ANTWOORD OP EEN BRIEF UIT PARIJS [31].

Eindelijk heb ik hem gezien, mijn vriend, gezien en bewonderd! Het

monster van Bleekloo, de aangebedene, de gevierde, de hoop van allen,

die nog niet wanhopen aan den goeden smaak en den echten geest

der Hollandsche schilderschool; van allen, die nog gelooven in het

dunne coloriet van _Van Dijck_ en het krachtig penseel van _Frans

Hals_. Hoe zal ik u een denkbeeld geven van zijn manier, van zijn

talent, ik die het Vaticaan niet gezien heb, en dat nog wel aan u,

die geen der naaischolen van Bleekloo te vinden weet: of zeg mij,

kunt gij vergelijkingen maken tusschen de vermoedelijke bekwaamheden

der verschillende echtgenooten van de verschillende naaivrouwen _Blok,

Over den Kant, Preveilie_ en andere? Neen voorzeker, gij weet niet, dat

noch de man van juffrouw _Over den Kant_, noch die van juffrouw _Blok_,

noch die van juffrouw _Preveilie_, noch zelfs die van _Naatje de Zoom_

ooit of ooit het penseel behandeld hebben, overmits deze geen van allen

den maagdelijken voor den huwelijken staat hebben verwisseld. En toch,

hoog over het hoofd van juffrouw _De Zoom_ zetelt het genie, zetelt

de hoop des vaderlands; het is haar vader. Het is niet de kunstenaar,

dien gij in hem groet; het is de kunst zelve. Nauwelijks heeft hij den

ouderdom van achtenzestig jaren bereikt; welk een heerlijke dageraad

gaat voor de Hollandsche schilderschool op!--Helaas! ik weet niet

hoe ik het u duidelijk zal maken wat wij in hem te wachten hebben,

wat zijn talent kenteekent, wat hem op de onbereikbare hoogte, die

hij besteeg, geheel alleen doet staan, _geheel_ op zichzelf! En toch,

ik wil het beproeven; want ik wil den Avondbode een vlieg afvangen

en het Handelsblad vooruitzijn. Ik wil u, in het hartje van Parijs,

het vaderlandsche bloed van edelen trots doen gloeien; ja gloeien, ja

tintelen, ja bruisen moet het! Gij zult weten wie onze Bleekloosche _De

Zoom_ is, al zou ik ook aan de æsthetische beschouwing van zijn talent

iedere uitboezeming van vriendschap en hartelijkheid ten offer brengen,

al moest ook dit mijn geschrijf veel meer van een feuilleton in een

der genoemde dagbladen of van een artikel in den Letterbode hebben dan

van een vertrouwelijken brief--al moest, van bladzijde 1 tot bladzijde

4 toe, _De Zoom, De Zoom, De Zoom_! uw lezende aandacht absorbeeren.

Zoo ik begin met u te zeggen dat _De Zoom_ een monster is, zeg ik niet

te veel. Hij heeft, als ik reeds zeide, pas achtenzestig jaren bereikt;

nooit heeft hij een meester gehad; de natuur deed hem geboren worden

met dat eigenaardig gevoel voor 't schoone en verhevene, dat hij met

zooveel waarheid en kracht op het doek weet uit te drukken. Als een

klein kind op school, teekende hij reeds zijn meester uit op de lei,

met een pijp in den mond, en maakte hij patroontjes voor zijn zuster

die uit borduren ging. Ook beschilderde hij niet zelden de deuren der

pakhuizen en der nachtwachtsverblijven met wit en rood krijt. Een

voorbijganger vond hem met dit werk bezig en bewonderde de kracht

van zijn schetsen. Die voorbijganger was zelf kunstenaar. Hij was

huisschilder en glazenmaker. Weldra vertrouwde hij hem de kunst toe

en wijdde hem in de geheimen van het tempermes in. Niet lang duurde

het of _De Zoom_ begon zich op de uithangborden toe te leggen. Het

eerst leerde hij koffiekannen en trekpotten schilderen, daarna

werd hem zelfs de uitvoering van een glas bier toevertrouwd. Het

opmerkelijkste was het schuim. Nooit had men zulk schuim gezien. Het

was meer dan bierschuim; het was champagneschuim. Verbeeld u, mijn

waarde! welk een verbeeldingskracht in een huisschildersjongen,

wiens vader mandemaker was, en die dus, naar alle waarschijnlijkheid,

nooit champagne had zien schuimen. Langzamerhand liet zijn meester

hem toe ook wapens te malen; en hierin was het vooral dat zijn goede

smaak uitschitterde. Met voorbeeldelooze stoutmoedigheid bracht hij

alles tot het natuurlijke terug; alle leeuwen geel met zwarte manen,

gelijk de echte barbarijsche. Hij wist van geen roode, geen blauwe,

geen zwarte. Die hem van _keel_ en _sabel_ sprak, deed hij het aanbod

van een pak slagen, en hij zou eens bijna gestorven zijn van woede,

toen men hem zeide dat sommige wapenschilders roode arenden hadden

voorgesteld met blauwe neb en blauwe klauwen. "Want", zeide hij,

"een arend is toch bruin". En hij had gelijk. Ondertusschen was hij

nu op de hoogte om tot het eigenlijk dierschilderen, voor zoover dit

zijn meester te pas kwam, over te gaan, en reeds had hij werkelijk de

schets gemaakt van een _dorstig hart_, toen de ongelukkige _troubles_

van die dagen--tusschen 85 en 90--ook den jeugdigen _De Zoom_ in

hunnen maalstroom meevoerden. Hij verdween nu voor een poos van het

tooneel en men hoorde niet van hem. Men spreekt van een spotprent,

die hij op den Prins zou hebben gemaakt, waarvan de hoofdgedachte

was: _een groote goudsbloem die door een keeshond van zijn steel werd

gebeten_; en van nog eene andere op de Engelsche natie, waarvan de

voorstelling vergeten is geraakt. Hoe het zij, men zou ook _De Zoom_

bijna vergeten hebben, ware hij niet verleden jaar plotseling weder

te voorschijn gekomen met zijn meesterstuk: _'t Is een toer om der op

te komen_. Het denkbeeld is niet nieuw. Een groot paard staat geheel

opgetuigd en gezadeld, en een zeer klein man maakt zich gereed het

te bestijgen, 't welk hem, aangezien de kleinheid van zijn postuur,

zeer moeielijk valt. Alles is in deze schilderij leven en beweging. De

pogingen van den dwergachtigen ruiter _die der niet op kan komen_

spreken, door het groene jachtbuis dat hij aanheeft heen,--men ziet

hem vlak op den rug--in alle spieren. Met veel geestigheid heeft de

schilder de laarzen en de sporen zóó zwaar en kolossaal voorgesteld,

dat men gevoelen moet dat ook deze eene belemmering zijn om het paard

te beklimmen. Het uitstekendste van alles is echter het paard zelf,

in hetwelk voor te stellen men zeggen mag dat het genie van _De

Zoom_ het zenith van zijn vlucht heeft bereikt. Met voorbeeldelooze

stoutmoedigheid heeft hij over de zwarigheden van zijn bestek, ja

zelfs over de natuur gezegevierd, en de evenredigheden dermate weten

te beheerschen en in te richten, dat vooral de hoogte van het ros,

en dus de moeielijke bestijgbaarheid, sterk in 't oog springt. Dit

heeft ten gevolge gehad, dat de hals zeer inëengedrongen heeft moeten

worden, en zelfs de kop niet dan klein kon wezen. Zooals het hier is

voorgesteld, gelijkt het teffens op een paard, een olifant, en een

hazewindhond; maar de karakters dezer drie schepselen spelen derwijze

dooreen in de schilderij, dat men zeggen kan dat het scheppend genie

des schilders hier een nieuw wezen heeft voortgebracht. Ik spreek niet

van de uitvoerigheid, waarmee het hoofdstel van het ros, waarmede

de gestreepte rijbroek van den ruiter zijn afgemaald, noch van het

landschap, waarover een donderwolk hangt, die door een toovergloed die

uit den grond schijnt op te komen, wordt verlicht. Mijn bestek verbiedt

mij hier verder over uit te weiden. Ook vergt gij het niet. Hetgeen

ik van _De Zoom_ gezegd heb, zal u genoegzaam hebben doen blijken dat

dit jeugdig talent gemakkelijk alle andere talenten in ons vaderland

achteruitzet en overtreft.

_De Zoom_ is niet groot van gestalte; zijn gelaat is meer vervallen dan

mooi. Gewoonlijk draagt hij een blauwe slaapmuts met witten omslag;

hij rookt en snuift beide. Hij draagt sedert vijf jaren een bruinen

jas, halfsleets op een boelhuis gekocht. Zoo zag ik hem vóór mij;

bezig zijnde met het portret van een zijner vrienden. Hij leide de

laatste hand aan het haar, om vervolgens tot het voorhoofd over te

gaan; want hij behoort niet tot die losbollen van schilders, die voor

zij nog eens geteld hebben hoeveel rimpels gij in uwe tronie hebt,

maar aanstonds zes, zeven groote strepen neerzetten, kris, kras,

heb ik jou daar! en u langzamerhand als uit een mist in het leven

roepen. "Men moet met orde werken," zegt hij: "menig schilder heeft

een portret bedorven door aan den bakkebaard te beginnen, eer hij de

wenkbrauwen haar eisch gegeven had." "Dit haar," zeide hij mij, "komt

u wat stijf voor; maar de man draagt een pruik," voegde hij er bij,

"en ik zeg altijd, een pruik moet een pruik blijven."

Van waar--o mijn vriend, verklaar mij dit raadsel!--vanwaar heeft

een mandemakerszoon deze stoutmoedige denkbeelden? O! het genie! Het

genie!... Ik moet afbreken.

Bewaar dezen wel. Ik wil hem naderhand laten drukken.

17 Januari 1839. Uw vriend,

_Hildebrand_.

P.S. "Wisch de tranen over den dood van _Schotel_ uit uwe oogen.

Camera Obscura · 第 47 / 64 题