DE VEERSCHIPPER.

Ik heb zoo menigmaal in trekschuiten gevaren, dat ik in staat ben er

het grootste paskwil en de grootste lofrede op te schrijven. Eens heb

ik er mij hevig tegen uitgelaten [34]: maar 't spijt me half. Ik geloof

dat ik het deed om de zaak der spoorwegen te bevorderen; uit louter

ongeduld. Maar nu ik zie, dat er reeds één trekveer metterdaad vervalt,

en in de lucht zwevende pijpemanden (echt Hollandsch signaal) ook aan

verscheidene andere veeren het _memento mori_ toeroepen, krijgt de zaak

voor mij zulk een droefgeestig voorkomen, dat ik in staat zou zijn de

roef van Amsterdam naar Rotterdam af te huren, om in eenzaamheid een

klaaglied te schrijven over de veranderde tijden. Niet zoo zeer om

de _Schuiten_ spijt het mij; zij hebben te vele gebreken, en er zijn

betere dingen om mee vooruit te komen; maar om de _Schippers_! Want aan

hen, mijne vrienden! zullen wij verliezen. Het is een goed, eerlijk,

trouw en ouderwetsch slag van volk, en jammer zal het zijn, als het van

de aarde of, laat ik zeggen, van de wateren verdwijnt. Eerbied voor

hen! Heb een vasten schipper, en geef hem een mondelinge boodschap,

een onverzegelden brief, een groote som gelds, een kostbaar stuk

meubel mede; geen woord zal aan de boodschap, geen stuiver aan het

geld te kort komen, geen letter in den brief gelezen, geen krasjen

op het kostbare stuk worden gemaakt. Laat hij slechts _weten_ wat

gij aan zijne zorgen toevertrouwt, en wees zoo gerust als of gij uw

eigen zoon zondt. Hier staat uw beeld mij voor oogen, trouwe _Van der

Velden_! Gij behoort tot het vriendelijk personeel mijner academische

herinneringen. Wiens voetstap hoorde _Hildebrand_ liever dan den uwen

op de ongelijke trap van zijn nederig studenteverblijf, als gij de

krakende sluitmand of het welbekend koffertje, dat geen adres meer

noodig had, daar tegenop sleeptet en met uw vriendelijk "compliment,

en als dat de familie heel wel was," zijn ongeduld voorkwaamt, dat

naar den dubbelganger van den sleutel zocht, waarmee zijne lieve

moeder het hangslot gesloten had? Gingt gij ooit bij hem voorbij,

zonder te hooren "of mijnheer ook iets te zeggen had?" Of kondt gij

te eenigertijd in zijn vaderstad het ouderlijk huis passeeren, zonder

eventjes te gaan vertellen "dat gij mijnheer gisteren nog hadt gezien"

en de hartelijkste groeten van zijnentwege te improviseeren?--Hadt

gij hem niet meer dan eens in uw schuit verborgen, toen hij "groen"

was, totdat de studententafel op de Mare was afgeloopen? En toen hij

was gepromoveerd, en gij hem geluk wenschtet--wat scheelde er toch

aan uwe oogen, dat die bonte zakdoek niet in den zak kon blijven,

als gij aanmerktet, dat gij nu "zijn meeste koffertjes wel zoudt

hebben gehaald"?--Drommels, _Van der Velden_! het veer moest niet

worden afgeschaft.

Maar behalve dezen had ik menig vriend aan het veer, die mijn koffer

en reiszak een kwartier uurs ver kon onderscheiden, en straks voor

mij het lekkerste kussen uit de roef haalde, opschudde en in den

stuurstoel legde, bereid om, als de bodem nat was, mij het gebruik

van zijn sabotten af te staan. Als het eenigszins kon, zat ik in den

stuurstoel, en van dezen heb ik nooit iets kwaads gezegd. Ik kende

de geschiedenis van al de schippers en al de knechts; van hunne

vroegere betrekkingen en van hunne latere wederwaardigheden aan het

veer. Elk hunner had zijne eigene verdienste in de conversatie. De

een wist overal eenden en hazen aan te wijzen op de landerijen, die

wij voorbijvoeren; de ander kon zoo gezellig op zijn pijpje smakken

en oude verhalen van zijn schooltijd opdisschen; de derde sprak van

"_Boneparte_," en hoe bang die voor de "Kezakken" moet geweest zijn,

met al de nauwkeurigheid van een tijdgenoot en gemeenzaam vriend. Ik

herinner mij den ouden _Mulder_, met den geverfden hoed en de korte

broek; hij voer altijd de volste schuiten; den langen _Rietheuvel_;

hij was befaamd in het redden van drenkelingen; en zijn broeder,

die "de Mottige" genoemd werd, die wel niet al het statige van

den schippersstand had, maar een aardige, praatzame grappenmaker

was, die een anecdote uit kon rekken, zoo vele bruggen ver als

gij verkoost. Indien _hij_ het begin van dit stuk las, het zou hem

ergeren; want ik weet dat niets hem meer verveelt, dan dat men hem

en den geheelen trekschuitwinkel in de toekomst beklaagt.

"Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!" zei een juffrouw in de

roef, onder haar bril uitkijkende, tot onzen _Rietheuvel_, nadat zij

vruchtelooze pogingen had in 't werk gesteld om een heer, die in 't

hoekje zat, aan den praat te krijgen. "Je zelt haast gedaan hebben,

schippertje!"--"Hoe zoo, juffrouw?" vroeg de kapitein.--"Wel, met die

Spoorwegen!"--"Spoorwegen! juffrouw da's geen duit waard. As 't anders

niet was; _die_ hebben haast gedaan. Maar dat nieuwe."--De juffrouw

wist ter wereld niets nieuwer dan spoorwegen, en "men zou er _haar_

ook niet opkrijgen".--"Ja maar," merkte _Rietheuvel_ aan, "in dat

nieuwe ga je wèl. Je hebt ommers wel gelezen van dien Onderaardschen

Schietblaasbalk?"--"Van die wat?" vroeg de juffrouw, haar bril van

den neus nemende, "van die wat?"--"Wel, van dien Onderaardschen

Schietblaasbalk?" riep de schipper, zoo hard als zijn verweerde

stem gedoogde. "Heerlijk hoor! Je hebt pijpen, buizen, kanalen;

onderaardsche, weetje? 'k zel zeggen van Amsterdam na Rotterdam, en

vicie versie; dat zijn de twee grootste. Nou heb je dan ook korte, voor

Halfweg, Haarlem, Leiën,.... dat begrijpje, na venant."--De juffrouw

spitste de ooren en opende den mond.--"Best; je komt in 't ketoor; je

ziet een partij luiken in de' vloer, met groote letters, beschilderd;

al de plaatsen, weetje, die staan der op. Halfweg, Haarlem, Leiën,

allemaal. Je ziet een groote schaal hangen en een knecht in leverei,

netjes as 't hoort, der bij. Waar mot de juffrouw nou b.v. wezen? Zeg

maar wat!" Hier wachtte de verhaler op een antwoord, maar de juffrouw

wist niet wat ze zeggen zou, en vreesde dat het geheele verhaal een

strik was om hare onnoozelheid te vangen.--"Nou goed; as je 't dan

maar weet. Ik zel maar zeggen: je mot te Rotterdam zijn. Je krijgt een

kaartje. Best. Belieft u maar op de schaal te stappen."--Hier kon de

juffrouw zich niet bedwingen: "Op de schaal, schipper?" riep zij uit,

en hare oogappels werden van verbazing zoo groot als tafelborden,

"wat mot ik op de schaal doen?"--"Dat zel je hooren. UE. wordt

gewogen. Je bent nog al dikkig. Goed. Zooveel pond, zooveel kracht op

de' blaasbalk. Belieft u maar op dat luikie te gaan staan. Pof! je

zakt in de' grond, Ruut! daar ga je, hoor! Je ziet niks niemendal

as egyptische duisternis. 't Hoeft ook niet. Tien menuten! knip,

knap, gaan de veeren. Daar sta je _weer_ in een ketoor; je denkt in

't zelfde? Mis! Je bent te Rotterdam. Is 't waar of niet, _Piet_?"

Op dit beroep antwoordt de aangesprokene, die als knecht met den

Mottige vaart, niet anders dan door het hoofd te schudden en een

pruimpje te nemen.--"Piet wordt er Weger bij," vervolgt de schipper:

"je kunt er de teekening van zien; 't zou al lang ingevoerd wezen, me

lieve juffrouw! maar 't het motten wachten totdat die wije mouwen uit

de mode waren.--_Pietje_, 't wordt koud, man! je hebt je jaren. Wees

niet nuffig omdat er een juffer in de schuit is; trek je schanslooper

an, maat; en geef mijn me zuidwester, want 'et begint te regenen."

"Ja menschen!" merkt de juffrouw aan, "je mag wel voor je gezondheid

zorgen. Ik weet niet hoe je 't uithoudt!"

"Uithouën?" zegt de schipper: "de juffrouw mot weten dat er geen

menschen ouèr worden as schippers en schoolmeesters. De schoolmeesters,

van de onschuldige asempies van de kinderen, en de schippers, van

weer en wind."

Camera Obscura · 第 49 / 64 题