N_o_. 1. _Een Teekenmeester, zijn eigen werk beschouwende._

Het is een kort, tenger mannetje, min of meer grauw van tint, met

kleine, grijze oogen en een scherpe kin. Bij het binnentreden overziet

hij de zaal in de vier richtingen met een kennersoog, en geen stap

gaat hij verder alvorens hij zijn bril heeft opgezet. Hij is gekleed

in een vettigen, versleten zwarten rok en dito pantalon. Een lederen

stropje van eigen maaksel knelt om zijn hals, en hij draagt een

katoenen overhemd, op de borst fijntjes geplooid. Hij vergoedt het

volslagen gemis van handschoenen door de buitensporige lengte van de

opslagen zijner roksmouwen, die hem tot het tweede lid der vingeren

komen. In het voorhuis reeds heeft hij den catalogus opengeslagen en

naar binnen omgevouwen. Hij heel _Aegidus Punter_. De P. blinkt op de

bovendrijvende bladzijde. Hij is nu bezig, met een zekere handbeweging,

alleen den teekenmeesters eigen, een volslagen potlood met een lange,

scherpe punt uit zijn kamizoolzak op te delven. Wilt gij meer van

hem weten? O! het is niet moeielijk in hem een dier ongelukkige

martelaars der kunst te onderscheiden, "die miskend worden", en wier

schitterende gaven alleen waardeering vinden bij de jonge dames die

hunne voorbeelden copiëeren. Het ontbreekt hem aan aanmoediging en

tijd, anders werd hij een van de grootste schilders van het land. Dan

had hij een ridderorde, dan ging hij naar Italië, dan kwam hij in

de nieuwe uitgaaf van het groot Schilderboek!... Maar niemand let

op hem. Hij gelooft somtijds dat hij een te stipt christen, een te

nauwgezet burger is, om een schildersnaam te maken. Voor het overige,

wanneer hij over de kunst spreekt, gebruikt hij de woorden: toon,

kracht, geest, warmte, vergelijkende tint en wat dies meer zij,

zoo dikwijls als de doorluchtigste van het gild. Zijne voornaamste

verdienste bestaat in de edele onverschrokkenheid waarmede hij zich

aan alle genres waagt. Hij teekent kerken, hij teekent historie,

hij teekent landschap naar de natuur; hij vervaardigt, zoo gij het

verkiest, uw portret in waterwerf of crayon; hij doet al wat gij

wilt. Maar hij maakt jaarlijks één schilderijtje, dat hij naar de

tentoonstelling zendt. Het maakt de bewondering uit van zijn vrouw,

van zijn meid, van al zijn kweekelingen, en van al de leden van het

kunstlievend gezelschap daar hij lid van is.

Maar altijd wordt het slecht geplaatst, allerslechtst geplaatst! Hij

ziet in de commissie een schandelijk komplot, tegen zijn opgang en

belangen saamgespannen. Hij leest den Konst- en Letterbode, hij leest

het Handelsblad: nooit is er melding van zijn stuk gemaakt. O! welke

zoete droomen droomt hij den eersten nacht nadat hij het heeft ingepakt

en met een uitvoerig adres verzonden! Het zal de verbazing van alle

beschouwers uitmaken! _Teylers_ museum zal het willen aankoopen;

de Prinses van Oranje zal het moeten bezitten; een liefhebber zal

aanbieden het met goud te beleggen! Groote schilders zullen hem zijn

penseel benijden; vreemdelingen zullen naar de plaats zijner woning

komen reizen "om den grooten _Punter_ te zien"; en wanneer hij hun

dan, zoo eenvoudig en nederig als hij is, in zijn simpel zwart rokjen

en op zijn hooge schoenen, de deur zal openen, en zij vragen: "is de

groote _Punter_ te huis?" welk een triumf zal het zijn, te zeggen:

"dat ben ik zelf, mijnheer! om u te dienen!"--Helaas, zijn stukje

komt weerom--het is niet in aanmerking gekomen.--Eens, eens--de

waarheid eischt van den geschiedschrijver dat hij het vermelde--ééns

scheen het in aanmerking gekomen te zijn. Eene dame van rang en

liefhebberij had er een kunstkooper last op gegeven. De kunstkooper

schreef aan _Punter_, en _Punter_ schreef aan den kunstkooper. Hoeveel

woordenstrijd had deze briefwisseling tusschen juffrouw _Punter_ en

haar waardigen eega gekost, als het haar voorkwam dat hij te zedig was

in het bepalen van den prijs, en zij hem toescheen voor een eersten

keer wel wat inhalig te wezen! Eenige dagen duurde het eer hij een

tweeden brief ontving. Reeds wisten al zijne jonge juffrouwen en

de geheele stads-teekenschool dat het stukje van meester _Punter_

was "aangekocht voor een kabinet"; reeds had men er hem in zijn

kunstlievend gezelschap mee gelukgewenscht; reeds had hij vol ijver

en hoop een nieuw stukje begonnen. Het zou ditmaal in den smaak

van _Ostade_ zijn. Twee passediezende boeren met de echt Ostadische

korte pijpjes, en den eeuwigen wingerdtak belet vragende door het

venster. De eene geheel spel; de andere half bierkan!--Hij zou er

het dubbel voor vragen van hetgeen zijn eersteling had opgebracht;

en zijne vrouw zou een kerkboek krijgen, met een gouden slot. Zoo

zou hij langzaam opklimmen tot de hoogste hoogte; zoo was het _Frans

Hals_, zoo _Van Dijck_, zoo _Rembrandt_ gegaan.--Maar, o slag des

noodlots! Daar brengt hem de koelbloedige post een brief.--Men had

zich in het nommer vergist. De kunsthandelaar is beleefd genoeg

vergeving voor deze onachtzaamheid te vragen. Vergeving voor deze

onachtzaamheid! Wat onachtzaamheid? Neen, hij vrage veeleer vergeving

voor een der verschrikkelijkste grieven, die men een eenvoudig

burgerman kan aandoen! vergeving voor een dolksteek, die een van

blijdschap zwellend hart doorboort; voor een mokerslag, die honderd

der schoonste luchtkasteelen doet ineenstorten! vergeving voor een

zedelijken en schilderlijken moord!--Ziedaar een enkele bladzijde

uit de geschiedenis van dit klein, tenger mannetje. Verbaast het u

thans, dat zijn rok zoo kaal, zijn gelaat zoo geel, zijn mond zoo

droevig geplooid is, dat hij de opgewektheid verliest zijne sluike

haren éénmaal in de maand te doen knippen? Zie hem daar nu weder

op de tentoonstelling. Zijn stukje--het is ditmaal eene keukenmeid,

die een koperen emmer schuurt--zal wel weer slecht geplaatst zijn;

zeker te hoog of te laag voor menschelijke beschouwing. De vorige

maal was het alsof het zijne bewonderaars onder de engelen zocht: nu

zal het misschien in de diepte zijn nedergestort. _Flectere si nequeo

Superos, Acheronta movebo!_ zucht hij niet, want hij verstaat geen

Latijn. Zijn vader was een rijtuigschilder, beroemd om zijn blinkend

en nooit barstend vernis; maar de zoon had te veel _"zenie"_ om bij dat

vak te blijven. Hij vorscht met schijnbare onverschilligheid de plaats

uit, aan zijn meesterstuk beschoren. Het schikt nogal, wat de hoogte

betreft; maar in dit hoekjen is immers weer niets geen licht op den

koperen emmer! Ach! de geheele wereld gaat er ook voorbij. Nutteloos

staat deze Apelles op de wacht; zoomin de tripjes als de voet van

zijn keukenmeid worden beoordeeld! Niemand zegt iets van den koperen

emmer, waarvan zijn vrouw immers had betuigd, dat zij meende er haar

muts in te kunnen opzetten! Als de bewegelijke rij der toeschouwers,

"die toch waarlijk bij erger prullen stilstaat", tot _zijn_ werk is

genaderd, schijnen zij plotseling gezicht en spraak verloren te hebben.

Stillswijgen is een Vloeck die meer bijtt als quaed-spreken.

Zijn eigen onafgebroken aandacht wekt zelfs niemands opmerkzaamheid

op.--"En daar moesten zij dan die lijst nog om beschadigen!" zucht

hij--"die lijst van twaalf gulden tien!" Want het verguldsel had een

knauw gekregen, doordien het nog nat was geweest toen hij zijn tafereel

inpakte en, een maand te vroeg, verzond. Troosteloos verwijdert hij

zich, om in stilte zijn gemoed te koelen aan het portret van dien

poedelhond, wiens rechteroor misteekend is. Maar, daar is het alsof

hij iets hoort in den hoek van _zijne_ schilderij. Inderdaad! Eene

jonge welgekleede dame en een dito jonge heer staan er in eene gebukte

houding op te turen. Zoo schijnt dan nog iemand dit der moeite waardig

te achten! Zie, hoe lang vertoeven zij! het zijn zeker liefhebbers,

ontegenzeggelijk kenners!--Maar welk een onderdrukt gelach, nu zij

er afstappen? Gerechte hemel! zij trekken een gezicht alsof zij het

vroolijkste _Jan-Steentje_ gezien hadden in plaats van zijn eerbare

keukenmeid, en nog even vangt hij de woorden op: "het heeft meer

van een hond".--Dat verwijt geldt, arme kunstenaar! het katjen op uw

voorgrond, niet veel grooter (ik beken het) dan een schaap van het

kleinste ras! Het katje, waarvoor uw eigen poes tot model verstrekte;

het katje, dat gij uitteekendet des avonds, terwijl uwe teedere gade

uw slaapmuts warmde op haar stoof! En (tot overmaat) daar hoort hij

diezelfde jonge lieden hunne bewondering uitgillen over dienzelfden

poedel, wiens rechteroor misteekend is!--"Het is," zeggen zij, nota

bene!--"het is alsof hij leeft."

"De naam is alles," zucht hij, en kijkt op zijn zilveren zakuurwerk,

het zilveren zakuurwerk van zijn eerzamen vader, den rijtuigschilder,

beroemd door zijn blinkend en nooit barstend vernis. Het uur is

geslagen, hij moet les geven. Ga heen, ongelukkig martelaar! ga heen

naar de jongejuffrouw C. en vertel haar voor de honderdste maal "dat

zij toch hulplijnen moet zetten"; zij heeft het weder vergeten, en nu

staat de geheele anjer scheef; ga heen, en bedenk u onderweg nog eens

of gij u wel wagen zult aan die voorstelling van de heldendaad van

_Van Speyk_, waar ook al voorstellingen genoeg van zijn. Vervolg uwe

lessen van uur tot uur en van dag tot dag! Met een weinig meer talent

zoudt gij misschien, met een weinig minder, zeer zeker gelukkig zijn.

Camera Obscura · 第 45 / 64 题