Schreeuwt niet sterker naar 't genot
Van de frissche waterstroomen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
o Gij, die meent dat tehuis een "goede" preek te lezen--gij _leest_
gewis altijd _goede_ preeken, en krijgt niet dan _slechte_ te
_hooren_?--o Gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen,
en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare
samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer
te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij
dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoovele
menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied
aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhooren, en denzelfden
Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen,
teweegbrengen kan?
Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God
in een laf naspel liet verloren gaan.
Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel en sprak de
gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk toe. Hij
deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht _biddend_ gebed. "Een
krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel", zegt _Jacobus_. Toen
noodigde hij de gemeente andermaal tot een gezang; en nu werd er uit
den Eersten Psalm aangeheven:
De Heer toch slaat der menschen wegen ga,
En wendt alom het oog van zijn gena
Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan;
Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan.
Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar: "De
Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen
zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde _Hildebrand_
zich naar _Van der Hoogen_.
"Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd
uit een achterkamer stekende; "de trap op; de eerste deur aan uw
linkerhand!"
_Hildebrand_ volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer
stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den
charmanten. Deze echter was er niet.
De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd
en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste
meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met _Robert Macaire_, en
eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich bijzonder
op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een
schermmasker, schermhandschoenen en floretten, en de staart van een
fazantehaan, dien _Van der Hoogen_ moest verbeelden eenmaal geschoten
of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte
invitatiekaarten, waaronder sommige van reeds zeer ouden datum. Op
tafel stond een groote flacon met reukwater en lag een deeltje van
_Paul de Kock_ opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard, dat
echter in het laatste halfuur slecht scheen onderhouden te zijn. Een
onaangeroerd ontbijt stond op, en van de kook geraakt theewater onder
de tafel. Dit beteekende dat de heer _Van der Hoogen_ waarschijnlijk
nog in zijn slaapvertrek was. _Hildebrand_ hoopte dat de hospita hem
zou aandienen.
Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oploopen, maar het kon de
hospita niet wezen, want _Hildebrand_ hoorde degelijke manslaarzen
kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen overloop over te
gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen. Daarop vernam hij
eene stem, die uit de dekens scheen te komen en "wie daar?" riep.
"_Bout_," was het antwoord van den binnengekomene. "Lui beest, legje
nog al op je bed?"
"Hei, hei wat," antwoordde _Van der Hoogen_, "'t is pas dag. Je moet
bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat
verhaal ik op den rustdag, man! D...rs, ik heb koppijn, hoor! Die
wijn op de sociëteit is slecht."
Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel
merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, "het
zwartje" noemden; en spoedig daarop werd het _Hildebrand_ duidelijk,
dat _Van der Hoogen_ zijn wedervaren met juffrouw _Noiret_ vertelde,
waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen,
dat hij in een geweldig lachen uitborst.
"Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien _Hildebrand_ met
den naam van _Bout_ had hooren benoemen, en die een zeer rauw en
onaangenaam geluid sloeg, "alles goed en wel! maar je bent toch een
handjegauw. Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen
goed en wel in de West is?"
"_Boutje_!" antwoordde _Van der Hoogen_, die in dit gezelschap zijn
lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten
verwisselen, "het zwartje is zoo verd .... mooi."
"Kinderachtig!" hernam de ander; "een reden te meer om geduld te
hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een halfjaar geijverd
om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk
lukken zal, ga je niet je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als
de meid het immers vertelt, hebje gedaan."
"Geen nood!" antwoordde _Van der Hoogen_; "jongens kerel! ik heb haar
zoo'n char..." (daar had hij zich haast versproken!) "verd... mooi
briefje geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeuwige
teederheid. Je moest het lezen, kerel. En zóó was ze niet, of ze
heeft _dat_ wel stilletjes aangenomen. En was die verd... kerel niet
gekomen.... Maar zeg reis, gaat hij stellig naar de West?"
"Hij is er zoo verliefd op, als hij eerst wanhopig was, 'k ben
d....rs," zei _Bout_; "hij leeft in de stellige overtuiging dat hij,
binnen zes jaar, op zijn minst half zoo rijk weerom komt als mijnheer
_Kegge_. Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? _Henriet_;
hiet ze zoo niet?"
"Patent, kerel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de
ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo dadelijk
bij je."
De heer _Bout_ kwam daarop naar voren, en _Hildebrand_ zag een
gelaat, dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan
die der hatelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien
doordringenden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo bijzonder
pleegt te stuiten. Hij was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar,
dragende een dichtgeknoopte blauwe jas, een glimmend geborstelden hoed,
en gewapend met een dikken bamboesrotting. Hij stond verbaasd iemand
in de voorkamer te ontmoeten. _Hildebrand_ maakte zich bekend, en
verklaarde dat hij gekomen was om den heer _Van der Hoogen_ te spreken.
"En hebje al lang gewacht, mijnheer?" vroeg _Bout_ met gemaakte
vriendelijkheid.
"Ik kom zoo op het oogenblik," antwoordde _Hildebrand_.
De waardige vriend schelde en bestelde ander theewater. De juffrouw
gromde "dat het geen manier van doen was", en ging de trappen af met
den theeketel. Eer zij nog terug was, verscheen _Van der Hoogen_.
Hij zag er alles behalve aantrekkelijk uit, met zijne lange haren
ongekruld en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een verschoten
kamerjapon, op wollen kousen en versleten pantoffels.
"Gij hier, mijnheer _Hildebrand_?" zeide hij bij het inkomen.
"Ik had een boodschap aan u," antwoordde de toegesprokene.
"Charmant, charmant!"
"Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken", merkte de waardige
_Bout_ aan; "dan ga ik nog een kerkje knappen; de kerk zal toch wel
al aan zijn?"
_Van der Hoogen_ lachte schreeuwend om deze geestigheid.
Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk
te spotten?
_Bout_ vertrok.
"Je moet me eerst wat laten besterven," zei _Van der Hoogen_
geeuwende en een ei slurpende; "het is gisteren wat laat geworden op
de sociëteit, en mijn keel is wat rauw van den chambertin."
"Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer _Van der Hoogen_!" zeide
_Hildebrand_, vast besloten om maar in vredes naam met de deur in
huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den
achtenswaardigen _Bout_.
"Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de familie
_Kegge_ u eerstdaags wordt ontzegd ..."
De charmante werd, van bleek, vaal en zag _Hildebrand_ verbaasd
aan. Hij wist volstrekt niet hoe hij het met hem had.
_Hildebrand_ maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen adem
voort te gaan: "De heer _Kegge_ zal eerstdaags weten, wie gij zijt,
mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden. Hij zal kennis
dragen van de lagen, die gij aan de onschuld legt, terwijl gij zijn
dochter het hof maakt."
De heer _Van der Hoogen_ wist zijne verlegenheid niet beter te
verbergen, dan door in lachen uit te barsten. Hij begon daarop aan
zijn. derde eitje, en antwoordde op een onverschilligen toon:
"Wie zegt dat ik aan zijn dochter het hof maak?"
"Ik!" antwoordde _Hildebrand_ zonder te aarzelen; "ik, mijnheer! ik,
die u deze gansche week bespied heb; ik, die weet dat gij violette
briefjes in haar bloemruikers stopt; ik, die ook weet dat gij
bij donkeren avond met violette briefjes over straat loopt, om ze
argeloozen meisjes in de hand te wringen; ik, mijnheer! die ook weet
welke slachtoffers de heer _Van der Hoogen_ elders heeft gemaakt,
en die zorgen zal, zooveel in mij is, een dergelijk lot af te keeren
van menschen daar ik belang in stel."
De heer _Van der Hoogen_ deed zijn best om nog luider te lachen,
wipte met zijn stoel achterover, en riep uit:
"Een charmante klucht! En mijnheer _Hildebrand_ is alzoo dénonciateur
van dit alles?"
"Hij kan het worden," ging _Hildebrand_ voort, die nu eenmaal op gang
was; "als ik de stad verlaat zal ik den heer _Kegge_ waarschuwen. Maar
eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met open kaart
spelen, opdat gij weten zoudt uit welken hoek het u aankwam, als
men u bij den heer _Kegge_ met stugheid ontving, of misschien wel de
deur wees!"
"De heer _Kegge_ zal laster van waarheid kunnen onderscheiden,"
zeide de heer _Van der Hoogen_ met een geveinsde bedaardheid.
"Daarvoor heb ik dit bewijsstuk," antwoordde _Hildebrand_, het briefje
aan juffrouw _Noiret_ toonende; "men kent uw hand; een biljet vol
van de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisje, dat als
zij ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou mij
niet moeilijk vallen uit uwe vroegere 'residentie' meer dergelijke
briefjes op te dagen. Maar dit eene is genoeg."
_Hildebrand_ stak het paarse papiertje weder met bedaardheid in
den rokzak.
De heer _Van der Hoogen_ stond op. "En wie zijt gij, mijnheer?" voer
hij uit, maar lang niet op den toon, die bij zulk eene vraag gepast
had: "En wie zijt gij, mijnheer! om mij op mijne eigene kamer de les
te komen lezen? Ik houd u voor een...."
"Geene beleedigingen!" zei _Hildebrand_, insgelijks oprijzende, en hij
voegde er bij: "Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze floretten."
De heer _Van der Hoogen_ ging weer zitten.
"Gij spreekt van de les lezen!" ging _Hildebrand_ voort. "Uw naam en
faam, uw positie in de stad, het is alles in mijne hand. Ik ken uw
afkomst, mijnheer _Van der Hoogen_, weinig strookende met de airs,
die gij u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze plaats;
ook uw gedrag als ambtenaar, en uwe nieuwste machinatiën om personen
te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!"
"Gij wilt mij ongelukkig maken," gromde de heer _Van der Hoogen_
tusschen de tanden.
"Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden," hernam de ander. "Hoor
hier: ik verklaar mij in de eerste plaats voor den beschermer van
juffrouw _Noiret_. Naar haar zult gij geen vinger meer uitsteken. Haar
zult gij nooit, niet één enkel woord, meer toespreken, zelfs niet
groeten. Indien ik ooit verneem dat gij haar tot eenigen den minsten
overlast zijt, zal de geheele stad weten wie gij zijt, van den baron
_Van Nagel_ af tot uwe hospita toe. Voorts zult gij uwe bezoeken
bij den heer _Kegge_ verminderen en er van afzien eenigen invloed op
zijne dochter te willen oefenen. Zoo ras ik iets verneem dat daarmede
strijdt, komt dit biljet onder de oogen van mijnheer _Kegge_. Nu zal
ik alles laten zoo als het is. Deze twee dingen, mijnheer _Van der
Hoogen_! Denk er om!"
"Het is wèl!" zeide hij binnensmonds; en, alsof deze 't helpen konden,
stiet hij de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend gruizelementen.
_Hildebrand_ vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hij de
trap opkwam.
Het hofje. De heer van der Hoogen af.
Het was heerlijk weer, en ik had niet veel lust mij terstond naar
huis te begeven; ik verkoos liever nog eerst een stadssingel langs
te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert, heeft men eene zekere
voorliefde voor stadssingels. Verfrischt door de heldere lucht en
den koelen wind, kwam ik de poort weder binnen, en begaf mij naar huis.
Het ongeluk scheen _Suzette Noiret_ te vervolgen.
Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik _Saartje_ tegen. Zij liep zeer
haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende, zag ik dat zij er
uiterst verschrikt en ontdaan uitzag en bitter weende.
"Wat scheelt er aan, _Saartje_?"
"Ach!" riep zij uit, "laat mij schielijk voortgaan. Juffrouw _Noiret_
ligt op sterven!"
"Wat?" zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan _Suzette_
denkende, "en ik heb haar gisteren nog gesproken!"
"Dat kan ook wel zijn," antwoordde zij; "gisteren was zij nog heel
wel. Maar vandaag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was
in de kerk, en moeder was thuis bij de kleintjes. _Suzette_ heeft
oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel,
uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw _Noiret_ misschien
nu al dood is; zij is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen,
en de dokter heeft haar opgegeven. Wat zal de arme _Suzette_ beginnen?"
Zij snikte luid.
Ik ging met haar naar het hofje.
De zoogenaamde Moeder van die inrichting, een deftige gewezen
keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek,
stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten
schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: "Zoodat ik
je nou maar raai er dadelijk werk van te maken, want anders is een
ander je alweer vóór; je gaat nou maar in-mediaat naar de heeren,
en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is..."
"En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.
"Dan mot je je beurt afwachten," zei de moeder.
Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen.
"Hoe is 't met juffrouw _Noiret_?" vroeg ik aan de moeder, alsof ik
van dit gesprek niets begrepen had.
"Afgeloopen!" zei de moeder, haar hoofd schuddende. "Och ja,
ze heeft het daar zoo passies afgelegd; 't zel nou net een klein
ketiertje geleden zijn. 't Is een heele omstandigheid: zóó gezond,
en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorbij, en ze knikte nog
teugen me, ik loof zelf dat ik nog an haar raam getikt heb, en nog
gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel,
moeder! Neen, tòch niet, dat was bij _Trijntje_. Och ja, dat zeg ik,
een mensen kan der gauw uit wezen!"
Wij gingen voort. Een der bestjes die op het hofje woonden, stond
met een zwart duifjeskiepje bij de pomp; zij zag naar ons om, toen
wij haar voorbijgingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd.
"Ze is uit den tijd!" zei de oude best, schudde nogmaals het hoofd,
en ging voort met water op haar aardappeltjes te pompen.
Wij traden het huisje van juffrouw _Noiret_ binnen. Door een klein
portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het
eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van oude
vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein kamertje, met
matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waaronder zij tegelijk
haar potje kookte en zich verwarmde. De meubelen bestonden in eene
voor het vertrek zeer groote hangoortafel, een matten stoel of vier,
en een groot bureau, waarop in het midden een geel theeservies met
roode landschapjes stond geschikt, geflankeerd door een rond en
een vierkant verlakt presenteertrommeltje, op hun kant gelegd. In
een hoek van dit vertrekje stond de ladder, waarmee men naar het
zoldertje opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was,
die des winters aan de hofjesvrouwtjes werd uitgereikt en, benevens
eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potje boter,
dit hofje tot het voordeeligste maakte van de vele hofjes waarop de
stad zich beroemde. Aan den witten muur hingen een paar silhouetten,
waarvan het eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig
huisraad, dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto
bijbel, en een fransch gezangboek; in welk laatste de goede vrouw
nog dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de
bladen tot een blijk waar zij gebleven was. Voorts was die tafel nu
overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjes en zoo voorts, die men
in het oogenblik van ontsteltenis gebruikt had. Een sterke geur van
Hofmansdruppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juffrouw _Noiret_
het laatst had gezeten, lag nu haar witte poes, in een gemakkelijke
kringvormige houding, op het groene saaien kussen te sluimeren.
Aan het hoofdeneinde der bedstede, waar de gordijnen van waren
toegeschoven, zat _Suzette_, doodsbleek, en met het hoofd in de
hand. De goede juffrouw _De Groot_ stond vóór haar, met een vol glas
water, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken.
_Suzette_ hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam
werktuigelijk eene kleine teuge. Toen zag zij ons strak aan. Zij
reikte mij de hand:
"Ik heb mijn wensch," zeide zij: "het _was_ bij dag."
_Saartje_ hield zich schuw op een afstand en was geheel van haar
stuk. Zij snikte hevig en viel op een stoel bij de tafel neer. Juffrouw
_De Groot_ poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken.
Toen zij eindelijk wat bedaarde, wilde zij de doode zien. _Suzette_
schoof het gordijn half open, en ik zag een mooie oude vrouw in hare
kalme ruste. Het heldere zonlicht dat door het venster binnendrong,
wierp een schuinschen straal op een aangezicht, dat meer en meer
van den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en
ingezonken; eenige weinige grijze haren kwamen onder het mutsjen uit,
en glinsterden als zilver in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen
plechtig saamgevouwen op haar borst. _Saartje_ knielde bij haar bed;
blozende jeugd bij het beeld des doods. Zij legde haar lief handjen
op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Ze had nog
nooit een lijk gezien. Toch vermande zij zich weer, en streek met
hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte
zij in een hevig jammeren los!
"O! Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één
oogenblikje levend gezien, lieve juffrouw _Noiret_, een enkel woordje
van u gehoord!"
"Dat hebben wij geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare
oogen met haar voorschoot afvegende.
"Neen," zei _Suzette_ met een hartdoordringende stem; "geen van allen."
_Saartje_ schoof het gordijn weer toe.
"Arme _Suzette_!" riep zij uit, haar om den hals vallende, "wat zult
_gij_ beginnen!" En zij snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot
zich nam en zeide dat zij zich een weinig matigen moest, want dat
zij _Suzette_ "nog naarder maken zou".
"Ik wenschte dat _ik_ zoo schreien kon, juffrouw _De Groot_!" zei
de ongelukkige bedaard; en weder nam zij hare vorige houding aan,
met het hoofd in de hand.
De doove buurvrouw kwam binnen. Het was een lange, schrale vrouw,
die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zij had mede
een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang sitsen jak, een groot
wit schort, en een kalminken rok. Zij zette een klein schoteltje,
met een hord toegedekt, op de tafel.
"Is buurvrouw ziek?" vroeg zij op dien kennelijken doffen toon aan
dooven eigen.
"Ja!" zei juffrouw _De Groot_, luid sprekende, "buurvrouw is heel erg."
Juffrouw _De Groot_ had echter niet luid _genoeg_ gesproken.
"Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltje
opnemende, ging zij naar het bed. "Je mot wat gebruiken, buur; kijk,
hier heb ik wat gestoofde peertjes voor je." En zij wilde het gordijn
openschuiven.
Juffrouw _De Groot_ hield haar bij den kalminken rok terug.
"Neen!" schreeuwde zij zoo hard zij kon, "buurvrouw zal niet meer
eten. Buurvrouw is overleden."
"Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, alsof zij het
volmaakt verstaan had, "slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat
wist ik niet.--Ik zag den dokter binnengaan," vervolgde zij tot mij,
"en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw
eindelijk?"
Ik slaagde er in haar aan 't verstand te brengen, dat buurvrouw _niets_
meer schortte.
"Dat is de derde buurvrouw," zei juffrouw _Samei_, want zoo heette
de doove, "die ik verlies, en altijd aan dezelfde kant, in _dut_
huisje. De eerste was _Engeltje Bovenis_; die was drieënzeuventig,
en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u. De andere was
juffrouw _De Ruiter_, die de koffiekan over der been liet vallen,
zoodat ze der nooit van opëkomen is; en dut is nou de derde; 't was
een goeie vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetje eenzelverig. Och
heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertje,
daar placht ze anders nog wel van te houën."
De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een
vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat, en geheele houding de innigste,
de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule _Constance_.
Er zijn schepselen in de wereld, die de bestemming om ongelukkigen
te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou,
heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op
hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule _Constance_.
Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte,
trad zij binnen en groette ons. Zij ontdeed zich daarop terstond van
haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers haar in deze
sobere woning zonder dien tooi te zien. Toen trad zij op _Suzette_
toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De
jonkvrouw greep haar bij de linker.
"Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw _Noiret_!" begon zij,
met een zachte en hartdoordringende stem: "Ik kom eens met u schreien;
gij weet dat ik ook geen moeder meer heb."
Het valt lichter van eene weldadige ontroering, dan van eene groote
en verpletterende smart te weenen. _Suzette_ barstte in tranen uit,
en kuste de handen der freule. Ook aan de lange zwarte pinkers
van deze hingen heldere droppels. _Saartje_ drong zich tegen de
beide vrouwen aan, en in haar oogen blonken, door de tranen heen,
de innigste toeneiging, en de diepste eerbied voor de troosteres.
Dat was eene lieve, eene hartontroerende groep. Lijden, medelijden,
en lijdenstroost, in een zachte en liefdevolle omhelzing vereenigd. Ik
noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven,
als zij een oogenblikje willen uitrusten van mannen die pijpen rooken,
en vrouwen die groente hebben gekocht.
"Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw _De Groot_, en een
traan viel op de tang, waarmede zij, op den in de verwarring half
uitgedoofden haard het vuur poogde te herstellen.
"Wie is die dame?" vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.
Ik poogde het haar te beduiden; maar het was mij niet mogelijk.
"Ik kan je niet verstaan!" zei ze; "maar dat weet ik wel, dat het lang
duren zal, eer de rijkdom bij _Pleuntje Samei's_ laatste leger komt om
te huilen;--maar ik heb ook wel hooren zeggen, dat juffrouw _Noiret_
van geen lage kom-of was."
Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar
eigen cel.
De dokter kwam om naar _Suzette_ te zien en voor haar te zorgen, nu
de eerste schok voorbij was. Zijn gelaat luisterde op als hij freule
_Constance_ zag.
"De freule reeds hier?" zeide hij; "het kon niet beter. Gij moet
onmiddellijk gegaan zijn, freule _Nagel_!--Ik beveel u _deze_ patiënte
aan," voegde hij er bij; "voor bedroefden zijt _gij_ de beste dokter
die ik ken."
Hij schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie weet
welke andere ellende te gaan aanschouwen!
Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een lijk
te sollen. Het is een stuk van liefhebberij. Al is iemand zijnen
betrekkingen ook _nog_ zoo lief: nauwelijks heeft hij den adem
uitgeblazen, ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven
genomen omtrent het werkelijk doodzijn van den dierbare, of het lijk
moet van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden,
en het "heerlijke" bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak
in plaats te geven. En ik heb bij lijken gestaan, die aldus waren
afgelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun
stoel had gevonden.
De Moeder van het hofje kwam dan ook met een allergewichtigst
gezicht binnen en, moeder _De Groot_ op zijde nemende, hield zij haar
voor, dat men niets heiligers te doen had dan juffrouw _Noiret_ te
"ontweiden." "Juffrouw _De Groot_ kon daartoe over _haar_ beschikken:
_zij_ was er niets akelig van. Ook wist zij heel goed waar het doodgoed
van juffrouw _Noiret_ lag."
Juffrouw _De Groot_ beweerde evenwel dat het geen haast had; maar
de Moeder van 't hofje stond er toch op, dat het vóór den nacht
geschiedde. "Want het was maar om het bed, weetje! En dan, juffrouw
_Noiret_ had zoo'n kostelijke sprei, altijd bij winterdag, en die had
ze zeker nu ook weer op 't bed?" En zij ging kijken of het zoo was...
"Het _is_ de sprei," zei ze bedenkelijk tegen juffrouw _De Groot_;
"als je der nog toe reseleveert, mot je me maar laten roepen."
"'t Is wèl," zei juffrouw _De Groot_, en de Moeder vertrok, om door
het gesloten venster heen, met de doove buurvrouw een luid gesprek
aan te knoopen over de noodzakelijkheid om juffrouw _Noiret_ af te
leggen, en over haar kostelijke sprei.
"Wat _had_ de Moeder?" vroeg _Suzette_, weemoedig opziende, toen zij
vertrokken was.
"Niets, lieve!" zei juffrouw _De Groot_: "ik zal voor alles
zorgen. Bekommer u over niemendal."
"Men moet moeder met rust laten," hernam _Suzette_; "niets aan haar
veranderen... voor dat ze..." Meer vermocht ze niet.
Weder liet zij het hoofd aan het hart der freule zinken, die haar
liefderijk ondersteunde, en haar daardoor het meest versterkte,
dat zij haar toeliet te weenen.
_Saartje_ kon niet langer blijven; het huishouden vereischte haar
terugkomst. Ik vertrok met haar. _Suzette_ reikte ons beurtelings de
hand. _Saartje_ kon geen woord uitbrengen; en _Hildebrand_ was zoo
sprakeloos als _Saartje_.
Wij kwamen in den Zoeten Inval. De oude _De Groot_ was in de ziel
bewogen. Ik bleef nog langen tijd bij die goede menschen over het
ongeluk van juffrouw _Noiret_ in gesprek. _Saartje_ vertelde mij
heel veel van de doode, en hoe lief zij hare dochter had gehad, en
hoe die dochter haar aankleefde, en gaf duizend kleine trekken van
de teederheid en aanhankelijkheid op, waarmede deze moeder en deze
dochter elkander het leven hadden veraangenaamd.
Zie; moeder _Noiret_ was zoo goed als op haar stoel doodgebleven,
als zij haar gezangboek had dichtgeslagen; de beroerte, die hare
zwakke levenskrachten in een half uur tijds vernielde, had reeds
in het eerste oogenblik hare spraak verlamd; maar zij had die niet
noodig gehad om _Suzette_ iets te vergeven vóór zij henenging; en
haar zegen--zij gaf haar dien gedurende haar leven dagelijks!
Wij spraken ook over den jongeling, dien de vertwijfeling aan eene
vereeniging met _Suzette_ naar de West-Indiën dreef. Ik verlangde
zijn naam te weten. _Saartje_ deelde mij mee dat zij hem den vorigen
avond nog gesproken had, en dat zijn plan nu onwrikbaar vaststond,
zoodat hij het ook nu aan haar ouders had geopenbaard; en nog eenige
omstandigheden daaromtrent, die in een volgend hoofdstuk aan den
dag zullen komen. Ik zweeg opzettelijk van het gesprek, dat ik op de
kamer van _Van der Hoogen_ mijns ondanks beluisterd had.
Ik kwam tehuis.
"Zóó lang heeft die kerk toch niet geduurd, onsterfelijke!" riep de
heer _Kegge_ mij toe, toen ik de kamer binnentrad. "Wij zitten pal op u
te wachten. Een zondag is een vervelende historie, maatje! Lag er maar
sneeuw, dan konden we tenminste narren. Jongens! mijn pantervel! Hoe
zouden de adellijke heeren en groote hanzen er naar likkebaarden. Maar
zeg, onsterfelijke! ik sta beschaamd als ik weet waar je zoo lang
geweest bent."
Ik deed verslag van mijn bezoek op 't hofje.
_Kegge_ kreeg alweer een traan in de oogen. Maar hij zei:
"Drommels! dat was een naar akkevietje voor je. Het zal daar een
algemeen gegrijn gegeven hebben. _Hanna_, _my dear!_ daar moet wat
aan gedaan worden, hoor! 't is duivels jammer voor dat meisje. Stuur
haar het een of ander."
"Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw _Kegge_
goedhartig.
"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_ uit. "Ze heeft immers geen
honger. Stuur haar een paar bankjes, dat zal beter welkom zijn;
een dooie is een duur ding voor zulke menschen."
_Henriette_ had zich afgewend en stond kwansuis naar haar kaketoe te
kijken. Ook zij had vochtige oogen.
Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid en
gevoel! gij waart toch veel te goed voor een _Van der Hoogen_! En
indien gij freule _Constance_ tot moeder of tot zuster hadt, gij
zoudt een heele lieve _Henriette_ kunnen worden.
In het schemeruur poogde _Henriette_, langs allerlei zijdelingsche
wegen, te weten te komen, hoe ik over haar en _Van der Hoogen_
dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik voorgenomen had mij
dezen dag nog volstrekt niet uit te laten. Des avonds wachtte
men _Van der Hoogen_, die meest alle zondagavonden bij de familie
doorbracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een partijtje
te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man uitbleef,
_Henriette_, die ongetwijfeld het meest verwonderd was dat hij niet
verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hij misschien eene
andere uitnoodiging had, en dat zij "'t ook heel goed vond dat hij
er geen gewoonte van maakte om nu ook _alle_ zondagen te komen".
Wij brachten den avond door met platen en teekeningen te bezien,
waarvan de heer _Kegge_ een mooie verzameling had, die echter zonder
smaak of oordeel gerangschikt was, en zeker veel te duur betaald.
Tegen tien uren verscheen er een voiletkleurig briefje. _Henriette_
werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand heerschte,
toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en als deze het
openbrak zag zij hem strak in de oogen.
Toen de heer _Kegge_ het gelezen had, nam hij er zeer beleefd zijn
mutsje voor af:
"Ik ben een lijk," verklaarde hij, "als ik er iets van vat!" Daarop
vervolgde hij met zekere plechtigheid: "Mevrouw _Kegge_, geboren
_Marrison_, mejuffrouw _Kegge_, en mijnheer _Hildebrand_, hoort,
bid ik u, eens aan wat dit geschrift behelst:
_WelEdelgeboren Heer!_
Dat is primo een leugen!
_Sedert gij in uw huis personen admitteert, die mijn goeden naam
pogen te be..._
_te be_-wat? Sakkerloot, dat's een drommels woord--_te bezwalken
en te belasteren, zie ik mij genoodzaakt van het genoegen af te
zien om hetzelve verder te frequenteeren._
_Ik heb de eer te zijn,_
_WelEdelgeboren Heer,_
_UWEdelgeborens Dienstw. Dienaar,_
_P. G. van der Hoogen_.
_Van huis, zondagavond._ _Surnumerair etc._
"Dat ziet op mij," zeide ik, het woord opnemende. "De heer _Van der
Hoogen_ anticipeert op zijn vonnis; ik ben nu wel genoodzaakt te
zeggen wat ik denk. De heer _Van der Hoogen_ heeft zich aan mij als
een slecht voorwerp, een verachtelijk mensch doen kijken."
Ik deelde daarop zooveel omtrent de zaak mede als volstrekt noodig was,
en verklaarde wat ik hem bij mijn bezoek van heden had opgelegd. "Gij
ziet," zeide ik ten slotte, "dat hij zijn toevlucht tot onbeschaamdheid
neemt."
"Daarom niet getreurd, onsterfelijke!" riep _Kegge_ uit. "Je hebt,
dunkt me, royaal gehandeld. En nu, voort met den weledelgeboren heer
_Van der Hoogen_! Ik ben een drilboor als zijn gele handschoentjes
me ooit hebben aangestaan. En dan, dat hij altijd zijn mond vol had
van groote hanzen!--Het zal _Henriette_ nogal spijten."
_Henriette_ antwoordde niet veel; maar mevrouw _Kegge_ sprak, met
volmaakte miskenning van 't punt in geschil, de gewone toevlucht van
onverstandige vrouwen:
"_Ik_ heb hem altoos een heel beleefd mensch gevonden. Hij heeft _mij_
nooit iets misdaan. _Ik_ kom er rond vooruit, dat het _mij_ spijt,
dat hij niet meer komen zal."
"Allemaal gekheid!" hernam de heer _Kegge_. "Het eenigste is, dat er
niemand is voor de muziek met _Henriette_. En _gij_ spreekt ook van
heengaan, onsterfelijke!" voegde hij er bij, zich tot mij wendende;
"dan zijn we weer geheel alleen. Ik heb graag een manskerel over den
vloer, om mee te praten."
De heer _Kegge_ schoof zijn stoel voor den haard, institueerde eene
langdurige poking, en bleef daarop in gedachten zitten. Op eens wendde
hij zich tot zijn vrouw.
"Hoe oud zou _William_ nu al geweest zijn?" vroeg hij op wat zachter
toon, dan waarop hij anders gewoon was zich te doen hooren.
"Eenëntwintig," antwoordde mevrouw _Kegge_.
Het oogenblik van treurig nadenken duurde niet lang voor den
bewegelijken vader; maar wie zal zeggen, hoeveel smart dit enkele
oogenblik in zich bevatte.
Een Groote Hans en Adellijke Heer. Besluit.
Maandag één ure, na den middag; indien men namelijk burgerlijk genoeg
is het om twaalf uren middag te noemen; op dien dag en dat uur,
stond ik op het bordes van het huis des heeren _Willem Adolf_ baron
_Van Nagel_, lid van de ridderschap, en burgemeester van de stad,
waarin al het bovengemelde moet zijn voorgevallen.
Het was een deftig huis, met een hardsteenen voorpui, waar de vader en
de grootvader van den edelman insgelijks hun leven hadden gesleten,
den roem nalatende, die meer was dan hun adelbrief, den roem van
beminlijke menschen.
Een bedaagd bediende, in een stil en deftig livrei, opende de deur,
liet mij in eene ruime zijkamer en vertrok niet eer om mij te gaan
aandienen, dan nadat hij mij, geheel op de manier van een welopgevoed
man, een stoel gereikt, en daarop naar het vuur gezien had.
De kamer had een eenigszins ouderwetsch, plechtig, maar toch
comfortable voorkomen. Men zag aan alles, dat men bij iemand van goeden
smaak was. Het behangsel was van rood trijpt, en desgelijks de canapé's
en de stoelen. Op den grijsmarmeren schoorsteenmantel, waaronder,
op een gepolijsten haard, een net gebouwd turfvuur brandde, stonden
twee antieke vazen; en aan den wand hing, als eenige schilderij,
het portret van een man, met den witten kraag en den met ruig bont
omzoomden tabbaard der zestiende eeuw. Het gelaat was blozende,
ofschoon het haar spierwit was, en in neus en mond was een sterke
gelijkenis met den nog levenden erfgenaam van den eerlijken naam der
_Nagels_ niet te miskennen. Er heerschte eene rustige waardigheid
in de stoffeering van dit vertrek, die oogen en gemoed honderdmaal
aangenamer aandeed dan de kleurige pracht bij de _Kegges_.
De heer _Van Nagel_ liet wel wat lang wachten, maar toen hij binnentrad
was hij ook geheel gekleed. Hij heette mij terstond te gaan zitten,
en vroeg met het welwillendst gelaat van de wereld, wie ik was en
wat ik hem had mee te deelen. Ik maakte mij bekend.
"En betreft uw boodschap eene zaak, die volstrekt onder vier oogen
moet behandeld worden?"
"Ik zou zeggen van neen," antwoordde ik.
"Wees dan zoo goed mij te volgen;" zeide de heer _Van Nagel_, die
mijn naam misschien van de freule gehoord had, en vermoedde dat ik
in het belang van de moederlooze _Suzette_ kwam.
Hij ging mij voor naar eene groote tuinkamer, wier ruimte evenwel in
dit seizoen door een groot sineeschverlakt kamerschut was beperkt. Die
kamer leverde alles op wat de ziel tot genoegelijke genieting van
zichzelve stemmen kon. Er was eene aangename eenstemmigheid tusschen
het lichte behangsel en de zware slepende damasten gordijnen, die
allen tocht afweerden; tusschen de kleur van het breede vuurscherm bij
den haard, en de kleur van het kleed over de tafel; tusschen alle deze
dingen, en de beminnelijke uitdrukking van gelaat op het vrouweportret,
dat boven de piano (zeldzaam voorrecht, op het rechte licht!) hong,
en tusschen dat gelaat, en de edele en teffens zoo zachtaardige
trekken van den baron en van de jonkvrouw _Van Nagel_.
Toen ik gezeten was, begon ik den eerbiedwaardigen edelman mijne
zaak voor te stellen. Ik zeide hem dat ik mij tot hem wendde in het
belang van een jong mensch, die eene ondergeschikte betrekking bij
de stedelijke administratie had. Ik verhaalde hem hoe die jonge
mensch door een samenloop van omstandigheden (bedelaarsstijl),
gebrek aan gunstige vooruitzichten, en hoofdzakelijk ten gevolge
van de listige bemoeiingen van een zijner superieuren, het voor hem
noodlottig voornemen had opgevat om naar de West te gaan, en dat ik
dat voornemen door tusschenkomst van zijn Ed. hoopte te verijdelen.
"Ziedaar het argument van uw boodschap," zeide hij glimlachende;
"nu de expositie met naam en toenaam, als 't u belieft!"
Ik verhaalde hem, dat ik van zekeren _Reindert de Maete_ sprak.
"Een oppassende jongen!" merkte de heer _Van Nagel_ aan, zonder mij
evenwel in de rede te vallen.
"Van zekeren _Reindert de Maete_," zeide ik, "wien men, en wel
voornamelijk een zekere mijnheer _Bout_, die aan het hoofd schijnt te
staan van het bureau, waarbij hij klerk is..." (de heer _Van Nagel_
zag zijne dochter veelbeteekenend aan) "de West-Indiën zoo schoon
en voordeelig heeft weten af te schilderen, dat hij, vol ambitie, en
gekweld door eenige teleurstellingen, het voornemen heeft opgevat er
naar toe te gaan; ja, dat hier werkelijk al een begin van uitvoering
had plaats gehad, daar de heer _Bout_ reeds voor hem, en met zijne
toestemming, een engagement met zijnen (_Bouts_) broeder, die in
Suriname eene plantage scheen te hebben, had aangegaan, die hem als
eerlijk man verplichtte met de eerste gelegenheid te vertrekken...."
"En nu is uw verlangen," zei de heer _Van Nagel_ met voorkomende
goedwilligheid, "dat ik den jongen _De Maete_ zijn ontslag weiger?"
"Hetzelfde!" antwoordde ik.
"Welnu!" zeide hij, "hij zal het niet hebben, mijnheer
_Hildebrand_! Hij zal het niet hebben, _Constance_! "Wij laten onze
kinderen niet weggaan op een aanbeveling van den heer _Bout_. Hebt
gij ooit van een broer van den heer _Bout_ gehoord, die in de West
zou zijn?"
"Nooit, papa!" antwoordde de freule.
"Welnu, mijnheer," hernam de baron, "wij kennen mijnheer _Bout_, en wij
kennen den jongen _De Maete_. Wij zullen alles in orde brengen. Kent
_gij_ de beide heeren?"
"Den heer _Bout_ zag ik een oogenblik. _De Maete_ heb ik nooit gezien."
"Zoo, zoo," antwoordde de heer _Van Nagel_; "nu, wees gerust. Ik zal de
zaak onderzoeken. _De Maete_ zal niet naar de West-Indiën gaan. Eéne
vraag, zoo het niet onbescheiden is: waarom beijvert gij u zoo zeer
voor iemand, dien gij in 't geheel niet schijnt te kennen?"
Die vraag maakte mij verlegen, hoe vriendelijk de oogopslag ook mocht
wezen, waarmede de baron op mijn antwoord wachtte.
"Mijnheer!" zeide ik, en ik geloof dat ik bloosde, "er is een dame in
het spel; een jong meisje, dat belang stelt in den jongen _De Maete_,
maar dat evenmin van den stap onderricht is, dien ik heden doe,
als de jonge _De Maete_ zelf."
"Ik dacht het haast," zei de heer _Van Nagel_, glimlachende. "Nu,
de zaak is er niet erger om, geloof ik."
Ik maakte eene beweging om heen te gaan.
"Wacht nog een oogenblik," zeide hij, en zou voortgegaan zijn,
maar de knecht kwam binnen en diende den heer _Van der Hoogen_
aan. Onwillekeurig kwam de uitdrukking eener onaangename gewaarwording
op het gelaat van vader en dochter beide, doch werd even spoedig
onderdrukt.
"Zeg dat ik mijnheer nu niet zien kan; dat ik _en besogne_ ben."
"Mijn dochter," voer hij daarop tot mij voort, "heeft u gisteren,
geloof ik, ergens ontmoet?"
"De freule was met mij in het huis eener treurende."
"Gij kent die juffrouw _Noiret_?"
"Ik heb haar een paar malen ontmoet, en ken haar uit de berichten
van lieden uit den kring tot welken zij nu behoort."
"Zij maakt soms kleeren voor mijn dochter," ging de heer _Van Nagel_
voort, "en die is zeer over haar tevreden. Het is een bescheiden
meisje, en zij heeft ondersteuning noodig. Weet gij iets meer van
hare familie dan wij?"
Ik deelde hem alles mede wat ik wist, én voegde er bij, hoe _Suzette_
om haar allerliefst karakter algemeen bemind was bij degenen die het
voorrecht hadden met haar omtegaan.
"Dat zei de dokter ook, niet waar, _Constance_?" antwoordde de
beminnelijke man. "Ik dank u, mijnheer, voor de inlichtingen. Gij
studeert te Leiden?" liet hij schielijk volgen, toen hij zag dat
ik weder mine maakte van te vertrekken. "Blijf nog een oogenblik;
ik heb u uitgehoord; nu moet ge niet ineens weggaan. Ik heb ook te
Leiden mijn graad gekregen." En daarop begon hij eenige herinneringen
uit zijn studententijd op te halen.
"Het is de aangenaamste tijd van 't leven, zegt men wel," zeide hij ten
slotte, "maar zoo ondankbaar ben ik niet jegens mijn overleden vrouw
en lieve dochter, dat ik dat toestem. En daarenboven, het doet nog
meer goed zich in de wereld een Man te gevoelen, dan een Student. Ik
hoop dat gij het ondervinden zult."
Na nog eenige algemeene gesprekken, waar ook de jonkvrouw deel aan
nam, verliet ik deze woning, die mij als een verblijfplaats van
zielsrust, verstand, en deugd was voorgekomen, vol dankbaarheid aan
mijn gesternte, dat mij, in zoo weinige dagen onder zoo verscheidene
daken, en met zoovele lieve en goede menschen in aanraking gebracht
had, om mij in de overtuiging te versterken, dat beminlijkheid en
voortreffelijke deugden niet het bijzonder eigendom van bepaalde
standen der maatschappij zijn, maar aan alle gelijkelijk kunnen
toebehooren; terwijl ongetwijfeld die mensch het gelukkigst is,
die terdege weet wat en wie hij is, wat hij vermag, en wat hij wil,
zonder zijn heil te zoeken in hetgeen buiten zijn bereik ligt, zich
verzekerd houdende, dat hij in het geruste midden van zijn kring ruim
zoo veilig is als aan den zoo kwetsbaren omtrek.
Mijn kleine rol was afgespeeld, mijn werk riep mij, en ik kondigde
mijn vertrek aan. Drie dagen later werd ik weder wakker op mijne
kamer in de Sleutelstad, en tuurde ik in mijn hoekspiegeltje om te
zien of de Breestraat nog breed was.
Maar nu zullen diegene mijner lezers, die het geduld gehad hebben
deze tafereelen te volgen, niet willen dat ik de pen nederleg, voor
ik nog ten minsten iets vermeld heb omtrent het verdere levenslot
der opgevoerde personen. Ik durf zeggen dat ik niet behoor tot
de schrijvers, die er genoegen in scheppen, hunne lezers met
teleurstellingen te plagen. Dit is onbehoorlijk, en schijnt mij
toe met de beleefdheid te strijden, die den auteur in dubbele mate
betaamt. Daarom zal ik pogen aan dezen natuurlijken wensch zooveel
mogelijk te voldoen.
_Henriette Kegge_ is in het verleden jaar gehuwd met een kapitein der
rijdende artillerie, dien zij, vrees ik, een weinigje op het uiterlijk
genomen heeft, maar die gelukkig blijkt een zeer verstandig man te
zijn, die haar karakter uitmuntend weet te vatten en te leiden, aan
haar verstand en gaven eene goede richting te geven, en zelfs een zeer
gunstigen invloed geoefend heeft op de houding der geheele familie,
mijnheer niet uitgezonderd, die er tegenwoordig veel minder op uit
is de groote hanzen en adellijke heeren naar de kroon te steken, ze
in het geheel niet meer benijdt, en daardoor meer en meer hij hen in
aanzien komt.
Mevrouw is, naar ik hoor, nog altijd dezelfde weinig sprekende en
weinig bewegelijke dame; alleen heeft het sterven van een harer twee
lievelingen haar eenige bange dagen gekost. Ik ben zoo gelukkig niet,
mijne lezers te kunnen mededeelen of het Azor geweest is of Mimi.
De heer _Van der Hoogen_ heeft zich in het beheer van zekere aan
zijne verantwoording toebetrouwde gelden zoo weinig charmant gedragen,
dat hij het raadzaam heeft geacht op een goeden morgen zijn hotel in
den beddewinkel voor goed te verlaten, tot niemands spijt dan van den
beddemaker en zijne eegade, die een halfjaar kamerhuur en een aardig
sommetje aan verschotten aan ZEd. te kort kwamen.
De Zoete Inval is nog altijd een degelijke koekwinkel,
en tegen St. Nikolaas-avond zijn er nog immer prettige
verguldpartijen. _Saartje_ is de verloofde van een hupsch jong
mensch, die eene niet onbelangrijke zaak in manufacturen drijft. Ik
recommandeer haar toekomstigen winkel aan het schoone geslacht. Het
zal een lust zijn bij haar te koopen.
_Suzette Noiret_ werd, onder den titel van kamenier, een zeer
bevoorrecht persoon bij de freule _Constance_. _De Maete_, door den
baron in bijzondere bescherming genomen, is zeer spoedig ter secretarie
opgeklommen en bekleedt nu den post van den heer _Bout_, die aan de
gevolgen van zijne ongeregelde levenswijze is overleden. Hij is de
gelukkige echtgenoot van de mooie _Suzette_, en ik heb een brief van
de jonge lieden, waarin zij zich veel inbeelden van "verplichtingen
aan den heer _Hildebrand_".
De baron leeft nog steeds met zijn dochter in dezelfde kalme en
liefelijke stemming. Zij beide stichten zoo veel nut en doen zoo veel
goed als zij kunnen; en de freule gaat met een hart vol liefde den
tijd te gemoet, waarin de heer _Van Nagel_, die al zachtjes aan vrij
oud begint te worden, haar hulp nog meer zal behoeven.
En de grootmoeder?... is niet meer onder de levenden. Volgens haar
uitersten wil is zij op het kerkhof bij de Marepoort te Leiden, in
het graf, waarin ook haar lieveling rust, bijgezet. Haar hond heeft
haar niet lang overleefd.
En ik ontving uit haren naam een pakje, waarin het ringetje met den
zakdoek, en in het Engelsch deze woorden:
"Gedenk aan den lieven _William_ en aan zijne Grootmoeder,
1840. _E. Marrison_".
'S WINTERS BUITEN.
Bij de dingen, die men, zonder veel nadenken, gewoon is bij
zichzelven vast te stellen, behoort onder anderen de meening, dat
het des winters buiten even onaangenaam is als des zomers louter
gelukzaligheid. Menschen, die niet zonder opera's, concerten,
en soirees leven kunnen, mannen, die behoefte hebben dagelijks de
sociëteit te bezoeken, en vrouwen, die niet gelukkig zijn of zij
moeten ten minsten eenmaal des weeks _groot toilet_ maken, mogen zich
in dit denkbeeld vastzetten; maar voor stille huiselijke gemoederen,
die van het bij uitstek wereldsche genoeg hebben en den cirkel hunner
genoegens, hetzij die les hun zachter of gevoeliger is voorgehouden,
zachtjes aan hebben leeren inkrimpen: voor hen is het er in den
kouder tijd vooral niet minder genoeglijk dan in het warme seizoen;
ja, geloof mij, indien ik u zeg, dat op het stille land de winter
oneindig veel korter valt dan in de stad met al hare--_ressources!_
Daar toch maakt hij, met zijne voorhoede en nasleep van donkere dagen,
een groot en langdurig jaargetijde uit, dat men door allerhande in
't oog loopende kunstmiddelen zoekt op te korten en door te komen;
buiten daarentegen, is hij slechts de spoedige overgang van een
gerekten herfst tot een vroege lente. Want hoe kort een tijd verloopt
er tusschen het afvallen van het laatste eikenblad tot op het uitloopen
van den voorlijksten kastanjeboom!
Als het twee dagen van de zeven hard waait, en twee andere dagen
regent en hagelt dat het een weinig klettert, dan blijven de steelui
binnen hunne muren, _ook zelfs_ gedurende de drie dagen van de week,
die overblijven, waarop de zon bij tijden door de wolken breekt en
allerliefst schijnt over de kwijnende natuur; want zij hebben van 's
morgens af dat zij hun bed verlieten, tot twaalf uren toe, een nevel
gezien, en weten niet welk mooi weer daar in het najaar gewoonlijk op
volgt; en al weten zij dat ook, "zij gaan niet meer uit; zij kunnen
niet meer op het weer aan"; zij durven niet zonder, zij willen niet
mèt een regenscherm wandelen; hun, toch noodzakelijke, overjas valt
hun te zwaar; en honderdmaal op een dag herhalen zij voor elkander de
afgesleten opmerking, "dat zulk weer erger is dan een fiksche kou",
en dat zij naar een vuurtje zouden verlangen om de nattigheid, en
ook stellig stoken _zouden_, indien het maar November ware. Het is
dan half October, en hun winter is formeel begonnen.
Met November komt het vuurtje, komen de tochtlatten met schapevacht,
de lange avonden, de morsige straten, en de onstichtelijke koude in
de groote kerken, met en benevens alle soorten van overkleederen. Dan
volgt December, met de boa's en de moffen, en de almanakken (morgenrood
en avondschemering, in onderlingen wedstrijd) en de St. Nicolaas,
als het altijd te slecht weer is om uit te gaan, met een onverwachte
sneeuwbui, die op éénen dag twintig nieuwe dameshoeden bederft,
en de kleine nachtvorsten die doen rillen, niet van koude, maar
van schrik. Het heilig kerstfeest, op het land zoo liefelijk, zoo
eerbiedig gevierd, en zich zoo harmonisch aansluitende aan de vredige
stilte, die het voorgaat en opvolgt, geeft in de stad het teeken voor
drukte en gewoel en feestgejuich van allerlei aard; en na den ijslijken
nieuwjaarsdag, waarop honderden verkouden worden, wordt een eerlijk
huisvader overstroomd van concertprogramma's, die hem met een benepen
hart de hoofden zijner op uitgaan beluste dochters tellen doen; en er
is een onafgebroken spreken en handelen in de stad over danspartijen
en comedies en soirees littéraires, en soirées musicales, en andere
soirées, die noch het een noch het ander zijn, maar uiterst stijf
en vervelend en akelig; en men verzadigt zich zoo over en te over
aan de wintervermaken, dat men er in vier weken genoeg van heeft. En
onderwijl regeeren de koude en de armoede, het ijs in de grachten,
en de bedelarij op de sluizen. En nog twee volle maanden kijkt men
mismoedig elken morgen op den thermometer, en telt men morrende het
aantal "wintertjes" op. En eer men den neus buiten de poort steekt,
moet er groen aan de boomen wezen; en eer men tevreden is over zijn
kleine wandeling, moet het tenminste Mei zijn. Dat is dus een winter
van half October tot de Meimaand toe. En dan heeft de steeman die
buiten komt een gevoel alsof er eene plotselinge, eene eensklapsche
verandering van decoratie gekomen is; want hij heeft niets van al die
opwekkelijke toebereidselen gezien, die de natuur maakt, noch haar op
den onderhoudende weg harer stille vorderingen mogen gadeslaan. Hij
heeft al de vreugde gemist, die de buitenman gesmaakt heeft, toen zijn
eerste kip begon te leggen en zijn eerste sneeuwklokje bloeide op den
naakten en harden grond. Hij heeft de ganzen niet zien vertrekken,
en de spreeuwen en de kieviten niet zien aankomen, noch ook, drie
dagen voordat de wind zuiëlijkte, van zijn weerwijzen tuinbaas of
grijzen pachter gehoord dat de wind zuiëlijken _zou_.
Die een Buiten heeft, en genoodzaakt of verstandig genoeg is er 's
winters te blijven, staat des morgens met de zon op. Dat valt dan,
wat den tijd betreft, nog al gemakkelijk, want ook de zon zelve is
in dat jaargetijde niet zeer matineus. Maar laten wij elkander niets
wijsmaken! Hierin staan steeman en buitenman gelijk, dat dit oogenblik
het moeielijkste is van den geheelen dag. Want het bed is warm,
de kamer koud, en de mensch lui; daarenboven kan het water in het
lampet bevroren zijn, en de neiging om "zich nog eens om te keeren"
is ons geslacht aangeboren. Maar heeft men eenmaal gezegevierd,
dan heeft men buiten tenminste de zelfvoldoening de zon werkelijk te
zien; terwijl gij, heeren en dames in de stad! alweder het reusachtig
"_Manufacturen_" bij uw overbuurman lezen moogt, of het beknopter,
maar niet minder tergend "_Schrijf- en Kantoor-behoeften_"; op zijn
hoogst, indien uw overbuurman een logementhouder is, hebt gij het
voorrecht uwe nuchtere blikken op te slaan tot het vergulde beeld
van het lieve hemellicht zelf, met stralen van een duim dik en schele
oogen. Benijdbaar, zoo gij op een gracht woont, en niets ziet dan het
zwarte ijs, met hoopen asch en vuilnis, daar tot uw verkwikking op
geworpen in het oogenblik dat gij uwe legerstede verliet; benijdbaar,
zoo gij in een achterkamer huist, en over een smallen tuin tegen
de donkere gestalten van hooge pakhuizen met gesloten blinden op
moogt zien! Maar kom nu eens voor dit venster, dat op het oosten
ziet, en zie, over het weiland heen, grijs van vederachtigen rijp,
de koperkleurige kimme met die bloedroode schijf, half nog bedekt en
half opgerezen, die als wij kerstmis gehad hebben een rooden wedergloed
op de sneeuw zal werpen, duizendmaal mooier dan de beste bengaalsche
vlam over de zangerige helden van het vijfde bedrijf eener opera, of
over de heuvelen van doek in een ballet; of kijk, door het andere raam,
naar het westen uit, en zie de groene sparren met een dun en tintelend
weefsel behangen, en de statige menigte van eerwaardige dorre beuken
(een kaal hoofd _is_ eerwaardig) daar achter, met de toppen in den
nevel, die als zachte droppels langs de stammen leekt; die krijgen ook
na kerstmis hun schitterend sneeuwkleed aan, willen wij hopen.--Dat
is alles mooi, zegt gij, mijn waarde lezer! maar men kan toch den
geheelen dag niet naar de zon en naar de boomen kijken; wat voert de
buitenman uit? hoe houdt hij zich bezig? waarmede vermaakt hij zich?
Het is December; zijn hout moet gehakt, en hij gaat rond met zijn
opzichter, om te zeggen welke opgaande boomen aan de beurt liggen
en welk hakhout het kapjaar heeft bereikt. Ook is de jacht nog niet
gesloten, en hij laadt "groote zes" op zijn geweer in plaats van
"kleine", want het haas heeft, zoowel als gij, zijn winterpels aan,
en als hij tot den donker toe de weitasch over den rechter- en den
hagelzak over den linkerschouder gedragen heeft, en het overgehaald
geweer in de hand, en een paar hazen en een paar houtsnippen voor
zijn vrienden in de stad bovendien, dan eet hij als een wolf, en wèl
zoo goed als gij, mijnheer, al gloeide uw kantoorkachel ook nog zoo,
en al hebt gij u ook nog zoo geanimeerd op de beurs. Des avonds is
hij veel te moe om zich te vervelen; hij maakt zich gemakkelijk met
kamerjapon en pantoffels, en heeft het zeer druk over het haas, dat
hij in "den looper" schoot en dat schreeuwde als een kind; het haas,
dat hij vlak in de "kamer" schoot, en morsdood lag; en het haas,
daar hij "de wol" heeft zien afstuiven, dat ook werkelijk over den
"bol" buitelde, maar toen de beenen weer opnam, om hier of daar in
een verborgen hoek te gaan liggen sterven; of wel, met het wagen
van gissingen, waar dat haas mag zijn gaan "drukken", dat hij in
de wijdte opgaan zag, en waar de snippen mogen zijn neergevallen,
daar zijn geweer op geketst heeft. En zijn gezin en buren, om den
haard vergaderd, hooren met belangstelling en welgevallen nog eens
naar de oude jachtfeiten, van de drie hoenders met de twee loopen,
en van de twee eenden in één schot!--Komen ook de boeren niet betalen
en daarbij hunne huiselijke zaken openleggen? En komt de dominé niet
om een partij te schaken? En schrijft gij zelf, daar binnen de muren,
geen boeken genoeg voor hem? En krijgt hij niet tweemaal in de week
een heel pak couranten, waarin hij tot zijn groote stichting leest van
de bezoeken van koningen en prinsessen in de hoofdstad; van tabliers
van diamanten en toiletten van goud; van acteurs die uitmunten
in hun nieuwe rol; van groote, grootere, grootste, allergrootste,
en extra allergrootste virtuozen; van stikvolle zalen, schitterende
kapsels, en onvermengd kunstgenot; van plombeering van holle tanden,
die hij niet noodig heeft, en "Source de vie, Levensbron" à f1,25
de doos, die hij nog beterkoop heeft op het land; met en benevens
de harrewarrerijen over boeken-schrijven, waar hij zich niet aan
bezondigt, vioolspelen, dat hij alleen tot zijn eigen genoegen doet,
en de betuigingen van de redacteurs, dat het hunne gewoonte niet is
datgene te doen, dat hij opmerkt dat zij juist in den geheelen stapel,
dien hij vóór zich heeft, onophoudelijk gedaan hebben.
Hij heeft ook zijn feestdagen. Het zal bij voorbeeld Koppermaandag
zijn; Koppermaandag, een dag, waarop de boekdrukkersgezellen bij
u in de stad de deuren afloopen met eene fatsoenlijke bedelarij;
laatste beroep op eene mildheid die reeds achtereenvolgens in de
begeerigheid van diender, koster, stovenzetter, lantarenopsteker,
brandblusscher, brandbezorger, torenwachter, knecht van 't Nut, en van
wie niet al? heeft moeten voorzien. Wij kennen hier niemand in dat vak
dan den boschwachter, die ons zijn groen almanakje komt aanbieden,
en wien wij bij die gelegenheid de houtbrekers nog eens aanbevelen;
want, om de waarheid te zeggen, deze, en de menigvuldige kraaien,
zijn onze eenige winterrampen.--Maar ik wilde van Koppermaandag
spreken. Dan hebben wij bij voorbeeld hier de groote houtveiling,
een publieke feestelijkheid, oneindig vermakelijker dan eene groote
parade, indien gij mij gelooven wilt.
Tegen tien uren, half elf, kom dan eens kijken! Dan komen al de
boeren bij troepen door het bosch slungelen; een Kennemer boer heeft
nooit eenige haast, tenzij op de Alkmaarsche kaasmarkt, als het er
op aankomt eene goede plaats te "bedekken". Langzamerhand naderen
zij allen, de een met de handen op den rug, en de ander met de handen
in de zakken van 't wambuis, ter plaatse waar de parken nederliggen,
en waar de opgaande boomen staan die, met een blutsje van de bijl en
een nommer, ten doode zijn opgeschreven, en zoo onder de eersten als
bij de laatsten wordt naar gading gezocht. Elk hunner verbergt zijn
plan en drift om to koopen en zijne belangstelling om te zien onder
het volmaaktste laconisme.
"Zoo _Jeepie_!" zeit de een; "mot jij ook een parrekie hebben?"
"Nou jæ, jongen! ik kom mær rais kaiken!"
"Nou"--de boeren beginnen bijna alle volzinnen met dit woord:--"Nou,
der binnen zware parken genog bai; mær der is ook 'en partij die sluw
[18] binnen, hoor."
"Jæ," zeit een derde, die plan heeft er verscheidene te koopen,
"en eer je ze thuis hebbe!"
"Zoo, _Jan Spitter_, een paar nieuwe hutten [19] der op
anëtrokken!" zegt een vierde tot den bezitter van dien naam, die zin
in het eigen park eiken heeft, waar deze nota van neemt. "Nou, dat geet
er op los hoorje! _Jan Spitter_, zel 't ons allemæl te kwæd maken."
"Erg mooi weertje," merkt een vijfde aan, die verrast wordt in het
opkijken naar een boekoboom, daar hij het ophout van berekent. "Erg
mooi weertje! mær der hangt nog veul wind an de lucht; ik mocht liever
laien dat 'et wat droogde."
"Dat mocht ik net, broer," antwoordt een oud boertje, zijn pijp in
de tondeldoos stekende en in een oogenblik de lucht met sterkriekende
wolken benevelende.
"Daar bennen der nog zatter uit de stad ook, zie ik wel," merkt een
armoedige boer aan, vreezende dat de steelui hem zullen overbluffen.
"Kaik hai met zen gepoeste laarsies," zegt een jong kerel met een
bloedroode wollen das om, die het met gemelde steelui luchtiger
opneemt. "Zoo bakkertje, je mot zeker weer een vaifie plokken?" [20]
De bakker zet een verlegen gezicht en neemt voor, zich te houden als of
hij het niet gehoord heeft; maar bedenkt zich, haalt zijn tabaksdoos
uit, steekt met een echte bakkersgulzigheid zijn aandeel er uit in
de bleeke kaken, en antwoordt geestiglijk: "Motje _mijn_ hebben?"
Intusschen zit de eigenaar met de zonen van den huize bij den boschbaas
om den haard, waar een boekeblok van de grootte van een osserib, van
't hout van verleden jaar, aanligt, afkomstig van een boom, die den
boschbaas toevallig zoozeer is meegevallen, dat hij aan het ophout
zijn geld waard was en hij den stam nog vrij had. Daar zitten dan ook
de dorpssecretaris met zijn doornen stokje, groene wanten en grijzen
kop, en de beambte uit de stad, ten wiens overstaan "de aanzienlijke
partij hout zal verkocht worden". Een praatje, een kop koffie--daar
gaat de bengel, en alles verzamelt zich bij nommer Een.
Nu worden de veilconditiën voorgelezen, met verschrikkelijke
bedreigingen tegen degenen die niet contant, dat is binnen zes weken,
betalen, de gaten niet behoorlijk dichten of bij het rooien honden in
het bosch meebrengen; bedreigingen die, bij gebrek aan dwangmiddelen,
de kracht hebben van vriendelijke verzoeken. Daarop vangt het gedrang
en de drukte aan. Sommigen koopen in 't begin, omdat het "wel rais
gaandeweg praiziger worden wil": anderen stellen het uit, in de hoop
"dat het meeste volk zachies an of zel trekken" en de beste koopjes
op 't laatst te doen zullen zijn. De secretaris doet zijn best om
ten duurste te veilen, en de koopers om voor 't minste geld klaar
te komen. Allerlei aardigheden worden over en weer gewisseld, en te
meer naarmate de houthakkers lustiger met het vaatje rondgaan en de
kleine stalletjes, die overal tusschen het gehakte hout zijn opgezet,
meer te doen krijgen.
"Hadje nou je geld bewærd!" zegt de secretaris, met een ongeveinsde
bewondering voor het perceel dat hij met het uiterste van zijn stokjen
aanraakt, "jonges, jonges! wat 'en boomen! Dær kenje wel twee jær
van stoken! Hoe veul voor dat parkie? Wie zet dat nou rais in voor
twalef gulden? Al wou je maar zes geven? Niet allemaal te gelaik,
kindertjes! Drie gulden; met je drieën wel," enz.
"Schai je der nou al uit?" heet het een oogenblik later uit den
mond van denzelfden magistraat, tegen een boer die aan bod is en,
zoodra hij hem aanspreekt, wegsluipt, uit vrees voor zijne bekende
satire. "Schai je der nou al uit, _Jantje_? En dat voor een kerel,
die _Jan Houtkooper_ hiet; 't is, jandoppie, skande."
"Nou, wie dut park koopt, die het et waif met de koekkraam en de
flesch er op toe!" schertst hij alweder, als hij een perceel nadert,
waarbij een vroolijke zoetelaarster, met een dikken schoudermantel
om, hare handen zit te warmen aan de test, waar de boeren aan komen
opsteken. "Deer geef ik zelvers zeuven gulden voor; zeuven en 'en
kwart; en 'en half; en drie kwart; vol; eenmaal, andermaal: niemand
meer as acht gulden? Voor dat knappe vrouwmensch? En 'en half;--zoo
_Teunesie_, hebje niet genoeg an _ien_ vrouw, man?--Acht en 'en
half; negen; eenmaal, andermaal; kan de brandewijn je niet verlaiën,
maat? Nog 'en kwart; 'en half; negen en 'en half; eenmaal, andermaal,
derdemaal--geluk er mee! Da's een koopie, maat. Hoe hiet jij?"
"_Jan van Schoten_."
"Zoo; hiet jij _Jan van Schoten_? Heb je dan te Schoten geen hout,
maat?" En zich tot den boschbaas wendende: "'t Is hier 'edaan,
baas! Weer motten we nou heen? Na dat stuk teugen 't land van _Sijmen_,
niet waar? Kom an, kindertjes! Jonges, jonges, wat zou _Sijmen_
zeggen as we deer reis met zoo'n hiele bende op de pannekoeken
kwammen? Dan mocht het waif den hielen dag wel deurbakken. Kom an:
maar weer van veuren of an! Nommer honderdëndertig; wie geeft deer
nou rais honderdëndertig gulden veur? Honderdëndertig centen, dat
zal der veur 't begin beter na rooien," enz.
"Twee an bod? Wie het ierst esproken?"
"_Ik_ heb ierst esproken!"
"Hoe hiet jij?"
"Ik hiet _Piet de Wit_."
"Best hoor; ik zel zwart skraiven."
Ziedaar aardigheden, voorzeker niet van de allerfijnste soort, en die
zeer verre onderdoen voor alle mogelijke rondgaande stads-bonmots en
calembourgs, maar die uit een gulle, vroolijke stemming voortkomen
en, in die stemming, op het boereland zeer goed opgaan, en opgaan
zullen zoo lang, om den nekrologischen stijl te gebruiken, "zoolang
boerenaardigheden in Nederland op hare rechte waarde zullen worden
geschat".
Onder dit alles roepen de mannen en vrouwen en kinderen, die met drank,
moppen, en smakborden den trein, het geheele bosch door, volgen en
overal hunne draagbare tenten nederslaan, uit alle macht en alsof op
ieder der aanwezigen de zedelijke verplichting rustte iets bij hen
te verteren: "Wie 't zen beurt is!" "Je hebt al lang naar een slokje
verlangd, buur!" "_Arie, Arie_, wat is je keel droog!" "Aventuur je
't niet rais? Zes der boven en twee der onder!" "Hier is _Keesje_,
hier is _Keesje_! Je het _niet_ te betalen; hij betaalt de koekebakker
ook niet!" En allen wenschen voor de zesenzeventigste maal "handgift"
te ontvangen. En de kleine boerejongens dringen, met de kinderen van
den dominé en van den chirurgijn en van het "groote huis", door de
menigte in alle richtingen heen, om let te spelen of schuilevinkje
achter de parken; of springen als jeugdige acrobaten van de eene
stomp op de andere; of laten zich van den eigenaar van 't bosch op
een schellingskoek tracteeren, daar hij hen, voor zijn rekening,
zoolang naar heeft laten gooien, tot hij hem op niet meer dan een
gulden te staan komt.
Bij den laatsten koop begint er al wat reuring te komen, en bij
het laatste nommer--laat het een mager boompje wezen, dood in den
top--wordt een vijfje opgestoken; en een manneken uit de stad, dat
te opgewonden is om te cijferen, blijft er tot algemeene vreugd aan
hangen. En de pret is uit, behalve voor den boschbaas en voor de
magistraten, die bij de veiling hebben geassisteerd en op een stuk
gebraden rundvleesch met grauwe erwten onthaald worden.
Maar het is in 't laatst van Januari, en uw barbier hangt u
telken morgen verschrikkelijker tafereelen op van de duimen dik,
die het in de stadsgrachten gevroren heeft. Nu komt ook gij met
een volksfeest voor den dag, en verheft de borst trotsch op uw
ijsvermaak. "Uw ijsvermaak!" ik neem er mijn hoed voor af, schoon
ik niet van ijs houde en er liever buiten blijf, omdat ik zoo dol op
het levende water ben. Uw Amstelkermis, o Amstelaren! Uw Maaskermis,
o Rotterdammeren! "bieden een treffend schouwspel aan"; uwe courantiers
kunnen er niet genoeg van zeggen; als gij wandelt, rijdt, harddraaft,
kolft, biljart, bittert, en zelfs stookt op het ijs, waar zich alle
standen aan hetzelfde vermaak overgeven, de hooggeborene in zijn
polonaise en de watervoerder in zijn schippersbuis; als een akkoord van
't vereenigd gekras van duizend hollandsche en engelsche en friesche
schaatsijzers de lucht vervult, terwijl de narretuigen rinkelen,
en de zoetelaars met brandewijn van "negentig graden!" die pogen te
overschreeuwen; als al de pracht van met bont gevoerde en gezoomde
douillettes, pelzen en sjaals door de heldere winterzon beschenen
wordt, en eene weelderige maatschappij haar grootsten rijkdom tegen
de soberste karigheid der natuur schijnt te willen over zetten. Maar
denkt niet dat wij buiten ook geen ijsvermaak hebben! Pret hebben wij,
degelijke pret; en ik wenschte wel dat gij die ook hadt.
Ik onderstel dat gij zelf bezitter zijt van een of ander landhuis nabij
een klein dorp; daar zult gij ook een ijsvreugd zien en, indien gij van
kinderen houdt, zal zij u verrukken. De volwassenen versmaden dezen
geringen plas; maar hier hebben wij den kleinen dikken _Wulbert_ met
de mooie oogen, die zijn schaatsjes loopt halen, zoodra hij hoort "dat
de jonge heeren er op mogen", en zijn nog kleiner broertje meebrengt,
dat voor het allereerst begint te scharrelen. Alras verzamelt zich
uit alle woningen een aardig troepje van boertjes en boerinnetjes,
die elkander alle bij den naam noemen en zeer familiaar zijn met
de jonge heertjes en jonge juffrouwtjes van de Buitens, die hunne
schaatsen binnenskamers hebben aangebonden met groot rumoer, en die
met roode bouffantes en even roode wangen zich in den stoet komen
mengen. Daar stijgt de vroolijkheid ten top en het kleine grut glijdt,
scharrelt, en zwiert, en draait door elkander, en valt op een hoop,
en poeiert elkaar met sneeuw; en de jongens zitten de meisjes op hunne
schaatsen na, en kapen ze de losse hoedjes van 't hoofd, zonder dat
ze daarom nog verkouden worden, en rijden er in triomf mee rond op de
punt van hun ijshaakjes; en de slee gaat heen en weder met een heele
vracht kleine meisjes er in, en met een heele bende kleine jongens
er achter, en zwiert bij het omdraaien "zoo verschrikkelijk!" dat
zij het allemaal uitgillen. En dan zult gij, de landheer zelf, lust
hebben om den zoetelaar te spelen, en de vroolijke jeugd te verkwikken
met koek en een schijntje van brandewijn met suiker; en dan gaat er
een vreugdekreet op; en de boerekinderen hebben nog nooit zoo iets
lekkers geproefd, en de arbeider, die de baan geveegd heeft, wordt ook
niet vergeten, en glist af en aan, met zijn bezem over den schouder,
en maakt gekheid met de kleine deugnieten, en krijgt onverziens een
sneeuwbal aan zijn ooren dat ze tintelen; en dan raakt de deugniet,
die den sneeuwbal gegooid heeft, van de been, en schuift een heel end
ver over 't ijs voort, en daardoor heeft een andere deugniet, die al
tweemaal op zijn neus gelegen heeft, onuitsprekelijk veel genoegen. En
dan komt er een scheur in 't ijs, "van de sterkte!" zoodat het kleine
ventje, dat voor 't eerst op een paar verroeste ijzertjes staat en,
met zijne dikke armen in een nauw buisjen in de lucht roeiende,
zich de illusie maakt vooruit te komen, stilletjes afbindt; maar de
mannen van een twee- of driejarige ondervinding spreken van balken
die er onder komen; en het is alles drukte en gejoegjag en geluk;
en al de jongens en meisjes weten niets prettiger dan dat het hard
vriest en er morgen weer een duim dik ijs ligt in het gat dat heden
gehakt is, waarvan zij u des morgens de bewijzen komen vertoonen op
uw bed. De donkerheid alleen maakt een einde aan de vreugd, waarin
het middagmaal slechts een kleine pauze teweegbrengt. Maar laat het
maar lichte maan zijn, dan komt er nog menigeentje weerom, en wel
eens een grooter slag van rijders ook, waar de andere wateren des
avonds te ver-af of te vol gevaars voor zijn; en zoo ge geen lust
hebt om mee te doen, gij kunt het zien, daar gij voor den haard zit,
die de gezichten uwer lieve gade en schoone dochters verlicht met de
vlammen van steenkolen, die vooral dan helder zijn, als gij er een
splijt met de punt van de pook; terwijl het vertrouwelijk schemeruur
een macht van zoete herinneringen medebrengt, een overvloed van
gezellige praatjes uitlokt. En wellicht brengen u de gesprekken uwer
huisgenooten op het een of ander schoon gedicht of belangrijk boek,
dat uwe kleine boekerij versiert; en des avonds, als alles stil is
in en om het huis, leest gij er uwen kleinen kring uit voor, onder
het genot van een glas warme punch of streelende kandeel, en denkt er
niet aan, hoe in dat zelfde oogenblik, in een der gehoorzalen van de
hoofdstad, een jeugdig slachtoffer van zijne eigenliefde en van den
secretaris eener geleerde maatschappij, in een zwart pak kleeren en
met een bleek gezicht, wordt _opgebracht_ door een statigen stoet van
achtbare mannen, om tusschen zes waskaarsen en voor een aanzienlijke
schaar van heeren met en zonder ridderorden en mooi gekleede dames
(ik meen "geachte vrouwenschaar"), eene verhandeling te lezen die
verveelt, of een dichtstuk dat al te akelig is, van een man die bij
vergissing met zijn zuster trouwt, of van een juffer die zich dood
treurt op een toren.
Wilt gij nog een andere tegenstelling? Ja, vergun er mij nog ééne;
gij houdt misschien niet van tegenstellingen; maar laat ik u nog op
deze ééne onthalen; zij zal treffend zijn. Maar nu verbeeld ik mij
u weder als steeman, en gij woont in Amsterdam of te 's Gravenhage.
Het is in het laatst van Februari. In uwen kring, in uw cercle, in uw
sociëteit, hoe wilt gij? misschien wel in uw huis, heeft zich, onder
al de _over_sluieringen der étiquette en _ont_sluieringen der caquets,
een droevig drama ontwikkeld. De schoone _Emmeline C._ was op alle
de feesten van dezen winter "reine du bal". Zij werd gefêteerd; zij
werd geadoreerd. Hare moeder was trotsch op haar; zij was trotsch op
zichzehe. Op de soirée van mevrouw v. W. ontmoette haar de jonge _Van
Staten_ en maakte "onbegrijpelijk veel werk van haar". Op het concert
van--noem eenen onovertrefbaren uit de tienduizenden onzer dagen!--was
het in het oog loopend hoe hij om haar heen fladderde. Op het bal ten
uwen huize (waar men zich zoo allercharmantst geamuseerd heeft, lieve
mevrouw!) en op al de casino's, week hij nauwelijks van hare zijde,
was onbegrijpelijk "aux petits soins", en men heeft zijn oogen zien
vonkelen als tijgeroogen als zij met een ander walste. Deze jonge
_Van Staten_ had een zeer innemend uiterlijk, zeer goede uitzichten
vóór zich, en een zeer respectabele familie achter zich; wat wonder
zoo zij ten laatste, door een weinigje te boudeeren, weten wilde
wat hij voorhad! Wat doet het monster op de laatste soirée, die
hij met haar bijwoont? Hij ziet haar nauwelijks aan; met een stijve
buiging vraagt hij haar ter nauwernood hoe zij vaart; als zij, op
aller aandrang behalve de zijne, zich aan de piano zet en zingt,
ziet zij hem, in den spiegel, die daarboven hangt, geabsorbeerd
in een gesprek--met een andere schoone? Neen; met heeren, met een
geleerde, met een diplomaat. En, een oogenblik later, neemt hij de
kaart op voor eene bejaarde dame, die, daar een andere bejaarde dame
en twee bejaarde heeren het haar in 't omberen te lastig maken, hem
verzocht heeft haar eens af te lossen. Den geheelen avond geen woord,
geen blik van hem voor de schoone _Emmeline_; en den anderen dag het
gerucht door de stad, dat zijn engagement met de freule E. te X., dat
reeds sedert dezen zomer gehangen moet hebben, er dóór is.--Het hart
der arme _Emmeline_ is gebroken ... neen! vergiftigd. Van dezen
oogenblik af is de gansche wereld haar geveinsdheid en mommerij,
en het geheele mannengeslacht louter valschheid. Echter wil ook zij
een mom dragen en evenzeer veinzen. Maar kan zij het weren dat al
hare vriendinnen haar in hare bijeenkomsten beklagen, en dat zij,
weken lang, onder den titel van "het meisje dat infaam behandeld is",
de toevlucht wezen moet der kwijnende conversaties op fluweelen sofa's
en der levendige tête-a-têtes bij marmeren schoorsteenmantels en in
vertrouwelijke vensterbanken?
Maar nu zie ik mijn buitenman een bezoek brengen bij een zijner
boeren, en met hem nederzitten bij diens namiddag-koffie-en-boterham,
in gezelschap van een koopman die, met een hoog, langwerpig pak op
den rug, op den boer reist, en in diepe stilte tegen zijn koffie
blaast, terwijl de vrouw en de meiden zich bedenken of er ook wat
noodig is. Maar de oudste dochter is naar de stad, en mijn buitenman,
die gaarne over de jonge deernen praat, acht de gelegenheid geschikt
om te vragen:
"Wel _Jantje_! heb ik het al, of heb ik het mis, dat je dochter
trouwen in het hoofd heeft?"
"Nou, heerschop!" is zijn woordenrijk antwoord, "de lui willen zoo
_veul_ zeggen; 't zou er kwed uitzien as we 't alles leuven wouwen;
ik zel niet zeggen dat ze niet rais deur een borst is ansniejen;
maar trouwen, zel ik mær zeggen: nien! dat laikt er niet nee."
"Heije je nou al bedocht, _Trijntje_?" vraagt de koopman.
"Nou jæ," zeit _Trijntje_: "geef me een kloentje zwart garen."
"En main, 'en stuk of vier heinsknoopies," zeit de vrouw.
"Ik had verleden najaar al gehoord dat ze met een vrijer te kermis
geweest was," zegt mijn buitenman, die niets van dien aard gehoord
heeft.
Maar de boer en de vrouw nemen bedenkelijke gezichten aan, die te
kennen willen geven dat er te veel dak op 't huis is, en de landheer
vindt het gepast zijn gesprek te veranderen.
"Hebje daar een potlammetje?" zegt hij, op een klein zwart dier
wijzende, dat op de vuurplaat geknield ligt, naast een dikke kat,
rood en zwart geplekt.
"Och jæ," zeit de vrouw; "we hebben twee lammetjes van dat ooi, ien
witje en ien zwartje, dat dan dut is. Maar 't iene het ie zóó dat 'et
'eboren was likt en opgnapt, maar het zwartje het ie leggen leten;
en ie wou 't niet leten zuigen ook, of we mosten hem vasthouen; en
nou leten we 't dan mær zoo drinken uit 'n trekpotje. 't Is mær het
akelekst dat het overal veuligheid doet."
"Jæ," herneemt de boer, "en mot meneer de kalven niet rais kaiken?" En
mijnheer staat op en volgt hem naar het hok daar zij zich bevinden.
"Kaik hier; der zijn der drie; twee kuitjes en ien bulletje; dat iene
kuitje is van daag 'ekomme. Leelijk haar, niet waar meheer!"
"Hij is al heel zwart."
"Hielkendal, meheer! Maar weetje wat _ik_ zeg? Je mot gien beest om
zen haar verachten; ik denk dat 'et niet past, en dat je der gien
zegen op hebbe kenne, zel ik mær zeggen. Je heb mense, die zijn er zoo
keurig op, kaik! maar ik zeg dat 'et niet past; en ik zel dat zwarte
kuitje anleggen, zoo goed as dat bonte. En weetje wat _ik_ denk? 't
is nog beter as 'en hiele witte, want die worden dan skrikkelek van
de vliege plaagd, en ze zam ook erg kouwelek; gunder steet er iene,
die het een rond jær met 'et dek 'eloopen."
"Maar as 't nou eens een _rood_ kuitje was?"
"Jæ, _dan_ most 'et weg; die brandrooie mag ik niet," zegt de
philozoische boer, die geen beest om zijn haar wil verachten, maar
wien dit vooroordeel te machtig is. En plotseling het vroeger gesprek
weder opnemende, gaat hij ten overstaan van de twee kuitjes en het
eene bulletje, die hij beurtelings op zijn hand laat zabberen, voort:
"Nou kaik, je bent best onderricht ook, hoor! En ze had 'er zinnen wel
op 'em steld ook, zei ik maar zeggen; maar ik en 't waif hadden gien
erge zinnighaid in de borst, en deerom is er dan ook niet van komme;
want _Hil_ is 'en erg best maidje, kaik, dat lijkt erniet nee; 't is
me stiefdochter, mær of was 't men aigen, 't kon niet beter zain;
en de miester zait dat hai er nooit zoo ientje zien hadde, en zoo
erg gnap, zei ik nou mær zeggen, in 't gien deer hai der inleerd het;
en et waif zait dat _Hil Zoo_ erg best is voor skrobben en skuren en
keezen, en zoo hielkendal gnap in 't werk, dat 'n best waif zoudie
er an had hebbe. Maar jæ, 'k miende den nou, zel ik mær zegge, dat
ze zoo'n best maidje is, om reden dat ze 't zoo in iene hielkendal
uit 'er hoofd 'zet hadde. 'k Zaide: _Hil_! zaid' ik, das nou iens
veur de fiedel met _Hain_, mær je weete, dat 'et veur 't lest is
ook. Nou, ik zag ze wel, dat ze erg zuinig keek; mær ik dæn of ik
't niet bespeurde; en 't ierst dat ie weer weter veur der dreege,
zag ik dat zem gnap op zai douwde, en 't leek wel dat ze zaide: Vær
wil hielkendal niet van je ofweete. Mær zoo as dat geet, meheer;
't laikt wel, zei ik mær zeggen, of je niet van mekær of kenne,
as je't iens op mekær begrepen hebbe; 't was met main en _Geesie_,
dat nou de vrouw van _Tak_ is, krek al ien, in me jonge taid, meer ik
was er vær veul te skræl van skaiven, en nou heb ik an _Marijtje_ 'en
erg best waif. Nou, mær ik zagge den wel, dat 'et met _Hil_ en _Hain_
niet goed of zou komme, en ik zaide teugen 't waif: Waif, zaide ik,
je kent 'et nog wel rais anzien, mær as 't nee _main_ zin geet, dan mot
de borst weg. Mær de vrouw miende dat ie zoo erg best in 't werk was,
en dat we hem niet allienig wegzende mogge omdat ie rooms kattelijks
is, want dominé hadde zaid dat we drægzæm met de roomse wezen motte,
en 'et waif het bij de miester weund, en die weet 'et den erg best,
en die zaide ook zoo. Mær ik zeg: nou _Marijtje_, de borst _mot_ weg,
zeg ik; of je nou hoog of leeg danse, de borst mot _nag_ weg; want
ik bin allan baas bleven in 'et huis, en dat weet 'et waif ook wel;
en deerom, toen ik allan zaide: de borst _mot_ weg, zaide 't waif:
wel nou, leet ie geen, as jai denke dat 't veur _Hil_ der best is;
en zoo is ie 'geen ook."
"En wat zei _Hil_ er wel van?" vraagde de landheer, die als hij uw
laatste romans gelezen heeft, o heeren uit de stad! denken moet dat
het meisje ten minste eenige teringen gezet heeft.
"Wèl nou, deer wil ik den ook wel leuven dat je _Hil_ voor wezen
mot om zoo te doen as zai dæn. Ik speurde in de beginne wel dat
'et er niet an en stond, mær ik zaide: _Hil_, zaide ik teugen der,
nou, leg niet te knaizen ook, maidje, want de borst _is_ ienmæl weg,
en hai _blaift_ weg. En kaik, ze is weer an 't keezen 'geen, en op
melkerstaid onder de koeien, krek of niks beurd wazze!"
En de houten klink wordt opgelicht, en de heldin der historie
verschijnt, het helder voorhoofd met het schoone mopje beplooid,
het gele jakjen aan, een hengelmand onder den arm, en vroolijkheid
en schalkheid in de blauwe oogen; en de landheer geeft haar een
vriendelijk kneepjen in de wang, en zegt:
"Zoo _Hil_, ik zei daar net tegen je vader, dat je zoo'n knappe meid
wordt en dat het me verwondert dat je nog niet aan 't vrijen bent."
"Vrijen meheer?" zeit _Hil_, "ik weet niet wat ik liever dee"! En
ze huppelt haastig voorbij, en doet haar moeder bescheid op de
boodschappen, en helpt den reizenden koopman in het opladen van zijn
pak, en vraagt hem lachend of hij wel weer zou kunnen opstaan, als
hij er mee voorover viel.
"Zou je me helpen, _Hil_," vraagt de koopman met een smeekend oog,
"as je me zag leggen?"
"Deer zou ik rais over denken!" zegt de vroolijke Hil. "Dag
_Doris_! Wel thuis, meet! Val mær niet, hoor! En _as_ je valt,
_Doris_! al is 't ook nog zoo leet in den evend ...."
"Nou; wat dan?" vraagt de koopman met een sentimenteelen lach.
"Kom den hier, hoor; den zei 'k je ophelpen. Dag DORISbuur!"
De maand Maart is in 't land, met hare gehate afwisseling van sneeuw,
storm, en regen. De geheele stad hoest en proest en vraagt met
verontwaardiging hoe zij aan den onverdienden naam van lentemaand
komt. De buitenman vraagt het niet, want voor hem is zij rijk aan
bemoedigende verschijnselen, aan bewijzen van nieuw leven en nieuwe
kracht der natuur. Als hij in de heldere dagen of op de heldere uren
van den dag, zijn esschen stok opneemt en rondwandelt, ziet hij alom
de braakakkers vervuld met deftige schapen en vroolijke lammeren,
die op de stoppels grazen; ziet hij den ploeg drijven door de stoppels
van andere, die dit jaar hun vrucht zullen moeten opbrengen. In zijn
vijvers zijn de eenden gekomen, die een nest zullen bouwen onder de
lage takken van den sparreboom aan den oever; de hazelaars bloeien;
zijn moestuin wordt sedert vrouwendag in orde gebracht, en weldra
zullen zijn doperwten worden gelegd; nog een veertien dagen, en de
stier begint rond te gaan, en de merels zingen luide en heerlijk
in zijn nog dor hout. Eer de maand ten einde loopt, zijn hem de
eerste kievits-eieren gebracht en is zijn bloemkool reeds gepoot;
en nauwelijks is de wispelturige April daar, of de ooievaar laat
zijn lange pooten op zijn dak nederkomen; zijne perziken beginnen
te bloeien; zijn violenbed is blauw; zijne kuikens komen uit; een
lichtgroen waas spreidt zich over zijne boomen, en de donkergroene
garst schiet op zijne akkers op; de bloesem der wilde kastanje meldt
zich reeds in den knop; en den 18_den_ of uiterlijk den 19_den_,
verkondigt de blijde nachtegaal met een helder georgel en een
schellen slag dat hij daar is om het lied der lente te zingen. Iederen
morgen hoort hij aan zijn ontbijt nieuwe berichten van boomen, die
reeds geheel groen zijn, en op iedere wandeling ontmoet hij nieuwe
bloemen. In den tuin vertoont zich reeds de groene hoop des zomers
boven de aarde; de wilde tortels en blauwe duiven vliegen af en aan
door het geboomte, met dwarse takjes in de roode bekken; de zwaluw
scheert over het water en vliegt een stal binnen, om zijn nest op te
hangen boven de ruif; het jonge vee loeit reeds in de weide, en de
melkkoeien zullen met den eersten Mei kunnen worden uitgezet.... En
des zondags zijn de wegen vervuld met wandelaars uit de stad, die
al die schoone wonderen komen bezien, en waaronder zich een enkele
vertoont, die reeds een witte zomerbroek heeft aangetrokken, in de
zalige overtuiging dat hij een rechte primula veris is.