BIJVOEGSEL DER DERDE UITGAVE TOT DE NAREDE EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND.

Bijna twaalf jaren zijn verloopen en de toegezegde "Nieuwe

Vertooningen" [21] verschenen niet. Wel lagen, reeds op het oogenblik

der toezegging, eenige schetsen gereed, maar het _spelen_ met de

Camera Obscura, waardoor ze tot een boekdeel zouden zijn aangegroeid,

moest ophouden. De tijd van het _incidere ludum,_ waarvan mijn

motto gesproken had [22], was met nadruk daar. Ik kon voortaan mijn

instrument beter gebruiken.

Sommige mijner vrienden beweren dat ik er sedert niet of weinig aan

gehad heb; andere meenen dat het mij nog altijd goede diensten gedaan

heeft. Zoo dit laatste het geval mocht zijn, blijft het met te meer

nadruk: _nec lusisse pudet._

Intusschen heeft eene te groote belangstelling de uitgevers tot een

derden druk van _Hildebrands_ boekske verleid, en zij wenschten; het

woord blijft natuurlijk geheel voor hunne rekening; zij wenschten

dien te verrijken met hetgeen zij maar al te wel wisten dat nog in

de sedert lang geslotene portefeuille voorhanden was. Had hij moeten

weigeren? Dan zou het toch waarlijk geweest zijn: _lusisse pudet._

Ik weet niet of de te dezer gelegenheid voor 't eerst aan 't licht

gebrachte opstellen beter of slechter dan de andere zijn. Maar het

zou mij verwonderen, daar alle te zamen de voortbrengselen zijn

van een zelfden geest en tijd. Veel is er in het geheele boekdeel,

dat ik u thans voor de derde maal aanbied, dat ik nu anders zou

gevoelen, beschouwen en voorstellen; veel dat _le mérite de l'

à-propos_ verloren heeft. Maar ik geef het zooals het is en voor

hetgeen het is. _Il faut juger des écrits d'après leur date_ blijft

een treffelijke spreuk. Indien ik op dit oogenblik gelegenheid of

genegenheid had om denzelfden vorm van schrijven te gebruiken, ik

zou meenen tot iets belangrijkers, iets geestigers verplicht te zijn;

en vooral tot iets dat van een dieper menschenkennis en vruchtbarer

levensbeschouwing getuigde.

Indien ik daartoe onvermogend ware, ik zou moeten zeggen: ik heb een

dozijn jaren te vergeefs geleefd.

Waarde vriend, er heeft, sinds ik u voor de eerste en tweede

maal het meerendeel dezer minbeduidende opstellen opdroeg, al

vrij wat plaats gehad in en rondom ons. Het leven is ons sedert

eerst duidelijk, ja, wij mogen wel zeggen eerst _bekend_ geworden,

en op onderscheidene wijzen werden wij bij den ernst des levens en

bij onszelven bepaald. Het is wel eens bang geweest daarbinnen en

donker daarboven. Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze

vroolijke jeugd, ondanks al haar verbeeldingskracht, geen denkbeeld

had. Gelukkig indien wij vreugden en ook vertroostingen hebben leeren

kennen, waarvan de kracht en de zaligheid in onze jonge harten niet

was opgeklommen. Zij zijn er; en Diezelfde die ons onze vroolijke

jeugd schonk, heeft ze te zijner beschikking, en geeft ze aan die ze

behoeft. Danken wij Hem, die ons een hart gaf om _alles_ te gevoelen,

een hart waaraan niets menschelijks vreemd bleef, en dat ook voor

het goddelijke niet onaandoenlijk is. Ook in dien speeltijd van onzen

geest, dien dit boekdeel ons herinnert, stonden wij nu en dan stil, als

op een aanraking met het hoogere, met het hoogste. De tijd is gekomen

om daaraan geheel ons hart over te geven en, bij het waarachtige

licht, alles en allen, maar allereerst onszelven te zien. Neen, het

is de vraag niet meer van _spelen,_ maar wel van wederom _kinderen

te worden._ En daar is een _kind zijn_, waarin alleen de kracht,

de wijsheid, en de vreugde van den man gelegen is.

Camera Obscura · 第 39 / 64 题