N°. 2. _Een familietafereel._

Het is een mijnheer en eene mevrouw van middelbare jaren, en een

jongeheer en eene jongejuffrouw in den bloei der jeugd, en een kleine

jongen van zeven jaar daarbij. Ik beschrijf u hunne kleederdracht

niet: er is weinig opmerkenswaardigs aan. Het zijn menschen uit den

deftigen middelstand, goede lieden, niet Haagsch, maar kleinsteedsch

gekleed. Ik sla een blik op de wezenstrekken. Mijnheer ziet, dunkt mij,

een beetje knorrig. Vraagt gij de reden? Deze menschen komen eigenlijk

zoo pas uit een naburige stad met een calèche aangereden, waarin zij

met hun vijven hebben gepakt gezeten. Mijnheer heeft drukke zaken,

waarbij zijn tegenwoordigheid slecht gemist kan worden; hij ziet tegen

alle uitstapjes op, als tegen zoovele bergen, en hij houdt daarenboven

niet van rijden. Maar mevrouw wilde zoo "dolgraag" de tentoonstelling

zien; al de mevrouwen zagen die. In een zwak oogenblik, hij moet het

bekennen, had hij het haar beloofd. Ik meen wel, aan den avond van

een dag, dat hij geen lust gehad had menschen te zien. Ook waren de

kinderen nooit in den Haag geweest, en het Haagsche Bosch--"het was zoo

heerlijk!" Vroeg in den morgen kwam het rijtuig voor. Het was tamelijk

mooi, ja! het was mooi weer! Maar zoodra de paarden het Haagsche Bosch,

"dat zoo heerlijk was", hadden bereikt--of het spel sprak--scheen het

dat donkere wolken den hemel betrokken! en nòg was het Paleis van Prins

_Frederik_ niet in het gezicht of de stortregen kwam neder!--In het

plan stond, dat men op het Tornooiveld, in den Doelen, af zou stappen

en zich eerst behoorlijk en op zijn gemak verkwikken. Mijnheer is

gesteld op zijn leefregel. Maar men heeft geen regenscherm! En dan--de

straten!--Men vindt dus beter dadelijk op de tentoonstelling aan te

rijden. Van dat de eerste zwarte wolk was komen aandrijven en de eerste

rimpel op papa's voorhoofd bespeurd is, heeft mama alles in het werk

gesteld om het gesprek levendig te houden. Zij was onuitputtelijk

in het verhalen van de genoegens, die zij in hare jeugd in dit

"eigenste Haagsche Bosch" gesmaakt had. Maar bijna geen woord is er

gesproken sedert de eerste vochtdruppel viel en het "daar hebben wij

het al!" van de lippen van het achtbaar hoofd des huisgezins geklonken

heeft. Mevrouw, die de reis heeft dóórgedrongen, het jonge meisje, dat

haren vader met haar "vooruitgebabbel" over dat feest heeft verveeld,

en de jongeheer, die gezworen heeft dat het mooi weer zou blijven,

voelden zich als het ware verantwoordelijk voor iederen regendrop,

die viel, vallen zou, of zou kunnen vallen, en ongerust zagen zij

elkander aan. "Kom aan dan maar!--de tentoonstelling!" had papa

gezegd, toen het rijtuig stilhield en de familie werd uitgepakt. Maar

in de stemming, waarin ZEd. verkeerde, viel het hem nogal tegen dat

hij voor ieder persoon van zijn gezin een catalogus te koopen had,

alleen de kleinste uitgezonderd. Maar mevrouw!--Haar triomfante blik

roept mij toe: "wij zijn er!" en het beminnelijkst lachje vervangt,

zoodra zij zich in het lokaal gevoelt, den angstigen trek die in de

volle calèche om haren mond speelde. Ondertusschen is deze lieve

familie nu véél te vroeg gekomen. Daar is nog bijna niemand. Dit

valt de nog wel eenigszins wereldsche dame tegen; niemand om gezien

te worden! niemand om hare lieve dochter te zien! Het is waarlijk

een mooi gezichtje en, mij dunkt, het gelukkigste van alle; een

ongemaakte vreugde verschijnt op haar gelaat, nu zij de bonte rijen

van tafereelen overziet. Maar zij had zich toch alles veel grooter

en veel mooier en veel treffender voorgesteld. Tien zulke zalen,

duizend meesterstukken! Zij telt pas zestien jaren.--Mijnheer haar

broeder is een jaar ouder, en dus in dien lieven leeftijd, waarin

men meent voor iets goeds te zullen gehouden worden, wanneer men

den schijn aanneemt van iets kwaads dat men niet is. Hij heeft al

de kenteekenen, al de bewegingen van een recht lastigen wijsneus,

en schijnt nog in twijfel te hangen wat hij liever wezen zal, een

fat of een lomperd. Hij verbeeldt zich kunstkennis te hebben en is,

om daarvan proeven te geven, gestadig in de contramine. Al de stukken

die zijne goede moeder opgetogen doen staan van verrukking, acht hij

"infaam geschilderd, slecht van kleur, dwaas van gedachte, plat, zonder

diepte", kortom rechte bokken van ongerechtigheid, die hij met al de

fouten van alle slechte schilderijen belaadt. Zijn zuster dwingt hij

tot de bewondering van grove, wilde, breedgepenseelde studiekoppen van

bandieten en ijzervreters "daar genie in zit", en die haar volstrekt

beter moeten bevallen dan het liefste heiligbeeld der wereld. Hij is

altijd een schilderij of wat vooruit, zoekt ter sluiks de nommers op

in den catalogus, en toont dan zijne meerderheid over zijn vader door

hem in strikken te lokken en tot dwaze weddenschappen te verleiden

over den waarschijnlijken schilder van dit of dat tafereel, van

wien de gedrukte letter hem den naam heeft doen kennen; en na hem

bewezen te hebben dat hij dien aan zijne lichtvalling, of aan zijn

behandeling, of aan zijn stoffeering, of aan zijne ordonnantie kent,

laat hij den goeden man, die toch al niet wel gemutst is, van tijd tot

tijd een ongelukkige figuur maken. Mevrouw heeft een treurig gebrek

aan ordelijkheid in hare beschouwing. Nu is zij in dit gedeelte der

zaal, maar plotseling verplaatst zich hare nieuwsgierigheid naar het

tegenovergestelde; nu eens wordt zij door deze of gene uitblinkende

verf aangetrokken, dan weder verlokt door haar aangeboren zucht om

gelijkenissen op te merken. "Zie toch eens, lieverd! vinje niet, dat

dat jongetje veel van ons _Pietje_ heeft?" Het tafereel, waarvan ze

spreekt, is de voorstelling van een lief kind, met het hoofd voorover

gebogen op den ruigen kop van een patrijshond, en door een onzer

eerste meesters geschilderd; een recht serafijnen gezichtje waarmee

ik, in het voorbijgaan, de moeder gelukwensch. _Pietje_--het is een

zevenjarig jongetje, dat ik u nog niet beschreef--_Pietje_ is een

ongelukkig wicht, door de engelsche ziekte mishandeld, met een groot

driekant hoofd, en bleek, zeer bleek! In zijne fletse oogjes schemert

maar eene flauwe levensvonk. Ik weet niet recht of hij een zakdoek

bij zich heeft. Maar aan zijn kleedij is smaak, noch kosten, noch

tijd gespaard. De kinderen van onze dagen worden allerdichterlijkst,

allertheatraalst uitgedost. Eene vierkante uhlanemuts met een gouden

kwast siert zijn jeugdig hoofd, en een schotschbont kieltje, waarvan

de breede plooien door een nog breeder verlaktlederen riem met een

onmatigen gesp worden in toom gehouden, en waar de ruiten zoo groot van

zijn, dat de rug van het schaap volmaakt een gevierendeeld wapenbord

vertoont, begraaft zijne tengere ledematen. Een fijngeplooid kraagje,

dat hem in de ooren prikt, wordt naar hetzelfde stelsel van inperking

te keer gegaan in iedere buitensporige golving die het zou kunnen

aannemen, door een dasje van turkschgele zijde, zeer uitvoerig

gestrikt. Een wit engelschlederen broekje, tot groote zielesmart

van mama aan de treden der calèche bij het uitstappen vuil gemaakt,

omkleedt zijne kromme beentjes, eindigende in witte kousjes en

lage schoentjes. "Vinje niet, lieverd! dat dit jongetje veel van

ons _Pietje_ heeft?" vraagt de moederlijke moeder. Maar hoe groot

is hare ontzetting, nu zij, opziende naar een antwoord, niet haren

echtvriend gewaarwordt, maar wie weet welk een groot Haagsch heer, met

een ridderorde en een knevelbaard! "Excuseer, mijnheer!" en met een

kleur als vuur ijlt zij weg, en sleept nu haren wettigen gemaal voor

de beeltenis van den lieven jongen, "die zooveel van _Pietje_ heeft".

Zoo heeft men een geheel uur gesleten. Mijnheer meent dat het lang

genoeg is; de wijsneus beweert dat er niets "eigenlijk moois" is; de

jonge juffrouw heeft een dollen zin opgedaan om met een blooten hals

en een gouden ketting geportretteerd te worden; en mevrouw vindt dat

men niet weg moet gaan "eer men de Haagsche menschen nog eens gezien

heeft." Het rijtuig, dat intusschen weer voorgekomen is, zal daarom

nog wat wachten. Maar de Haagsche menschen komen nog niet; de _beau

monde_ zou nog niet _kunnen_ komen. Men slentert nog een half uurtje,

en ziet, de zon breekt door! Men moet van het goede weer gebruik

maken om naar het Haagsche Bosch te gaan, "dat zoo heerlijk is". De

familie vereenigt zich bij den uitgang. "Heden mijn tijd!" zegt

mevrouw, "daar hebben we het stukje van _Ko_ nog niet gezien! Dat

moesten we toch nog eventjes opnemen."--"Och laat dat stukje van

_Ko_ nu maar rusten!" zucht mijnheer. "Het zal wat wezen!" merkt de

wijsneus aan. Maar mevrouw durft de moeder van _Ko_ niet onder de

oogen komen, tenzij ze het stukje van _Ko_ gezien heeft. _Ko_ nu,

is een neefje van de familie, een bedorven kind dat niet onaardig

teekent, weshalve zijn moeder besloot dat hij moest schilderen;

en toen hij iets dragelijks voortbrengen kon, besloot zij al verder,

dat hij iets naar de tentoonstelling zenden moest. "O zijn koetjes! me

dunkt dat ze zóózoo zullen gaan bulken!" En nu de zaal weer binnen! En

nu zoekt mijnheer in den catalogus, en mevrouw in den wilde, en de

dochter in schijn, en de wijsneus in het geheel niet naar het stukje

van _Ko_. Het stukje van _Ko_ is nergens te vinden. "Hoe groot zou

het zoo wat zijn? Zeker niet zoo heel groot." Eindelijk vindt men

een stukje met koeien, van _Ravenzwaay_ of een ander,--"ja dat zal

het wezen; dat is wel zoo wat in zijn manier"--en liever zonder den

catalogus op te slaan, uit vrees van uit den droom geholpen te worden,

sleept mijnheer de familie nu mede, volmaakt tevreden over het stukje

van _Ko_. Daar gaan zij heen. Het is ondertusschen weer begonnen te

regenen. Het geheele luchtruim schijnt uit grauw papier gesneden. Daar

gaan zij heen--om het Haagsche Bosch te zien, "dat zoo heerlijk",

en in het Scheveningsche Badhuis te eten, "dat zoo voornaam is",

om daarna huiswaarts te rijden: mijnheer, met de zekerheid, dat hij

morgen dubbel zal moeten werken; mevrouw maar half tevreden, omdat zij

zoo weinig menschen gezien heeft; de zestienjarige, met den hopeloozen

wensch in het hart om met een blooten hals en een gouden ketting te

worden geportretteerd; en de wijsneus, veroordeeld om den geheelen

weg over met den kleinen Schotschen engel op zijn knie te zitten.

N_o_... Maar neen, ik stap van de nommers af; ik weet niets

vervelenders en ontrustenders dan getallen; ik geloof, dat zij u

in sommige omstandigheden de koorts op het lijf jagen. Ik sluit

dus mijn catalogus en noodig u liever, u met mij te verplaatsen te

midden van dien bonten hoop van bezoekers, nu het uur _du bon ton_

geslagen heeft, en het vol wordt in de zaal. Welk een gefluister! welk

eene drukte! welk een gedrang! Maar een zacht, een beleefd gedrang,

een gedrang van zijde en fluweel! Zie deze oude barones, geleund

op den arm van haar zoon, den kamerheer. Zij is blij dat ze boos

kan zijn omdat er nog altijd eenige burgerlieden in de zaal zijn

gebleven.--Zie deze brillante modemaakster, met haar valsch goud

en geplekt zijden kleed, zich de airs gevende van eene freule, en

nu eens met een radde Haagsche tong, dan eens in slecht Fransch,

de schilderijen ruim zoo luidkeels beoordeelende als de hoogste

hooggeborene.--Aanschouw dat lieve burgermeisje, slachtoffer van

de eerzucht haars broeders, die schrijver is bij een ministerie en

alzoo een bril en veel fijner laken draagt dan zijn vader uit den

lintwinkel. Hij wilde volstrekt niet vóór het _fashionable_ uur naar

"de expositie", en nu leeft zijn lief zustertje, dat zich wel naar

hem schikken moest, in gestadige angsten, en durft zich niet in het

gedrang wagen, en heeft de vermetelheid nauwelijks om zich voor het

beeld van die "oude vrouw, den Bijbel lezende" te plaatsen, waarvan

zij zoo veel heeft hooren spreken; zij bereikt het eindelijk, maar

beschouwt het niet dan met een schuchteren blik en gereed om de vlucht

te nemen voor de eerste groote dame die er haar lorgnet op schijnt te

zullen richten. Ach! zij gevoelt zoo diep en zoo dikwijls dat zij maar

"een juffertje" is. Tot haar groot geluk redt haar de komst van haar

broeders chef uit al de pijnlijkheden dier folterzaal.

Geef u de moeite den blik van stomme bewondering dezes eenvoudigen,

van onverschilligheid dezes onbeduidenden, onderling, en met het

oog van verachting dezes veertigjarigen jongelings, "die zóó veel

gezien heeft in zijn leven en op zijne reizen", te vergelijken. Let

op dezen rampzaligen Narcissus, gelukkig door zijn bont vest en zijn

stroogele handschoenen, die, op den knop van zijn rotting zuigende,

zichzelven voor eene zeldzame vereeniging aller mannelijke schoonheden

houdt, die de dames meer belangstelling vergt dan al de portretten

van geleerden en cavalerie-officieren en zeemannen in de zaal,

en waardig is in al de bochten, waarin hij zich wringt, te worden

afgebeeld om de bewondering aller tentoonstellingen uit te maken. De

onbetaalbare levende ledeman! Sla uw oog op dezen geaffaireerden

bezoeker, neen doorvlieger van de zaal, wiens gewichtig gelaat

het telkens luider uitgilt "dat hij wel wat anders te doen heeft

dan schilderijtjes na te loopen;"--op deze jonge dame, die zelve

schildert en, met een tuyau in de hand, niet rusten kan vóór zij de

stukken van haren lievelingsschilder "genoten" heeft, "dan is haar de

rest onverschillig;"--op dien student, die sterven zal, zoo er niet

spoedig iemand komt, aan wien hij vertellen kan dat hij de laatste

_Ausstellung_ te Dusseldorf heeft bezocht.--"Maar wie is die jonge

mensch," vraagt gij, "met dien lagen, breedgeranden hoed, die wilde

haren, dien dikken stok, dat heele korte jasje, dien wijden, geruiten

pantalon?"--Gij meent een schilder, een jong schilder. Gij vergist

u; het is de vriend van iemand, met nog lager, nog breeder geranden

hoed, met lange, maar schoone, gekrulde haren, met een nog dikker,

maar ook mooier stok, met een nog korter, maar fluweelen jasje, en

nog bonter pantalon. En _die_ iemand is een schilder. _Deze_ is zijn

_alter ego_, zijn onafscheidelijke, zijn jakhals, zijn bewonderaar,

zijn namaaksel, zijn overdruk, zijne schaduw. Hij wandelt met den

schilder, hij ontbijt met den schilder, hij doet keertjes te paard

met den schilder, hij gaat met den schilder naar den schouwburg,

hij rookt, hij zwetst, hij biljart met den schilder; alleen, hij

schildert met den schilder niet. Dagelijks kunt gij hem in deze zaal

vinden; want hij is een hartstochtelijk bewonderaar der schilderkunst

en der schilders. Indien gij op dezen afstand het woord _artiste_ op

zijn voorhoofd meent te lezen, zult gij hem tot den gelukkigsten der

stervelingen maken. "Ook is _zijn_ schilder hem menig idee verplicht,

en zoo hij wilde... ja zoo hij wilde!"

Zult gij nu nog vertoeven, totdat de laatste laatsten _du beau monde_

verschijnen, die de zaal door huns gelijken bijna ontruimd vinden en,

tot hun groote wanhoop weder volgeloopen met "gepeupel", dat reeds

gegeten heeft--? Of willen ook wij nu maar heengaan, uit vreeze,

dat deze of gene onderzoeker òns uitteekent, als caricaturen van

onverdragelijke leegloopers, die zich het voorkomen van opmerkers

geven?--

1838.

De Wind.

Het stormt buiten. Hoort gij het, mijne vrienden? het stormt. De wind

is verschrikkelijk: vlaag om vlaag; hij loeit om uw dak, hij fluit

door iedere opening, door elken doortocht. Hij schudt uwe deuren

en vensterramen. Het is noodweer. Zegt niet: "laat ons opstoken en

bijeenschikken, en eten en drinken, en zóó luid spreken dat wij den

wind niet hooren." Het is epicurische lafhartigheid. Gelijk gij bij

zacht en liefelijk weer den blik wel duizendmaal uit het venster werpt

en, de vriendelijke natuur in al haar rustig schoon aanschouwende,

telkens uitroept: "het is heerlijk!" zoo ook past het u op een dag

als heden, althans een enkele maal naar den orkaan te luisteren, zijn

woeden aan te zien, te denken aan de algemeene beroering, en te zeggen:

"het is ontzaglijk!" Dit, dunkt mij, betaamt een man. Zij, die het

niet willen--ik vreeze dat zij de stormen des levens met dezelfde

kleinmoedigheid zullen zoeken te ontduiken. Neen, zij zeker zijn het

niet, die in rampen en verschrikkingen, in onheil en nood, zich van

hun toestand overtuigen durven, of in den storm des tegenspoeds het

hoofd opsteken en zeggen: "hier ben ik!" Zij sluiten hunne oogen voor

het gevaar; zij schuwen het in te denken; zij sterken zich het hart,

noch oefenen hunne zielskracht; zij hebben geen nut van hun leed;

het zijn bloodaards. Laten wij naar den storm luisteren.

Die wind, die ontzettende wind! Van waar komt hij? Werwaarts gaat

hij henen? Vergeefsche vragen, door zijn krachtigen adem medegevoerd

en verstrooid! De onzichtbare, de geweldige, de alomtegenwoordige,

de reus der geheimenis! Hoog, hoog boven de aarde, om de lenden der

bergen worstelt, woelt, en geeselt hij; door rotsspleten en spelonken

waart hij rond met snerpend geloei; in den diepen afgrond gromt hij;

in de eenzame woestijn, waarin geen geluid gehoord wordt dan het

zijne, drijft hij het zand te hoop; door de wildernis wandelt hij om,

met luidruchtig geweld;--en de onmetelijke zee,--is hij niet grooter

dan zij? haar broeder, haar ontzaglijke speelgenoot, haar woedende

bestrijder!

De onafhankelijke: hij waait werwaarts hij wil. Als gij hem uit

het oosten wacht, verheft hij zich in het noorden. Gij gelooft, dat

hij sluimert in het zuiden--ziet, hij staat op in het westen! Hoe

spoedig is hij ontwaakt, hoe ijzingwekkend is zijn kreet,

hoe onweerstaanbaar zijn aanval! De sterke: soms is hij speelsch

en dartel; maar wee! wee! als het hem ernst is; want eer hij den

kampstrijd aangaat, is zijn triumf verzekerd. Het woud gaat hij door,

als door _Sanheribs_ leger de slaande Engel des Heeren. De wateren

woelen, zieden en branden. Hij ontbloot de beddingen, hij smakt de

steenrots van haar voetstuk. De gelederen der golven breekt hij door,

en speelt met haar schuim als waren het witte vederen, haren gehelmden

kruinen afgerukt. Te vergeefs zoo de zee zich opheft als een bezetene,

dol van woede, bruisende van toorn. Hij grijpt haar aan, en schudt

haar tot zij machteloos en stuiptrekkende nederstort--en wie zich

aan haar borst vertrouwden, wie zich waagden op hare gevaarlijke

diepten... Heere! behoed hen! zij vergaan.

Krachtige stem der natuur! Hoe schokt gij de harten der menschen! Alle

geluid van het onbezielde is door u, levende stem der lucht! Gij

spreekt; de echo der bergen, de schoot der wateren, het dichte loover

antwoordt u. Maar gij, gij overschreeuwt die allen. Wel moogt gij

de stem des Heeren heeten. Voorzeker neen: geen ontgrendeld rotshol,

geen gonzende knots, geen losgelaten vleugelpaard, geen adelaar met

klappende wieken bracht u voort: gij zijt de stem des Almachtigen. Zijn

Geest is een adem, een aanblazing, een krachtig ruischen. Woest was

de baaierd, woest en ledig; geen orde, geen onderscheiding, geen

licht, geen geluid. De duisternis zweefde over den afgrond. Alles

stil en levenloos. Maar een krachtig, een zwoel, een vruchtbaarmakend

windgeruisch ging over de diepte. Het was de adem Gods broedende [30]

over de wateren. Zij sidderden op die aanraking; die siddering was

leven. De stilte was gebroken. Sinds dat oogenblik gingen van God uit

scheppende kracht, orde en leven!--In het suizen van den avondwind

behaagde het Jehova den eersten zoon des stofs te verschijnen; en uit

den wervelwind sprekende tot _Job_, leerde hij hem sidderen voor de

mogendheid zijner almacht. Hoort gij dit plechtig geloei? Welnu! zulk

een gedruisch vervulde het gebouw, waar de discipelen bijeenzaten

op den Pinksterdag; het was Gods Geest, op aarde nederdalende in het

ruischen "als van eenen geweldigen gedrevenen wind".

Maar dit symbool der kracht Gods, zoo onzichtbaar, zoo geducht, is het

ook niet een schaduw zijner weldadigheid? Ziet, nu is hij geweldig en

verpletterend; maar hij is toch geen woestaard, alleen uitgaande tot

verdelgen! Als alles doodsche stilte is; de zon brandend; de korst

der aarde gespleten; het geboomte verschroeid; het pas opgeschoten

veldgewas schraal en met stof bedekt; als de kanker der vertering in

stilte voortvreet, en de stinkende damp des verderfs hevelt uit het

lauw moeras--dan verheugt zich de dood in een rijken oogst. Maar,

in de verte ziet gij een wolkje, niet grooter dan uw vuist, en het

is als hoordet gij den slagregen reeds ruischen; want de bode des

Heeren is opgestaan, de breedgewiekte wind, die het in een oogwenk

tot u zal brengen. Hij komt, de afgebedene, de gezegende. Voor

zich henen drijft hij den pestwalm, die om uwe hoofden zweefde, en

onder zijne wieken voert hij mede de trezoren der vruchtbaarheid en

des bloeis, der gezondheid en der kracht. Hij vernieuwt het gelaat

des aardrijks. Hij vaagt het stof af van den oogst; de sluimerende

groeikracht wekt hij op uit hare bezwijming. Verkwikkend gaat hij om,

en deelt frissche teugen uit van welvaart en van leven.

Herinnert gij u den weelderigen zomeravond, dien gij zoo zeer

genoot? De dag was drukkend geweest en benauwd. De zon, krachtig

tot het laatst toe, was ondergegaan te midden van purper en

rozen. Nog zongen de vogelen niet. Er lag eene zwaarte op de geheele

natuur. Alles was stil. Maar daar ontwaakte een zacht gerucht,

het suizen van een liefelijk koeltje. Hoe vingt gij het op met

dorstige lippen, met hoeveel wellust ademdet gij het in, en liet het

spelen door uwe bedauwde lokken! Het kwam vriendelijk aangezweefd,

beladen met den geurigen wasem van blad en bloem, en koelde loover

en grasscheuten. Fladderend streek het over het lauwe water, en

helderder en frisscher rimpelde dat, en ruischte als verheugd; de

toppen der boomen vingen aan welluidend te zwatelen:--het was een

liefelijk ineensmelten van zachte en vredige geluiden. Het was u,

als hoordet gij een stem van enkel liefde. Welnu! het was de stem der

liefde Gods. Zoo ruischte zij den profeet in de ooren, op den top

van Horeb, waar hij stond en den Heer verbeidde. "En ziet, de Heer

ging voorbij, en een groote en sterke wind [als deze!] scheurende

de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heere henen. Doch de

Heer was in den wind niet. En na den wind, eene aardbeving; de Heer

was ook in de aardbeving niet. En na de aardbeving, een vuur; de

Heer was ook in het vuur niet. En na het vuur, de stemme eener zachte

koelte. Toen sprak de Heer tot _Elia_".--Dit, mijne vrienden, staat in

den Bijbel, opdat gij het lezen zoudt, in dezen stormachtigen tijd! O,

's nachts, 's nachts, als gij slapeloos nederligt, en de ontboeide

wind gierende omgaat om uw huis als een brullende leeuw die schijnt

te zullen binnendringen--dan gaat eene huivering u door de ziel! Zegt

mij, hebt gij gebeden? God, de Heer! voor wien stormen en orkanen

zijn als dienaren die, als hij ze roept, tot hem komen en zeggen:

"Hier zijn wij!" God, die ze uitzendt en terugroept als boden en

slaven--die Almachtige is zachtmoedig en liefderijk als eene zachte

koelte. Slaapt dan in! Al waart gij ook teedere moeders, wier zonen

verre zijn; misschien wel op den breeden vloed! Nog eenmaal gebeden,

en dit bedacht! en het zal u wezen, als zweeg de wind! en als omringde

u alleen de zachte, de kalmte aanbrengende liefde Gods. Slaapt in;

die liefde sluimert nooit. Vreest niet--gelooft alleenlijk.

October 1838.

Camera Obscura · 第 46 / 64 题