Studentenangst.
De goede stad Leiden heeft binnen den omtrek van hare deels nog
staande, deels tot wandelingen geslechte wallen, twee territoriale
schoonheden, die men niet genoeg roemen kan, te weten de Breestraat,
welke naar uitwijzen van oude oorkonden en van de adressen van brieven
van alle tijden, vroeger Breedestraat moet geheeten hebben, en het
Rapenburg, door de ramp van 't jaar Zeven zoo befaamd, "leggende",
volgens _Orlers_, "langs eene breede straete, een schoon breed water,
met hooge ende groote schoone lindeboomen ter wederzijden beplant ende
besettet, onder denwelcken het in den zomer seer vermaeckelijcken te
wandelen is". Dit Rapenburg is aan beide zijden zeer net betimmerd,
en men vindt er schoone huizen, die het vermogen en den kolossalen
smaak onzer vaderen eer aandoen. Deze omstandigheid neemt echter
niet weg dat er eenige zeer leelijke en zeer mismaakte gebouwen
worden opgemerkt; onder welke vooral uitmunten 's rijks Museum voor
natuurlijke historie, de academische Bibliotheek en de Hoogeschool
zelve; want het lands- en stadsbestuur schijnen edelmoediglijk
te hebben besloten, de verfraaiing en opsiering der stad voortaan
aan den smaak der respectieve inwoners over te laten, evenals het
gouvernement de belooning der menschenredders aan de Maatschappij tot
Nut van 't Algemeen. Het laatstgenoemde gebouw, staande en gelegen
op den hoek der Nonnensteeg, levert de niet onaardige vertooning op
van een oud klooster met moderne vensters, door een nieuwmodische
barrière afgesloten, en op welks dak zich eene mede niet onaardige
verzameling van duivenhokken en peperbossen vertoont, die den
hoogdravenden naam van toren en observatorium dragen. Inderdaad
wekt het bovenste gedeelte van het gebouw eene fiere gedachte aan
den voortgang van kunsten en wetenschappen en aan de oneindige
vorderingen van den menschelijken geest op, terwijl de dikke muren
en gewelven daaronder de kuische nagedachtenis der Witte Nonnen
in zegening houden. Welk een in 't oogvallende omkeering bracht de
loop der tijden hier te weeg! Te zelfder plaatse waar de schuchtere
nieuwelingen, bedeesd en op twee gedachten hinkende, voor het altaar
traden, voor hetwelk zij eenmaal met een blijmoedig en kalm hart
de wereld en hare begeerlijkheden moesten vaarwel zeggen, zouden
in latere tijden de rampzalige _groenen_, in vertwijfeling aan alle
aardsche grootheid, nederzitten; waar de eerbare rij der gesluierden,
van hare stiftsmevrouw voorgegaan, den plechtigen koorzang aanhief,
zou later eene zwartgetabberde rij de zitplaatsen bezetten en een
gedegend doctorandus, _ex auctoritate rectoris magnifici_, tegen
de gansche wereld de stoute stelling volhouden dat artikel honderd
en zooveel van het wetboek volstrekt niet in strijd is met artikel
honderd en zooveel, of wel, dat men onbillijk is indien men alle
kinderkwalen zonder onderscheid aan de gevaarlijke liefhebberij van
tandenkrijgen toeschrijft, of anders, dat een ooggetuige beter de
historie schrijven kan dan iemand die bij "hooren zeggen" leeft, en
somtijds ook wel, dat men Hebreeuwsch moet kennen om de hebraïsmen in
het Nieuwe Testament te kunnen opsporen en beoordeelen. Lang zoude ik
deze tegenoverstelling van het Eertijds en Thans nog kunnen volhouden,
indien ik niet te vreezen had voor onnauwkeurigheden, die Leidens
vele oudheidkundigen mij nimmer vergeven zouden. In het kort: al wat
men vroeger hier gezien en gehoord heeft is veranderd en vernieuwd,
behalve het Latijn, dat veeleer verouderd is en, tot den echten toon
van _Cicero_ teruggebracht, zijne classiekste vormen met wonderbare
smijdigheid leenen blijft, en zal blijven leenen tot in het laatste
der dagen, aan iedere wetenschap der wereld, hetzij de Romeinen daar
eenig begrip van hebben gehad ofte niet.
Als men het ijzeren hek dóór en het plein óver gaat, dat naast het
eerwaardig gebouw een uitgebreidheid van tien passen beslaat, treedt
men, door een hooge poort, welker posten met vele convocatiebriefjes
beplakt zijn, een breede gang binnen, waar men op het stille uur
(het tweede na den middag) waarop deze geschiedenis aanvangt, niemand
tegenkomt; stijgt men dan aan het einde een ruime steenen wenteltrap
op, en gaat men, boven gekomen, linksom en rechtuit, zoo komt men aan
eene verhevenheid van twee trappen, en ook deze beklommen hebbende en
de deur openende, die men vlak voor zich ziet, zoo bevindt men zich
in een klein vertrek met witte muren en een houten vloer, waarin men
een tafel, een paar stoelen, met en benevens een verroeste kachel en
toebehooren gewaarwordt.
Dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichterlijken naam van het
_zweetkamertje_; en zeker niet ten onrechte. Hier toch is een soort
van vagevuur, waarin elk, die de zaligheid van een examen of promotie
wenscht te smaken, een poostijd verblijven moet, alvorens hij tot het
genot dier hemelvreugd wordt toegelaten. Belangrijke plek gronds! In
dit kleine kamertje, o mijne lezers! hebben alle groote mannen, die
aan de Leidsche academie zich ooit door stalen vlijt en onafgebroken
arbeidzaamheid den doctorshoed verworven hebben, om naderhand de
wereld met hunne _doctrinae praestantia_ te verbazen en te verrukken;
in dit kamertje hebben zij allen, _incredibile dictu_, zich eenige
oogenblikken _klein_ gevoeld. Ja, daar heeft de kloeke verdediger
uwer rechten, die nu, zonder blikken of blozen uw partij met volzin
op volzin van louter kracht ter aarde werpt, een oogenblik het hart
in de keel voelen kloppen, op het denkbeeld dat professor die of die
het hem niet vergeven had dat hij zoo slecht college had gehouden,
en zich wreken zou door strikvragen. Daar heeft die arts, die nu zoo
stoutmoedig doortast in uwe maag en ingewanden, menig droppel zweets
gelaten, als hij bedacht dat zijne professoren zoo veel meer wisten
dan hijzelf. Daar heeft die dikke rector, aan wien uw oudste zoon
niet dan sidderend zijn thema vol heele en halve fouten overgeeft,
eenmaal zelf gebeefd, uit vrees dat men een anderen dialoog van _Plato_
op zou slaan dan dien waar hij het best in thuis was. En daar heeft
ook _Hildebrand_, uw onderdanige dienaar, een koude rilling over zijn
rug voelen loopen, als zijne verbeelding speelde op al wat gevraagd
zou _kunnen_ worden!
Het eigenaardige van dit vertrek is dat de patiënt het binnentreedt
met een witte das, een wit gezicht, en een zwart pak kleederen, en
gevolgd wordt van eenige vrienden in négligé, met cloaks, rottingen,
petten en honden. De patiënt gaat op de tafel zitten, en de vrienden
loopen heen en weer. De patiënt fluistert, en de vrienden spreken
luid. De patiënt beweert dat hij er in zit, en de vrienden beweren
dat hij gek is. De patiënt verlangt naar het oogenblik om binnen
te komen, maar hij geeft voor, dat hij hoopt nog lang buiten te
blijven. De vrienden wedden dat hij den eersten graad zal krijgen,
en hij wedt dat de tweede zijn deel zal zijn. De patiënt heeft op
dat oogenblik een onbepaald respect voor iedereen die den titel van
hooggeleerde voert en beschouwt de faculteit als een "raad van louter
goden"; de vrienden beweren dat het gewone menschen zijn. De patiënt
houdt het er wel degelijk voor, dat zij van het crimineele beginsel
uitgaan om de academische graden aan geen onwaardigen te verkwisten;
en de vrienden beweren, dat zij alleen in de wereld gekomen zijn
om een jong mensch er door te sleepen. De patiënt herinnert zich
heimelijk allerlei spookgeschiedenissen van ongelukkigen, die door
hunne verlegenheid of door rancune van examinatoren zijn gedropen;
en de vrienden halen alle mogelijke anekdoten op van sluwe vossen,
die hunne examinatoren een rad voor de oogen gedraaid hebben of een
aardigheid gezegd bij het krijgen van simpliciter. In 't kort: de
patiënt doet hier alle mogelijke kennis op, die hem, als hij morgen
of overmorgen of over een maand een ander patiënt in de bange ure
bij moet staan, zal te pas komen; en de vrienden debiteeren alles
wat zij totaal vergeten zullen hebben, telken reize als ook zij op
hunne beurt in 't geval komen van in het zweetkamertje de ootmoedigste
oogenblikken huns levens te slijten.
De persoon nochtans, dien ik mijnen lezers wilde voorstellen, voldeed
in zoo verre niet aan de formaliteiten, die in deze rampzaligste
aller folterplaatsen gevorderd worden, dat hij die, verzeld van
slechts een enkelen vertrouweling, binnentrad. Hij had de zeldzame
kracht bezeten niemand buiten dien vertrouweling deelgenoot van zijn
examen-geheim te maken, den pedel verzocht het verraderlijke briefje
_ad valvas academicas_ niet aan te plakken, en degenen die er achter
gekomen waren dat hij gisteren zijne demonstratie (hij was medicus)
had gedaan, omtrent het uur van het examen misleid.
Het was een jongeling van een niet ongunstig uiterlijk, ofschoon
men volstrekt niet zeggen konde dat hij schoon was, en de witte das
en gedrukte stemming, waarin de omstandigheid waar hij in verkeerde
hem bracht, konden niet gezegd worden hem te flatteeren. Hij was van
eene gewone grootte, maar de vriend, dien hij medebracht, kon geacht
worden klein te zijn; een nadeel, hetwelk hem niet belette er op dit
ogenblik vrij wat aannemelijker uit te zien dan de examinandus. Zijne
bruine oogen hadden een schalken blik, en zijn vroolijk gezicht en
de vlugheid zijner bewegingen staken wonderlijk af bij den bedrukten
ernst van hem, die in dit droevig kamertje gekomen was om zich op de
zenuwschokkende examenschel voor te bereiden.
De examinandus zette zich naar het oud en wettig gebruik op de tafel
neder, en keek op zijn horloge. De deur stond wijd open, en hij genoot
een onbelemmerd uitzicht op de kamer der facultas medica.
"Vier minuten over tweeën. Toch nog te vroeg," zeide hij mistroostig.
"Wis en zeker te vroeg," zei de kleine, "maar je hebt mijn raad ook
niet gevolgd."
"En wat was je raad dan?" vroeg de ander verstrooid, en naar de trap
ziende; want hij hoorde daar eenige beweging op, en was nieuwsgierig
of het prof. _Sandifort_ dan wel prof. _Macquelin_ zou zijn, die het
eerst verscheen.
"Mijn raad? Lieve hemel! dat je op je bed hadt moeten blijven tot
één ure, en geen enkel boek meer inzien."
"Neen, dat's ook maar gekheid," zei de ander, die op dit punt
gedecideerd scheen te zijn; zeker ten gevolge van de ondervinding
van dezen huidigen dag, daar hij met radeloozen angst nu dit, dan dat
dictaat had opgeslagen, van het eene boek de inleiding nog eens had
doorgelezen, en van het andere het register nog eens had bestudeerd.
"Vervolgens hadje moeten ontbijten; op je gemak, weetje?" ging de
kleine voort.
"En een glas madera drinken?" vroeg de grootere.
"Neen, jongen, dat weet ik niet; je mocht reis aan het doorslaan
raken," antwoordde de kleine.
"Doorslaan is goed," zei die van de pijnbank.
"Ja, dat kan er naar wezen," zei die van den vloer. "Je moet altijd
denken dat het Latijn is."
"Dat 's één geluk!" sprak die van de witte das; "ik wou niet dat
het Hollandsch wezen moest; een stommigheid in 't Hollandsch is zoo
dubbel stom."
"Dat is waar," hernam die van den zwarten strop, "maar je dient
primo Latijn te kennen; en ik voor mij, heb me meer op me moedertaal
toegeleid, weetje. Maar jij hebt nog al een aardig Cicero'tje in je
mond zitten, dat's zeker! Maar wat ik zeggen wou: je hadt je niet
moeten aankleeden vóór tweeën."
"Maar hebje _Macquelin_ al," zei de lijder.
"Je wou wel dat _Broers_ een operatie te doen had," zei de
ziekentrooster.
"Mijnheer _Broers_ is al lang binnen," zei de pedel, en die brave
kwam met een kwitantie van de college-gelden.
"_Gerritje, Gerritje_, wat zit je der in," ging de getuige voort.
"Wel een beetje!" antwoordde de gedaagde.
"Neen, niet een beetje!" vervolgde de kwelgeest, "maar machtig veel,
man! Maar als je _mij_ vraagt of je ooit bang genoeg wezen kunt, dan
moet ik zeggen: neen, kerel! Want, weetje, je hebt toch maar slecht
college gehouden; en dan, dat je reis gezeid hebt dat de osteologie
zoo'n droog ding is! Denkje niet dat dat overgebracht is?"
Het slachtoffer deed een poging om te glimlachen, maar hij had geen
genoegen.
"En daarenboven," ging Jean qui rit voort, "wat het ergste is: het
is bekend genoeg dat je een stommeling bent."
"Je steekt er den gek mee," zei Jean qui pleure, "maar waarlijk, ik
weet er minder van dan je denkt. Maar wacht reis; daar gaat de schel!"
Nog één oogenblik, en het slachtoffer sprong van de tafel, volgde
den pedel, die hem de deur der medische faculteitskamer ontsloot,
en trad met een bescheiden tred en lichte buiging voor zijne beulen;
maar de tuchtknaap dribbelde met een luchtigen pas achter hem aan en
zette zich op de harde bank der toehoorders, vrij wat meer op zijn
gemak dan het slachtoffer op den gladden stoel der examinandi.
Drie kwartier daarna werd er weder gescheld, en de jongeling moest
buitenstaan. Bedaard trad hij met zijn satelliet de kamer uit; maar
zoo ras de pedel de deur achter hem sloot, sprong hij een voet hoog
en drukte de hand zijns vriends in toomelooze opgewondenheid. Hij was
een ander man; er was licht in zijn oogen en vroolijkheid om zijn mond.
"Hoe is 't geweest?" vroeg hij aan zijn vertrouweling.
"Minnetjes," zei de ander.
"Leelijkerd!" riep de geëxamineerde uit, hem in den arm knijpende.
"Ik verlies mijn fijne flesch!" hernam de toehoorder; "'t zal mooi
wezen als je den tweeden graad haalt."
"'k Wou ik hem al had," zei de zwartrok, en opnieuw betrok zijn
aangezicht.
Weer ging de schel. De pedel trad de kamer deftig binnen, en kwam de
kamer deftig weer uit. De gedaagde ging zijn vonnis hooren.
"Maak je geen illusie!" fluisterde de vleier hem in.
Met een schijnbaar hoogst kalm gelaat wachtte de geëxamineerde de
uitspraak af. De decanus sprak verscheidene Latijnsche volzinnen uit,
maar hij hoorde ze zonder ze te verstaan; hij wachtte slechts op één
woord; en dat woord kwam: _summâ cum laude_.
"Heb ik het niet gezegd?" zei de vriend, die gezegd had dat hij zich
geen illusies maken moest, als zij samen de trap afstormden, met vrij
wat meer geweld dan zij die waren opgestegen.
"Ik had er een heimelijke hoop op," zei de man, die een fijne flesch
verwed had dat hij "den tweeden" zou hebben.
"Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei de hospita, toen
de candidaat thuis kwam en de trappen opvloog om zich te verkleeden
en een brief aan zijn vader te schrijven. "Ik kan wel zien dat het
goed afgeloopen is," zei ze tot den vriend, die beneden wachten bleef
om vervolgens hem in triomf naar de sociëteit te voeren; "ik heb de
heele week al gedocht, meheer mot zeker een examen doen!--En meheer
heit toch vast simma cum laudis?"
"Ja, juffrouw!" zei de ander, "daar kon je wel zeker van zijn,
ofschoon mijnheer er nooit heel gerust op was.
"Nou, niet waar?" zei de juffrouw, "'t Is een best heer, en knap ook;
maar weetje wat 'et is? hij het geen forducie op zen zelvers; en as
het dan teugen een examen loopt, dan kan die zoo melankerliek zijn;
net als meneer _Possel_, die u zeker nog wel gekend het, dat kleintje,
dat was óók zoo. Als dat een examen doen most: ik en me man, we hebben
menigmaal teugen mekaar gezeid, hij kan wel in een oortjes doosie; hij
_wist_ zijn dingen wel, daar niet van; maar de schrimpeljeuzigheid,
weet u. Ik ben altijd maar blij als U bij meheer komt, want hij is
anders zoo'n vroolijk mensch, net as meheer ook; maar in _die_ dagen
is het dan onnoozel!"
De candidaat kwam beneden en werd door de hospita "wel
gefiliciteerd". Daarop toog het tweetal naar de sociëteit, en
ook daar regende het gelukwenschen, want de candidaat was algemeen
bemind. Slechts werd zijn vreugde verbitterd door een paar jongelui,
die ook van een candidaats zwanger gingen, en hem vermoeiden met
informatien: hoe _die_ en hoe _die_ vroeg, en of _dat_ weten wilden,
en _daar_ diep intraden: op alle welke vragen de candidaat niets
anders antwoordde dan dat het hun mee zou vallen.
De candidaat tracteerde daarop zijn tafel op wijn; en na den eten
kwam er een droski voor, en reed de candidaat met den vriend en nog
een vriend naar den Deyl (het was in Februari) en dronk daar thee;
en 's avonds had de candidaat den vriend van het zweetkamertje, en
den vriend van den Deyl, en nog twee andere vrienden, en een kwart
ankertje cantemerle op zijn kamer, en zat men voor de opgeschoven
vensterramen (het was nog altijd in Februari) vele sigaren te rooken
en vele verhalen op te snijden; en des nachts om één ure sprongen er
kurken van champagneflesschen; en zaten twee der vrienden hoogdeftig
te redetwisten over den besten regeeringsvorm, en traden twee anderen
in een vergelijking van de Kantsche en Hegeliaansche philosophie,
waarvan geen van beiden iets afwist, en stelde een vijfde een toost
in op de harmonie tusschen de faculteiten. En 's nachts om twee uren
waren de vrienden weggegaan, op den vriend uit het zweetkamertje
na, die met kleine oogjes zat te luisteren naar een verhaal dat de
candidaat hem met veel geheimzinnigheid en in diep vertrouwen deed:
hoe hij hartstochtelijk verliefd was op een meisje, dat hij verleden
jaar, op een voetreisje door Gelderland, op het terras van een klein
Buitentje had zien zitten met een witte duif op haar hoofd; en hoe hij
bij juffrouw _Schreuder_ toevallig een vrouweportretje had gezien dat
op haar leek als twee droppelen waters, en hoe hij dat onmiddellijk
gekocht had, en hoe of zijn vriend dat vond? Waarop de vriend van
het zweetkamertje hem zwoer dat hij het aan niemand vertellen zou,
uit vreeze van anders alle Geldersche meisjes, die kleine Buitentjes
bewoonden en witte duiven hielden, op de spraak te zullen brengen. Maar
daarop nam hij het ernstig, en stelde een toost op de lieve dame in,
en de candidaat dronk dien met een traan in de oogen, en de vriend
vertelde daarop dat ook hij dol verliefd was, maar dat hij ongelukkig
in de liefde was, en dat dit al zijn derde verliefdheid was; waarop
het uitkwam dat zijn eerste verliefdheid geweest was op een meisje
in een kostschool, dat hij alle zondagen in de Fransche kerk zag, en
zijn tweede op een meisje dat al in stilte geëngageerd was geweest,
en dat deze derde verliefdheid zich de dochter van een gepensioneerd
kolonel had tot voorwerp gekozen, die "gloeiend _tegen_ hem was"
en hem niet luchten of zien mocht. En over drie uren trok de vriend
de deur van het hôtel des candidaats achter zich toe; en des anderen
daags 's morgens om acht uren werd de candidaat wakker met het zalige
gevoel dien dag geen examen te zullen ondergaan.
Oudervreugde.
Met een geopenden brief in de hand en een glans van genoegen op het
gelaat, begroette de heer _Witse_ zijne gade aan het ontbijt.
"Morgen komt onze candidaat thuis," zei de heer _Witse_.
"Onze wie?" vroeg mevrouw zijne echtgenoote.
"Onze student," antwoordde de heer _Witse_, "maar hij is nu
candidaat. Hij schrijft mij dat hij zijn examen gisteren gedaan
heeft. Het zal wel goed geweest zijn; daar ben ik niet bang voor."
"Wij beleven genoegen aan dat kind," zei mevrouw _Witse_, water op
de thee schenkende. "Is het niet buitengewoon gauw, dat hij examen
gedaan heeft?"
"Zeker, liefste, zeer zeker. Hij is pas vijfjaren te Leiden, en je
moet denken, hij heeft drie jaar gebruikt voor zijn eerste examen...."
"Zijn pro-pae-deutisch, niet waar?" viel mevrouw _Wttse_ met
deftigheid in, trotsch dat zij het moeielijke woord zoo goed had
leeren uitspreken.
"Juist, mijn kind! Dat is een ding daar de meesten luchtig over heen
loopen. Maar _hij_ heeft er zijn werk bijzonder van gemaakt. Hoor
eens, hij kost ons daarginder een handvol geld, maar de medicijnen,
heb ik altijd hooren zeggen, is een dure studie; en hij moet _niets_
verzuimen."
"Maar hoe lang zou hij er nu nog wezen moeten, nu hij candidaat is?"
"Wel, ik weet het niet. Hij wilde er graag de chirurgie en de obstetrie
bij leeren, en dat zal nog wel wat tijd kosten. Maar wie weet waar
hij dan ook geschikt voor is!"
"Zoo, zou je _dat_ denken?" vroeg mevrouw _Witse_, het mes, waar zij
zich een boterham mee maakte, halfweg in het brood latende steken,
en haar man strak aanziende.
"Alles is mogelijk, liefste!" antwoordde haar echtvriend, den brief
nog eens inziende. En een blijde glimlach vertoonde zich op zijne
wezenstrekken.
"Maar staan daar niet zekere jaren voor?" vroeg mevrouw weder,
terwijl zij hare oogen zediglijk neersloeg, en met eene bijzondere
oplettendheid haar boterham in reepjes sneed.
"Wat meenje?" vroeg de heer _Witse_, die hetzelfde meende als zijn
eegade.
"Wel!" antwoordde de goede vrouw, de punt van haar mes met groote
nauwkeurigheid beschouwende, "om zoo 't een of ander te worden."
"Wat een of ander, moedertje?" vroeg de echtgenoot lachende, en van
verlangen brandende het groote woord, dat hijzelf niet uit dorst
spreken, van de lippen van zijn wederhelft te hooren.
"Wel," antwoordde mevrouw _Witse_; "hoe oud was de jonge
hoe-hiet-ie-ook-weer zoowat, toen hij professor wierd?"
"Tut, tut, tut!" antwoordde de heer _Witse_, terwijl zijne oogen van
genoegen schitterden en zijn aangezicht zich zenuwachtig bewoog;
"je moet zoo hoog niet vliegen, moedertje. Als hij maar een knap
dokter wordt, dat is heel wel."
"Dat is ook zoo," hernam zijne vrouw, wie het speet dat zij zich
zoo onvoorzichtig had uitgelaten; "het hoeft ook niet; ik zal heel
tevreden zijn als hij maar gelukkig is in de praktijk. Wij mogen ook
niet alles vergen."
"Wel neen!" zei de heer _Witse_.
"En daarenboven"--ging mevrouw voort--"wie weet of het goed voor
hem zijn zou. Een professor moet immers zoo allerverschrikkelijkst
studeeren?"
"Dat moet hij zeker, vrouwlief!" was het antwoord; "maar dat was voor
onzen _Gerrit_ het minste."
"Ja, dat wil ik ook wel gelooven!" hernam de moeder van _Gerrit_;
"maar toch, ik zei dat daar nu zoo, maar ik kan je eerlijk zeggen
dat ik er nooit over denk."
"Je moet het nu weer zoo heelemaal niet weggooien!" antwoordde
_Gerrits_ vader.
"Neen!" zei _Gerrits_ moeder; "dat nu juist niet."
"Het is meer gebeurd," zei _Witse_, zonder eigenlijk te weten wat
dit beduidde.
"O ja; waarom zou het ook niet plaats kunnen hebben?" zei mevrouw.
"Men kan zich niet _meer_ appliceeren dan _Gerrit_," hernam _Witse_.
"En hij zou, geloof ik, wel veel geschiktheid hebben om te
onderwijzen!" ging _zij_ voort.
"Dat geloof ik ook; en ik denk ook wel dat ze zulke jongelui in
't oog houden," voegde _hij_ er bij.
"Het zou een groot geluk wezen!" merkte _zij_ aan.
"Dat zou het zeker," verklaarde _hij_; "maar je kunt er niet
op aan. Verdiensten worden niet altijd erkend. Net als met die
prijsvraag."
"Maar hij had toch het accessit," zei de moeder.
"Hij had de medaille moeten hebben," zei de vader.
"De gekken krijgen de kaart," zei de moeder, die op eenmaal alles
aan het geluk begon toe te schrijven.
"Het zou goed klinken!" zei de vader; "professor _Witse_!"
"Och kom, _Witse_!" zei de moeder, wier beurt het nu weer was om
nederig te zijn; "vlei er je toch niet mee!"
"Dat _doe_ ik niet!" verzekerde haar echtvriend; "ik zeg maar dat
het mooi klinken zou."
Er volgde een stilte; mijnheer tuurde in 't Handelsblad en mevrouw
zette een boordje van een kous op; maar hun beider gedachten waren bij
het professoraat van _Gerrit_, waarvan zij, elk voor zichzelf, zich
overtuigd hielden, indien maar in dit ondermaansche ware verdiensten
op haar rechten prijs werden geschat.
Een geruimen tijd bleef het gelukkige echtpaar in deze zoete
overdenking verdiept. Daarop brak de heer _Witse_ het stilzwijgen.
"We moesten toch iets ter eere van den candidaat doen, dunkt
me?" zeide hij.
"Dat heb ik ook al gedacht," antwoordde zijn eenstemmige dierbare.
"Een dineetje zou wel aardig zijn."
"Ja; wie al zoo? de _Vernooyen_, dunkt je niet?"
"Best; ik zal ze zelf gaan vragen; en dan de _Van Hoels_
vooràl. Vrijdag is nogal een goede dag."
"Maar we moeten volstrekt mevrouw _Stork_ hebben."
"Die kent _Gerrit_ in het geheel niet," merkte _Witse_ aan.
"Goed!" antwoordde zijn gemalin. "Voor _mijn_ rekening; zij zal hem
wel bevallen; 't is een allerinteressantste vrouw. Weetje wel dat er
bij _Vernooy_ een nichtje gelogeerd is? Dat is ook een vreempje. Nu;
hoe meer hoe liever. Maar dan dienen er nog een paar heeren ook
bij. De jonge _Hateling_?"
"Ik weet niet of _Gerrit_ wel heel _Hateling_-achtig is," merkte
mijnheer _Witse_ aan.
"Hé, waarom zou _Gerrit_ niet _Hateling_-achtig zijn?" vroeg mevrouw;
"'t is een heel aangenaam jongmensch, en ik vind het zoo'n knap
uiterlijk; jongens, 't is zoo'n knap uiterlijk. Je moet denken:
_Hateling_-achtig? Van wien van onze jonge menschen houdt _Gerrit_
nu eigenlijk? Sedert hij op de academie is, gaat hij met niemand van
de Rotterdamsche jongelui meer om."
"Mij is 't wel," zei de heer _Witse_. "En zouden we _Wagestert_
ook niet vragen?"
"Wel zeker! _Wagestert_;" antwoordde zijn eegade: "dan zijn we sekuur
dat het een vroolijk diner wezen zal."
Het diner-project was gereed; en hoewel het ter eere van _Gerrit_
was opgemaakt, was er echter bij de keuze der gasten weinig op zijn
genoegen gelet. Tot verschooning zij gezegd, dat het oogmerk van dit
ouderpaar veeleer was om met den knappen zoon te pronken, dan om den
oppassenden zoon een genoeglijken dag te bezorgen.
De heer _Witse_ ging dien dag reeds vroeg uit om verscheidene bezoeken
af te leggen. Hij deed het met den brief van _Gerrit_ in den zak,
en gaf aan alle huizen, daar hij kwam, breed op van de ongehoorde
kundigheden van zijn zoon _Gerrit_. Er zijn verscheidene wegen om een
zoon of dochter ongelukkig te maken, en de heer _Witse_ had sedert
lang dezen ingeslagen.
Om de waarheid te zeggen, het was 's mans zwakke zijde. De heer _Witse_
was een zeer welgesteld man uit den deftigen burgerstand en notaris
van beroep. Hij had een heel goed en helder verstand en ook veel
verworvene kennis; maar zijne denkbeelden omtrent de meerderheid van
een gestudeerd persoon waren alleroverdrevenst. Men kon niet zeggen
dat hij zijn zoon als kind bedorven of over het paard getild had, want
hiertoe was hij te beredeneerd geweest; hij had den jongen _Gerrit_
eene zeer goede opvoeding gegeven en hem wèl onder den duim gehouden;
maar zooras hij als student was ingeschreven, had hij de onbepaaldste
hoogachting voor hem opgevat, in welke hoogachting de moeder zeer
genegen was te deelen, daar de jongeling haar eenige spruit was. Haar
kundige man, die algemeen om zijn helder hoofd geacht werd, geloofde
_niets_ te zijn in vergelijking met een zoon, die ja, zich altijd
zeer op zijne studiën bevlijtigd had, maar toch wellicht nog in vele
opzichten beneden hem stond, vooral in punten waar het op een klaar
inzicht en juiste onderscheiding aankwam. De beste zijde van 's mans
overtuiging in dezen was, dat zij hem zeer liberaal denken deed over
alles wat de studiën en bekwaamheden van _Gerrit_ kon uitbreiden en in
de hand werken; _Gerrits_ bibliotheek was een van de beste die ooit
een medisch student bezeten had, en dat hij, na zijn graad verworven
te hebben, Berlijn en Parijs zien zou leed geen twijfel.
Meisjeskwelling.
_Klaartje Donze_ zat in de zijkamer van mijnheer en mevrouw _Vernooy_
in de vensterbank en maakte een schelkoord voor den aanstaanden
verjaardag van haar vader, en hief tusschenbeide haar lief gezicht
op, om eens op de Hoogstraat te kijken, maar keerde het meestal
teleurgesteld weder af en tot haar werk.
_Klaartje Donze_ was een frissche, vroolijke, prettige Geldersche
deerne, van nog geen achttien jaar. Zij had bruin haar, in vele lange
krullen langs haar wangen nedervallende en voor het overige in een
zware vlecht op haar hoofd saamgestrengeld, een sneeuwwit voorhoofd,
groote, blauwe oogen met een heldere tinteling en vrijmoedigen opslag,
blozende wangen, en een mondje zoo pleizierig geplooid, dat men niet
wist wat men er liever van krijgen zou, een kus of een zoet woordje.
_Klaartje Donze_ was buiten opgevoed, had als kind alle jaren het
eerste groen gezien, kippen, eenden en goudvisschen gevoerd, den
kuifbal geslagen en, zoolang zij een pantalon droeg, schrijdelings op
een hit gereden. Zij kende alle soorten van boomen onderscheidelijk,
en wist daarenboven wat ze waard waren. Zij kreeg alle jaren te Paschen
een pot-lammetje en hield op den zolder meer dan twintig duiven die uit
haar hand aten. Zij groette de knapen van het dorp niet als "mannen"
of "vrinden", maar als _Jannen, Henken, Koerten_, of hoe zij heeten
mochten. Zij zag niet op tegen een beetje sneeuw of een beetje vorst,
en had honderdmaal in haar jong leven in een regenbui zitten hengelen.
_Klaartje Donze_ was sinds eenige dagen bij oom en tante _Vernooy_
te Rotterdam gelogeerd. Zij was nog nooit in Holland geweest en had
zich machtig veel van het logeeren in eene stad als Hollands tweede
koopstad voorgesteld. De donkere Hoogstraat was haar zeker vrijwat
tegengevallen, en ook wist zij niet dat keien en klinkers zóó vuil
konden wezen, als die van Rotterdam bij slecht weer doorgaans zijn,
wanneer het is (ik gebruik de uitdrukking van eene lieve Rotterdamsche
zelve) alsof het waterchocolade geregend heeft. Een paar malen was zij
uitgeweest. De breede Blaak met hare menigte van winkels, de Boompjes,
en de vroolijke Wijnhaven, met hare schijnbaar door elkander gewarde
schepen met kleurige wimpels en nommervlaggen, de deftige Leuvehaven,
met hare statige huizen, bevielen haar nogal; maar het Nieuwe Werk
vond zij de moeite niet waard een wandeling genoemd te worden, en
de Plantage telde zij onder de omstreken van Gorkum. Meest behaagde
haar het ruime riviergezicht op het Hoofd; maar oom _Vernooy_,
die het haar deed genieten, vond het er te winderig en moest er den
rug aan toekeeren, terwijl zij met een lachend gezicht den wind liet
begaan, die de strikken van haar hoed deed plapperen tegen de luifel,
en de tip van haar sjaal achter haar opdreef. Voor het overige liep
zij met meer gerustheid achter de paarden in haar vaders stal, of
onder de koeien op haar vaders weide, dan in het gedrang van eene
Rotterdamsche straat, waar hooren en zien haar verging van de menigte
van "óverrijwagens", die zij altijd meende dat het opzettelijk op
hare teenen gemunt hadden. Meer dan akelig vond zij het, wanneer
(als in de Kleine Draaisteeg geschiedde) de grond zich plotseling voor
haar voeten opende, of smerige pakhuisknechts met rollende vaten haar
gedurig noopten de toevlucht te nemen tot een of andere stoep, en als
er van oogenblik tot oogenblik iets uit de lucht werd nedergelaten,
dat _van onderen_ scheen genoemd te worden.
Haar oom en tante meenden het zeer wel met _Klaartjen_ en waren
allerbeste, hartelijke menschen, die haar met veel nadruk te logeeren
gevraagd hadden, bij gelegenheid dat zij hare ouders in den verleden
zomer op een klein toertje naar Kleef een bezoek hadden gegeven; maar
zij namen juist niet veel deel aan de vermaken der stad. _Klaartje_
had gehoord dat er te Rotterdam een schouwburg was, waar de Hollandsche
en de Fransche acteurs uit Den Haag beurtelings het tooneel betraden,
en niet minder dan drie concertzalen. Dien ten gevolge had zij zich
voorgesteld dat deze établissementen machtig veel tot haar genoegen
zouden bijdragen en haar op een gansch nieuwe wijze vermaken. Mijnheer
_Vernooy_ was de goedhartigste koopman, die ooit op twee beenen liep,
en zijne even goedhartige vrouw hoorde nooit een boos of onaangenaam
woord uit zijn mond; hij was altijd even joviaal en opgeruimd, maar des
avonds als hij zijn kantoor sloot, toog hij naar de sociëteit Amicitia
en maakte daar zijn vast partijtje; daarop kwam hij met slaan van
tienen thuis, en was dan weer even goedhartig en joviaal als toen hij
uitging; maar van schouwburg of concert was intusschen niets ingekomen.
Deze teleurstellingen maakten evenwel de lieve _Clara_ niet
neerslachtig. Zij bleef de haar eigene blijgeestigheid behouden,
ofschoon zij nu en dan wel eens naar huis verlangde, al was het maar
alleen om te weten of de duiven haar nog zouden kennen.
Nu zat zij in de vensterbank aan de donkere Hoogstraat, en dacht aan
buiten, en keek dan weer eens naar de straat, en verwonderde zich
over het aantal malen dat een lantarenvuller door de volksmenigte
in het uitoefenen van zijn beroep werd gestoord. Het was omstreeks
twaalf uren, en het koffiegoed stond op tafel.
Mevrouw _Vernooy_ kwam binnen. Zij was een dikke dame van een veertig
jaar met een rozerood gezicht en eene belangrijke onderkin en die,
als zij sprak, eene rij zeer groote witte tanden ontblootte. Zij
droeg eene heele blonde toer onder hare muts, en was gekleed in eene
schotschmerinossen japon met aanmerkelijke ruiten. Stilzwijgend zette
zij haar sleutelmandje op tafel neer, en begon koffie te zetten.
"Nu, _Klaartje_," zeide zij, terwijl zij water opgoot, "er is goed
nieuws. We hebben een prettig vooruitzicht tegen overmorgen."
"Tegen overmorgen, tante?" zei _Klaartje_, het schelkoord op de
vensterbank neerwerpende en een vroolijk gezicht toonende.
"Ja," antwoordde mevrouw _Vernooy_; "raad eens wat?"
"We gaan naar de comedie."
"Neen kind! er _is_ vrijdag geen comedie."
"Naar het concert?"
"Mis, mis!" zei tante, en bang dat er nog meer vermakelijkheden van
die soort in de weelderige verbeelding van haar nichtjen op zouden
komen, voegde zij er bij: "we gaan uit dineeren."
"Uit dineeren," hernam _Klaartje_, een weinig ternedergeslagen;
"en bij wie?"
"Ja, dat is het punt! bij wie?"
"Dat kan ik onmogelijk raden."
"Nu, ik zal 't je dan maar zeggen: bij de familie _Witse_. _Gerrit_
is overgekomen... Nu, _Klaartje_, bloos maar zoo niet."
"Lieve tante, ik bloos in het geheel niet," zei _Klaartje_, opstaande
en in den spiegel kijkende, "ik heb immers den man nooit in mijn
leven gezien!"
"Dat's goed; maar je hebt genoeg van hem gehoord," hernam tante met
een lachje; "en hij interesseert je _wel_."
_Klaartje_ liet tante praten, en nam haar schelkoord weer op.
Inderdaad, het was alles behalve eene onwaarheid dat de lieve meid
genoeg van den jongen _Witse_ vernomen had. Mevrouw _Vernooy_
was eene goede vrouw, ik geloof dit reeds te hebben opgemerkt;
maar die juist niet gebukt ging onder overmaat van verstand. Zij had
volstrekt geen kinderen, schoon haar welvarend voorkomen de spotternij
had uitgelokt dat zij er wel gehad, maar ze even als _Saturnus_,
heidenscher gedachtenisse, opgegeten had; en daar ze twee meiden hield,
die nog daarenboven door een naaister, een werkster, en een oppasser
ondersteund werden, was haar leven vrij gemakkelijk, liever nog: zij
had niets te doen. Van lectuur hield zij juist niet bijzonder veel,
behalve als zij ziek was, iets dat haar zelden gebeurde, en daar zij
zich toch gaarne ergens mee vermaakte, had zij er hare zinnen op gezet
te bestudeeren, welke menschen te Rotterdam en elders alzoo geschikt
waren om tezamen in het huwelijk te treden. Veelal leidden deze
berekeningen tot geen degelijk resultaat; maar nu een mooi nichtje
te logeeren hebbende, kon ze niet nalaten haren in dit opzicht zoo
speculatieven geest met deze bezig te houden, met het vaste voornemen
de slotsom harer overdenkingen, indien mogelijk, te verwezenlijken. Na
lang rondzoeken, reeds voordat _Klaartje_ gekomen was, en na haar in
gedachten meer dan tienmaal telkens met een anderen bruidegom voor het
altaar te hebben gebracht, was zij eindelijk stil blijven staan bij
het denkbeeld dat de jonge student _Witse_ een geschikte partij voor
haar nichtje zou zijn. Deze was een jaar of vijf ouder dan zij; zijne
ouders bezaten een redelijk vermogen, en behoorden daarenboven tot
hare beste vrienden, waartoe hoofdzakelijk medewerkte dat er niemand
in de gansche Erasmiaansche stad gevonden werd, die geduldiger en
liefderijker de lofredenen op den knappen zoon aanhoorde dan de heer
en mevrouw _Vernooy_. Toen zij dit huwelijk alzoo bij haarzelve had
vastgesteld, kon zij zich onmogelijk in de toekomst eenig geluk voor
_Klaartje_ denken tenzij het werkelijk, eerst voor den burgerlijken
stand voltrokken, en vervolgens door haar lievelingsprediker ingezegend
was, en begon het ook langzamerhand tot de artikelen van HEd. geloof
te behooren dat het in den hemel aldus was besloten. Zij twijfelde er
dan ook geen oogenblik aan of _Gerrit_ zou tijdens het verblijf van
_Klaartje_ wel eens overkomen en pijnigde zich met te willen uitspeuren
hoe deze overkomst desnoods door te drijven zoude zijn. Ongedachtig
aan de woorden van haar grooten tijdgenoot _Napoleon Buonaparte_
(van wien zij, in 't voorbijgaan gezegd, nog niet volkomen geloofde
dat hij volkomen dood was), dat niets de harten zoo zeer bekoelt als
de vurige geestdrift van anderen, was zij begonnen om dagelijks op
zeer ongepaste oogenblikken, uit een open reden, den roem van den
jongeling uit te meten, en gebruikte daartoe alle de lofredenen, die
zij uit den mond van mijnheer en mevrouw _Witse_ had opgevangen; en
daar deze met verwonderlijke eenstemmigheid op het punt van _Gerrits_
knapheid nederkwamen en inhielden hoe werkzaam _Gerrit_ was, en
hoe verstandig _Gerrit_ zich te Leiden onder de jongelui gedroeg,
en hoe gezien _Gerrit_ bij zijn professoren was, en hoe _Gerrit_ in
alle wetenschappen thuis was, kreeg de blijhartige _Clara_ natuurlijk
geen ander denkbeeld van den bewierookten jongeling dan dat van een
ondragelijken pedant, een soort van wezen, 't welk in hare oogen
wel het alleronuitstaanbaarste aller creaturen mocht geacht worden;
weshalve zij zich wel gewacht had naar het uiterlijk van dezen onmensch
te vragen, bij zichzelve vaststellende dat het niet anders kon of
hij moest sprekend op den bleeken ondermeester van het dorp in haars
vaders nabuurschap gelijken. Mevrouw _Witse_ had de dwaasheid gehad,
zonder _Gerrits_ weten, daar hij zelfs niet vermoedde dat zijn goede
mama dergelijke prullen bewaard had, afschriften te verspreiden van
een paar versjes, die _Gerrit_ op zijn twaalfde jaar gemaakt had en die
natuurlijk middelmatig waren, maar zooals verzen van kinderen meestal,
in zulk een hoog ernstigen toon geschreven en zoo vol van dood en
eeuwigheid, dat _Klaartje_, aan wie zij getoond waren, er in haar hart
vreeselijk om gelachen had. Het vooruitzicht derhalve van met dezen
wonderman aan ééne tafel te zullen zitten, wond haar volstrekt niet
tot dien graad van opgetogenheid op, waar hare tante op gerekend had.
"Het zal zeker een heel feest zijn," ging deze waardige dame voort, om
_Klaartje_ tot grooter verrukking te nopen; "_Gerrit_ is gepromoveerd."
"Hola, hola, vrouwlief!" viel de heer _Vernooy_ in, die juist
binnentrad: "zoo ver is 't nog niet."
"Ja wel!" zei mevrouw _Vernooy_, die voor iedere afdinging bang
was. "Ja wel, schatlief; hij is gepromoveerd."
"Waarlijk niet," antwoordde haar man, zich in zijn armstoel vlijende,
"maar hij heeft een examen gedaan. Een heel groot examen. _Witse_
heeft me verteld dat het twee dagen geduurd heeft;--maar hoe het examen
heette, dat ben ik vergeten. Zooveel is zeker: den eenen dag heeft hij
een heel lijk ontleed, en den anderen dag heeft hij ... enfin! heeft
hij weer wat anders gedaan, maar alles even knap."
"Ba," zei _Klaartje_; "een lijk."
"Hij heeft zeker de hoogste?" vroeg mevrouw _Vernooy_.
"De hoogste wat?" vroeg haar man.
"De hoogste ... och, hoe hiet het ook weer? Ik meen het hoogste,
weetje, het allerhoogste; zoo veel als, zal ik maar zeggen, zooveel
als primus op 't Latijnsche school. Hij was alle jaren primus. Weetje
wat primus is, _Klaar_?"
"Neen, tante!" zei _Klaartje_, die het zeer wel wist, maar met een
allereenvoudigst gezicht.
"Primus is," antwoordde tante op goelijken, onderwijzenden toon,
"als men de hoogste is van zijn klasse, maar dan op 't Latijnsche
school, weetje. Dan is er prijsuitdeeling in de Fransche kerk, en
dan doen al de primussen gratiassen. Weetje wat een gratias is?"
"Neen, tantelief."
"Heden, weetje niet wat een gratias is?" vroegen mevrouw _Vernooy_
en haar echtgenoot tegelijk.
"Waarlijk niet."
"Gunst, weetje dàt niet?" ging de tante voort; "het is een bedankje
voor den prijs. Ik ging altijd met mevrouw _Witse_ mee, als het
prijsuitdeeling was; maar het heette dan eigenlijk promotie. Jongens,
_Gerrit_ deed het zoo mooi; maar me hart kon kloppen als hij op moest
komen. Ik heb lang geweten wat de rector dan zei: hoe was 't ook weer?"
"Ja," zei _Vernooy_, "hoe was 't ook weer? _Acide_ _Witse_..."
"_Et excipe pryzia_," viel de gedienstige echtgenoote in. "Ja _Klaar_,
ik ken ook me Latijn. Weetje nog wel van op één na den laatsten keer,
_Vernooy_?"
"Wel zeker!" antwoordde deze met rustigheid, ofschoon al
de verschillende keeren voor zijne herinnering vrij verward
dooreenschemerden.
"Hij was de langste van al de jongens!" ging zijne gade voort. "O,
het stond zoo grappig; één zoo'n lange jongen onder al die kleine. Maar
hij was ook de eenigste die een rok aanhad. En de nieuwe handschoenen;
weetje wel, _Vernooy_?"
"Ja," zei _Vernooy_ met een lief lachje, dat hij niet wist thuis te
brengen, "met de nieuwe handschoenen."
"Ze droegen toen," vervolgde zijn wederhelft, "van die heele gele
handschoenen; dat herinnerje je nog wel, _Klaar_! _patte de canard_,
weetje? Nu, die had _hij_ ook aan; wat stond het hem lief; als zoo'n
eerst fatje! Maar je kondt goed zien dat ze nieuw waren; met zulke
platte toppen, je weet wel!"
"Ja, zulke lange platte toppen," lachte _Vernooy_. "Ja, wat gebeurde
er ook weer met die handschoenen?"
Dit was gewaagd. De heer _Vernooy_ bouwde op de enkele, hoezeer
wel eenigszins opgevijzelde, vermelding van een paar eendepootgele
handschoenen de vermetele onderstelling dat zij waarlijk een
historische rol hadden gespeeld, terwijl zij niets dan een lijdelijk
sieraad waren geweest, volstrekt niets dan een lijdelijk sieraad,
voor den jongenheer _Witse_.
"Hoe meenje dat, _Vernooy_?" vroeg zijne gade met bevreemding. "Er
gebeurde niets mee, voor zooveel ik weet."
"Ja wel!" antwoordde de gemaal, bloedrood wordende en zijn kopje
uitdrinkende om zijne verlegenheid te verbergen: "jawel, er gebeurde
iets met die handschoenen. Liet hij ze niet zoo gek vallen of zoo? Ja,
daar staat me iets van voor."
Tante had gedurende deze flauwe herinnering altijd door ongeloovig
het hoofd geschud. "Nu, dat weet ik dan niet," zei ze daarop; "dat
weet ik dan niet; ik weet wèl dat het mooi was om hem te zien; ik
kon er niets van verstaan, dat voelje, _Klaar_, want het was alles
Latijn... of was het ook Grieksch, _Vernooy_?"
"Ja," zei _Vernooy_, zijne wenkbrauwen veel beduidend samentrekkende:
"als ik mij wel bezin, geloof ik dat het Grieksch was."
"Nu, dat doet er niet toe. Ik mocht het graag zien. Dan wees hij met
zijn handen op de tafel, waaraan de ... hoe hiet het ook weer? zaten."
"Curatoren," vulde _Vernooy_ aan.
"En dan lei hij zijn hand op zijn hart, en dan stak hij ze rechtop;
want er kwam van den hemel in; en alles zóó netjes, zóó knap, en
zóó gracieus..."
"En alles met handschoenen _patte de canard_?" vroeg het schalke
_Klaartje_.
"Alles met handschoenen _patte de canard_," ging tante voort, in haar
goelijken ijver om haar nichtje door alle mogelijke woorden, wenken,
en tafereelen voor den jongen _Witse_ te interesseeren; "het was een
lust om te zien. Verscheiden menschen zeiden dat _hij_ 't het mooist
van allen deed. Het ging ook zonder een woord te haperen."
"Maar wat was het ook weer met die handschoenen?" prevelde _Vernooy_;
"me dunkt toch..."
"Och kom!" zei mevrouw, bevende dat die gedroomde handschoenenhistorie
nog eene schaduw werpen zou op de bevallige schilderij, die zij van
_Gerrit_ als knaap had opgehangen; "je verwart het met wat anders. Er
was heusch niets van. Ik weet _wel_ dat we gelachen hebben om dien
kleinen jongen, die zoodra hij het boek in zijn hand had, zich
omdraaide en naar zijn plaats ging, en de heele gratias vergat."
"_Dat_ zal het geweest zijn," zei de goedhartige echtgenoot, die blijde
was iets te kunnen aangrijpen dat zijne onvoorzichtige herinnering
overschaduwde. "Ja, ja, die kleine jongen; ik zie hem nog duidelijk
vóór me."
"Maar zeg, tante," vroeg de Geldersche zoo naief als zij kon,
"mijnheer _Witse_ heeft _nu_ toch geen prijs gekregen, wel?"
"Wel neen, kind! aan de academie--wel foei! Of het zou een medaille
moeten geweest zijn," liet zij schielijk volgen, om ook van deze
wending partij te kunnen trekken; "heb je _daar_ ook van gehoord,
_Vernooy_?"
"Neen," zei _Vernooy_, "neen, dat's 't geval niet--men krijgt bij
zoo'n gelegenheid een graad."
"Nu, juist, een graad; daar wilde ik je hebben. Naar dat woord heb ik
daareven gezocht. _Gerrit_ is zeker van den hoogsten graad, niet waar?"
"Zeker, zeker," zei de heer _Vernooy_; "ja, wel zeker. Ja, dat heeft
hij ook geschreven."
De lezer weet beter; maar _Vernooy_, die gaarne iedereen en vooral zijn
vrouw zooveel mogelijk gelijk gaf, verzekerde dit uit den overvloed van
zijn goedig hart, ex merâ conjecturâ. Dat evenwel deze bijzonderheid,
in de schatting der eenvoudige _Clara_, den genadeslag gaf aan den
persoon van _Gerrit Witse_, dien zij zich nu onmogelijk anders voor
kon stellen dan als den verwaanden wijsneus met de gele handschoenen
van de promotie, spreekt vanzelf en wordt door een ieder gevoeld die
aan neuswijze knapen en gele handschoenen een hekel heeft. Lang had
zij zich goed gehouden; maar nu moest zij eens met blijkbare ironie
spreken.
"Nu," zei _Klaartje_, "ik verlang ijselijk om dat wonder van
geleerdheid toch eens te zien."
"Zieje wel, dat je toch wel verlangt," antwoordde haar tante,
die het alweer ten besten opnam. "Daar bloosje alweer. Nu zulje me
toch niet weer opstrijden dat je niet bloost, meisje. Wat zeg jij,
_Vernooy_? bloost ze niet _razend_?"
"Allerverschrikkelijkst," antwoordde _Vernooy_. En zeker, het
moest allerverschrikkelijkst wezen, indien de goede man, die
een slecht gezicht had, het konde opmerken; vooral wanneer men
bedenkt dat _Klaartje_, in de schaduw van een overgordijn, met
den rug naar het venster zat, en dat wel naar een venster in de
Rotterdamsche Hoogstraat, straat waarin, naar het getuigenis der
oudste Hoogstratenaars, de zon nog nooit geschenen heeft.
"_Klaartje_," zei oom, die wel van plagen hield, "je moet oppassen,
meid! dat hij niet met je hartje strijken gaat, hoor!"
"Dat heeft geen nood, oom."
"Nu, ik ben benieuwd wat daar nog van komen zal," zei tante; "bewaar
het goed, kind!" En zij hoopte dat deze vermaning voor het jonge
meisje zooveel zeggen zou als: Werp het den jongeling hals over kop
voor de voeten.
In dat geval stond de kans zeer slecht, want _Klaartjes_ tegenzin
had zich hoe langer hoe vaster geworteld.
"Zoo'n wijs heer zal op mij niet letten!" zei _Klaartje_ overluid,
"en ik ben ook tegen zooveel geleerdheid niet opgewassen." In stilte
dacht zij: "Al was hij zoo wijs als _Salomo_, hij zal er bij mij niet
aan hebben; ik zal den verwaanden gek mijn rug toedraaien."
Zoo onschadelijk was de koppelliefhebberij van tante _Vernooy_.
Vrienden-hartelijkheid.
De dag van het groote feestmaal ter eere van _Gerrit Witse_,
Med. Cand., die, als den lezer uit onze schets gebleken is, ten
opzichte zijner verdiensten zoo geheel anders dan zijne ouders was
gestemd, was aangebroken.
Het was omstreeks drie uren na den middag, dat de jongeling bezig
was zijn toilet te maken. Was het dat hij tegen de pleizierigheid van
dezen dag als tegen een berg opzag, te welker gelegenheid zijne ouders
waarschijnlijk tot walgens toe met hem zouden wenschen te pronken? Was
het dat hij zich het geeuwende schrikbeeld der verveling voorstelde,
waarmede hij zou hebben te worstelen in een kring van menschen, waarvan
de meeste hem onverschillig lieten en de overige hem ergerden? Was
het een dezer gewaarwordingen afzonderlijk, of was het wellicht een
aangenaam mengsel van beide, dat hem in het werk des kleedens zoo
langzaam deed voortgaan, en hem nu en dan een aanmerkelijke poos
deed verwijlen met een kleedingstuk in de hand, of doelloos uit het
raam staren of, zonder vermoeid te zijn, op een stoel nedervallen,
met al de verschijnselen van het levensverdriet?
Eene sierlijke inleiding, opzettelijk geschreven om u van de ware
oorzaak af te Leiden. Deze was geene andere dan dat zijne gedachten
met een voorwerp vervuld waren, verre verheven boven het geurig stuk
zeep of het schoone overhemd, of de satijnen das, die hij beurtelings
in de hand nam. Hij had dien morgen het Leesmuseum bezocht. Wanneer hij
zich voor een dag of wat in zijn vaderstad bevond, was het Leesmuseum,
waar de oude heer _Witse_ ook lid van was, steeds zijne toevlucht. Daar
stelde hij zich altijd weer voor, dat hij zijn tijd op een aangename
wijze zou kunnen doorbrengen, ofschoon de uitkomst hem meestal
teleurstelde. Met gespannen verwachting trad hij er op de leestafel
toe, maar bemerkte meestal tot zijn smart dat die tafel, behalve
de Lloyds-list en de Oost-Indische Courant en het Heerenboekje, niet
anders vertoonde dan hetgeen hij te Leiden gewoonlijk dan reeds gelezen
had; hetzelfde nommer van de Letteroefeningen, met hetzelfde aantal
steken op "de jonge dichters" (ik meen "dichtschool"), en dezelfde
zeer huiselijke beeldspraak van "ongare kost, keurige schotels,
goed gekruid, sterk aangezet" en wat dies meer zij; denzelfden Gids,
met dezelfde beweringen omtrent het ongepaste dat Holland graven
en ridders gehad heeft, omtrent den bloeitijd van _Jan_ (een alias,
dien hij ons voor de Hollandsche natie opdringt) en het leelijke van
de rhetoriek, met en benevens dezelfde citaten uit het vorig nommer;
hetzelfde Leeskabinet, met denzelfden groenen omslag, en dezelfde
Boekzaal der Geleerde Wereld, met een versjen op de begrafenis van
Ds. die en die, en op het vijftigjarig bestaan van Ds. zoo en zoo. Dan
keerde hij zich tot de nieuw uitgekomen boeken. Ook van deze had hij
er reeds, dank zij den gedienstigen zorgen van één _Van der Hoek_
en een half dozijn _Hazenbergen_, vele gezien, en de andere schenen
hem te lijvig toe, om in zoo weinige dagen klein te krijgen. Meestal
kwam het daarop neer, dat hij dan toch maar de voorreden van een paar
Fransche nieuwtjes ging zitten lezen, waarin de schrijver beweerde
dat hij met zijn geweten was te rade gegaan, om een zeer zedeloos,
met zijn kunstgevoel, om een zeer smakeloos boek te schrijven. En zoo
was hij dezen morgen verdiept geweest in het lezen van de voorrede
van _Victor Hugo's_ Ruy Blas.
Deze voorrede, hoe sluitend en klevend, bondig, krachtig en boeiend
de redeneering ook zijn mocht, was niet zóó, of zij liet hem wel
éénige oogenblikken los, om zijne oogen te laten weiden, nu eens over
de Beursbrug, dan eens over de Blaak die, door een aardig zonnetje
beschenen, er nog al heel opwekkelijk en pleizierig uitzag. En op
eenmaal (ik zal het maar kort maken), daar ziet hij duidelijk de
schoone, die hij in "het paradijs van Nederland", als de blinde _Moens_
zingt, met de witte duif op het hoofd had gezien; de schoone, die
hij slechts eenmaal had aangeblikt, en die hij volstrekt niet kende,
't geen een reden te meer was geweest om gestadig over haar te denken,
ja! te mijmeren, ach! te dwepen.
Ik zal niet zoo vermetel zijn te beweren dat het boek hem uit de
handen viel, want daar behoort nog ongelijk meer toe; neen! maar
hij wierp het neder; hij wierp het neder, hij nam zijn hoed, hij
trok zijn handschoenen aan, vloog de trappen van het Leesmuseum af,
stormde de deur uit. De schoone, van de Beursbrug komende, was de Blaak
opgegaan en had zich dus rechts gekeerd. Zal hij haar nawandelen? Neen;
hij kent al het onaangename van de luifels der hoeden. IJlings slaat
hij den hoek om, ijlt de Gapersteeg door, draaft langs de Wijnstraat,
galoppeert door de Posthoornsteeg en komt, bedaard en met een gezicht
alsof er niets gebeurd was, de Blaak weder opwandelen. Zij is het
waarlijk. Ja, dat vroolijke gezicht, die vriendelijke mond, die
speelsche uitdrukking van oogen! Hij groet haar. Hemel en aarde! zij
heeft hem teruggegroet. Een paar huizen verder staat hij stil, en tuurt
haar lieve houding na, en bewondert met een verliefd oog haar vluggen
gang. Zij steekt de Houtbrug over; hij staart haar na totdat zij in de
Keizerstraat verdwijnt. Nu stuift hij weder voort en naar het Museum
terug, de trappen op; daar ligt Ruy Blas nog; werktuigelijk neemt hij
zijn vorige houding aan en het boek op. Dat was verbijstering. Hij
had haar moeten nagaan, moeten weten waar zij bleef. Hij keert op
zijne schreden terug, de Houtbrug over, de Keizerstraat door. Hij
ziet haar niet meer; haar spoor is uitgewischt. Verliefder dan ooit
en op zichzelven ontevreden, loopt hij de geheele stad door en tuurt
in alle ellewinkels, of hij het groenzijden wintergewaad ook weer
te ontdekken krijgt, dat hem zoo hevig heeft aangedaan, of een hoed
van bruin satijn, met een enkele struisveder, die de plaats bekleedt
waar hij weleer de witte duif heeft zien nederzitten, die hij zoozeer
heeft benijd. Te vergeefs! Nergens, nergens, voor geen venster is
zij te zien, de schoone... ja! hoe heet zij? Hij weet er niets van,
en lacht over zijn dwaasheid. Zoo keert hij huiswaarts.
In deze stemming vinden wij hem op zijn kamer. Maar neen! Er is
een straal van hoop in zijne ziele opgegaan. De berekeningen van een
mensch in _Witses_ toestand zijn stout. Er was bij den heer en mevrouw
_Vernooy_ een jong meisje gelogeerd, een nichtje, welker naam hij
niet kende; den naam der schoone Geldersche kende hij evenmin!... Dat
was een punt van overeenkomst. Zij kon het zelve wezen; en _indien_
zij het ware, het was hem meer waard dan de eerste graad bij alle
mogelijke examina.
Onder zulke gedachten geraakte hij eindelijk gereed, nadat hij reeds
eenmaal zijn das uitvoerig had omgestrikt, eer hij zijn overhemd nog
aanhad, en later zijn rok had aangetrokken, voor hij nog eerst het
noodige laagje gelegd had met zijn satijnen vest.
Hij kwam beneden. Er waren reeds gasten aanwezig. Hij hoorde hunne
stemmen in de zijkamer. Met een kloppend hart opende hij de deur.
"Daar hebben we onzen candidaat!" riepen papa en mama tegelijk. De
candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_.
Mijnheer en mevrouw _Van Hoel_ waren menschen van omstreeks vijftig
jaren, waarvan ze er vijfentwintig in den huwelijken staat hadden
doorgebracht. Zij behoorden tot den deftigen koopmansstand en ZEd. was
wat men een man van gewicht noemt. Hij keek op de sociëteit zeer
ernstig en als zeer veel macht hebbende rond, en was er op straat zeer
op gesteld dat men hem groette; eene eer die hem, het fortuin dat
hij gemaakt had in aanmerking genomen, ook ten volle van de geheele
wereld toekwam. Mevrouws toon en deftigheid hadden met den aangroei
van haar eegaas vermogen gelijken tred gehouden en zij was eerst een
pretentieuse, daarna wat men eene _heele_ vrouw noemt, en nu bijna
ongenaakbaar geworden. Het waren zeer oude kennissen van mijnheer en
mevrouw _Witse_; en toen beide echtparen nog jong waren, zagen zij
elkander bijna dagelijks, hielpen de dames elkander hare japonnen
knippen en gingen de heeren te zamen uit visschen. Deze overdreven
hartelijkheden hadden echter gaandeweg opgehouden, naarmate, om een
platte uitdrukking te gebruiken, de _Van Hoels_ de _Witses_ waren
over het hoofd gegroeid; maar toch kon er nog nimmer een belangrijk
feest gevierd worden bij een van de beide familiën, of zij noodigden
elkander over en weer; zij waren voor elkaar een noodzakelijk kwaad. De
oorzaak der verkoeling moet echter niet alleen in de uitbreiding van
des heeren _Van Hoels_ vermogen gezocht worden; nog eene andere kleine
omstandigheid had daar schuld aan; want, gelijk de heer _Witse_ zoo had
ook de heer _Van Hoel_ een eenigen zoon, en het is wel bekend dat er
niets doodelijker is voor vriendschappelijke betrekkingen dan kinderen,
vooral als zij volwassen beginnen te worden. _Witse_ had een knappen,
oppassenden jongen, den roem van alle scholen, en daarna een sieraad
der academie; terwijl de zoon van mijnheer en mevrouw _Van Hoel_
een eigenzinnige domkop was, waar niets van was te maken, en die
zich, tot jaren van onderscheid gekomen, al spoedig als een losbol
onderscheidde en naar de Oost was gezonden, omdat men niet wist wat
er hier mee uit te richten. Zoo kwam het bij, dat mijnheer en mevrouw
_Van Hoel Gerrits_ natuurlijke vijanden waren geworden. Zoo kwam het
bij, dat de heer _Van Hoel_ nooit een brief van zijn zoon ontving,
waarin deze, als bewijs hoe goed het geld, dat zijn vader hem moest
overmaken, geplaatst werd, breed opgaf van het telkens verbeteren
zijner vooruitzichten en van de bewonderenswaardige stappen, die hij
tot zijne fortuin maakte, of hij haastte zich dit op de sociëteit
Amicitia luidkeels mede te deelen, en zulks liefst aan het tafeltje
naast dat, waaraan de heer _Witse_ zich in 't Handelsblad verdiepte,
met bijvoeging, "dat men niets beters doen kon dan zijne kinderen
naar de Oost te zenden, en niets dwazers dan ze te laten studeeren,
waardoor ze niet dan eene zeer late carrière maakten; daar hadje bij
voorbeeld de jonge doctoren!" Zoo kwam het bij, eindelijk, dat er nooit
of nimmer een wilde studentenpartij, een klein straatgeruchtje of iets
dergelijks had plaats gehad, niet noemenswaardig in vergelijking van
het groote landgerucht dat het daarna maken moest, of mevrouw _Van
Hoel_ kon het niet langer uitstellen mevrouw _Witse_ eens een bezoek
te brengen, bij welke gelegenheid zij haar dat nieuws mededeelde,
met vele verzuchtingen haar beklagende dat zij nog in de onzekerheid
was of haar zoon er al of niet was bijgeweest, en "maar hopende,
hartelijk hopende, dat dit het geval niet mocht geweest zijn; hij
was _hier_ wel voor een knappen, heel knappen, braven jongen bekend;
maar men kon het toch nooit weten! En te Leiden!... Och, de jongelui
werden er zoo spoedig bedorven."
De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_.
Na de gewone begroeting, waar nu ook nog een compliment met
het volbrachte examen bijkwam, waarbij de heer _Van Hoel_ den
hartelijken wensch voegde dat dit een stap nader mocht zijn tot eene
spoedige promotie en eene briljante praktijk, en waarbij mevrouw de
vriendelijkheid had het deelnemend beklag te voegen, dat de meeste
menschen "een _ouden_ dokter verkiezen", zeide de heer _Van Hoel_,
die, met de armen op den rug, de panden van zijn rok splijtende voor
het vuur stond en den binnenkant zijner handen door de vlammen liet
koesteren: "ik heb, geloof ik, mijnheer _Witse_ van morgen ontmoet?"
"Mij, mijnheer?" vroeg _Gerrit_ verbaasd; "ik weet met dat ik de eer
gehad heb ..."
"Neen, dat merkte ik," hernam de heer _Van Hoel_ met een schamper
lachje, en schuins uit naar _Gerrits_ moeder ziende, "'t was op de
Blaak;--maar ik merkte wel dat je _mij_ niet scheent te bespeuren."
"Inderdaad, ik heb u niet gezien," antwoordde _Gerrit_ kleurende.
"Och, die jonge _geleerden_," merkte mevrouw _Van Hoel_ aan, hare
handen vouwende en hare nieuwe cabretten handschoenen tusschen de
vingers aandrukkende, "Och, die jonge geleerden zweven zoo in een
hooger sfeer, dat ze geen mensch meer gewaar worden."
"Dat kan wel eens een enkelen keer gebeuren, nietwaar, _Gerrit_?" viel
zijn mama daarop in, die een hoogere sfeer voor haar zoon nog al een
geschikt departement vond.
"Liever niet," zei _Gerrit_; "het komt op de Blaak zoo weinig te pas."
"Ja!" antwoordde de heer _Van Hoel_, de schouders met gemaakten ernst
ophalende; "het is hier maar een _koopstad_; daar moeten we ons nu
maar mee behelpen."
"Zoo meen ik het toch niet," hernam _Gerrit_ al weder, nu eerst
bemerkende dat de heer _Van Hoel_ aan 't gifzuigen was.
De deur ging open. _Gerrit_ zag verlangend om. Er trad geen schoon
meisje binnen, maar een jongeling die, naar _Gerrits_ smaak,
alleen een schoonheid had kunnen genoemd worden, indien hij een
meisje geweest ware. Hij was een van die "mooie mannen", op wie de
jongelingen misschien veel meer jaloersch zijn dan de jonge dochters
verliefd. Zacht, zwart, krullend haar, een spierwit voorhoofd,
een fijn wit en rood, blinkende oogen, en behaagzieke bakkebaarden
waren zijn deel. Kracht en majesteit was er in 's mans gelaat met,
zelfs geen hartstocht, en evenmin in zijn gestalte, die tot de zwak
apollinische behoorde. Het was de heer _Hateling_, een jong mensch
van goeden huize, die op kamers woonde en aan een der voornaamste
kantoren van Rotterdam den handel bestudeerde. Deze jongman was iemand,
die volmaakt berekend was voor zijne plaats achter een lessenaar en
voor zijne plaats op een diner; dat is: hij kon goed cijferen, en
goed praten. Overmaat van verstand of smaak bezat hij niet, maar hij
"las toch nooit Hollandsch", eene omstandigheid, die altijd een hoogen
dunk van beide geeft. Hij was een spotter met al wat studie heette of,
zoo als hij het noemde, "zoo hoog vloog". Voor het overige, daar zijn
toestand als eenloopend gezel medebracht dat hij gaarne uit eten ging,
had hij den goeden weg ingeslagen om veel uit eten te worden gevraagd;
en daar hij veel uit eten gevraagd _werd,_ was hij ook een volleerd
dinerganger, en wist hij uitmuntend hoe hij het aan moest leggen om
bij zulke gelegenheid te voldoen.
Terwijl deze Narcissus nog bezig was zijn compliment te maken, kwam
er, met veel schutterigheid en eene zeer verhitte kleur, eene dame
binnentreden van een jaar of zesentwintig, die een zwarte japon droeg
om te toonen dat zij bedroefd was, en een zeer blooten hals om te
toonen dat zij alle behaagzucht niet had afgelegd. Zij was noch mooi,
noch leelijk, zeer blond en zeer druk. 't Was mevrouw _Stork_, de jonge
weduwe van een man, dien zij aan de tering verloren had. De heer en
mevrouw _Witse_ waren eerst onlangs met haar in kennis geraakt; zij
maakte derhalve allerhartelijkst, allerbevalligst, en allerinnemendst
haar compliment voor mijnheer en de "lieve mevrouw". Daarop werd ze aan
de _Van Hoels_ voorgesteld, waarop zij terstond met een allerliefst
lachjen en mooien mond met tanden vroeg: of zij van de familie van
mevrouw _Van Hoel_ te Utrecht waren, die zij het pleizier had 't
kennen, en dat een aller-allerliefste vrouw was. Toen wendde zij
zich weder tot de heeren _Witse_, en plaagde den ouderen, en zei
allerlei aangenaamheden aan den jongeren, met al de vrijmoedigheid
eener getrouwde dame en met al de behaagzucht eener ongetrouwde. Nog
had deze nauwelijks al de aanwezigen gegroet, of wederom ging de deur
open. Mevrouw _Vernooy_ trad binnen; gevolgd van _Klaartje Donze_.
Eene siddering ging over _Gerrits_ hart; eerst werd hij bleek, en toen
hoog rood; want zij was het, de schoone Geldersche, de jonkvrouw van
zijne gedachten!
Met een goelijken knik aan den ingang van de deur en een nog
goelijker lach drukte de heer _Vernooy_, die nu ook volgde, _Gerrits_
hand. "Hartelijk, hartelijk, man!" riep hij uit. "Je bent nu candidaat,
heet het zoo niet?"
"En zeker met al de graden?" vroeg mevrouw _Vernooy_, minzaam
glimlachende.
"Ja," zei mevrouw _Witse_, het hoofd blijmoedig opheffende: "daarvoor
was geen zorg, maar hij wilde 't niet schrijven. Nu, 't is nogal een
knappe jongen, vindje niet? We beleven pleizier aan ons _Gerritje_."
"_Gerritje_," die door deze lofrede al weer een tamelijk kinderachtig
figuur maakte, rees niet in de achting van _Clara_, wie hij echter,
wat voorkomen en uiterlijk betrof, niet was tegengevallen, ja, zoo
zeer meeviel, dat zij er inwendig boos om werd. Neen! dacht zij; geen
voet achteruit! Dat hij er redelijk uitziet, bewijst niets tegen zijn
pedanterie. Pedant moet hij wezen.
_Gerrit_ had haar zeer beleefd gegroet, en de dames hadden het zeer
druk met de vreemde. Zijne moeder scheen terstond zeer nieuwsgierig
te zijn om te weten hoe het haar in Rotterdam beviel en, hoe hare
familie in Gelderland voer, ofschoon er dan hier tot nog toe geen
sterveling was, die wist of zij een vader en moeder, broer of zuster
bezat, al dan niet. _Klaartje_ antwoordde op alles met een onbedeesd
en vroolijk gezicht.
_Gerrit_ kon zijne oogen niet van haar afhouden. Hoe schoon was zij
van nabij gezien! Hoe weelderig waren hare vormen; hoe doorschijnend
haar blanke hals; hoe zuiver de omtrekken van haar gelaat en de
lijnen van haar gestalte! Hoe liefelijk en helder klonk hare stem;
hoe vriendelijk was hare spraak; hoe levendig waren hare bewegingen;
hoe bevallig was de schoone _Clara_, in alles!
Juist maakte hij zich gereed haar, zooras zijne hartklopping eenigszins
bedaard zou zijn, eens nader toe te spreken, toen de laatste der gasten
verscheen en de opmerkzaamheid der geheele vergadering tot zich trok.
Het was een man, wiens leeftijd tusschen de vijftig en zestig in
zweefde, wat hij evenwel gedeeltelijk ontveinsde door een valschen
toupet boven een paar zeer blozende wangen rond te dragen. Het
overige van zijn gelaat bestond geheel uit een wijde witte das met
wuivende slippen, en groote slappe hemdsboorden. Hij droeg een ruimen
zwarten rok, een blauwlakensche pantalon, een zeer ouderwetsch fluweel
vest met nederdalende strepen. Het was de heer _Wagestert_, bij zijn
vrienden voor een origineel bekend. Deze man had het, door kracht van
originaliteit tot de in deze huichelende en huichelarij onderstellende,
aanmoedigende en uitlokkende wereld, zeer benijdbare hoogte gebracht,
dat men hem het recht toekende alles te zeggen wat hem voor den mond
kwam, een recht waarvan hij dan ook rijkelijk gebruik maakte. Daarbij
had hij iets zeer eigenaardigs in de wijze van zich uit te drukken; ja,
zijn woordenboek verschilde geheel van dat van andere menschen, en hij
placht te zeggen, dat het jammer was dat men, bij nieuwe uitvindingen,
hem niet raadpleegde hoe de dingen heeten moesten. Zoo benoemde hij,
om een voorbeeld te geven, het schoone geslacht geregeld met den naam
van _appelbijtsters_, daarbij op overgrootmoeder _Eva_ zinspelende,
en gaf hij den artsen nooit een anderen eeretitel dan die in het woord
_tongkijkers_ lag opgesloten. Medicijnen en vrouwen waren zijn grootste
antipathieën, en hij was gewoon te beweren dat hij zonder de laatste
wel leven, en zonder de eerste wel sterven kon. Deze merkwaardige man
leefde op kamers op de Nieuwe Haven, van een onafhankelijk inkomen
en, niets omhanden hebbende, had hij--niet zoo zeer de luiheid
als wel--de geestigheid dagelijks tot elf, twaalf uren op zijn bed
te liggen en in deze gemakkelijke houding te lezen, te schrijven,
en alles uit te voeren wat hem in den geest kwam. Hij was gewoon in
persoon versche zalm te gaan koopen en eigenhandig in een netje naar
huis te dragen. Hij had de leelijkste teef uit heel Rotterdam, en
onderhield twee grijze katten, die door dezelve teef gezoogd waren. Op
de sociëteit dronk hij nooit iets anders dan fachingerwater, aan zijn
tafel nooit iets anders dan portwijn. Hij had een stok waarvan de
knop, in de schaduw gezien, het portret van _Lodewijk_ den XVI_den_
vertoonde, en een horloge, onder welks glas een vlieg geteekend was,
waarvan men zweren zou dat zij over de plaat liep; een universeel
zakmes met honderd geriefelijkneden was zijn trouwe metgezel, en hij
wist het soms zeer geestig te pas te brengen. In 't kort, niets was
duidelijker of meer bekend, dan dat de heer _Wagestert_ een origineel
was, en hij deed dan ook zelden den mond open, zonder de voldoening
te smaken van den een of ander uit het gezelschap, waarin hij zich
bevond, te hooren mompelen: "Die _Wagestert_ heeft"--of, zoo als de
Rotterdammers van alle klassen zeggen, _heit_--"toch altijd wat raars".
De binnenkomst van dit humoristisch genie en de plichtplegingen,
die hij jegens de gastvrouw en de gasten in het werk stelde, waren
een soort van koddige parodie op de wijze waar dit gewoonlijk op
geschiedt; en schoon de heer _Wagestert_ deze aardigheid bij alle
gelegenheden herhaalde, zoo vond zij echter ook ditmaal genade in de
oogen zijner bewonderaars.
Men was nog bezig er om te glimlachen, toen de knecht binnenkwam met
de tijding dat de soep op tafel was. De heeren boden de dames hunne
armen aan, met dien schoorvoetenden ijver, waarmee men altijd te werk
gaat indien men niet recht weet aan wien het toekomt om de eerste te
wezen, en de heer _Wagestert_, die, alhoewel alle "appelbijtsters"
verachtende, echter zeer goed wist welke "appelbijtsters" er het
liefst uitzagen, bood zijn geleide, op eene alweder kluchtige wijze
aan _Klaartjen_ aan. _Klaartje_ had nooit tevoren een origineel gezien.
Men ging aan tafel, en het eerste, dat _Gerrit_ bemerkte, was dat de
schikking der gasten hem allerweinigst aanstond.
Dan, hier is het de plaats een meewarig woord van beklag voor u te
uiten, edelaardige menschenvrienden, die goed genoeg zijt nu en dan
aan uwe vrienden diners te geven! Het is nog niet genoeg, dat gij
bij alle poeliers rondzendt om een soort van gevogelte of een soort
van wild, dat nergens te krijgen is; niet genoeg, dat gij u afslooft
om de fijne schotels van het laatste diner dat gij bijwoondet, op
zijde te streven en zoo mogelijk te overtreffen; niet genoeg, dat
gij met eigen mevrouwelijke hand het blanc-manger bereidt of u de
harde noodzakelijkheid oplegt, op een ongelegen uur uw rumgelei te
proeven! Gij moet ook nog eene partij, op dat punt allerlastigste,
allerkitteloorigste en alleronverdraagzaamste wezens, gij moet uwe
gasten schikken! En wel zoo, dat zij alle naar hun zin en naar hun
smaak gezeten zijn; en wel zoo, dat alle antipathieën gescheiden
en alle sympathieën gespaard worden; en wel zoo, dat gij daarbij
eene evenredige hulde aan ieders achtbaarheid en jaren brengt; en
wel zoo, dat de jonge meisjes niet te hoog, en de oude vrijsters
niet te laag zitten; en wel zoo, dat gij een "geanimeerd discours"
verwachten kunt; en wel zoo, dat de rij bont, immers zoo bont mogelijk,
zij! En als gij aan alle deze zoo zeer vervlochtene en verwikkelde
(het woord dagteekent van 1830) verplichtingen poogt te voldoen en
met de grootste nauwgezetheid altijd het lichtere aan het zwaardere
hebt opgeofferd, dan komt de een of andere gast, indien niet uw eigen
zoon of echtgenoot, die uwe schikking allerdolst vindt en zich over
zijne plaats beklaagt. De roekelooze weet niet wat hij zegt! Dat
hij eene andere schikking voorstelle, en hij zal zien hoe alles in
de war loopt! Maar hij zegt het niettemin; dat is, hij overlegt het
in zijn harte, en mokt en mort in stilte. Beklaagde hij zich nog
maar altijd overluid: uwe verantwoording zou hem doen verstommen;
maar neen, hij houdt zich overtuigd van uwe verkeerde bedoelingen,
van uwe hatelijkheid, van uw lust om hem te krenken, te grieven, naar
het hart te steken, en neemt die overtuiging met zich in het graf. De
ondankbare! Hij wist niet voor welke jammeren gij hem bewaard hadt!
Voor _Gerrits_ moeder was de schikking bijzonder moeilijk geweest,
door de omstandigheid dat het getal harer gasten oneven, en er een
overscharige heer was. Noodwendig moesten er dus ergens twee heeren
naast elkander zitten; de een moest natuurlijk haar zoon zijn,
en de ander?... "De heer _Wagestert_", zult gij mogelijk zeggen,
"die toch een vrouwenhater is". Dit zou ondertusschen een heel domme
raad van u zijn, mijn lezer! Want het was juist daarom, dat de heer
_Wagestert_ in alle gezelschappen tusschen twee dames geplaatst werd
en alle mevrouwen elkaar het genoegen betwistten zijne zijde te mogen
bekleeden; want wat is voor mevrouwen pikanter dan het gezelschap
van een vrouwenhater? De heer _Wagestert_ zat alzoo tusschen mevrouw
_Witse_ zelve en mevrouw _Van Hoel_. Maar het was niet dit, wat
_Gerrit_ zoo verschrikkelijk ergerde. Evenmin dat mevrouw _Vernooy_
in het midden van den vriendenkring zat, tusschen den heer _Van Hoel_
en zijn vader, en zulks als "een pareltje in 't goud", als zij nederig
aanmerkte. Maar dat hij aan 't lager eind van de tafel, vlak tegen
hem over, zien moest de personage van _Hateling_, geplaatst... naast
zijne moeder, zoover goed! maar ter andere zijde naast _Klaartje_,
die aan zijn vaders andere hand gezeten was, dat was een ding, hetwelk
hij mama niet vergeven kon, al had zij hem de drukke mevrouw _Stork_
toebedeeld aan zijn rechter-, en den hartelijken mijnheer _Vernooy_
aan zijn linkerhand; want omdat de laatste de goedigste was, was hem
het lot te beurt gevallen, geen andere dame te hebben dan mevrouw
_Van Hoel_, die ook, om de waarheid te zeggen, wel voor twee dames
door kon gaan.
Het diner begon met dat geheimzinnige _Conticuere omnes_, waarmede alle
diners aanvangen; de soep werd met stomme aandacht gegeten, alleen
verpoosd door de opmerking omtrent de verandering van atmosfeer, te
gelijkertijd aan de vier hoeken van den disch gemaakt, en eene kleine
vroolijkheid door _Wagestert_ te weeg gebracht, die de schildpadsoep
_pepersop_ noemde, hetwelk iets geheel nieuws was.
Het "verre de vin après la soupe" bracht eenige opschudding teweeg,
daar meest al de dames hare gehandschoende handpalmen op hare glazen
hielden, om te beletten dat de heeren de snoodheid hadden haar te
schenken.
Eenige oogenblikken later had mevrouw _Stork_ de vrijpostigheid
een glas water te vragen, hetgeen aan alle vrouwelijke leden der
vergadering den moed gaf onmiddellijk hetzelfde verzoek te uiten.
Na afloop dezer ceremoniën werd het verkeer langzamerhand levendiger,
luider en drukker.
Mevrouw _Stork_ bestormde _Gerrit_ met een zeer geënthusiasmeerd
gesprek over allerlei boeken; over den Corsair van Lord _Byron_,
de Notre Dame van _Victor_, de Gedenkschriften van _Walter Scott_,
den Jocelyn van _Lamartine_, den Maltravers van _Bulwer_, en een
aantal min of meer bekende romannetjes en novellen, die _Gerrit_
nooit had hooren noemen. Het eene was "haar charme", het andere was
"de favori van wijlen mijnheer _Stork_!" Dit had zij 's nachts gelezen;
dat, toen zij met _Stork_ haar toertje maakte; een ander had zij op
de wandeling meegenomen; dit had zij aan eene vriendin uitgeleend,
en dat wilde zij absoluut aan _Gerrit_ zelf uitleenen; over het
een vroeg zij zijn oordeel; over het ander "wilde zij zijn oordeel
volstrekt maar liever niet weten, omdat zij er in het geheel geen
kwaad van hooren kon!" Met dit had zij "zooveel innige sympathie",
en in dat; zij zei het met neergeslagen oogen en een treurigen zucht;
"was zooveel dat op hare eigene omstandigheden sloeg" ...
Aan 's jongelings anderen kant zat de hartelijke _Vernooy_ zich
te vermaken over _Gerrits_ kunde en belezenheid, blijkbaar in het
beantwoorden van den waterval van woorden, die het molenrad van
mevrouw _Storks_ tongetje om deed loopen, en fluisterde telkenmale
mevrouw _Van Hoel_ zijne bewondering van "den knappen jongen", toe;
al weder tot zijn niet gering nadeel in de schatting van die dame,
die met onbegrijpelijk veel statigheid hare oogen over een gezelschap
weiden liet, waaraan _zij_ naar haar inzicht den grootsten luister
bijzette. En wanneer _Gerrit_ zijne oogen maar opsloeg, dan zag
hij den mooien _Hateling_, die met den zoetsten glimlach tusschen
zijne gladde bakkebaarden, een allerlevendigst gesprek voerde met de
schoone _Clara_, en al zijne hoffelijkheid en oplettendheden over
haar zat uit te gieten. Mevrouw _Witse_ zag met een welgevallig
oog op _Hateling_ neder, die een groot gunsteling van haar was,
en keek dan weer eens tot _Gerrit_ op, dien zij toeknikte "of hij
niet extra goed _zat?_" waarop zij, daar hare stem hem niet bereiken
kon om het hem rechtstreeks te vragen, aan _Hateling_ en _Klaartje_
begon te vertellen, dat zij _Gerrit_ niet beter had kunnen onthalen,
dan door hem naast mevrouw _Stork_ te plaatsen, die een savante was,
"dat 's te zeggen, geen eigenlijke savante, want zij was heel lief,
maar een stille savante, die alle talen verstond, veel gezien had,
en onbegrijpelijk interessant was". Dan schertste zij weder eens met
_Wagestert_ over de slechtheid van de mannen en riep mevrouw _Van Hoel_
tot getuige, die ze ook "al heel slecht" vond. En intusschen vertelde
mevrouw _Vernooy_ zoo veel liefs en goeds van _Klaartje Donze_, als zij
ooit liefs en goeds van _Gerrit_ uit papa _Witses_ mond gehoord had;
en de laatste was niet ongevoelig voor haar lief gezichtje. De heer
_Van Hoel_ zat met een sceptisch en ironisch gezicht mevrouw _Stork_
gade te slaan, in zijn koopmanstrots zeer laag nederziende op al dat
onzinnig gesnap, en sprak tusschenbeiden een wijs woord met _Witse_ en
_Vernooy_, bij welke gelegenheid hij machtig veel, zoo aan het staats-
als aan het stadsbestuur te berispen vond, en de wereld beklaagde,
dat zij geene oogen had om er "die knappe menschen in te kiezen, die
zich gaarne de moeite zouden getroosten alles op pooten te stellen".
Het dessert kwam, en mevrouw _Witse_ liet met zekeren nadruk de
flesschen veranderen.
De heer _Vernooy_, in de goelijkheid van zijn hart, begreep
dadelijk dat er een toost op den jongen candidaat wezen moest,
maar hij was de man niet om toosten in te stellen. Wel is waar,
hij was hier waarschijnlijk de oudste; maar hem docht, de eer kwam
den hoogaanzienlijken _Van Hoel_ toe, die 't er, dacht hij verder,
ook veel beter af zou brengen dan hij. Nu was het zeer zeker dat de
hoogaanzienlijke heer _Van Hoel_ van dezelfde meening was, maar hij
gevoelde geen zier lust of roeping tot de zaak; en schoon de gedachte
aan den noodzakelijken toost ook in _Wagesterts_ hoofd opkwam, hij
smoorde ze met de bewustheid dat hij "nooit toosten instelde en het
weergasche gekheid vond", waarbij ook nog kwam dat hij de kunst _niet_
machtig was. Het was in dezen als met zijn geheele zonderlingheid,
die in vele opzichten niets anders was dan het goed heenkomen zijner
mislukte pogingen om met eenige gratie en goeden uitslag te handelen
als andere menschen. Blooheid en onhandigheid hadden in een schoon,
eendrachtig en zusterlijk verbond hem tot een vertreder van alle
vormen en bespotter van alle beleefdheden gemaakt.
Een geschrikt paard slaat aan 't hollen, breekt den toom, en trapt
den wagen stuk.
Het nagerecht werd gediend, en niemand sprak den toost uit. _Vernooy_
werd hoe langer hoe benauwder. Hij vond het onbeleefd en onbehoorlijk
het te _laten_, maar als hij er aan dacht het te _doen_, brak het koude
zweet hem uit. Twee of drie malen sloeg hij de hand aan zijn glas
om het plechtig op te nemen, maar telkens liet hij het weer staan;
ja, tweemaal hief hij het werkelijk op in de hand, maar bedacht
zich, en verborg zijn voornemen onder het voorwendsel van mevrouw
_Van Hoel_ een nietsbeduidende opmerking te maken omtrent de kleur
van den wijn en het aangename van een puntig glas. Ondertusschen
werden de omstandigheden al nijpender en nijpender. Mama _Witse_
begon met eene hooge kleur hare oogen ongerust te laten rondgaan,
en maakte telkens kleine pauzen in haar gesprek. Verscheidene glazen
waren reeds weder ledig, en alle flesschen aangebroken. Het _moest_
eindelijk. _Vernooy_ vermande zich, en met een bleek gezicht, een
domig voorhoofd, en trillende lippen, zeide hij: "Vrienden, wij moesten
eens een vol glaasje inschenken". Hoewel nu het gesprek in de laatste
oogenblikken groote gapingen had gehad, waarin men de dessertmessen
duidelijk hun werk had hooren verrichten, zoo was het oogenblik,
waarop de goede _Vernooy_ deze inleiding maakte, allerongelukkigst
gekozen, want _Wagestert_ had juist een appel uit een dessertmandje
genomen en begon er de "appelbijtsters" als van ouds mede te plagen.
De goede man ontveinsde daarop zichzelven gesproken te hebben en wijdde
veel aandacht aan het patroon van het tafellaken. Een oogenblik daarna
vermande hij zich weer: "Vrienden!" zeide hij.
"Ik geloof dat mijnheer _Vernooy_ iets zeggen wilde," zei mevrouw
_Witse_, over de tafel heenbuigende tot dat zij hem in 't gezicht
kreeg; "niet waar, _Vernooy_?"
"Ja, _Keetje_," zei de hartelijke man, "ik wilde een glaasje brengen
aan _Gerrit_, om hem nogmaals te feliciteeren met zijne bevordering
tot candidaat. Ik heb geen kinderen, maar ik verheug mij zeer in
't geluk van mijne vrienden, die ze wèl hebben en er genoegen aan
beleven. Met _Gerrit_ meen ik het goed, en ik durf zeggen, dat we
dit allemaal doen. Dus _Gerrit_! van harte, man."
"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"mijnheer _Witse_!" klonk het
met allerhande stembuiging over de tafel; de glazen werden neushoogte
opgelicht, en daarna gedronken.
"Mijnheer _Witse_!" zei ook _Klaartje_; maar 't was als of er iets
spottigs in haar gezicht was, en haar compliment werd ook maar in 't
voorbijgaan uitgebracht; want _Hateling_ had beweerd, dat hij aan de
amandelen vanbuiten zien kon of het philippines waren of niet, en ten
bewijze bood hij haar op een lepel een dubbelen aan. Zij nam een der
tweelingen, en het verbond werd aangegaan tegen de eerste maal dat zij
elkander weer zouden ontmoeten, "maar niet onder den blooten hemel".
"Welke toost met algemeene opgewondenheid gedronken werd!" zei
_Wagestert_ koddig-deftig. "Niet waar, moeder _Witse_! Leve de
volharding! _Gerrit_ studeert voor professor, doet hij niet?"
"Foei, mijnheer!" zei mevrouw _Witse_.
_Klaartje_ en _Hateling_ glimlachten.
Het pijnlijk oogenblik was voor _Gerrit_ spoedig voorbij en hij genoot
een soort van vrede, toen mevrouw _Stork_ op den inval kwam dat hij
"zeker wel heel mooi reciteeren kon, en of hij het niet eens doen
wilde; 't was nu zoo'n goede gelegenheid".
Dit is meer beweerd. Als het geheele gezelschap verzadigd is van
allerlei spijzen en wijnen, de sinaasappelen rondgaan en de amandelen
gekraakt worden; als degeen die reciteeren zal een hoofd heeft als
twee andere van benauwdheid en warmte, natuurlijke gevolgen van epulae
lautae in groot gezelschap, en de toehoorders, gemerkt het gebruik van
de gaven des wijnstoks en der vijf werelddeelen, zeer vatbaar zijn
om op de golven der versmaat de haven van Morpheus in te drijven,
dan heet men dat "een goede gelegenheid om eens te reciteeren". Ik
weet niet hoe _Gerrit_ hier over dacht: maar dit wist hij, dat het
te geener ure zijn zaak was, en hij verontschuldigde zich alzoo. Maar
mevrouw _Stork_ sloeg hare blikken diagonaal over de tafel om mevrouw
_Witse_ te hulp te roepen.
"Is _dat_ waar, mevrouw?" vroeg zij op den toon van het hardnekkigst
ongeloof, "dat uw zoon nooit reciteert?"
Mevrouw _Witse_ verklaarde dat zij integendeel vond, dat hij het heel
lief deed.
"Eigen verzen?" vroeg _Klaartje_.
En de belegering werd voortgezet met verdubbelden moed, en allen die
het meenden of niet meenden vormden een koor, waarvan de inhoud was
dat _Gerrit_ zou reciteeren. Deze bleef echter onverbiddelijk.
Mevrouw _Van Hoel_ was daarop de eerste om hem dit kwalijk te nemen
en merkte met een lief lachjen aan: "dat dit zeker te min was voor een
geleerde als _Gerrit_". Zijne moeder vroeg hem: "of zij de versjes niet
eens halen mocht, die hij op zijn twaalfde jaar voor haar verjaardag
gemaakt had". _Klaartje_ lachte, _Gerrit_ volhardde.
"Het mooiste vers," zei _Wagestert_, om er een wending aan te geven,
daar de zaak ernstig werd, "dat ik ooit in mijn leven gehoord heb,
is een vers van vier regels op _Beronicius_, die een groot dichter en,
met permissie, een groote lap was."
"Och! en hoe was dat, mijnheer _Wagestert_?" vroeg mevrouw _Stork_,
"hoe was dat?"
"Mevrouw," hernam _Wagestert_ zeer plechtig, "het was een grafschrift;
een grafschrift op den grooten _Beronicius_, die in een moddersloot
een plotselingen dood gevonden had. Het luidde aldus:
"Hier leit een wonderlijke geest;
Hij leefde en stierf gelijk een beest;
Het was een misselijke sater;
Hij leefde in wijn en stierf in water."
Hoe geestig ook voorgedragen, dit meesterstuk van _Buizero_ had
niet dat uitwerksel van vervroolijking, hetwelk de heer _Wagestert_
daarvan gaarne gezien had. Er moest dus nog een punt aan gemaakt
worden, en _Gerrit_ was er het slachtoffer van.
"En weetje nu wel, mijnheer de candidaat in de beide medicijnen! wat
het mooie van dit vers is?"
"Volstrekt niet!" zei _Gerrit_ met veel nadruk.
"Weetje dan niet welk een groote lofspraak het voor den overledene
inhoudt?"
"Neen!" zei _Gerrit_, bijna overbluft door den zonderlingen man,
voor wien hij wel wist dat men somtijds niet genoeg op zijne hoede
wezen kon. Het geheele gezelschap verbeidde met gespannen verwachting.
"Niet?" zei _Wagestert_ eindelijk, nadat hij _Gerrit_ lang en strak
had aangezien. "Niet? Dan zal ik het je uitleggen. Hierom, mijnheer
de candidaat, omdat het bewijst, mijnheer de candidaat, dat de groote
dichter _Beronicius_ bij leven noch sterven medicijnen gebruikt heeft."
Daarop nam hij zeer laconiek een handvol ulevelletjes, stak ze in
zijn zak en fluisterde mama _Witse_ in: "voor me kindertjes".
Het geheele gezelschap lachte, vooral mevrouw _Van Hoel_, en het:
"die _Wagestert_!" enz. was in volle kracht. _Gerrit_ had een
driegulden willen geven voor een weerwoord, maar hij vond er geen,
voor en aleer hij dien avond op zijn bed lag, zooals dat in dergelijke
gevallen den snedigsten overkomen kan; en mevrouw _Stork_ leidde
hem af, door hem te raadplegen over de hiëroglyphen van verscheiden
Fransche ulevelpapiertjes, met kalveren, die _vos_, en heggen, die
_est_ beteekenden, en in welker ontcijfering de mooie _Hateling_
oneindig veel knapper was dan hij.
Het laatste "tafellestje" (het woord is van _Hooft_), de gember,
ging rond. Gember is eigenlijk een hatelijk eten; een ernstige wenk
om heen te gaan. De dames stonden op, en de heeren volgden spoedig.
In de andere kamer ontstond onder de eersten een ijselijk krakeel,
daar zij allen mevrouw _Witse_ wilden helpen in het schenken van de
koffie; het werd echter bijgelegd, en de schoone _Hateling_ deelde
de kopjes uit. Nu begaven zich de heeren, met het kopje in de eene
en het schoteltje in de andere hand, in een zeer druk gesprek. Zij
hadden den geheelen dag nog _zoo_ wijs niet gekeken.
"Nu of nooit!" dachten onze dagbladen, vlugschriften, verzen, en al
dat moois in den jare 1831. Het werd echter _toen_ niet gedaan, en het
is acht jaar later, zoo ver als 't voeten had, terechtgekomen. "Nu of
nooit," dacht ook _Gerrit_ in den jare 1838, op dien gedenkwaardigen
na-den-eten, daar _Klaartje_ bij den schoorsteen stond en een
geborduurd haardscherm bekeek. Hij naderde haar met zoo veel
vrijmoedigheid als hij verzamelen kon.
"Uw Buiten, juffrouw _Donze_, ligt, meen ik, aan den straatweg
tusschen ..."
Daar keerde _Wagestert_, die aardigheden aan _Hateling_ stond te
verknopen, zich kort om, stiet _Gerrit_ aan den elleboog, en de kop
koffie, die hij in de hand had, vloog over het kleedje van grijs
gros-de-naples, dat _Clara's_ lieve leden omgaf.
_Gerrits_ verlegenheid was verschrikkelijk. De dames vlogen toe,
behalve mevrouw _Van Hoel_; er werden geen zakdoeken gespaard om het
vocht op te nemen. Mevrouw _Storks_ mond stond niet stil van te beweren
dat eau de cologne een panacé was tegen alle vlakken; mevrouw _Vernooy_
verhaalde een troostrijke legende van een belangwekkende vlak, die
vanzelf verdwenen was; en verscheidene dames tegelijk vonden het
gelukkig, dat het "nog al in de plooien" kwam. Mevrouw _Van Hoel_
voerde aan, dat champagne in 't geheel geen vlakken naliet, eene
vertroosting, die hier minder te pas kwam; mevrouw _Witse_ maakte
duizend verontschuldigingen voor haar zoon en voor haar koffie; een
practisch vernuft ried _Klaartje_ de voorbaan achter te laten zetten;
_Wagestert_ merkte aan dat zij "een lief souvenir" van mijnheer had;
_Hateling_ zweeg met een triomfanten glimlach; mijnheer _Van Hoel_
sprak nog eens weer van distracties en van de Blaak; _Gerrit_ deed
zijn best om een redelijk figuur te blijven maken. En de schoone
_Clara_ zelve deed niets dan lachen over al de drukte en ontroering,
en herhaalde honderdmaal "dat het niets was", met een gezicht,
dat gelukkig geheel met deze lichtvaardige beschouwing van de zaak
overeenstemde.
Evenwel, nadat alles tot rust kwam, had _Gerrit_ den moed niet zijn
gedoodverfd gesprek over het Buiten aan den straatweg op te werken,
en liet het veld aan _Hateling_ over.
De speeltafeltjes werden gezet en er vormden zich drie
partijtjes. Mevrouw _Stork_ verklaarde zich een hartstochtelijk
liefhebster van omberen, "een charmant mooi spel"; mijnheer _Van
Hoel_ zei met al de bedaardheid van iemand, die het dagelijks doet,
dat hij er ook wel van hield; en _Gerrit_ moest de derde man zijn.
De rest van 't gezelschap verdeelde zich aan twee bostontafeltjes. Aan
het eene vertoonden zich _Gerrits_ ouders, met mevrouw _Van Hoel_
en mijnheer _Vernooy_; aan het andere zaten mevrouw _Vernooy_,
_Klaartje Donze_, _Wagestert_ en _Hateling_.
Mevrouw _Storks_ hartstocht voor het omberspel scheen min of meer hare
bekwaamheid te overtreffen; althans er was eene zekere onevenredigheid
tusschen deze twee vereischten, die den heer _Van Hoel_ kennelijk
hinderde. HEd. redeneerde machtig veel onder het spelen, en niet
zelden gebeurde het dat zij al pratende een of andere kleinigheid
over het hoofd zag. Zij had eene geheimzinnige wijze van de kaarten
door hare hand heen en weer te schuifelen telken reize als zij moest
opspelen, en het kwam wel voor dat, als de heeren heel lang op de
beslissing hadden zitten wachten, zij plotseling de gewichtige vraag
opperde, wie van hun beiden ombre was; ook scheen er ten gevolge van
haar weduwtranen iets in hare oogen te zijn dat haar het kenmerkende
tusschen een heer en eene vrouw soms niet duidelijk deed onderscheiden;
soms had zij ook de aardigheid haren maat de slagen zonder naspeurlijke
reden af te nemen, of den ombre de geestige verrassing te bereiden van
aan het einde van het spel een kaart op te spelen van eene kleur daar
zij vroeger in gerenonceerd had; en dat alles onder het mededeelen
van gewichtige anecdotes omtrent voles die zij gemaakt en lichte
sans-prendres die zij gewonnen had, en het uiten van smaadredenen op
alle andere spelen, die, bij omberen vergeleken, zoo simpel waren. _Van
Hoels_ welwillendheid was in een gestadigen strijd met zijn achting
voor het plechtig omberspel. Hij was zeer ernstig en stroef, en
als hij zich onmogelijk weerhouden kon eene aanmerking te maken,
dan richtte hij zich tot _Gerrit_ als wrijfpaal. "Mijnheer _Witse_,
je moet nooit troef uitspelen, of je moet er in dóórgaan," "mijnheer
_Witse_! je moet altijd..." Maar _wij_ kunnen geene lessen uitdeelen,
lezer, en _gij_ zijt even onschuldig als _Gerrit_.
Aan het bostontafeltje met mevrouw _Van Hoel_ heerschte een ander
gebrek. Mijnheer en mevrouw _Witse_, schoon voor het overige altijd
in de beste harmonie levende, konden namelijk op het gevaarlijk
stuk van des duivels prenteboek niet best te zamen overweg, en namen
het elkander geregeld eenigszins kwalijk als zij een spel verloren,
waarin zij malkaars whist geweest waren; bij welke gelegenheid de goede
_Vernooy_ altijd als scheidsman door mevrouw _Witse_ werd in den arm
genomen en altijd beweerde dat zij onmogelijk anders had kunnen spelen,
en dat _Witse_ ook onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat hij
het zelf was, "die ongelukkig zoo vinnig tegenzat". Deze waardige man
was eigenlijk een van de weinige schepselen, die voor het kaartspel
geschikt zijn, en wien het in 't geheel niet schaadt het te plegen. Het
wond hem niet op, het verveelde hem niet, het verbitterde hem niet,
hij kon tegen zijn winst, hij kon tegen zijn verlies, hij bleef er
vroolijk en, wat alles zegt, "geheel dezelfde" bij.
Wat het derde partijtje betreft, daaraan werd de hoogste toon gevoerd
door _Wagestert_, die niet, zooals _Vernooy_, naar den ouden stijl, de
klaveren uit aardigheid _klavooren_, de harten, uit dito, beurtelings
_harsens_ of _hartzeer_ noemde, en bij ieder hachelijk spel beweerde
"dat het zoowel vriezen als dooien kon",--neen, de heer _Wagestert_
was veel origineeler en obstineerde zich de poppen nooit anders dan bij
hare bijbelsche namen te noemen: _Sara_, _David_, _Esther_ enz. Maar
_Hateling_ schermde er zacht fluisterend tegen _Klaartje_ met zijn
"malheureux au jeu, heureux en mariage" tusschen, en speelde haar
de slagen toe, en was haar winst met een teeder gevoel in de oogen,
en hielp haar op het bostonkaartje kijken, en kwam zoo dicht bij
haar aangezicht, dat haar mooie krullen zijn wang en bakkebaarden
aanraakten, en prees mevrouw _Vernooys_ verstandig spelen, en mevrouw
_Vernooy_ was verrukt van den lieven, hupschen, gezelligen _Hateling_,
die zoo recht geschikt was om uit eten te gaan!
Het laatste toertje werd bepaald; de mooie zijden beurzen kwamen voor
den dag. Mevrouw _Stork_, die het niet wist, maar aanmerkelijk verloren
had, had de edelmoedigheid al de fiches door elkander te gooien;
aan de andere tafeltjes oordeelde men dat niemand iets gewonnen had.
Men stond op.
Nog eenmaal waagde _Gerrit_ zich aan _Klaartje_, en vroeg haar naar de
ligging van haar Buiten; hij vertelde haar, hoe hij er voorbijgekomen
was, en haar had gezien. "Hij deed toen een voetreis."
"O!" zei _Klaartje_, "een voetreis; een geleerde reis zeker, mijnheer
_Witse_?"
Hij kon niet antwoorden; tranen van spijt sprongen hem uit de oogen.
"Is dat _uw_ boa, juffrouw _Donze_?" vroeg _Hateling_, haar met
dat kleedingstuk naderende, en hij wierp het haar over de gladde
schouderen.
De gasten vertrokken.
Nog ééne folteering wachtte _Gerrit_.
"Waarom wou je nu niet reciteeren?" vroeg zijn mama, toen alles tot
rust was.
"Omdat ik het niet kan, mama!" was zijn antwoord.
"Och," zei de oude _Witse_, "wij zullen er maar niet over spreken;
maar het is een miserabel ding. De menschen zeggen allemaal dat
je knap bent; en wanneer er iemand is, dan ben je altijd stil en
ingetrokken. _Wij_ merken er het minste van. Ik kon duidelijk aan
mijnheer _Van Hoel_ zien, dat hij dacht: is dat nu die knappe _Witse_?"
"Ja, _Gerrit_! het is _niet_ pleizierig," voegde mama er bij. "Daar
hadje nu mevrouw _Stork_. Het mensch heeft waarlijk geen moeite
gespaard; ze heeft je op alle manieren aangepakt! Het is een knappe
vrouw, eene heele bijzondere, knappe, vrouw"--zij drukte afzonderlijk
op elk dezer woorden--"en je waart zoo strak als een pop."
"Mevrouw _Stork_ liet me niet aan 't woord komen, lieve moeder!" zei
_Gerrit_ met een flauw lachje.
"Nu vriend! dat is ééns, maar nooit weer," zei papa; "ik bedank er
voor; wat hebje aan je geleerdheid, als je ze niet toont?"
_Gerrit_ ging dien avond naar zijn kamer, en weende over zijne
geleerdheid. "Ik wenschte wel," zei _Gerrit_, de deur op het nachtslot
gooiende, "ik wenschte wel dat ik een stommeling was."
Dokters lief en leed.
Twee jaren later zat de jongeling dien wij als Med. Cand. verlaten
hebben, als Med. Doctor in eene Geldersche stad aan het ontbijt. De
kamer, die hij hier gekozen had, was nog zoo veel mogelijk op den voet
van een studentekamer ingericht; het eerwaardig gelaat van den grooten
_Hufeland_, dat te Leiden met een paar spelden aan 't behangsel was
vastgemaakt geweest, had intusschen een zwaarmoedige lijst gekregen,
maar het gevilde menschebeeld, den doctoren zoo aangenaam, hing
ook hier, als wedergade van die zekere tabel, waarop men in zachte
overgangen den Apollo van Belvédère in een kikvorsch veranderen ziet.
Maar waar was het vrouwebeeldje, dat zoo sprekend op _Klaartje Donze_
geleek? Lang had hij het te Leiden nog voor zijne oogen gehad; maar
daar de vriend van het zweetkamertje, die in het geheim was, het
hem over de schoone met de duif op 't hoofd lastig maakte en zekere
Rotterdamsche herinneringen hem daarbij een kleur in 't aangezicht
joegen, was het zachtjes aan naar het achtervertrek verhuisd, zonder
op te houden hem ook daar somwijlen een blos op de wangen te brengen.
Twee jaren verliepen; _Gerrit_ werd ouder en, zooals hij meende,
wijzer. Hij zag vele andere meisjes, en het ontbrak niet aan kleine
verliefdheden voor een dag, of een week, of een maand.
De schoone _Clara_ geraakte op den achtergrond. Te Rotterdam kwam
zij niet meer. Mijnheer en mevrouw _Vernooy_ werden schaarsch door
hem bezocht. Haar naam werd zelden genoemd. Het portretje geraakte,
bij andere kunstvoorbrengselen, in een portefeuille.
Heden echter, daar wij den dokter aan zijn ontbijt vinden, zien wij de
herinnering aan het bevallig meisje weder bij hem opgewekt. Vóór hem
ligt een brief van den vriend uit het zweetkamertje, die hem meldt,
dat hij het hart van den kolonel vermurwd heeft, en zijne schoone
dochter, in spijt van zijn knevelbaard, getrouwd. Hij kan niet nalaten
er bij te berichten, dat de vooroordeelen bij den krijgsman tegen
zijn persoon, bij nader inzien, toch zoo sterk niet geweest waren,
als hij zich in het eerst wel verbeeld had.
"Hij ook al getrouwd!" mompelde _Gerrit_, "een zoekend advocaat. Wat
heeft hij een vrouw noodig? Maar ik, die zoekend dokter ben--ik
behoorde lang gehuwd te wezen. Welk dokter krijgt een degelijke
praktijk, zoolang hij niet een degelijke vrouw heeft?"
Een degelijke praktijk. Hij had nog zoo goed als in het geheel geen
praktijk. Maar zooveel temeer collega's. (Nog gisteren was er een
kers-versch van de Utrechtsche hoogeschool gearriveerd.) Hij had geen
praktijk, maar zooveel temeer tijd, dien hij _toch_ niet in zijne
geliefde boeken mocht doorbrengen. Of moest hij niet op straat gezien
worden, alsof hij iets te doen had? Moest hij niet beleefd zijn en
bezoeken afleggen, alsof niets hem beter smaakte? Zoowel als zijn
patent betalen, alsof hij zijn patent verdienen kon?
Eén geluk was er voor _Gerrit_ als hij aan huwen dacht. Vele jonge
doctoren verkeeren in het volgend troosteloos dilemma: zij hebben
eene vrouw noodig om praktijk, en zij hebben praktijk noodig om
een vrouw te krijgen. Maar _Gerrit Witse_ was bemiddeld. De heer
notaris had akten genoeg gemaakt in zijn leven, om zijn zoon het
doen opmaken der gewenschte huwelijksakte mogelijk te maken, al was
het ook dat zijne keuze viel op een meisje, dat behalve haar deugd
en haar schoonheid niets ten huwelijk bracht Had _Klaartje Donze_
iets meer? Was _Klaartje Donze_ reeds gehuwd? Hij wist het niet. Maar
waarom dacht hij nu weer aan _Klaartje Donze_?
Het sloeg negen uren. _Gerrit_ kleedde zich, en begaf zich naar het
militaire hospitaal, waar hij, bij gebrek aan eigen praktijk, het
een voorrecht achtte het ziekenbezoek van den chirurgijn majoor te
mogen bijwonen, en van daar naar de weinige zieken in achterbuurten en
stegen, die hem door een ouden collega welwillend waren opgedragen. Hij
hoorde met het uiterste geduld hunne vreemdsoortige klachten aan,
loopende over "geruusch, zuzelingen en drilligheden in den kop,
knoeperingen in den hals, stiktens in de long, draaiingen van het hart,
water over hetzelve hart loopende, watergal, koekeren van winden",
en wat dies meer zij, met en benevens "loopende wurmen, vliegende
jichten, en stijgende moeren".
Toen weder naar huis. "Zijn er ook boodschappen?" Antwoord als
gisteren: "Neen".
Daarna moest de oude collega bezocht en verslag afgelegd worden
van de opgedragen patiënten. De oude collega was een man van een
zeventig jaar, die op zieken en gezonden gromde, en daardoor veel
ontzag onder beiden had. Zijn taal scheen orakeltaal, zijne recepten
werden als sibyllijnsche bladen op prijs gesteld, en zulks vooral door
de artsenijmengers, die den ouden dokter afgodeerden. In gevallen,
die eenigszins ernstig waren, schreef hij er gewoonlijk vijf in de
vierentwintig uren. De jonge dokter kon het hem moeielijk naar den zin
maken. Reeds verkorf hij het grootendeels door de militaire praktijk
in het hospitaal bij te wonen. De bloedzuigers hadden des geleerden
grijsaards sympathie in geenen deele.
Voor ditmaal echter bleef het schrollen op de _"non missurae cutem",_
dat zich anders dagelijks herhaalde, achterwege.
"Ik heb hoofdpijn," zei de oude collega, "en het lijden hindert mij
vandaag. Wees zoo goed in den achtermiddag een buitenpatiënt voor mij
te bezoeken; de dochters van vrouw _Sijmens_, te Sprankendel. Een mooie
wandeling. Gij kunt met de koelte terugkomen. De meid is zwaar ziek."
De opgedragen taak was _Witse_ niet onaangenaam. Sprankendel was een
schilderachtig gehucht, te midden van lachende heuvelen, terzijde
van den grooten weg gelegen. De wandeling derwaarts mocht een groot
uur kosten. Na zijn maaltijd genuttigd te hebben, aanvaardde hij ze
welgemoed. Hij zou het buitenverblijf voorbijgaan, waar hij eenmaal
de schoone _Clara_ had zien zitten, met de duif op 't hoofd.
Het geschiedde. Maar nooit scheen een buitenverblijf zoo uitgestorven
als dat waar hij thans zoo gaarne leven gezien had. Het was een
warme dag; niemand waagde zich op het terras, door een brandende
zon beschenen. Aan den ganschen voorgevel waren alle zonneschermen
zorgvuldig gesloten. Eenige witte duiven zaten onbewegelijk op het
dak en schitterden in het felle licht. "Ziedaar de duiven," zeide
_Witse_, "maar waar is de schoone? Misschien logeert zij weer bij de
eene of andere tante, waar de een of andere _Hateling_ haar het hof
maakt; misschien, wie weet het? staat zij op het punt zoo'n wezen
te trouwen. Arme vrouwen, die het ongeluk hebt een mooi gezicht
te hebben! Welke strikken spant men uw geluk! Gij meent dat men u
liefheeft met al de oprechtheid, al de kracht, al den eenvoud eener
eerste liefde, en ondertusschen..."
Ondertusschen zat het onschuldig voorwerp dezer misanthropische
bespiegelingen hoogst waarschijnlijk aan een goeden maaltijd.
_Witse_ moest weldra den straatweg verlaten om het schoone Sprankendel
op te zoeken. De kleine beek, daar het gehucht zijn naam naar droeg,
wees hem het naaste pad tusschen de vruchtbare heuvelen. Nu eens
verschool zij zich als een nietsbeduidende sprank bijna geheel onder
overhangende struiken en onkruid; maar dan kwam zij weder dartel en
helder te voorschijn, met niet weinig drukte van een hooger grond
afdalende. Eindelijk bereikte _Witse_ den oorsprong, waar het water
zachtkens uit het zand opwelde, en een kleine kom vormde, waaruit
zich verscheidene spranken in onderscheiden richting over gladde
keisteenen een weg baanden.
Een jeugdig echtpaar scheen dit plekje, schaduwachtig en koel, tot
eene rustplaats te hebben uitgekozen. De bevallige jonge vrouw, op
het gras nedergezeten, hield een vroolijken krullebol op den schoot,
die tegen de waterbellen en schuimkrinkels lachte; de jeugdige man,
met een glimlach op de lippen, zag beurtelings naar moeder en zoon.
"Ziedaar het geluk dat ik verlang," zuchtte _Witse_.
Een zijpad bracht hem bij de weduwe, wier dochter zijne zorgen
behoefde. Het was haar eenig kind niet. Zij had nog eene dochter,
die met de nu zieke haar bijstond in het wasch- en bleekwerk, dat
voor een gedeelte in haar onderhoud voorzag, en daarenboven een
zoon die voerman was en het drietal koeien verzorgde, dat zij op de
omgelegene heuvelen weidde. Het was een dier gelukkige huisgezinnen,
die geen vreemde hulp behoeven, waar nimmer gebrek is, maar ook nimmer
overvloed, en zuinigheid en werkzaamheid onontbeerlijk zijn.
Voor de deur vond onze arts de oudste dochter, een beeld van
gezondheid, bezig een dier groote koperen melkkannen te schuren,
die in heuvelachtige streken op het hoofd gedragen worden.
"Hoe gaat het met _Barte_?" vroeg hij haar.
"Oolik, dokter; oolik," zei de deerne, haar voorhoofd met het buitenste
van de hand afvegende. "Heeroom is er bij."
En zij vervolgde haar taak. In zulke huishoudens moet zoolang mogelijk
alles zijn gang gaan. Slechts den hoogeren standen is het vergund
zich aan hunne zieken te _wijden_.
_Gerrit_ trad binnen. Op bevel van den ouden dokter was het volslagen
donker in de ziekekamer. Op _Witses_ verzoek om "een beetje licht
te maken," rees een kleine gestalte, die voor een stoel op de knieën
gelegen had, op en stiet een luik open. _Witse_ trad inmiddels voor
de hooge en benauwde bedstede, waarin de zieke lag.
Het was onmogelijk in haar eene jonge dochter van nauwelijks achttien
jaar te herkennen. Nog voor weinige dagen was zij het evenbeeld harer
gezonde zuster, en zoo vroolijk als zij mooi was. Maar nu lag zij
machteloos uitgestrekt, met een bleek gelaat, dat akelig afstak bij
de gitzwarte haren, die ordeloos uit haar mutsje te voorschijn kwamen;
hare wangen waren gansch geslonken, haar ingevallen oog half gesloten,
hare lippen zwart als inkt.
"_Barte_," sprak _Witse_ met een nadrukkelijke stem. De zieke opende
de oogen, en staarde den vreemden dokter met verbazing aan.
Hij nam haar bij de hand. Die hand was droog als leder.
De pastoor en de broeder stonden verslagen bij de bedstede, wachtende
op hetgeen de dokter zeggen zou. De moeder lag weder op de knieën
voor een stoel, den rozekrans in de handen, dien zij sedert drie
dagen niet had terzijde gelegd.
De pastoor schudde het hoofd.
"Zou ze sterven?" vroeg de broer, die een kerel als een boom was,
en barstte in tranen uit, als hij het woord van sterven uitte.
De moeder zag op, en staarde strak en angstig naar den dokter.
"Wij hopen van neen," zei _Witse_, "maar ga van het bed. Gij benauwt
de zieke."
Nogmaals schudde de pastoor het hoofd.
"Zou ze sterven, heer pastoor?" vroeg de broer andermaal.
"Bij God zijn alle dingen mogelijk," troostte de geestelijke. Maar
ook ditmaal schudde hij het hoofd. De goede oude hield van _Barte_.
_"Frustra cum morte pugnabis,"_ zei hij tot _Witse_.
_"Exspecto crisin,"_ antwoordde deze. "De ziekte is nog niet op haar
hoogst. Doch, doe gij uw plicht," voegde hij er zachtjes bij.
De moeder vloog op. Het doodvonnis van haar dochter was getekend! Zij
gaf een gil en ijlde de deur uit. _Gerrit_ ijlde haar na.
Hij vond haar aan de voeten van eene jonge dame, die juist uit een
hittewagen gestapt was en de leidsels nog in de hand hield.
"Mijn kind, mijn kind!" riep de ongelukkige vrouw, de knieën der
jonge dame omarmende. "Mijn kind is dood!"
Hare stem verzwakte, hare handen gleden naar beneden, haar hoofd
zakte doodsbleek op den grond.
"Help deze vrouw, dokter!" zei _Klaartje Donze_. "Zij ligt van
haarzelve. Is haar dochter gestorven?"
"Neen, juffrouw _Donze_," stamelde _Gerrit_ ontroerd. "Haar dochter
is niet dood. En zoo _Mieke_ mij helpen wil hare moeder op te tillen,
en _Gillis_ uw paard mag bezorgen..."
Dit laatste was niet noodig. "Laat maar los, _Mieke_!" sprak _Klaartje
Donze_, die een traan in de oogen had, maar geen oogenblik hare
bedaardheid had verloren. En zij bracht zelf haar klein paard bij
het hek, waaraan zij het vastbond.
Intusschen droeg _Witse_ met behulp van _Mieke_ de verstijfde moeder
naar een ander vertrek, waar zij haar op een bed nederlegden. _Clara_
volgde hen op den voet.
"Wat moet er gedaan worden, mijnheer _Witse_?" vroeg zij.
"Drink een glas water, juffrouw _Donze_!" sprak _Gerrit_, gelukkig dat
zij hem herkend had; "en laat dit meisje het ook doen. Wees zoo goed
de kleeren van de oude vrouw los te maken. Laat haar azijn ruiken,
zoo die er is, er wrijf haar de polsen en de slapen van het hoofd. Zie
dat gij haar een teug water ingeeft." En hij begaf zich op nieuw aan
het leger van _Barte_.
Na eenige oogenblikken kwam hij terug. _Clara_ lag op hare beurt
geknield, en hield de hand der oude vrouw zachtjes in de hare. Deze
was een beetje bijgekomen, en zag het schoone meisje met een naamlooze
uitdrukking van dankbaarheid en liefde aan.
"Ik weet immers, vrouw _Sijmens_," zei _Klaartje_, "dat gij den moed
niet verliezen zult. _Barte_ is nog niet opgegeven--en de goede God
is almachtig."
"Wij moeten allen voor één God verschijnen," zei de oude vrouw,
er aan denkende dat _Klaartje_ niet roomsch was.
"En tot een zelfden God bidden," antwoordde _Clara_, "en door een
zelfden troost getroost worden. Wat zoekt gij, vrouw _Sijmens_?"
"Mijn paternoster," zei de oude vrouw. "Ik had het zoo even nog."
"Als gij bidt," sprak _Klaartje_, "laat het zijn in een vast vertrouwen
op de macht en de liefde van God. Zulk bidden zal u versterken,
vrouw _Sijmens_, en God zal het verhooren. Gij weet hoe gevaarlijk
_mijn_ moeder geweest is, en zij is nu weer zoo frisch en gezond als
ikzelf. En _Barte_ is zooveel jonger."
"Het was een bloem op aarde," zei de oude vrouw, en een glans van
vergenoegen kwam op haar gelaat. Daarop betrok het weer. "Te denken,"
zeide zij, "dat ik haar bij haar vader onder de groene boompjes
brengen moest ..."
"De dokter zegt dat er nog hoop is, vrouw _Sijmens_! Als gij den
moed verliest, doet gij zonde," zei _Klaartje_, een paar groote
tranen afwisschende.
De dokter bevestigde het.
"Kom aan, _Mieke_," zei de oude vrouw, zich vermannende, "doe mijn
jakje dicht; ik ga bij _Barte_."
"Maar gij zult u goed houden, niet waar, vrouw _Sijmens_?" vleide
_Klaartje_.
"Komde _gij_ nog eens weer?" vroeg de moeder.
_Klaaktje_ beloofde het. Het was nu haar tijd om te vertrekken. _Gerit_
hielp haar het paard losmaken. Met een wip was zij in het
rijtuig. _Gerrit_ reikte haar de leidsels. Daar reed zij heen.
Maar nog even hield zij haar paardjen in, dat zulks kwalijk genoeg
scheen te nemen en met zijn kop trok en schudde, als van zoo kribbig
een hitje te wachten was.
"Dokter," zei _Klaartje_, "hoe laat komt gij morgen bij de zieke?"
"Reeds in de vroegte, juffrouw _Donze_," was het antwoord.
"Zoudt gij, terugkomende, even op Wildhoef willen aankomen, om te
zeggen hoe het gaat?" vroeg zij blozende.
"Zonder twijfel," betuigde _Gerrit_, volstrekt niet voor haar
onderdoende.
En zij liet het hitje weder opschieten, dat een sprong deed, waarvan
_Gerrit_ schrikte.
"Geen nood!" zeide zij, "wij kennen malkaar." En het hek van de werf
uitdraaiende, op eene wijze, die geen Amsterdamsch koetsier haar zou
verbeterd hebben, liet zij het vurig paardje zijn hart ophalen aan
den zandweg en draafde heen.
"Zal de dokter blieven na de stad te riden?" vroeg _Gillis_.
"Dank u," zei _Witse_, "ik wandel liever?" En nog eens de beschikkingen
herhalende, die hij gegeven had, nam hij de thuisreis aan.
Zijn eerste werk was een hoogen heuvel te beklimmen, of hij _Klaartjen_
ook nog kon gewaar worden. Dit gelukte. Rustig zat zij achter haar
lustig paardje, dat zij meesterlijk regeerde en eerlang vergunde in
den stap te komen. Met een onuitsprekelijk welgevallen sloeg _Gerrit_
haar gade. "Welk eene ontwikkeling in dat meisje!" riep hij uit;
"welk een kloekheid! Zulk een vrouw zou me lijken, verlegen en linksch
als ik altijd ben. Zooals ik haar daar nu zie..."
Maar het hitje sloeg een bijdehandschen zijweg in; echter niet dan
na grooten lust geopenbaard te hebben om een tegenovergesteld pad
van nabij in oogenschouw te nemen. _Klaartje Donze_ was voor heden
niet meer te zien. Maar morgen...
_Cetera desunt._
1840.