Vooruitgang [23].
Klein, klein kleuterken.
Wat doe jij in me hof!
Je plukt men al de bloemkens of
En maakt het veel te grof.
_Oud Deuntje_.
Spoken! O, ik heb allen eerbied voor ons beter licht; maar het spijt
me razend, dat er geen spoken zijn. Ik wenschte er aan te gelooven,
aan spoken en aan toovergodinnen! O, moeder de Gans, lieve Moeder
de Gans! laarzen van zeven mijlen! onuitwischbare bloedvlek op dien
noodlottigen sleutel! en gij, stroom van rozen en paarlen uit den
mond der jongste dochter! hoe verkwiktet gij mij in mijne jeugd! Mijn
grootmoeder kon de historie van Roodkapjen al zeer goed vertellen. 's
Zaterdags-avonds, als zij haren bijstand kwam verleenen bij het
vouwen van de wasch; alvorens zij dat gewichtige werk aanvaardde,
in het schemeruur; en de kleinste zat op haar schoot en speelde
met haar zilveren kurketrekker in de gedaante van een hamer. Hoe
blonken hare oude oogen, als zij den wolf nabootste, op het oogenblik
dat hij toebeet! Zekerlijk, "Vader _Jacob_ en zijne kindertjes"
is een heel mooi boekje; "de Brave _Hendrik_" is allerbraafst;
maar ik had toen een afkeer van al die geschriften, op wier titel
prijkt "voor kinderen", "voor de jeugd"; en wat betreft titels als:
"Raadgevingen en Onderrigtingen", zij waren mij een gruwel. Als kind
begreep ik de nuttigheid van het nuttige niet zoozeer. Maar ik had
een mooie uitgaaf van Moeder de Gans: half Fransch, half Hollandsch;
zonder omslag, zonder titel, en al de bladzijden boven en beneden als
een jachthond behangen. Van de poëtische zedeleer aan het eind van
ieder verhaal, cursief gedrukt, begreep ik niets. Maar ik begreep
het verschrikkelijke van het "Zuster _Anna_, zuster _Anna_! ziet
ge nog niets komen?" en dan het wrekend zwaard van den opgedaagden
broeder! o, Die Blauwbaard, die verschrikkelijke, die gruwelijke,
die heerlijke Blauwbaard! Was mij zijne geschiedenis de schoonste der
geheele verzameling: toch was ik er eenigszins bang voor. Als ik bet
boek in handen nam, draaide ik er omheen, met een zekere begeerige
schuwheid, als eene mug om de kaars. Eerst las ik al het andere;
eindelijk viel ik op den vrouwenbeul aan, beet toe, en verslond
zijne historie. Mijn ademlooze belangstelling, mijne bleeke wangen,
mijn kippevel, mijn omzien naar de deur, mijn hevig schrikken als
er in die oogenblikken iets van de tafel viel of iemand binnenkwam,
dat alles staat mij levendig voor den geest, en ik wenschte, o ik
wenschte, dat ik dat alles nog zoo voelen en genieten konde! Gelooft
gij dat die tijd verloren was? dat zulk een uur niet tot mijne vorming
medewerkte? dat het mijne verbeeldingskracht niet uitzette, sterkte,
en haar voedsel gaf?
En nu--waar mijn Moeder de Gans van die dagen gebleven is, weet ik niet
[24]. Mijn jongere broers en zusters hebben er nooit zooveel werk van
gemaakt. Ik heb ze nooit in hunne handen gezien. De kinderen onzer
dagen lezen allerhande nuttigheid, geleerdheid, vervelendheid. Zij
lezen van volwassenen, die zij niet begrijpen, en van kinderen, die
zij niet zouden durven navolgen. Eerst van engeltjes in jurkjes en
broekjes, die hun spaargeld aan een arm mensch geven, op het oogenblik
dat zij er speelgoed voor dachten te koopen; later van groote mannen,
naar hun begrip versneden en pasklaar gemaakt [25]. En dan worden zij
altijd _leerzame jeugd_ en _here kinderen_ genoemd. Men weet niet dat,
ofschoon menig volwassene wenscht kind te zijn, er geen kind ter wereld
is, dat zich gaarne dien titel hoort geven. Het verstandige woord van
_Van Der Palm_ tot de jeugd: "Ik wil u niet vernederen, maar opheffen"
[26], is voor de meeste kinder-auteurs een onbegrepen wenk. En wie
wil altijd leerzaam en lief heeten? Kinderen zijn er te bescheiden toe.
Doch dit alles verandert. Onze kleine morsbroekjes zijn anticipaties
op volwassen menschen. Voor hen bestaat, van moeders schoot af, geen
enkel vroom bedrog, geen enkele wonderbaarlijke jokken meer. Moeder
de Gans is veracht; zij weten, dat al wat zij vertelt onmogelijk is,
dat er nooit katten geweest zijn, die spreken konden, dat er geene
moei ter wereld uit een pompoen eene koets kan maken: zij weten, dat
St. Nicolaas niet door den schoorsteen komt; dat "wie aan den zwarten
man gelooft, van zijn verstand beroofd is!" dat alles natuurlijk toe
moet gaan, met handen gemaakt, of voor geld opkocht worden.--Het is
mooi, het is verstandig. Het is beter.
En toch geloof ik, dat het geheel afsluiten dier bovennatuurlijke
wereld, het volstrekt beperken der kinderlijke begrippen tot het
gebied van het physiek-mogelijke, zijne kwade zijde heeft, en in menige
jeugdige ziel den grond legt tot een later scepticisme, rationalisme,
of ten minste tot een zekere koelheid voor eene menigte van zaken, die
anders op het gemoed plegen te werken. Waarlijk, men maakt der jeugd te
veel indrukken onmogelijk. Onze kleine mannetjes zijn al te verstandig,
al te wijs. Zij leeren te veel op zinnen en zintuigen vertrouwen, en
dat wederspannige van te willen zien en tasten, alvorens aan te nemen,
blijft. Gij leert uwe kinderen vroeg van een "Lieven Heer" spreken, die
alles ziet en hoort: ijver dan ook niet te zeer tegen die verhalen der
kinderkamer, met welker indruk een dergelijk geloof veel beter strookt,
dan met dien van uwe volksnatuurkunde, vroegtijdig ingeprent. Maar
gij vreest, dat uwe kinderen bang, vreesachtig, lafhartig, zullen
worden. Eilieve! indien dat in hun bloed of in hunne zenuwen is, zullen
zij het toch worden; zoo niet voor spoken, dan voor beesten, voor
dieven, voor struikroovers. Eene kinderziel _wil_ hare verschrikkingen
hebben. Het wonderbaarlijke--hoe verlokkelijk is het! Of is het uzelven
niet een genoegen, spook- en wondergeschiedenissen te lezen! Ik voor
mij lees Swedenborg liever dan _Balthazar Bekker_. Gij doorbladert de
_Mille et une nuits_ met genoegen; een onzer eerste mannen leest ze
sedert onheugelijke jaren dagelijks. Gij gaat tooverballetten zien;
gij zijt de vrijwillige dupe van eenen _Faust_, eenen _Samiël_,
en een _Cheval de Bronze_. Het bovenzinnelijke, het onbegrijpelijke
streelt u. Welnu, die trek is bij uwe kinderen nog grooter. Laat der
jeugd dan hare wonderen! Aan haar al het schitterende der schatrijke
verziering, aan haar Brisemontagne, aan haar de Schoone Slaapster,
aan haar de Rijstebrij-berg en Luilekkerland; voor u de flauwe, dorre,
ware werkelijkheid; voor u onze kleine groote mannen, onze wakende
leelijken, en onze arme wereld, waar men niets omniet beeft! Dat is
eerlijk gedeeld; of zoudt gij willen, dat kinderen zoo wijs zouden
zijn als gij kinderachtig zijt?
Dichters, schrijvers, schilders onder ons! Gelooft gij niet, dat gij
veel, oneindig veel, aan uwe minne, uwe kindermeid, uwe grootmoeder
verschuldigd zijt? Hebt gij u zelven wel niet eens betrapt op een
indruk in de kinderkamer ontvangen? Kunt gij u niet voorstellen,
dat de schoone wereld uwer idealen dáár is aangelegd, dáár allereerst
bevolkt--en zoudt gij tegen het opkomend geslacht wreed kunnen zijn?
Zooveel voor de kinderen. Maar inderdaad, ons aller lof is droeviger
geworden, sedert men zoo vlijtig aan het opdekken der waarheid is
gegaan. De verziering is meestal mooier; het bedrog minder vervelend,
_l'Heureux temps que celui de ces fables!_ riep _Voltaire_, en het
ware te wenschen, dat hij het wat beter gevoeld had, de leelijke
spotter! hij zou er zoovele niet uitgekleed hebben. Hij zou niet
medegeholpen hebben aan het afbreken onzer schoone luchtpaleizen,
aan het verwoesten onzer heerlijke dorado's. Arme tijden. In plaats
van wonderdieren en wonderkrachten--natuurlijke historie en physica;
in plaats van tooverij--goochelboeken. Wat heeft de poëzie al niet
verloren! Geen vogel feniks meer, zich in zijn ambergraf van geurig
hout verbrandende en uit zijn asch herlevende; geen salamander meer,
in het vuur ademende; geen palmboom meer, te weliger groeiende,
naarmate hij meer gedrukt wordt. In spijt van het Engelsche wapen,
geen eenhoorn meer. Geen vliegende draak, geen basiliscus. Monsieur le
Baron _De Buffon_ en andere liefhebbers van zijn stempel hebben al deze
geslachten uitgeroeid; dreiging en moord blazende tegen alle illusiën,
is het alsof zij eenen grooten maaltijd van al deze gedierten hebben
aangericht. Het zou een schoon onderwerp voor een belangrijken roman
kunnen zijn: _Nera, of de laatste der Zeemeerminnen._ De familiehaat
tusschen het geslacht der Natuuronderzoekers en dat der geheimzinnige
Zeebewoonsters kon er treffend in geschetst worden. En wat zijn wij
op een aantal punten beter dan onze vaderen onderricht! De padden
zijn niet vergiftig, en hebben geen diamant in het voorhoofd (het was
anders eene schoone allegorie, eene moreele waarheid); de walvisch is
geen visch, en _Jona_ heeft in een haai gezeten; de ooievaars dragen
hunne zwakke ouders niet, als _Aeneas_, op den rug; de olifanten
gelijken meer op menschen dan de apen; men moet niet gelooven dat
de jakhalzen de prooi voor den leeuw opsporen;--dit alles hebben
die heeren ons geleerd, en voor al de schoone wonderdieren, die zij
ons hebben weggenomen, gooien zij ons eenige ellendige verdroogde
Mammouthen en Ichthyosauri en Mastodonten naar het hoofd, waarvan
wij àlles gelooven moeten wat zij ons verkiezen te vertellen. Ik
betwist het nut dier wetenschappen niet. Maar maken ze ons het hart
niet koud? De schoone natuur blijft nauwelijks schoone natuur, als
men haar zoo koelbloedig geclassificeerd en geanatomiseerd heeft. Sla
ze op, die boeken der natuurlijke historie, met hunne klassen, orden,
familiën, geslachten, soorten, met hunne natuurlijke en kunstmatige
stelsels, hoe dikwijls zult gij er tevergeefs naar een vroom en
hartelijk woord van bewondering en verrukking zoeken. Waarlijk, men
heeft de wonderdoende natuur te veel ontcijferd, te veel met passers,
ontleedmessen, tabellen en vergrootglazen nageloopen.
_Göthe_ (of een ander, maar ik meen, dat het _Göthe_ was) sprak
uit mijn hart, toen hij mikroscopen en vergrootglazen met zijn
banvloek trof. Ons oog, dacht _Göthe_, of die andere, ons oog en
ons schoonheids-gevoel zijn slechts ingericht en geschikt om de
schoonheid dier wereld te begrijpen, die onder het bereik onzer
zinnen valt. Daarom moeten wij onszelven het onrecht niet doen,
ons in eene wereld te begeven, waar wij geen zin, geen medegevoel
voor hebben, die ons, aan andere afmetingen gewend en voor andere
vormen ingericht, leelijk moet voorkomen. En inderdaad, daar is voor
mijn gemoed iets ondankbaars, iets onbescheidens in, in het bezit der
groote aarde, nog datgene te vervolgen, wat buiten onze heerschappij
ligt; eene nieuwsgierigheid, die wij dan ook gewoonlijk met walging,
afschuw of ontzetting boeten. Of gevoeldet gij niet een akelig
mengsel dezer drie gewaarwordingen, toen de oxygeen-mikroscoop u de
verschrikkingen van een droppel water vertoonde en sidderen deed voor
de afgrijselijke gedrochten, die er zich in bewogen? Voor mij, het
geluk van des morgens met een blij gelaat mijn lampet aan te grijpen
en het heldere frissche water op mijne handen te gieten, heeft veel
van zijne bekoorlijkheid verloren, sedert ik het klare vocht als het
voermiddel dier afschuwelijkheden heb leeren aanschouwen; sedert ik
niet kan nalaten aan die monsters te denken met schorpioen-staarten
en meer dan griffioen-klauwen gewapend, die er elkander in bestrijden
[27]. Lieve medemenschen! welke is uwe gewaarwording, als gij bedenkt,
dat gij bij iederen tred duizend moorden begaat, bij iederen zucht
duizend heirlegers verplaatst, met iedere ademhaling gansche benden
inademt; dat de kus der min er duizenden verplettert; ja wat meer
is, dat gij in iedere porie uwer huid eene gastvrijheid uitoefent,
waarbij die van _Hatem_, wiens tent honderd poorten had, niets
is? Ik voor mij wenschte niet te weten, dat ik zoo overgoedertieren
ben. Waarlijk, vrienden! dat alleven is niet uit te houden. Bedenkt
het toch! Misschien heeft er op dit oogenblik een tornooi plaats in de
hoeken van uw mond of een veldslag op den zoom van uw oor. Misschien
mejuffrouw! viert het uitschot der oneindig kleinen een bacchanaal
op uw smetteloozen hals; misschien hooggeleerde! gaat er een rei van
dartele ijdeltuitjes ten dans in de plooien van uw kin!--Ba! het
is afschuwelijk! Hoe dit gebroed afgeschud? Hoe dit krioelend
heelal ontloopen? Helaas! aantrekkingskracht en middelpunt-schuwende
kracht--de onverbiddelijke wetenschap zegt het--beletten het u. Zalige
tijd, toen gij het niet wist! Toen kondt gij in uwe gedachten schoon,
zuiver, _alleen_ zijn. Maar gij hebt van den Boom der Kennis gegeten,
en zijt uzelven een afschuw geworden. Ik voor mij geloof dan maar
liever aan de "Edammer Seemaremin!"
Ziedaar voor de natuur. Hoe ging het met de geschiedenis? Ook dáár
moest, tot in kleinigheden toe, de waarheid, de koude waarheid,
hardnekkig vervolgd worden. Ik keur goed, dat nieuwe onderzoekingen
aan een _Sardanapalus_ recht laten wedervaren en veranderingen maken,
niet minder gewichtig dan die van den _Médecin malgré lui_, als hij
het hart van de linker- naar de rechterborst verplaatste--maar, bij
voorbeeld! De ton van _Diogenes_ is een klein hutje geworden: alsof
de grootste ton niet ruim zoo aardig was als het kleinste hutje ter
wereld. Van de wolvin, die _Romulus_ en _Remus_ zoogde, is een gemeen
vrouwspersoon gemaakt. _David_ was zoo klein niet, en _Goliat_ niet
zoo heel groot. Men bedoelt het Hebreeuwsche, als men van _Erasmus_
zegt, dat hij twaalf jaren oud was, eer hij het A. B. C. machtig was;
de pannekoeken die czaar _Peter_ te Zaandam at, waren zoo'n gemeen
gebak niet, en zijn scheepstimmeren was juist niet veel. En dan
al die steden, gesticht door mannen, die nooit op die plek zullen
geweest zijn, en al die mooie gezegden, die zoo mooi niet waren en
waar iets anders mede bedoeld was; en dan die heerlijke gezangen,
welke geen dichter gehad hebben; en dan die bekrompenheid om getallen
te rectificeeren! _Leonidas_ verdedigde Thermopylae wel met slechts
driehonderd Spartanen, maar daar waren nog andere honderden bij,
dat geen Spartanen waren; in plaats dat _St. Ursula_ met elf duizend
maagden den marteldood onderging, onderging zij dien met geene elf
duizend maagden; wat en hoeveel waren het dan?--En dan dat uitlachen
als wij medelijden hebben, b.v. met _Tasso_ en _Petrarca_, door te
zeggen, de een had het zoo hard niet te Ferrara, en de andere _was_
niet zoo heel verliefd!--Zie, indien een geestig schrijver gezegd
heeft, dat de historie niets anders is dan eene fabel, waaromtrent
men overeenkomt, waarom zijn er dan zoo vele spelbrekers, die ons
met een hatelijken glimlach overal iets ontnemen, iets veranderen,
iets verbroddelen?--Ik geloof dat dit alles nuttig is,--maar ik zou
er bij kunnen schreien--Eilieve! geef mij dat kleine boekjen eens
aan! dáár, van den rand dier canapé. Ik dank u. "Daer was eens een
Koning en eene Koningin ..."
Nog iets. "Weet ge wat mij verbaast? Dit: dat, terwijl onze tijd er
zoo op uit is, om alle vorige geschiedschrijvers en overleveraars
beschaamd te zetten voor het minste krulletje dat zij te veel of
te scheef gemaakt hebben, diezelfde eeuw alles in het werk stelt
om hetgeen onder hare oogen gebeurt zooveel mogelijk opgesierd en
mooigemaakt tot de nakomelingschap te brengen, Wij, die op al wat nu
geschiedt medailles slaan, op alles oden maken, al het tegenwoordige
ten breedsten uitmeten en zoo pittoresk mogelijk voorstellen; wij,
die in de bewondering van ons-zelven schrijven en zingen en alles
als in het vuurwerk onzer opgewondenheid zetten; wij, die aan alles
wat het onze is eene romaneske, eene ridderlijke tint geven;--wij
nemen de goede voorgeslachten zoo ernstig te biecht en vallen hun zoo
hard, omdat zij hier en daar de Helden en de Wijzen wat in het _Held-
en Wijze- zijn_ geholpen hebben, omdat zij hier en daar een lichtje,
een bloempje, een pareltje, een gordijntje hebben aangebracht! ... Het
is onbillijk.
"Daer was eens een Koning en eene Koningin, die so bedroeft waren,"
enz.