!... Ik moet afbreken.
Bewaar dezen wel. Ik wil hem naderhand laten drukken.
17 Januari 1839. Uw vriend,
_Hildebrand_.
P.S. "Wisch de tranen over den dood van _Schotel_ uit uwe oogen.