Neen, ik kom van mijn denkbeeld terug dat er, in spijt van _Newton_
en _Herschel_, eene verandering in ons wereldstelsel zou hebben
plaats gehad. Mijn barbier had er mij bijna toe overgehaald. "Die
komeet van _Halley_", had hij wel tienmaal gezegd, "is niet pluis
geweest!"--en toen nu de winters wegbleven, en het in Italië kouder
was dan bij ons; toen de Meimaanden Novemberweer meebrachten, toen
ik zaterdags vóór Paschen (en het was een late Paschen, van 't jaar)
over den straatweg narde, en op oudejaarsmorgen laatstleden drie
bloeiende viooltjes plukte--toen begon ik in den man met den langen
blauwen jas en de zilveren oorringetjes, die altijd iets te scheren
en altijd iets te praten weet, geloof te stellen, en ik zei met hem:
"die komeet van _Halley_ zal het hem gedaan hebben".
Maar nu schijnen alle dingen weer op den ouden voet te zijn en,
indien het al waarschijnlijk is dat wij een uitstap hebben gemaakt,
het is zeker dat wij weer zijn teruggebracht, dat wij weer tehuis
zijn. Het is weer winter in Januari. Mijn grootmoeder was trotsch op
den winter van Vijfennegentig, "toen er nog zoo geen kachels waren",
en ik verhef mij op de koude van Drieëntwintig, toen er van de veertig
jongens maar zeven school kwamen, van welke ik er één was, wien de
lofspraak, die het mij van den meester bezorgde, op een bevroren neus
te staan kwam; om niet te spreken van een "kaartje van vlijt", dat
mij ontging, omdat mijne handen veel te rood en veel te koud waren
om een mooi middelmaat schrift te schrijven, op en tusschen de lijn,
met zuivere ophalen, en zonder aandikken. Helaas! ik heb het in het
schrijven nooit heel ver gebracht; daarom laat ik nu ook maar drukken.
Ik mag wel een wintergezichtje. Alle landschapschilders beginnen
met wintergezichtjes, waaruit ik opmaak dat een wintergezichtje
gemakkelijk en eenvoudig is. Er ligt in die soberheid der natuur
in de koude maanden iets aantrekkelijks, iets plechtigs, iets kalm
verhevens. Indien deze bevroren ruiten het maar wat beter wilden
gedoogen, hoe zou ik het vergezicht genieten! Waarlijk, het is
schoon! Een heldere, blauwe lucht, geheel klaarheid, als wilde de
zon met licht vergoeden wat zij aan warmte onthoudt. Een heerlijke
noordsche dag;
"Een telg der zon in sneeuwkleedij."
Maar de sneeuw is nog weinig. Hoe liefelijk rust dat weinige op de
immergroene dennetoppen! Al de andere boomen hebben het afgeschud;
maar ook de lange, lange beukenlaan met hare onafzienbare reeks
grauwe takken heeft iets indrukmakends. En het verre verschiet:
hoe duidelijk is het; hoe scherp teekent zich dat rieten dak tegen
den azuren hemel! ... Maar daar is iets, dat voor mijn gemoed al
de schoonheid van dit wintertooneel bederft; het is ... Moet ik het
zeggen? Het is--het ijs!
Een heldere, frissche, noordsche dag doet een mannelijk bewustzijn
van kracht, een besef van gezondheid ontstaan. De koude geeft een
edelen moed; zij sterkt de ziel gelijk de spieren. Men weet ook wel,
wat mannen en wat beginselen het Noorden heeft voortgebracht; welke
gezonde, reine, zuivere en heldere denkbeelden er van het frissche
Noorden zijn uitgegaan; welke edele krachten het forsche Noorden heeft
ontwikkeld; welke reuzen, gewoon de sneeuwvlok in den baard te voelen
en den hagelsteen te hooren kletteren op het harnas, met
"daden in de vuisten",
uit het geharde Noorden zijn opgetreden. En daarom: ik acht, ik
eer de koude, den zuiveren, gezonden wind, de blanke, smettelooze
sneeuw;--maar het ijs--o, vergun mij het ijs te haten!
De koude maakt de beweging noodzakelijk, de luiheid onmogelijk, of
het moest de luiheid van het bed wezen. Alle inspanning, alle vlijt,
iedere vermoeienis wordt met het zaligste beloond, dat men in den
winter genieten kan: warm te worden. En dan de haard! die dierbare
haard! O gij, middelpunt aller wintergenoeglijkheden! Vurig voorwerp
der vurige liefde van huismenschen en huisdieren! Onderpand en outer
der huiselijkheid zelve! hoeveel verliest gij van uwe bekoorlijkheden,
van uwe waarde en van uw gezag, in die laffe, wakke, flauwhartige,
waterzuchtige winters! Men verachteloost, men vergeet, men spreekt
kwaad van u. Tweemaal in de week wil de schoorsteen niet trekken;
zesmaal in de veertien dagen is het hout te vochtig om te branden;
dagelijks zijt gij als een twistappel in de huisgezinnen, als de een
u te warm, de ander niet warm genoeg aangestookt acht. Maar _nu,_
gij wordt, van een noodzakelijk kwaad, een onbeschrijfbaar geluk, van
eene gedoogde dienstbode, een gevierde prinses! Men moedigt u aan, men
prijst, men verheft, men bewondert u: gij wordt aangebeden! Uren kan
men u zitten aanstaren! Gij zijt het ideaal van winterheil! Gewis, voor
de lustige vlammen gezeten, met het boek van een lievelingsschrijver
in de hand en het vooruitzicht van een krachtigen wintermaaltijd
des middags, of van opwekkelijke punch des avonds, nu en dan een
blik te slaan op het bevrozen tooneel, dat buiten is, de helderheid
van hemel, aarde en haard te genieten, het flikkeren van de witte
sneeuw met dat der gele en oranje vlammen te vergelijken ... het is
zalig--Maar het ijs, het ijs! ... Waarom ijs?--Ja, het ijs is voor
mij een voorwerp van afschuw. Het moest winter kunnen zijn zonder
ijs. Ik bemin den winter,--ik gevoel, dat ik den winter noodig heb;
ik zie veel minder tegen het korten der dagen dan tegen onze natte
schrale voorjaren op--maar noch het glas water, dat ik elken avond
op mijne nachttafel gereed zet, moest stollen, noch de lieve breede
vijver, waar ik hier het uitzicht op heb--mijn mikrokosmos, noch mijn
makrokosmos--moest bevriezen! En waarom niet? Ach gij zoudt de vraag
niet doen, zoo gij wist, hoe dierbaar mij het water is, het heldere,
levende water! welke aandoeningen het in mij opwekt, welke gedachten
het mij toespiegelt,--hoe teeder ik het bemin.
_Cooper_ verhaalt van een zeeman, die niet inzag, waartoe er éénig
land op de wereld noodig was, dan effentjes een klein eiland, en dan
ook nog maar, om den wil van het zoete water. Zoo verre gaat mijn
hartstocht niet. Het is het vaste land, dat mij het water te meer doet
waardeeren; maar ik bemin het dan ook met een gloed, die aller zeeën
en stroomen tezamengedreven vocht niet in staat zou wezen te blusschen.
Zie, daar stort zich de schuimende waterval met daverend geweld uit de
hoogte neder in de diepte. Het is een prachtig gezicht, een majestueus
gedruisch. De zeven kleuren des lichts worden gescheiden; de lucht
dreunt; en de wind voert het witte, vlokkige schuim wijd en zijd
mede. De harde rots siddert, en geheele brokken worden afgescheurd;
de pasgeboren stroom voert ze mede als lichte vederen, en ploft ze
neder in de diepte, waar alleen hij ze kan oplichten. Water! gij zijt
de sterkste, de krachtigste, de edelste der vier hoofdstoffen! De
Aarde is stom, dood en roerloos; maar uwe stem is als de donder,
uwe spraak heeft allerlei geluid; gij leeft, gij zijt als bezield;
gij beweegt u naar alle kanten als eene kronkelende slang: als eene
bevallige schoone, als een ontstuimig ros, dat struikelblok acht noch
slagboom ontziet! Onzichtbaar is de Lucht; maar gij blinkt als een
edel metaal, met maagdelijk smettelooze reinheid! Uwe veerkrachtige
oppervlakte werpt de vermogende stralen der zon terug, en doet het
trillend geluid huppelen naar uwe maat! Het Vuur is afhankelijk van
voedsel en lucht; maar gij zijt vrij en u-zelf genoegzaam, ja, gij
vernietigt zelfs het vuur, waar het (te vroeg!) naar de oppermacht
staat over al de elementen! Schiet heen, koninklijke bergstroom! schiet
heen en heersch, vervul de dalen, splijt de heuvelen, spot met den
trots en het zelfvertrouwen der vaste stof! Richt uwen weg werwaarts
gij wilt! Zwel schuimende, verbreed u bruisende! Word gevreesd en
geëerd! En leg u dan ter ruste in den schoot des breeden oceaans;
hij alleen is uwer, gij zijt zijner waardig! Gij beiden zult leven tot
"de hemelen met een gedruisch zijn voorbijgegaan en alle hoofdstoffen
branden zullen en vergaan".
Gegroet, gegroet, gij frissche stroomen en heldere rivieren! Gij
dooradert de aarde, gelijk het bloed de leden doorvloeit van de
kinderen der menschen! Wee, wee het oord, dat gij veracht! Dáár is
woestijn, verschrikking en hongersnood! Gezegend de landen, door u
gezuiverd, gevoed, verrijkt, gesierd en gelukkig gemaakt! Wel moogt
gij den hemel weerkaatsen, en de wonderen des hemels weerspiegelen, gij
weldadigen! Wel mogen de zaden der liefelijkste bloemen nedervallen aan
uw oevers, de weelderigste takken der schoonste boomen hun lommer over
u uitbreiden, de geurigste kruiden van wederszijden u toewalmen! Geen
olmekruin toch spiegelt zich in uw o helderheid en geene lelie buigt
zich met Liefde, naar uwe frissche rimpeling, of zij groeien en bloeien
door u! De wijnbergen aan uwe zoomen voeden uit u de verkwikkende
trossen, en de goud-gele oogst bootst het gedruisch uwer golven
niet na, dan als een hulde, U toegebracht! Gij doorwandelt de aarde
goeddoende en waar gij de oorden in liefde omhelst, daar baren zij
welvaart en vruchtbaarheid, schoone dochteren, op hare beurt moeders
van vrede en geluk!
Aan dezen oever lust het mij te toeven en het heerlijk tooneel te
genieten. Met hoe sierlijk een bocht beweegt zich de blauwe rivier
over hare zachte bedding en besproeit de groene zoomen, frisch en
vroolijk door hare bevochtiging. De zon giet er haar licht over uit;
maar het is of zij hare stralen slechts even indoopt, en dan schuchter
terugtrekt, met een tinteling als van vuurvonken en diamant. De lage
wilg met zijn hollen knokigen stam; de slanke popel, wuivende van
het zachte koeltje; het hooge en dichte riet, de scherpe blaren en de
zwarte pluimen schuddende; het kleine boerenhuis, waaruit het blauwe
rookwolkje geestig en langzaam opstijgt, en in de lucht vervloeit;
de roodbonte koe, tot de knieën in het water, een koel bad nemende op
gindsche zandplaat,--het wordt alles getrouw verdubbeld door het klare
vocht, en zijn dun vernis doet ieder voorwerp schooner glanzen. Kunt
gij den lust weerstaan met mij in dit bootje te stappen?--Reik mij
de hand, en ik zal u midden in dit bekoorlijk tooneel brengen. Een
oogenblik zal het geplas der riemen de liefelijke stilte afbreken,
een oogenblik de effenheid gestoord worden, en dan zullen wij ons
op den stroom laten drijven. O wellust! te drijven, te vlotten, zich
te laten gaan! losser van het stof der aarde, als een golf onder de
golven, zich over te geven aan den vriendelijken Geest der wateren,
wiens onzichtbare hand u voortstuwt over zijn gebied. Zie, nu is het
hemel boven en onder en rondom u, en gij gevoelt u zelven het gelukkig
middelpunt eener sfeer van schoonheid en weelde. Dat gij uwe luite bij
u haddet. De zachte melodie is het liefelijkst op het water. De malsche
noten vallen er op neder als dons; en zacht, als de boezem eener vrouw,
heft het water ze op; en verzoet, maar versterkt, als verkwikte hem die
aanraking! zweeft de toon van rimpel tot rimpel, van golf tot golf,
en vervult beide de oevers met den wellust des geluids. Waarlijk,
het water is bezintuigd, is gevoelig; het bemint al het schoone:
het welluidend toongeruisch, de zachte kleurschakeering, den zoeten
geur. Ik zou den riem niet met woestheid kunnen bewegen, noch onnoodig
rumoer maken in een element, zoo aandoenlijk, zoo teeder. Ja, het edele
water, het doet de aarde leven; het verheugt ieder landschap, het is
het schoonste sieraad aan het weelderig kleed der aardsche schepping!
Maar des avonds, als zich de breede schaduwen nedervlijen aan uwen
boezem; als de maan haar troostend licht doet trillen op uwe effenheid
en al de sterren in u haren glans verdubbelen, dan, heerlijke vloed! is
er eene stem, die opstijgt uit uwe bedding, en roerend en verlokkend
spreekt tot mijne ziel! Dan is het geluk, op den alleruitersten rand
des oevers te staan, mij overgevende aan zoet en weemoedig gepeins. En
telkens als het windje zich verheft en in den stroom een stroomender
plekje vormt, is het alsof de lokstem inniger en verleidender wordt. En
het oog volgt uwe oppervlakte, tot waar zij met de geheimzinnige
schemering ineensmelt, en duizende gedachten, duizende herinneringen
golven af en aan met uwe rimpeling. Het is een wellust.
Zoo stond ik menigen schoonen zomeravond aan uwen rand, liefste aller
vijvers! gij weet, of ik u liefheb. Thans!--(helaas! ik schrijf dit
alles bij een groot kolenvuur!)--thans zie ik treurig naar u uit!--Gij
zijt een ijsklomp; gij zijt verstijfd, roerloos, dood. Voor weinige
dagen zag ik de bleeke winterzon nog schijnen op uwe golving, en de
groene dennen ter linker-, de lommerlooze groepen van acacia's en
beuken ter rechterzijde in uwen spiegel weerkaatst; en met welgevallen
rustte mijn oog op het zonnige plekje, dat hoenders en duiven plachten
uit te kiezen om zich te verkwikken aan uw vocht. Helaas! wat is er
van u geworden? Wat anders zijt ge nu dan
"'t Misvormde lijk van 't uitgebloeide Schoon"?
Wat is het harde, gevoellooze ijs? Stof, koude, ziellooze stof,
als de logge aarde. _Shakespeare_ noemde het water _valsch_, maar
hij lasterde; het water is zoo oprecht als doorschijnend; het vleit
niemand met de onmogelijkheid van gevaar, die het waagt zijn heiligdom
in te gaan; het is het ijs, dat valsch en verraderlijk is.--Het ijs! O,
het is dubbelhartig, het is een bastaard, het is; om het met een woord
te noemen, dat ik aan een onzer beroemdste hoogleeraren verschuldigd
ben, en dat een verschrikkelijk vonnis van veroordeeling uitspreekt;
het ijs is _hybridisch_!--Ik wenschte dit zelfde wintertooneel te
zien, maar zonder dat ellendige deksel op hetgeen de natuur schoonst
en vriendelijkst en bezieldst heeft. Doch werwaarts ik mijne oogen
wende, nergens ontdekken zij het voorwerp mijner liefde; het ligt
onder deze dikke, nijdige, blauwe zerk begraven, en ijdele slaven
van het vermaak dartelen over dat graf!
Neen, gevoellooze, onvermurwbare korst, beeld van onverschilligheid
en koude wreedheid! neen, ellendig namaaksel van glas! mijn voet zal
u niet betreden! Ik zal niet, als een lichtzinnige dwaas, mijne zolen
met ijzer schoeien om u te vereeren, en de rustplaats te ontwijden
van mijn dierbare! Lig dáár, en mest u met het kostbare bloed der
aarde! Maar wee u, huichelaar! die uit valsche schaamte uwe afkomst
verloochent en voor uw minderen door wilt gaan! Roem vrij op uwe
sterkte, op uw geweld! De boeien zullen verbroken worden. Ik zeg
u, het zal dooien! In den lieven lentewind zal het triomflied der
vrijheid weerklinken; en de schoone dochter der natuur zal haren
kerker uitbreken, en opnieuw schitteren voor het aangezicht der zonne!
En laat ons nu nog eens stoken.
_Buiten_, 9 Jan. 1838.
Begraven.
Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.
Ziet er uw lichaam op aan: gezond, sterk, vlug, gehoorzaam aan uwen
wil, gevoed, gevierd, gekleed, opgeschikt! Er zal een tijd komen dat
het daar nederligt--nederligt op een bed, hoop ik!--, zielloos, koud,
stijf, in een enkele doodswa gehuld, onder een lang wit laken--als een
steen. Het is nu nog het uwe: het zal dan het uwe niet meer zijn. Gij
zijt dan niet meer een persoon, maar een ding. Men staat er bij,
liefde en genegenheid staan er bij, en zoo zij niet dan weenende
het kunnen gadeslaan, niet dan weenende er van kunnen scheiden, zij
schamen zich bijna zoo veel gevoeligheid, zooveel eer te bewijzen aan
een onding, dat reden en godsdienst haar leeren geringschatten. Maar
neen! zij schamen zich niet--de menschelijkheid zou er tegen opkomen:
de liefde ziet hem, dien zij heeft liefgehad, nog in zijn lijk;
beminnelijke liefde!--Men strekt u eerbaar en voorzichtig uit. Zoo
men u aanraakt, om te voelen of gij reeds koud, en hoe koud! gij
zijt, men doet het met eene zachtheid alsof gij sliept, alsof men
schroomde u wakker te maken! Men spreekt niet dan fluisterende in
de sterfkamer. O! voor wie u teeder beminde, is het eene behoefte
het doove lijk nog eens bij _uwen_ naam te noemen. Zachtkens en met
eerbied vlijt men u in uw laatste verblijf neder. Statig voert men
u ten grave. Met ongedekten hoofde ziet men de kist nederdalen. Met
plechtigen ernst wordt de schop aarde er op geworpen. Dan eerst heeft
men met dat doode lichaam gedaan.--Maar neen! wellicht schrijven
achting of liefde een kort woord op uwe zerk, of planten zij eene
vriendelijke bloem op uwe zode, en komen van tijd tot tijd weder,
om te zien waar men u gelegd heeft en uwer te gedenken op de plaats,
waar gij niet zijt, doch waar datgene rust wat men het langst van u
behield; waar de menschelijkheid van u afscheid nam.
Ik weet wel, dat het tot de _verstandigheden_ onzer dagen behoort,
dit alles bekrompen, belachelijk en onnoodig te vinden. Men heeft zoo
veel boeken gelezen! Ik weet wel, dat het eenen sterken geest bewijst,
wanneer men den heldenmoed heeft van te zeggen: "het is mij om het
even wat er na mijn dood mei mijn lichaam gebeurt, ik zal er niets
van voelen: om het even waar het liggen zal, ik zal er niettemin
dood om zijn; het kan alleen voor de mijnen van belang wezen, dat
mij eene eerlijke begrafenis ten deele valt; maar, wat raakt dat
mij?"--Ik weet, dat men den Engelschman bewondert, die wilde dat er,
ten algemeenen nutte, knoopen van zijn gebeente en snaren van zijne
ingewanden zouden gedraaid worden--maar ik gruw er van. Ik weet, dat
het vrijzinnig beginsel in dezen zoo sterk is dat het reeds op onze
publieke inrichtingen gewerkt heeft, en de zaak der dooden "minder
omslachtig" is gemaakt;--ik begrijp, dat hiermee het vrij algemeen
nalaten van den rouw in verband staat, en dat men zijn manlijkheid
toont door te zeggen: "ik wil niet dat het zich iemand aantrekke als
ik sterf";--maar ik beklaag de menschen die zoo heel wijs zijn en
zichzelven zoo menig zoete gedachte onmogelijk maken; wier gansche
leven, door eigen schuld, een gedurige worstelstrijd is tusschen
hoofd en hart; en ik spreek mijn "wee!" uit tegen die groote mannen,
die de wereld zoo hebben gemaakt. Maar de eerste schuld ligt toch bij
hen, door wie al die wijsheid is uitgelokt; bij hen, die de zaak des
gevoels zóó ver trokken, dat het verstand boos werd. Toen wij lang
op eens anders kerkhof, waarmee wij niets hadden te maken, geweend
hadden, en naar sterren en wormen en welkende bloempjes gekeken, toen
kwamen de tegenvoeters en de afbrekers, de spotters en de prozaïsten,
en dreven de andere mode door; de worm werd doodgetrapt, de seraf naar
huis gestuurd; de zerken werden voor afbraak verkocht; de lange witte
zakdoeken werden gemeen; men zag nauwelijks om naar zijn eigen dooden;
en daar hadden wij A + B = C. De thermometer daalde van Bloedwarmte
tot Vorst. Het sneeuwde groote ideeën. Het was een frissche, maar op
den duur onaangename koude.
Wat nu die groote ideeën aangaat, ik laat nog gelden, dat groote
mannen ze uitspreken. _Byron_ mocht, onafhankelijke genie die hij was,
en na al wat hij ondervonden had, nog eens zeggen:
"Ik wil niet dat mijn stervensmaar
Een enkel uur van vreugd bederf,
Noch eisch dat vriendschap, als ik sterf
Zal siddren bij mijn baar;"
schoon ik liever zijn zachtzinnige coupletten, beginnende "O,
weggerukte in schoonheids bloei", leze.--Maar dat ieder schoolmeester
en schooljongen zich tot eene dergelijke grootheid van ziel wil
opheffen--zie, dat is wat forsch, dat vind ik belachelijk en
ongelukkig tegelijk! En als men de leer der onsterfelijkheid, als
men de goddelijke Openbaring durft misbruiken, om mij te bewijzen dat
mijn menschelijk gevoel dwaas of schuldig is, dan beklaag ik hen diep,
die de vriendelijke leer van 't Evangelie zoo weinig verstaan.
Neen, het is onnatuurlijk onverschillig te zijn, of ons stoffelijk
bekleedsel met eerbied, met belangstelling, met liefde zal behandeld
worden, of niet; of het in bekenden en den levende dierbaren grond
zal rusten, dan in verre landen of diepe zeeën zal vernietigd
worden. Gij zult het niet gevoelen, zegt gij, met een kalmen
glimlach.--Zoo? Gaat u bij uw leven _niets_ aan van hetgeen na uwen
dood geschieden zal? Is het denkbeeld te leven in de gedachtenis der
uwen u reeds nu geheel onverschillig? Laat de hoop op den lof der
nakomelingschap, waarvan gij niets hooren. niets ondervinden zult,
u geheel koud? Of is zij veeleer een sterke prikkel voor uwen ijver,
een troost (de éénige) bij de onaangenaamheden die de weg des roems
u opwerkt, bij de ondankbaarheid des tijdgenoots? Of, zoo gij u dáár
over heen gezet hebt--eilieve! zeg mij eens oprecht: verheugt het u
wel eens te denken, dat uwe beeltenis in handen zal komen van dien
uwer vrienden, dien gij het liefst hadt; dat, na uw dood, de ring,
dien gij daar aan uwen vinger draagt, zal overgaan aan die welbeminde
hand die hem dragen zal tot dat zij verstijft? dat uw zoon in uw huis
zal wonen, in uwen armstoel zitten? dat uwe familie u zal zegenen om
de liefderijke, de edelmoedige wijze, waarmee gij over het uwe hebt
beschikt?--Verhard uw gemoed eerst tegen al deze aandoeningen, en
zeg dan, dat bij den dood alle gemeenschap tusschen u en uwe naasten
ophoudt, en dat het u om het even is, hoe zij bij uwe sponde staan,
wáár zij uw lijk begraven zullen!
Mij is het eene aangename gedachte--en mij dunkt, zij zal mijn
sterfbed zachter spreiden--te mogen hopen, dat een vriendelijke,
een lieve hand mij de oogen zal sluiten en mijn hoofd goed leggen;
dat menige treurende gedaante in de eerste dagen dat sterfbed,
zal naderen, "om hem nog eens te zien"; dat menig sidderende hand
mijne koude vingeren zal opvatten, om ze mistroostig weer te laten
vallen; dat menig weenend oog met moeite afscheid zal nemen, ook
van dit nietsbeteekenend overschot: en dat men mij met ernst en
plechtigheid uitgeleide zal doen naar eene rustplaats, mij dierbaar,
als de rustplaats van dierbaren.--Ja ook dat! ik gevoel het, ook dat
zal mij een troost zijn, te weten dat, uit _wier_ armen mij de dood ook
seheure, ik tot dezulken ga, die ik zal hebben beweend,--dat één zelfde
graf hen en mij, en eenmaal hen die mij treurende overleven moesten,
zal besluiten; dat wij daar allen te zamen zullen rusten... O, het
is niets, het is niets! ik weet dat het niets is; maar het is eene
zoete gedachte,--en ik bid de verstandigen der aarde, mij niet uit
te lachen, maar mij te benijden.
Men weet op wat wijze de gewoonte van in het heiligdom te begraven
in de wereld is gekomen. Eerst bouwde men de kerken op de graven,
daarna bracht men de graven in de kerken. Waar de asch der
martelaren rustte, wier bloed het cement der kerk is daar richtte
de eerbiedige dankbaarheid der eerste christenen het bedehuis op,
de beste eerzuil! Later bracht men vaak hun dierbaar gebeente uit
het onaanzienlijk graf, waarin het vernachtte, naar de kerk over, en
begroef het onder het outer. In hunne nabijheid te rusten, was sinds
lang de vrome wensch van menig stervende, en de eerste christenkeizer
was de eerste die binnen den gewijden omtrek der door hem gebouwde
kerk een graf begeerde. Het was een stoute wensch; maar hij vond
alras navolging en voldoening. Opvolgers van den grooten bekeerde
verboden het begraven in het heiligdom; doch de christenheid vond het
denkbeeld te stichtelijk, de rust in Gods huis te benijdbaar, om ze
op te geven! Het begraven in de kerken werd algemeen. Ieder belijder
van den naam des Heilands sterkte zich onder de vermoeienissen en de
lasten des levens met het denkbeeld, dat de Heer hem rust zou geven
in Zijn Huis; en het scheen hem bemoedigend Zijne wederkomst aldaar
af te wachten. Elke zerk van het plaveisel werd een grafsteen, en de
gemeente vond het opbouwend, het woord des levens te hooren, gezeten op
de verblijven der sterfelijkheid; en over levenden en dooden welfden
zich de gewijde bogen, waaronder de leer verkondigd werd van hem
"die de dooden levend maakt en roept de dingen die niet zijn alsof
zij waren". Onze grootouders vonden dit alles nog troostrijk. Met
uitzondering van weinige, was een graf in de kerk hun een dierbare,
een onschatbare bezitting. Geen bewijzen der schadelijkheid van de
dooden voor de levenden konden hen van hun stuk brengen. En toch dat
moest niet zijn! Onze eeuw was rijp om het offer te brengen. Onze
onverschilligheid maakte het misschien gemakkelijk. Maar zoo gij
hier of dáár nog een ouderwetsch christen ontmoet, wien het grieft
dat hij niet rusten zal in het graf zijner vaderen, in de schaduw
van het heiligdom, waar hij en zij aanbaden--bespot hem niet, bid ik
u! Broeders, het is een eerbiedwaardige zwakheid.
Maar wilt gij weten, wat _ik_ bespottelijk, wat _ik_ ergerlijk
vind? Het zijn uwe wapenborden, uwe grafnaalden, uwe eerzuilen in
de kerk; uwe lofverzen op stof en assche, onder het oog van God en
in Zijn heilig huis op aarde, geschreven. Het zijn de tropeeën van
dwazen trots, wereldsche ijdelheid, nietigen rijkdom, verwaande
wetenschap, bloedigen oorlog, dáár te pronk gesteld, waar ootmoed
en eerbiedigheid zich met gebukten hoofde voor het oog des Heeren
stellen. Het is de hulde, vaak overdrevene, altijd dáár misplaatste
hulde, in het huis ter eere Gods gesticht, toegebracht aan alle
soort van verdiensten. Waarlijk, het is een vreemd, een (laat ik
het zeggen!) belachelijk schouwspel, die bonte rij van allerlei
deugden en gaven, in het heiligdom geloofd, geprezen, en vergood. Het
zijn de deugden en gaven van den krijg, der geleerdheid, van het
kabinet, der kunst, der nijverheid, gehuldigd in de overblijfsels
van menschen van allerlei neiging, allerlei gedrag, allerlei geloof
en ongeloof. O! het belgt mij niet, dat de gemeente, aan wie het
oordeel niet toekomt, hun allen gelijkelijk een plaats ingeruimd
heeft in hare kerk; maar dat zij er liggen als zondaren!--niet
als groote mannen, niet met den titel van _naturae se superantis
opera_, niet onder de uitgebreide vleugelen der faam, niet onder de
brallende uitspraken van tijdgenooten en vereerders, maar in stille
afwachting van het oordeel Desgenen, "die weet wat er in den mensch
is!"--Wilt gij de namen uwer grooter mannen beitelen en vergulden,
omlauweren en omstralen; wilt gij hun standbeelden oprichten, zuilen
stichten; wilt gij hunne deugden voor de nakomelingschap vereeuwigen,
de jeugd door hun doorluchtig voorbeeld en de eer die hun weervaart,
prikkelen: naar de openbare plaatsen, naar de academiepleinen, naar de
raadhuizen, naar de trappen der paleizen, naar de schouwburgen, naar
de markten, met uwe vereering! Hier--is het heilige grond. Ontbindt
uwe schoenzolen! Hier geene namen, geene lofspraken geuit, dan die den
Hemel welgevallig zijn! Hier wordt alleen God en zijn Zoon geprezen,
en in Hun naam geroemd. Wilt gij hier zuilen oprichten, doet het zoo
vaak de Heer u uit groote benauwdheden redt, in groote gevaren behoedt:
"Eben Haëzer; tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen". Maar--hier
geene menschvergoding! hier God alléén en het geloof!
Ik weet dat onze protestantsche leer het kerkgebouw niet als heilig
doet beschouwen, maar ik weet ook, dat onze christelijke ootmoed ons,
in zijn omtrek vooral, de praalzucht behoort te verbieden. Ik weet,
dat onze strenge toepassing van het "God te aanbidden in geest en in
waarheid!" uit voorzichtigheid, in aanmerking nemende de menschelijke
zwakheid, niet duldt dat wij voorstellingen van _Christus_ en zijn
daden op aarde in onze bedehuizen ophangen; maar veel minder voegen
er die beelden, welke er de aandacht van Hem afleiden en bij eigen
grootheid stil doen staan. Neen, niets, niets moest de éénheid van
doel in het heiligdom breken; alles moest op God wijzen--alleen op
God! [28]
Maar ofschoon dit aloude misbruik (zoo als het in mijne oogen _is_)
niet geheel met het begraven in de kerken heeft opgehouden, het is er
toch aanmerkelijk door gefnuikt. Wij allen zullen onder den blooten
hemel rusten, en wat men op ons graf moge schrijven of oprichten,
het zal geen gemoedelijk kerkganger ergeren. Welnu, dat denkbeeld
heeft ook veel schoons, veel zoets, veel zaligs: te rusten in een
liefelijke streek, te midden der natuur, die wij bemind hebben, in een
zacht graf, waar rondom het alles bloeit en groent, waarover de zwoele
winden waaien, waarover de heerlijke sterren van den nacht schijnen!
Ik kan evenwel niet zeggen dat de hoog romaneske begraafplaatsen
onzer dagen mij altijd evenzeer aanstaan.
Vele zijn veel te zwierig, veel te bloeiend, veel te gekunsteld,
veel te rijk, te overladen met dichterlijke zinnebeelden. De dood is
arm, en heeft zijne eigene poëzie. Waar de natuur de begraafplaats
schilderachtig maakt, is het wèl; waar de kunst het doet, verraadt het
de menschelijke zucht om alles op te schikken te zeer. Het verschilt
als een wilde bloem en een gevlochten krans. Niet bij iedere zerk moet
een roos geplant zijn; niet over ieder graf een treurwilg weenen. Doch
dáár staan zij geheel gereed, om op de dooden te wachten. Het zijn hier
niet droefheid en liefde, die ze bij de rustplaats van het voorwerp
harer vereering planten: het is het overleg van den aanlegger, die
weet hoe het behoort, die ze elken doode als voor bestemt, en op
liefde en achting vooruitloopt.
Mij bevallen onze oude dorpskerkhoven nog altijd het best, en
misschien te beter omdat zij zoo weinig van hoven hebben.--Onze oude
dorpskerkhoven; zonder een verwaande spreuk of een heiligen tekst, die
in ieders hart vanzelf opkomt, op het hek; zonder kunstmatigen opschik,
zonder weelde, zonder van buiten aangebrachte dichterlijkheid, waar de
doodenschaar een breeden kring om het huis Gods slaat, in welks omvang
het "gij zijt stof!" gepredikt wordt en welks toren ten hemel wijst,
verkondigen zij dood en opstanding met meer waarheid, meer ernst,
meer nadruk, meer onversierde welsprekendheid! Zij zijn _natuur_;
geen _smaak_! Het hooge gras, de zonder opzet opschietende bloem, de
eenvoudige gedenkteekenen; het armelijke van het geheel komt overeen
met de gedachten, die mij daar vervullen. Geene begrafenisplechtigheid
werkt ook zóó zeer op mijn gemoed, als die, zooals ze bij ons op het
platte land plaats heeft. Dan luidt de oude dorpsklok uit den toren,
en de kleine optocht komt langzaam nader. Geene beambten, geen noodiger
met een gewichtig gezicht; alleen de bloedverwanten, de vrienden, de
buren. Geen ander rijtuig dan de wagen, die den overledene gediend
heeft om voor zich en de zijnen het eerlijk onderhoud te winnen,
voert hem nu ten grave, en deze wordt getrokken door zijn geliefd
paard, den deelgenoot van zijn arbeid. Met het gezicht in de groote
zwarte huik verborgen, zitten de vrouwen op de kist zelve. Bij
het graf spreekt de leeraar, aller vriend, een kort woord; de kist
wordt neergelaten; de naaste betrekking werpt er de eerste aarde op;
en den eerstvolgenden zondag gaat hij over dat graf ter kerke, waar
hij woorden van troost hooren zal. Want in den kleinen kring eener
landgemeente heeft men bevrediging voor elks behoefte.
Uit dit alles ziet men wel, dat ik juist niet veel gevoel voor
ceremoniëele begrafenissen, lange rouwslepen, _magna funera_! Het
is dikwijls akelig zulk een mommespel te zien, met aangetrokken
rouwkleedij en aangetrokken treurige gezichten. Maar het begraven
van stadswege, zooals dat reeds hier en daar plaats heeft, is toch
een koud denkbeeld. Neen, de buren, de buren moeten begraven; geen
daartoe aangestelden die, als op hoog bevel, uwen dierbare, als
ware hij publiek eigendom geworden, komen opeischen en weghalen,
terwijl de gewoonte hun verbiedt eenige deelneming ook maar voor
te doen. Maar zóó ver gaat de koelbloedigheid in sommige plaatsen,
dat indien gij arm zijt en niet hebt om uwen vader, of uwe moeder,
of uwe dierbare vrouw, of uw lief kind eene eerlijke begrafenis te
geven, men u niet van de kosten ontheft, zonder op het rouwlaken met
groote letteren het verwijt te schrijven: "_Van de Armen_". Dat is
toch wat heel hard, en neemt de gansche weldaad terug!
Ik sprak met een woord van het rouwdragen; ik wilde te dezer
gelegenheid mijne denkbeelden daaromtrent blootleggen. Ik weet wel
dat men somtijds, uit aanmerking van de bekrompen omstandigheden
waaronder men een groot gezin nalaat, de bepaling maakt dat niemand
het zwarte kleed zal aantrekken. Maar waar deze, of eene andere nog
geldiger reden niet bestaat, o mijne vrienden! maakt, bid ik u, die
bepaling niet. Laat het nooit eene gril wezen, die gij denkt dat u
fraai staat, nooit een gekozen partij worden, waar gij niet van wilt
terugkomen. Gij weet niet, hoe gaarne men over dierbare betrekkingen
rouwt; hoe zoet het is eenen geliefden doode voor het oog der wereld
deze geringe hulde te brengen! Honderd vertoogen over de nietigheid
der uitwendigheden, honderd bewijzen dat het rouwkleed _niets_
bewijst, honderd voorbeelden van huichelaren die het ontwijdden,
van lichtzinnigen wie het verveelde, nemen niets weg van het zacht
weemoedig gevoel waarmee de hartelijk bedroefde het aantrekt! En o,
ik weet, op den bodem uws gemoeds _is_ die wensch, dat men uw dood niet
onopgemerkt voorbijga, dat men het niet te veel zal achten iets voor uw
nagedachtenis te doen. Maar uw verstand weerspreekt dien? Weest dan zoo
hardvochtig verstandig niet,--weest natuurlijk, eenvoudig, menschelijk,
en ten minste niet wreed jegens anderen. Ziet! ik wenschte, dat
al die philosofen-, al die studenten-ideeën maar één hoofd hadden,
om ze met een enkelen slag van de wereld te doen verdwijnen!
Het dorpje O. is zoo weinig uitgestrekt, dat het zelfs geene Kerk
heeft, maar welk vlek is zoo klein, dat het geene begraafplaats
behoeft? Dáár is zij een lieve zandige heuvel, vanwaar men op bosschen
en hoven nederziet, en in de nabijheid blinken de witte duinen. Enkele
bewoners van de naburige stad hebben er graven. Daar bracht ik mijn
eerste offer aan den dood. Daar legde men een mijner vroegste en beste
vrienden weg. Ik was toen achttien jaar oud. Het was een heldere dag,
en de zon scheen liefelijk op het vredig landschap en het kleine
kerkhof. Het geheele tooneel staat in al zijne bijzonderheden mij nog
levendig en helder voor den geest. Met eenige der naaste betrekkingen
en nog een vriend van den overledene, wachtte ik er het lijk op. Nog
zie ik den voorsten drager de kist tegen den heuvel optorsen. Toen
werd zij op de planken gezet, en daarna voorzichtig nedergelaten op
die eener zuster--almede eene jeugdige doode, die eene zelfde kwaal
ten grave had gesleept! Het was geen kuil; het was een grafkelder. Van
dat oogenblik af heb ik iets tegen grafkelders. Mij dunkt, ze zijn zoo
kil! De moederlijke aarde klemt zich niet om den doode, opdat hij zijn
stof met het hare vermenge, maar hij blijft aan zichzelven overgelaten;
dit geeft onaangename voorstellingen. Ook begraaft men den doode
niet; veeleer bergt men hem weg. De zon wierp hare heldere stralen
in den geheelen kelder, en de witte kist met hare koperen ringen
glinsterde in haar licht. Maar weldra schoof men den zwaren steen op
de opening, en het licht werd langzamerhand uit dat somber verblijf
uitgesloten. Ik weet wel, dat het dit was dat mij bijzonder aandeed,
en dat ik met belangstellende aandacht de zwarte schaduw verder en
verder over het deksel sluipen zag, totdat zij de laatste lichtstreep
had verzwolgen. Maar het moest zoo zijn. Toen ik het graf verliet, had
ik een vreemd gevoel. Het was mij duidelijk dat ik aan eene droevige
plechtigheid had deelgenomen, maar dat ik _hem_ had zien begraven,
dien ik zoo zeer geacht en bemind had, bij wiens ziekbed ik zoovele
nachten had gewaakt, dien ik na zijn dood zoo dikwijls beschouwd had,
zooals hij daar lag, rustig uitgestrekt, met blij moedigen glimlach en
effen voorhoofd; dat hij nu in dien donkeren kelder lag, voor altijd
weg uit mijne oogen... het was mij wonderlijk.
Nooit bezoek ik dat kleine dorp, of ik bezoek dat graf. Nooit geleid
ik iemand in den omtrek van dien stillen heuvel met blauwe zerken en
groene zoden, of ik wijs hem dien aan en zeg--"dáár rust een mijner
vrienden; hij was een goed mensch".
Ik eindig zoo als ik begon: "Mijne vrienden, men zal ons allen
begraven!" O dat wij allen, als deze, dezulken bij ons graf vergaderen
die ons betreuren; dat ons aller nagedachtenis in zegening blijven
moge! Zoo slape ons stof in den schoot der aarde, totdat de groote
en ontzaglijke dag des Heeren komt!
1837.
Eene Tentoonstelling van Schilderijen.
Mijn vriend _Baculus_ heeft een klein boekje geschreven, waarin hij
over het verval der kunst klaagt en een weinigje knort! Als oorzaak van
dit haar verval geeft hij voornamelijk op, dat zij buiten haar doel
is geplaatst, dat zij niet op haren rechten prijs geschat wordt. De
kunst is een meisje, dat leelijk wordt bij gebrek aan aanbidders. Hij
bewijst u dat de kunst in het geheel niet meer wordt aangebeden,
maar wel te kijk en te koop gezet, als iets bijzonders en aardigs,
als eene curiositeit. Hierin nu is dunkt mij veel waarheid, en het
staat in zijn boekjen in sierlijk Fransch te lezen. Inderdaad, het
komt mij meer en meer voor alsof de groote kunst zoo ingekrompen was,
dat men met haar als met een dwerg op de kermissen rondreisde. Gij
begrijpt dat dit leventje haar zekere kwade gewoonten doet aannemen
en haar in hare eigene oogen vernedert. Ook is zij sedert lang niet
vrij te pleiten van allerlei laaggeboren ondeugden en neigingen. Zij
is van tijd tot tijd vrijpostig en onbeschaamd, ophakkerig en
driest. Zij houdt van bonten opschik, schreeuwt drie tonen te hoog,
en is nu en dan wel eens wat heel los in den mond; daarbij heeft zij
iets wreedaardigs en koelbloedigs gekregen.--En wat denkt gij nu van
de tentoonstellingen van schilderijen? _Baculus_ ijvert er geweldig
tegen en, als men de dingen een weinigjen uit de hoogte beziet, is
men het zeker met hem eens; maar dan loopt men gevaar van fantastisch
te worden, zooals de lieden van het onderzoek zeggen; daarom laat
ons uit de laagte opkijken [29], en dan zullen wij toestemmen
dat de jaarlijksche expositiën groote en veelzijdige _nuttigheid_
hebben. Maar het is vervelend altijd over nuttigheden te praten;
duizend "lezers" doen dit maandelijks in duizend lezingen; en voor
een liefhebber der schilderkunst is één uurtjen in eene zijkamer met
een portret van _Kruseman_ of eene zee van _Schotel_ alleen gelaten,
ruim zoo aangenaam als de aanblik van die gansche zaal vol goud en
glans, waar de kunstgewrochten in lagen opgestapeld zijn, en waarin de
kleuren van den regenboog dooréénschemeren als die der zijden draden
in de weerschijnen sakken onzer grootmoeders.
Of welke speldeprikken (neen, dolksteken!) denkt gij, dat eene voor
kunstschoon vatbare ziel zich voelt geven, als zij een kaarslicht
van _Schendel_, voorstellende een ouden bedelaar (levensgrootte)
met een kandelaar in de hand, hangen ziet tusschen twee grasgroene
landschappen van ik weet niet wien, met duizend boomen, die elk zoo
groot zijn als de kaars van den grijsaard, en daarboven misschien een
ruiker van _Bloemers_, geflankeerd door het portret van een gouden
huzaren-officier en de mislukte afbeelding van een opengesneden
kabeljauw met bijhebbend gezelschap van roggen en mosselschelpen?
En echter verzuim ik niet de tentoonstelling te bezoeken, en kan ik
er met innig genoegen uren doorbrengen. Eerst maak ik den toer van
de schilderijen en doe er zooveel wetenschap op als noodig is om in
de gezelschappen te redetwisten over "het mooiste van allen", vast
besloten het met de vrouw des huizes of de liefste dochter eens te
zijn; om vervolgens de Haagsche en de Amsterdamsche tentoonstellingen
onderling te vergelijken, waarbij de plaats waar ik mij bevind mij
altijd het oordeel helpt vellen; om daarna de portretten van mijnheer
en mevrouw A, B, C, en het geheele alphabet te roemen; echter sterk
volhoudende dat zij volstrekt niet geflatteerd zijn, en eindelijk des
noods met de jonge dames te lachen over het slechte toilet van deze of
gene, die, verbeeld u! verkozen had in het groen te worden voorgesteld,
terwijl zij toch "zoo _heel_ blond" is, en den heeren in te fluisteren,
dat zij voor die groene japon te weinig goed heeft gebruikt; aan al
hetwelk ik ten laatste de kroon opzet door de volkomene ontleding van
een zeer slecht stuk en de uitvoerige beschouwing van dat kleine stukje
"daar ik wel een uur bij had kunnen stilstaan, zoo klein als het was!"
Maar dan keer ik mij, vermoeid van kleuren en tinten, verguldsel en
vernis, dooreengewarde nommers en nagekomen stukken, tot de beschouwing
dergenen, die met mij opgekomen zijn om te zien wat er al zoo in een
jaar tijds is op het doek gebracht. Van de gladde, zachte, gepolijste
gezichten in lijsten, tot de menschelijke troniën in hoeden; van de
_tableaux de genre_ aan den wand, tot de _tableaux de genre_ op den
vloer; en uren lang zou ik kunnen besteden in de natuurbeschouwing van
dien af- en aanvloeienden stroom van kunstbeschouwers. Het verwondert
mij dat er geen schilders nederzitten om studiën te maken. Ik heb er
eene geheele verzameling van schilderijen opgedaan. Zie hier eenige
nommers van mijn catalogus.