hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere
massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging,
hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn,
uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle
manieren op en over elkander liggenden stapel jongens, die door een
kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen
van een meester koekebakker en zijne gezellen, die in hunne witte
linnen pakjes alzulke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten
en bakten, als welke _Henriette_ versmaad had verder te volmaken. Ik
stond een oogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling dier
straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens
van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen
toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zooals
maltentige menschen beweren, ziek zouden maken.
"Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken," zei de een,
en ondersteunde zijn begeerte met eene heftige beweging der ellebogen.
"Doppie, _Jan_! dat is een mooie!" riep een ander, "da's zeker 'en
Jan Klaasen!"
"Ben je mal, jongen?" riep een derde; "'t is 'en waif!"
"Nou as dat 'en waif is," merkte een vierde aan, "dan mag ik laien
dat _Piet_ in de' kelder valt."
"Hou je ellebogen vóór je, _Gerritje_; ik waarskou je, hoor!"
"Pas op, _Pietje_! of je holsblok gaat de bakkerij in."
"Kaik; ie doet den oven open; is 't men een vuurtje?"
"Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!"
"Wel nou, mot 'et deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent
ook een mooie...."
"Wacht 'en beetje! da's een kokkerd,--die kost wel 'en daalder, hoor!"
"Hoor je _hem_? Je zoudt er wel kommen met 'en daalder."
"'En daalder op je oogen."
Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor
het raam van dit atelier.
Op den hoek van 't huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende
geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar onder
"H. P. _De Groot_. _Alle zoorten van koek en kleyngoed_." Ik trad den
winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen
in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen
horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan
den gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er
iemand opdaagde.
De glazen deur ging open, en het mooie _Saartje_ verscheen, met een
hooge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek of uit eene
zeer warme kamer komt.
"U alleen, mijnheer _Hildebrand_?"
"In plaats van uw nichtje _Kegge_, lieve juffrouw! ik kom haar bij
u verontschuldigen."
"Maar u zal toch binnenkomen?"
"Een oogenblikje."
_Saartje_ opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik overzag
de schare.
Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting,
bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring,
met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger, juffrouw
_Mietje Dekker_, de dochter van een deftigen kleedermaker, en aan
hare zijde, met een groote doodvlek op haar wang en een koperen
gesp als een vierkante zon op haar buik, _Keetje de Riet_ uit den
kruidenierswinkel. En daarnaast _Pietje Hupstra_, wier vader het
gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde
dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje
door een ringetje gehaald. Dan had men er _Truitje_ en _Toosje_,
de twee telgen van den heer _Opper_, voornaam metselaar, waarvan de
eene in 't openbaar een hoed met steenen bloemen en de andere een
dito met houten pluim droeg, maar die in dezen huiselijken kring
zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de eene van een blauwe,
de andere van een roode céphalide, in de stellige overtuiging dat er
op dit ondermaansche geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon
bestaan. Voorts het magere _Grietje van Buren_, die de oudste van
de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht;
zij leefde "in otio cum dignitate" van een kleine lijfrente, haar door
eene oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets
minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met
een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen
niet ongelijk. Ook zag ik _Bartje Blom_, wier vader een deftige
spekslagerij had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar
middelsten vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelden vinger
had verwond, bij welke kwetsuur "de kou" gekomen was. Ter afwisseling,
_Suzette Noiret_, dochter eener weduwe, die op een hofje woonde, en
van de Fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en
net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het bruin, met het blonde
_Saartje_, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hooger
einde van de tafel, moeder _De Groot_ zelve, een dame van een veertig
jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed en dragende een muts met
eene belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed
genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van
het hoofdtooisel dat zij op den vijfden december dragen zou.
De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw _De
Groot_, die gehoopt had met _nicht_ _Henriette_ te pronken; het speet
de vergaderde juffers ook recht, zooals zij zeiden, schoon ik mij
overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een _dame_ voor menig
harer een pak van 't hart was. Een algemeen gefluister, dat door de
dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de
solo van _Grietje van Buren_ ontwikkelde, met de betuiging, "dat het
jammer voor juffrouw _Kegge_ was; zoo reis vergulden, dat was altijd
nog reis aardig".
"Ik hoop," zei juffrouw _De Groot_, "in de aanstaande week, de kleine
neefjes en nichtjes der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo
wat klein grut."
"Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken," merkte
juffrouw _Van Buren_ aan, haar penseel indoopende en een lange streep
goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.
"'t Ziet er wel prettig uit," zei ik zelf; "ik watertand om het ook
reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?"
Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vroolijkheid te
weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk
meende.
Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met eenen bij alle
koekebakkers voor beleedigend gehouden naam "plakken" genoemd,
zijn vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het
verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen-
of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone menschen den
staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde
goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk
te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve _Saartje_,
die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking
moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers,
ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan
het tegenovergestelde einde moeder _De Groot_, die ook de thee schonk,
boekjes bladgoud in breeder en smaller reepen knipte, om daarvan ieder
behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was,
en elk der genoodigden met een penseel en een konijnepluimpje was
uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan, en bij ieder materiaal of
instrument, dat ik in handen nam, proestte men 't uit van 't lachen
en ging een kreet van verbazing op.
"'t Is zonde!" betuigde _Mietje Dekker_.
"Heb ik van mijn leven?" informeerde _Keetje De Riet_.
"Die stedenten hebben alevel altijd wat raars," fluisterde die van
de roode céphalide.
"Menheer doet het heusch!" verklaarde die van de blauwe.
"'k Ben benieuwd hoe dat af zal komen," zei _Grietje Van Buren_.
"Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar, juffrouw _De
Groot_?" vroeg _Bartje Blom_, die het goed met mij scheen te meenen.
Maar _Suzette Noiret_ en _Saartje_ wezen mij terecht en deden 't
mij voor.
Nu moeten mijne lezers, die misschen laag op de schoone kunst van
koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel
eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder
beplakken; een streepje voor den grond, en een ruitje op zijn lijf,
dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierëntwintig
stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van den kraag en de
ruitjes van den breizak toe; een Eva bij den boom op te sieren, geen
enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de
bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met
gouden reepen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten,
zooals juffrouw _Van Buren_ deed, en een koets met paarden, als
juffrouw _De Riet_, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist te doen
kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het
is gemakkelijk gezegd: 't is maar koekvergulden! maar ik verzeker u
dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld
een hemelsbreed onderscheid was tusschen den vrijer, dien _Toosje_,
en den vrijer, dien _Truitje_ had uitgemonsterd, zoodat _Toosje_
zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe _Truitje_ die parapluie zoo
natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van _Truitje_ dan ook rondging, en
het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als
of die parapluie leefde.--Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen
dat mij; nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter,
dien juffrouw _Noiret_ onder handen had, beproefd, en mij van haar
omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij,
zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een groote,
majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbijgestane verantwoording
werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte
op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht
de juiste hoeveelheid water, die men op de plaats penseelt, waar men
het goud op wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil
het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel
dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroer?
Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te
doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan
de zachtmoedigheid der critiek toeschrijf; en weldra lette men er
niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. _Mietje Dekker_
met de bloedkoralen, _Keetje de Riet_, en _Pietje Hupstra_ hadden het
heel druk met juffrouw _De Groot_ over "fripante sterfgevallen in de
Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den bloei van 't leven, en twee
door een ongelukkig toeval". Voorts spraken zij van "pinnetrante kou,
fattegante reizen, en katterale koorsen". Zij roerden ook het teeder
onderwerp van "vomatieven, en opperaties", en kwamen van lieverlede
nog eens op den vinger van _Bartje Blom_. "Zij moest er toch niet te
luchtig over denken." De een zei, zij moest er den meester bij halen,
maar de ander beweerde dat zij er den meester _niet_ bij moest halen;
en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die
den duim van den neef van haars zusters man "verknoeid" had. De een
wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried
zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk
onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam
als koekebakkersdeeg. En _Bartje Blom_ dacht er over hoe zij deze
verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte _Grietje
van Buren_ zich van den boventoon meester en vertelde het gezelschap
wonderen van de gierigheid van de freule _Troes_, van wie zij hare
lijfrente had. "Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouen
gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid
de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of
der--hoeveel is 't ook weer? viermaal vierentwintig?--als 't viermaal
vijfentwintig was, dan was 't net honderd; dat 's vier minder; dat's
zesennegentig;--of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze
dan op tafel kwamen, nog eens." Waarop die van de blauwe en roode
céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. _Bartje Blom_
vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden,
door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij den weg
vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar
om verscheidene anekdoten van befaamde Engelsche gierigaards te
verhalen, die bij al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier
nog eens gaaf opgingen, zoodat men mij zeer aardig begon te vinden,
maar tusschenbeiden ook aanmerkte, "dat ik er maar wat van maakte".
Juffrouw _Noiret_ was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar
doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om den mond,
die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.
_Saartje_ was allerliefst en, schoon het geheele gezelschap in
beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel
eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te
voorzien; maar _Grietje van Buren_ begon haar veelbeteekenende oogen
toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de
zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de
anderen. Evenwel kreeg _Bartje Blom_ ook haar beurt, daar men haar
laatst, bij het uitgaan van de kerk, zoo vriendelijk had zien groeten
tegen een zekeren _Kees_; maar zij wendde de scherts af, door haar op
die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis
met denzelfden _Kees_ in 't paardespel geweest was; en die van de
blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar
zuster en _Kees_, "ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt";
waarop die van de roode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht;
waarop _Grietje van Buren_ aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg;
waarop _Bartje Blom_ uitriep: "Nu, nu _Grietje_; ik vertrouw jou
ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk
dat daar ook wat zit!" waarop _Grietje_ verklaarde, dat _Bartje_
een ondeugd was.--Ik merkte op dat _Suzette Noiret_ door niemand
werd geplaagd.
Om een uur of half acht kwam er een groote ketel anijsmelk binnen,
die door al de dames "déli" gevonden werd. Daarna kwam de schepper
en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op
te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat
vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vroolijke man, die er
heel veel pleizier in had, toen _Bartje Blom_ hem knipoogend vertelde,
dat _Toosje_ en _Truitje Opper_ vast wel voor zeven gulden gebroken
en opgegeten hadden, waarop _Toosje_ aanmerkte dat zij, _Bartje_, wel
zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip in haar zak had
gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat geen van de dames de
deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen
verhief zich de vroolijkheid tot uitgelatenheid. _De Groot_ stopte
een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weder
ter bakkerije.
Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen,
goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de
ooren. De een was een broer van _Pietje Hupstra_ en schreef op 't
stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen _Opper_ en voor
't kastemaken bestemd; en de derde, een broer van _Keetje de Riet_,
ondermeester op een Hollandsche school; het doel van hunne verschijning
was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne
bescherming zoude willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.
Nu zei juffrouw _De Groot_ dat men maar uit zou scheiden, want dat
het toch altijd gekheid werd "als de heeren er bijkwamen," en er
werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men
koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig
was opgeredderd, "alle vogels vliegen," en ik heb nooit zooveel
onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw _De
Groot_ een dromedaris wilde laten vliegen. _Bartje Blom_ werd met "den
vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis,
van welke de ondermeester _De Riet_ beweerde "dat hij niet vloog, maar
fladderde". Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heeren verbeurden
pand, en _Saartje_ verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand.
Toen werd _Grietje van Buren_ verkoren om al de panden te doen lossen,
en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van
_Mietje Dekker_, met en benevens het tissuutje van _Keetje de Riet_,
en een "lodereindoosje" van haarzelve, en een vingerling van de oude
juffrouw _De Groot_, en een pennemes van den ondermeester _De Riet_,
en een ménagère van _Bartje Blom_, en een horlogesleutel van den
kastemaker _Opper_, en een huissleutel van den klerk _Hupstra_, en
een beurs van mijzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in
HEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid,
en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wien ik dit
pand in de hand heb?
Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wij
tot het terugbekomen onzer kleinoodiën moesten ten uitvoer brengen;
als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen,
den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën, als
daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok,
het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel
gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps
niet, toen _Toosje Opper_ iets heel moeielijks had opgegeven, in de
stellige overtuiging dat _Bartje Bloms_ pand voor den dag zou komen,
en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek te zijn; of toen de heer
_Hupstra_, in het spaansch speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan
had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw _Noiret_ had gekozen,
en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den
jongen _Opper_ het lot te beurt viel haar den zoen te geven!--in
één woord, het was aller-aller-prettigst, de vreugd was op ieders
aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder
deze goede blijhartige menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien
ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw _Kegge_
en de charmante viool van den charmanten _Van der Hoogen_.
De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de
heeren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw _Noiret_, die mij groot
belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en
van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen
zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap
die ik zoo onverwachts had aangeknoopt.
Juffrouw _Noiret_ was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar
thuis te brengen. "Het was zoo ver!"
Ik antwoordde zooals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn genoot,
het mij des te aangenamer zijn zou.
"Ach!" zeide zij, "mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel
aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vroolijke menschen. Zat ik
er niet treurig bij?"
"Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch..."
"Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vroolijk was!" viel zij mij in
de rede. "Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk;
maar mijn hart was ergens anders... Mijn hart was bij mijn moeder,"
voegde zij er haastig bij.
"Is uw moeder ziek, of..."
"Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou
mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke
menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee
verontschuldigen, dat zij eene oude moeder heeft? Ook had zij van
avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat
ik gaan zou."
_Suzette_ zuchtte.
"Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik. "Gij zijt, dunkt mij, nog zoo
heel jong."
"Ik ben drieëntwintig, mijnheer!" antwoordde zij met openhartigheid
"en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken
gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had toen negen
kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste, en nu kan zij niet
wel zonder mij... en ik niet wel zonder haar."
"En uw vader..."
"Mijn vader was de zoon van een Zwitsersch predikant, mijnheer! Maar
zijn vader had hem niet kunnen laten studeeren. Hij had maar
een kleinen post bij het accijnskantoor, en moest mijne moeder in
behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft
zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch..."
"Ik geloof," zeide ik, "dat wij voor de poort van het hofje
staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen schel trekken!"
"Helaas, geen van beiden," zei _Suzette_, op een allerdroevigsten toon
van stem, die een klank had als of haar een traan in de oogen schoot:
"geen van beiden. Mijne moeder woont wel op het hofje, maar ik niet."
"Waarom niet?" vroeg ik.
"Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar," ging _Suzette_
voort: "ik kom er 's morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet
wordt, en blijf er den heelen dag bij mijn moeder; maar slapen mag
ik er niet. Vóór tienen moet ik er vandaan, en's avonds na zevenen
mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder
nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!..."
En zij zag naar de geslotene poorte om.
"Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje,"
ging zij voort; "haar naaste buurvrouw is onbeschreeuwbaar doof;
en als haar eens iets overkwam--! Dat, dat is mijn grootste zorg;
dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal!..."
"Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel..."
"Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van't hofje een
verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en _dan_ mag ik in haar
huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve
moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht
was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn... Ik zou
het niet overleven!"
Wij gingen zwijgend verder.
"Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw _Noiret_, hare schoone oogen
afvegende, als wij voor een kleinen koomenijswinkel stonden; "ik dank
u voor uw vriendelijkheid."
"Ik hoop," zeide ik, "dat gij uwe moeder nog lang zult hebben, en
zonder angsten."
Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen
winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zij
was. Wij scheidden.
Ik vond de familie _Kegge_ reeds bijna aan het souper. _Van der Hoogen_
deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan _Henriette_,
die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette
(het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men vermeed in 't
bijzijn van ZHWG. van "de _De Grooten_" te spreken, en eerst toen
hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had. Ik gaf
een gunstig antwoord, maar trad in geene bijzonderheden, omdat ik
voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der _De Grooten_,
_De Rieten_, _Dekkers_, _Hupstra's_ en zoo voorts, door eene juffrouw
_Henriette Kegge_ wilde hooren bespotten.
De Grootmoeder.
Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad,
zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met roodlederen
zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffeering van haar
eigen kamer behoorde, bij het vuur. Eene kleine tafel was daarbij
aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel, waarin zij
ijverig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand.
De schoone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend
tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen iedere
beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar haar
breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg.
Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het
minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na afloop
daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen dáárdoor dat zij
mijne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig,
stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige, maar
dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknochtheid
van haren schoonen langen-hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk,
dat zij een gesprek met mij zou aanknoopen.
Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl ik mij
nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid
de schoone plaats van _Paulus_ oplezen: "For we are saved by hope:
but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth
he yet hope for? But if we hope for that we see not, then do we with
patience wait for it" (Rom. VIII. 24, 25).
Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in
haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij de
woorden "then do we with patience wait for it".
Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond.
"Gij zult mij vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zij;
"mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier."
"Gij leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw!" antwoordde ik; "drukte
zal u misschien hinderen."
"O neen!" hernam zij, met een luide stem; "ik ben sterk genoeg. Mijn
hoofd is zéér sterk; _ons_ menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik
ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig
geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek," zeide zij,
op haren Bijbel wijzende, "dit boek is mijn gezelschap."
Zij zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met
de bruine hand. Daarop hief zij zich weder een weinig in haar stoel op.
"Gij zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer _Hildebrand_,"
hernam zij; "en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is
van dien aard dat... Zeg mij eens, heeft men al eens met u over den
lieven _William_ gesproken?"
"Het spijt mij, mevrouw! dat ik u ontkennend moet antwoorden. Neen! men
heeft met mij nog geen woord over _William_ gewisseld."
"Heb ik het niet gedacht!" riep zij uit, hare handen in elkander
slaande en een diepen zucht loozende, die in een droevigen glimlach
overging: "ik wist het wel; ach, ik wist het wel!"
Zij zag treurig haar hond aan, die, als verstond hij hare klachten,
zijn voorpooten op haar schoot legde en zijn kop tot haar aangezicht
ophief, om haar te streelen.
"En toch is hij nog geen drie jaar dood, Diaan!" zeide zij, den poot
van den hond aanvattende: "de lieve _Bill_ is nog geen drie jaar
dood. Ik wil wedden," voegde zij er met nadruk bij, "dat de hond hem
nog niet vergeten heeft."
Eenige oogenblikken zat zij in een gepeins, waar ik haar niet in
durfde storen.
"Hij was mijn oogappel!" barstte zij uit, "mijn lieveling, mijn
uitverkorene, mijn schat!"--En toen bedaarder: "hij was een lieve
jongen; niet waar, mijnheer _Hildebrand_?"
"Dat was hij," zeide Ik.
"En toen hij wegging," ging de grootmoeder voort, "was het alsof
het mij werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan
hield hem bij zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? _Bill_ had niet
moeten weggaan. Hij had moeten blijven, moeten oud worden in plaats
van de vrouw.--En als hij dan volstrekt had moeten sterven, dan had
ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft
het nu gedaan?..."
Wat deed het mij goed aan het hart, haar te kunnen zeggen, dat ik
het zelf was geweest!
"Inderdaad?" vroeg zij met een zachten lach. "Ik benijd u." En zij
zag mij aan met een langen en strakken blik.
"Dezen zakdoek," ging zij na eenige oogenblikken zwijgens voort,
op den foulard wijzende, dien zij om den hals droeg, "liet hij bij
het afscheid liggen. Hij ging de deur uit, maar kwam nog weer terug
om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem
in zijn tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek
behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!"
Zij sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde mij
de brieven, die zij van _William_ ontvangen had en in dat boek
bewaarde. Zij nam er eenen op en tuurde een poosje op het adres.
"Hij schreef een mooie hand; deed hij niet?" zeide zij, en reikte
mij den brief toe.
Ik las het adres. Het luidde: "Aan Mevrouw E. _Marrison_."--"E.M."
Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien
hij mij op zijn sterfbed gegeven had. E.M.! Ik had aan dien ring
een ganschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief,
jeugdig meisje gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor _William_
geopend had! Maar hoeveel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige
genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind! Schoon ik anders den
ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam
hem van mijn vinger.
"Deze gedachtenis," zeide ik, "gaf hij mij op zijn sterfbed. Hij
beval ze mij aan als iets dat hem heel dierbaar was."
Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten
er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.
"Mijn eigen ring!" riep zij uit. "Ja! ik gaf hem dien voor den
neusdoek; heeft hij hem altijd gedragen?"
"Tot weinige uren voor zijn dood!"
"En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was? De lieveling! Heeft
hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren
zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder?--Zie je wel,
Diaan!" zeide zij tot den hond; "het is het ringetje van de vrouw,
dat de lieve _Bill_ gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten,
Diaan! en wij _hem_ niet--ofschoon dan ook.... Ach mijnheer!" ging
zij voort, "mijne dochter was in 't eerst zoo hevig bedroefd; maar zij
gevoelt niet _diep_; zij was de laatste, de eenige overgeblevene, maar
niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zoo veel kinderen
over. Maar ik, ik had mijn hart op _William_ gezet. Hij droeg den naam
van zijn grootvader, mijn eigen braven _William_! Hij was altijd zoo
eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was een
_lieve_ jongen! Wat doen wij hier zonder hem, Diaan?"
Weder volgde een korte pauze.
"_Kegge_ is een goed mensch!" ging zij voort. "Hij is goed, hij is
hartelijk, hij is week. Maar hij is vol valsche schaamte; hij wil
nooit met een traan gezien worden. Hij verdrijft zijn beter gevoel
door luidruchtigheid. Toen hij _Hanna_ trouwde, was zij een speelsch
kind, die met zes jonge honden door de plantage liep. Hij heeft haar
niet ontwikkeld, niet geleid; zij ziet hem naar de oogen, zij richt
in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zij niet anders zijn
dan _hij_ zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen _Kegge_, en daarom
leef ik liever alleen. Hij verstaat mij niet. En dan! dat er nooit,
nooit een woord over den lieven _William_ gesproken wordt!--Maar _wij_
spreken van hem, niet waar Diaan?" en zij streelde hem zachtkens
over den kop: "wij spreken van hem. Hij was zoo goed voor den hond,
en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den
hond kijk, is het als zag ik den kleinen _Bill_ nòg met hem spelen..."
Zij nam den ring weder op.
"Ik zal hem u weergeven, als gij weggaat," zeide zij; "maar laat mij
hem nog een paar dagen houden."
"Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. "Gij hebt er
de grootste en teederder rechten op dan ik."
En ik reikte haar de hand.
"Mijn geheele leven!" antwoordde zij: "ik wenschte wel dat dat niet
lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een
Engelschman, maar mijne moeder een Westindische van ouder tot ouder,
eene inboorlinge. De lucht is mij hier te laf, de zon te flauw. Zoo
gij wist wat het mij gekost had de West te verlaten! Maar mijn eenig
kind, en het graf van mijn kleinkind trokken mij hierheen. Ook wilde
men mij niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis,
waar ik _William_ vóór mij had gezien; ik moest afscheid nemen van de
plekjes, waar ik hem had zien spelen, waar hij op zijn klein paardje
voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen
zien. Ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond..."
Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had,
hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in
zijne oogen:
"En wat zal er dan van Diaan worden?"
Een Concert.
De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in
de stad smaak had, en ik voeg er bij, lid was van het concert Melodia,
stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw _Henriette Kegge_,
de mooie dochter van den rijken West-Indiër, was gekomen.
De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te
acclimateeren, en de heer _Van der Hoogen_ was er zelf heengegaan
om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs eenigszins martelaar van
die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het
stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der pooten op 's
mans likdoren hadden doen neerkomen, dat hem "alleraffreust!" zeer
had gedaan.
Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te merken
dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd
gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval _niet_
was; maar zij wilde 't volstrekt niet bekennen en zou er eindelijk
zelfs boos om geworden zijn.
Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven
kwam de schoone _Henriette_ beneden. Zij droeg een zeer lage japon
van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een
snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten;
verder droeg zij geene versierselen hoegenaamd.
Mama _Kegge_ was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder
eene groote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsketting, die
het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg en waarmede
zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon
was vooral niet minder dan vuurrood.
De kleine _Hanna_ was gelukkig in 't wit, maar lag ook al aan een
gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat
zij ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zij geen van beiden
konden opwinden, en waar slechts een van beiden zoo wat half en half
op kijken kon hoe laat het was, scheen mij toe niet overnoodzakelijk
te wezen. Trouwens, indien zij er maar gelukkig mee geweest waren,
ik had hun die uurwerken, als speelgoed, gaarne gegund. Maar zij
waren reeds volkomen blasé op het punt van dat moois.
"Ben je er niet héél blij mee!" vroeg ik aan den oudste.
"Wel neen we!" antwoordde de jongste.
Mijnheer _Kegge_ wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrekken, maar
_Henriette_ stond er op dat men niet gaan zou voor kwart óver zevenen.
De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter dan ooit. De
mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan
van zijn groenen; de overgeslagen manchetten nog polieter en nog meer
gesteven; zijne handschoenen nog geler; zijn vest vertoonde in rood
en zwart een schitterend dessin op een reusachtige schaal; hij zette
zijn lorgnet in den hoek van het oog, om een overzicht van _Henriette_
te nemen.
"Om voor te knielen!" riep hij uit. "Allercharmantst! Mevrouw _Van
Kegge_, je hebt eer van je dochter!"
En daarop huppelde hij weder heen om de familie in de zaal op te
wachten en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden
"want het zou criant vol zijn"!
_Henriette_ liep heen en weer door de kamer en sprak nu en dan met
den kakatoe om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid niettemin
eenigszins werd tegengesproken door een herhaald en ten laatste wel
wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op kwartier over
zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wij reden ter muziekzaal.
De charmante stond in den gang ons op te wachten en bood zijn arm aan
mevrouw _Kegge_ aan; ik volgde met _Henriette_, en het luid gezwatel
van stemmen, dat den stormwind der muziek voorafgaat, liet zich
hooren. De komst van de familie _Kegge_ maakte eenige opschudding
onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden en die door den
heer _Kegge_, naarmate hij hen passeerde, zeer luidkeels begroet
werden. Over 't algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te
bar voor een publieke plaats.
"_Van der Hoogen_! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat
vooraan. _Henriette_ moet zoo'n lange wandeling niet maken, als ze
spelen zal. Hier, dunkt me. Op deze drie stoelen. _Henriette_ op den
hoek; mama in 't midden; en de kleine kleuters dáár."
Toen keek hij triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerking
deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adellijke heeren,
die rondom stonden, maken zouden.
Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie
juffrouw _Kegge_; een aantal hoofdjes van dames, die in een zeer druk
gesprek gewikkeld waren, draaiden zich van tijd tot tijd naar haar om,
zonder evenwel den schijn te willen hebben er werk van te maken haar
gade te slaan. Sommige keken verbaasd van de toque van mevrouw; andere
lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer; een
paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten.
"Is freule _Nagel_ hier óók?" vroeg hem _Henriette_, haar donkere boa
een weinigje latende zakken. In de laatste dagen had zij veel aan de
hooggeborene gedacht.
"Nog niet," antwoordde hij, het lorgnet uit zijn oog latende vallen
alsof het een groote traan geweest ware; "nog niet, maar zij komt
ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite bij den baron. _Van
der Hoogen_, zei ze, ik languisseer naar morgenavond! Ei zie, daar
komt ze juist. Zij zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!"
De dame, die hij hierop als de freule _Constance_ uitduidde, werd
binnengeleid door een oudachtig edelman, met een bijna kaal hoofd,
maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte
krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangwekkend voorkomen
bijzetten. Zij zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes-
of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur haar was
van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld
en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigszins gebogen
neus en maakte daarmee de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige
oogen werden door lange zwarte pinkers, die er iets buitengewoon
zachts en ernstigs aan gaven, omzoomd en de zuiverheid harer donkere
wenkbrauwen was benijdenswaardig. Haar mond zou iets stroefs gehad
hebben, indien niet de vrindelijkheid van haar doordringend oog dit had
weggenomen. Zij was middelmatig groot en hield zich volkomen recht,
behalve dat zij niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig
gebukt hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en een kleine
mantille van zware witte zijde met zwanedonzen rand rustte met veel
kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit was
het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene jonkvrouw,
die gezegd werd ziek te zijn naar de maraboes van juffrouw _Kegge_
en te smachten naar een concertavond.
Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze
dames, en hoewel de heer _Van der Hoogen_ deze omstandigheid in 't
vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min
of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben
willen ten toon spreiden, toen hij de freule _Van Nagel_ (en hij
moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van
die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule
beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op
een allerakeligsten afstand hielden, voor zoo ver ik bemerken konde,
kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van
mijnheer, maar niets van _Van der Hoogen_, noch van languisseeren of
iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk
op _Henriette_ opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald
om te kijken, en eerst veel later, toen de heer _Van der Hoogen_
was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid,
wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op _Henriette_,
die mij juist influisterde dat die freule _Nagel_ zeker wel een jaar of
dertig tellen moest. De kleine _Hanna_ had ook reeds hare aanmerkingen
op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde
dame, die zij vond "dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten."
Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad,
pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst
eenigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten
op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant
om aller harten te betooveren, plaatste zich achter de respectieve
lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek
uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt
vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte
zich op zijn gemak. De heeren, en daaronder ik, deinsden meestal, op
een enkel jong mensch na, die zich op 't poseeren en fixeeren toelei
(daar waren onweerstaanbare oogen en alles veroverende tailles!),
naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop
verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie
begon. Natuurlijk de zooveelste van _Beethoven_.
Wel mocht _Goethe_ [17] zeggen, dat de gedaante van den muzikant
het muzikaal genot altijd verstoort, en dat ware muziek alleen voor
't oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat strijkt,
blaast, of zingt, ambtshalve, onzichtbaar zijn moest. Niets is zeker
leelijker dan een gansche menigte manspersonen met dassen, rokken,
en somtijds épauletten; manspersonen met zwart haar, blond haar,
grijs haar, rood haar, en in 't geheel geen haar, en met allerlei
soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien
vermoeien en afwerken achter een overeenkomstig getal houten en
koperen instrumenten, totdat ze bont en blauw in 't aangezicht worden,
alleen om een effect teweeg te brengen, zoo weinig evenredig aan,
zou mogelijk iemand zeggen, maar gewis zoo weinig gelijksoortig met
de middelen. Eene geestige vrouw zeide mij eens dat zij honger kreeg
van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt men niet
van het op- en nedergezweef van een vijfentwintigtal strijkstokken
en van al de bewegingen van wangen, armen en handen, die een vol
orkest maakt? Waarlijk, er moest een scherm voor hangen. De stroom
van geluiden moest als uit eene duistere stilte tot ons komen, of wij
moesten allen geblinddoekt toeluisteren. Maar wat werd er dan van de
toilettes en van onze mooie oogen?
Ondertusschen zou ik _Goethe_ tegen moeten spreken, indien hij
beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te
maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis
doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk _zie_; en ik
twijfel niet of zijzelve zullen met eenige opmerkzaamheid op hunne
gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn
tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen
als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen
en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen,
varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid
om een geheel muziekstuk, voor mijn gevoel bevredigend, in figuren op
te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hij
in eene eeuw leeft waarin hij al zulke dingen behoort te begrijpen;
en indien hij kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hij aan de
Hesuchasten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zij haar van een
geheimzinnig licht omschenen zagen.
Drie der gewone onderdeelen van de symphonie waren afgespeeld, toen ik
mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte
den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn
introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig was bij
deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen notitie
van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of
alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen, hun neefschap
luidkeels uit, en laten zich door niets afkoopen.
"Moet nu nicht _Kegge_ er niet aan?" fluisterde hij mij met een
vergenoegd gezicht in 't oor.
"Wel neen!" antwoordde ik, "nog in lang niet."
"Ik verzeker u van wel!" hernam hij: "of dat rooie papiertje moet
jokken. Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad."
De goede _De Groot_ had een der onderdeelen van de symphonie voor
een obligaat op den hoorn genomen.
Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook al
gedacht te hebben: "Wat merk ik dien hoorn weinig!"
De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in 't zwart en
met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een stroeve
buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte. Dit stond
hem evenwel leelijk, want hij verdiende dien avond een goede handvol
geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch
van oordeel dat men voor geld en een goede ontvangst ten minste een
beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd
op, en legden de hand aan de oorschelp, en riepen Ssss... Sst, als de
jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten,
waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer _Kegge_ was in dit
Sst-roepen zeer overvloedig en men kon het op zijn aangezicht lezen
dat hij zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle
mogelijke "groote hanzinnen en adellijke dames."
De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn hoorn vol,
tot algemeene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden,
ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend
aangezicht beweerden dat het _Potdevin_ niet was, eene blijkbaarheid
die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste
van 's mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn
hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten
komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij
al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den
neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van
een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende
eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen
hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo
zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers
van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zoo gezworen hebben,
dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de
muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig
met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den
duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle
de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk
hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van
een lang jong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleeke wangen,
die zijne oogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn
teenen sloeg, en dan weer een "hoe-is-het-mogelijk!"-gezicht zette en
een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar
hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar
biljartte, en hoe 'n aangenaam mensch en van welk een goede familie
die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde
omdat hij 't niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi
snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe
hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar
geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die
eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost.
Nu had er een machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet
hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein van de
concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen op de
piano, en de heer _Van der Hoogen_ maakte haar open, plaatste de
muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de heeren
verlieten het orkest--uitgenomen de contrabassist, een oud man, die
zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen
in de zij plaatste--en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop
daalde de heer _Van der Hoogen_ af, om door _Henriette_ af te halen
voorloopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag zeer bleek, en
ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn juist niet veel
gehad te hebben. De heer _Van der Hoogen_ nam haar bij den pink en
leidde haar op. Zij maakte een compliment, zeer gracieus voor een
liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en het verleidelijk
gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam daarop, onder
een luid handgeklap en onstuimig voorwaarts dringen van de heeren,
plaats aan het instrument; trok hare handschoenen uit, en de lieve
handen zweefden over de toetsen.
De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging van haar
pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuurlijke kleur
kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de haar eigene
verwonderlijke vlugheid.
"Inderdaad, het was wonderlijk dat menschevingers dat doen
konden!" fluisterde _De Groot_ mij in, nadat hij een weinigje van den
schrik bekomen was, die het optreden van _Henriette_ den goeden man
gekost had. "'t Is alsof zij aan draadjes zitten. Alles leeft wat er
aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of 't zoo niets
was. En ze slaat er goed op, ook!--Dat's verraderlijk," zeide hij,
als zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt,
zonder om te zien, plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een
fikschen tik gaf. "Drommels nou! dat gaat per post; 't is als of je
een goot hoort loopen."
De heer _Van der Hoogen_ stond, met een hoek van ten hoogsten honderd
en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich verdienstelijk
met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laatste bladzijde was,
nam hij voor goed eene hartvervoerende houding aan, met de eene hand
op de piano leunende en de andere in de zijde zettende, terwijl hij
zijne leelijke oogen verlokkend door de zaal liet weiden, of ze ook
nog in 't voorbijgaan een hart of tien veroveren mochten!
Het stuk was uit. _Henriette_ stond op, en dankte met een stuursch
gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weer
tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude _Kegge_ had tranen in
de oogen, en de charmante drukte hem de hand. "Het was onbegrijpelijk
charmant geweest!" _Henriette_ liet zich door mevrouw _Kegge_ de boa
weder om den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop
begon zij een gesprek met de kleine _Hanna_, zoodat de geheele wereld
verbaasd stond over eene jonge dame, "die zoo voortreffelijk speelde,
en zoo lief was met haar zusje".
De drukke finale der symphonie, waarin machtig veel gepaukt en machtig
veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zooveelste
damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon.
Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het
dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur
afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op
het programma dan een _korte_ pauze, en zulks is niet te verwonderen,
wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheden, hoe
veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht en behaagzucht
hier bijeenzijn.
Indien men eene wage had, op welker eene schaal men alle deze
vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover
op de andere het muzikaal gevoel--ja, leg er het muzikaal gehoor maar
bij!--deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan.
En gewichtig voorzeker was dat oogenblik, waarop deze koopbeurs van
beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang begon; als
de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen zich ophieven,
de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen; en de eerst zoo
regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van "matribus
pulcris filiae pulcriores" en omgekeerd, zich tot bevallige groepen
schikten, waaruit vonkelende oogen straalden en vroolijke lachjes
opgingen; als de dwarling van jonge heeren een aanvang nam, waarvan
ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een
glimlach, de ander met een sentimenteel gezicht, de derde met een
kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een
boos, de ander onnoozel en de derde kippig keek uit verlegenheid;
waarvan de een, om te beginnen, zijn netten spreidde over al wat
mooi was, en de ander in het wilde scheen rond te fladderen, maar om
toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de toovermacht van
dezen moest berusten in een nauw vest, en gene een philtrum meende te
bezitten in de gedaante van pommade à l'oeillet; daar de talisman van
een derde in zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep,
dat hij het meest zoude interesseeren door met een knorrig gezicht en
een medelijdenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.
Ik deed mijn best om _Henriette_ te genaken, die in een kring van
heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid had
hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten
om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt,
en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn
compliment, en liet mij daarop van hoeken tot kanten dringen, waarbij
ik het voordeel had veel te zien en te hooren, dat mij voor dien
avond belangrijk voorkwam.
"Ze zullen die juffrouw _Kegge_, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op
hol maken!" merkte een mevrouw van een zekeren leeftijd, met eene
zwarte gazen toque, aan. "'t Is niet goed voor zoo'n jong ding."
En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van afzag
den geheelen verderen avond iets meer in het midden te brengen.
"O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien," sprak een
jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare
jaren, dat juffrouw _Kegge_ heel mooi was; "maar van avond, dunkt mij,
heeft zij haar beau jour niet."
"Kent u die familie _Kegge_?" vroeg een andere aan een jongen heer,
en zij legde duizend pond nadruk op den naam.
"Vraag excuus!" was het antwoord, "ik weet niet anders dan dat
de menschen rijk zijn.... Maar," ging hij zachter voort, "ze zijn
volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier
of zoo wat, en haar vader...., die heeft fortuin gemaakt in de West."
"Ik vind ook wèl, dat men haar _dat_ aan kan zien," sprak een derde,
die dit gesprek had gehoord, schoon zij er met den rug naar toe had
gestaan, zelve een gelaat vertoonende, dat alles behalve ongemeen was.
"Ik hou niet van dat soort van oogen," hoorde ik aan eenen anderen
kant, uit de mond van een jong meisje van dertig, die zeer flets uit
haar eigene keek.
De freule _Van Nagel_ scheen zeer tevreden over het spel, maar liet
zich over de speelster volstrekt niet uit.
Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middelbaren
leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer innemende
manieren, het voorwerp der algemeene belangstelling scheen te zijn. Al
de heeren kwamen voor haar buigen, en al hunne vrouwen lieten zich,
de eene voor, de andere na, bij haar brengen. De jonge dames deden hun
best om haar te naderen, of wenkten haar met het daarbij behoorend
lachend gezicht toe, dat het onmogelijk was. Zij gaf een soort van
pleeggehoor. Meermalen poogde zij te gaan zitten, maar juist op het
oogenblik dat zij er toe besloot, verscheen er weder altijd iemand
om haar zijne beleefdheid te bewijzen; en ik bewonderde in stilte de
goede gratie, waarmede zij zich terstond weder tot den nieuwaangekomene
wendde en de onbeduidende gezegden, die vrij wel met de door al zijne
voorgangers gehoudene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed
beantwoordde. Hare dochter, een meisje dat nog geen zestien jaren
mocht hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzame
bevalligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Wat beider
beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en ongedwongene,
het volkomen vrindelijke en opgewekte, dat haar eigen was en niet
anders voortkomen kon dan uit eene lieve harmonische stemming des
gemoeds en eene heldere tevredenheid des harten. Voor mij was het
een waar genoegen haar gade te slaan, en ik kon niet nalaten met
minachting te denken aan de valsche redeneering van een aantal zich
noemende menschenkenners, die hoffelijkheid altijd voor willen doen
komen als laagheid, en welwillendheid als huichelarij. Waarlijk, die
echte humaniteit, die goede toon, die beleefde innemendheid, welke de
blijken dragen van in overeenstemming te zijn met den geheelen persoon,
die ze aan den dag legt, is te gelijk eene gave en eene verdienste,
en ik wenschte wel, dat men algemeen gevoelde, hoe men de wetten
der welwillendheid met de wetten der fijnste zedelijkheid en het
meest kiesche gevoel in verband kan brengen. Al het misbruik, dat
van haar gemaakt is door intriganten en hypocrieten, neemt niet weg,
dat zij een der schoonste sieraden van het menschdom is, en een der
verhevenste onderscheidingen boven het dierengeslacht doet uitkomen.
Ik vernam later dat deze bevallige vrouw eene dame was, wier huis
bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer verveelde, die
niet slechts veel menschen zag, maar haar gezelschap altijd geheel
bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar aangeboren.
Den stroom volgende, werd ik nog voorbij vele paartjes gesleept,
die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen,
die zich verstoutten hun geheel onbekende dames noodelooze diensten
te bewijzen, als daar zijn: boa's op te rapen, die nog niet gevallen
waren, en sjaals over haar stoel te hangen, die ze nog niet noodig
hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjes, die iedereen
uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor
haar stoel, te midden van een jong geslachte, "inmobilis in mobili";
en herinnerde zich de dagen, dat ook zij mobieler was, of verbeeldde
zich dat zij ook nu nog mobieler zijn konde, indien zij maar wilde;
of verheugde zich, dat nu haar kinderen waren zoo als zij geweest was;
of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had.
Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffiekamer. Hier
waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden
vond men van alles. De muziek, het ijsvermaak, en het tabakrooken
nemen allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door
allerlei soort van rookers. Er waren er die pijpen, er waren er die
sigaren, er waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar
hun rooktoestel gesmacht, andere deden het alleen, omdat de rook der
overige hun dan minder hinderde. Er waren er die het niet laten konden,
en er waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom
zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten;
en de kleine _Keggetjes_ drongen door de menigte heen, en hadden
waarlijk ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun
vader lachte dat hij schaterde.
"Die juffrouw _Kegge_ speelt admirabel, niet waar?" zei een beschaafd
heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede
afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber,
een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in 't orkest met
een waldhoren gezien had.
"Ze speelt verdraaid vlug!" antwoordde die van den waldhoren.
"Veel smaak, veel smaak!" riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit
blies.
"Smaak?" riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas punch
brandde, met een pieperig stemmetje, "smaak? geen zier smaak! al den
duivel vlugheid, kunstjes, _brille_."
"Een mooie piano, niet waar?" hoorde ik in een anderen hoek, uit den
mond van een werkend lid.
"Ja, en een weergasche mooie meid ook," antwoordde een honorair lid.
"Foei, oude snoeper, waar kijk je na?" zei de eerste spreker.
Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij het
niet liever?
De tweede afdeeling bood niets bijzonder opmerkenswaardigs aan. Een
welgemaakt officier der zware ruiterij trad in burgerkleeding met
een wit vest op en zong een paar coquette romances, die beurtelings
zeer laag en zeer hoog liepen en met een afwisselend kwaadaardig
en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar waarvan de toon
en de inhoud zoomin overeenkwamen met zijn zware knevels als met
de op-en-neder-gesten, die hij met het tusschen zijn beide handen
uitgespannen blad papiers maakte. Voorts hadden wij nog een obligaat
op de violoncel van een Duitscher met een plat hoofd en een gouden
bril; en het concert eindigde, zooals een deugdzaam concert behoort
te eindigen, met eene ouverture.
De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring door
een gevoeligen tocht gezuiverd. De boa's en pelerines werden
opgehaald. De cephaliden werden om die kopjes, die er lief mee
uitzagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden, en de
jonge heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone
naar het rijtuig te geleiden met het stellige voornemen om dien
nacht van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van
een gunstig standpunt te verzekeren. De heeren, die vrouwen hadden,
waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren, die
paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien lang
zou moeten wachten; den jongen meisjes speet het, dat het hare zoo
vroeg kwam; en enkele opgewonden jonge heeren spraken er van, dat
het aardig zou wezen de concertzaal in een balzaal te veranderen,
en hingen eene verleidelijke schilderij van deze gelukzaligheid op.
_Van der Hoogen_ was weder in ons midden en stond zoo dicht mogelijk
tegen den linkerarm van _Henriette_ aangedrongen. Zij was allerliefst
jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht met groot
misbaar "de koets van mijnheer _Kegge_!" aankondigde, draaide zij zich
eensklaps om en greep in een aanval van behaagzieke speelschheid mijn
arm. Van dien oogenblik aan haatte mij de charmante. Zegevierend zag
_Henriette_ om. Mijnheer _Kegge_, die haast maakte, volgde met mevrouw;
_Van der Hoogen_ moest zich dus met de kleine _Hanna_ behelpen, naar
welke hij zich heelemaal scheef moest overbuigen, tot groot genoegen
van de dubbele rij van heeren en dames, tusschen welke wij bij het
verlaten der zaal doortogen. Een charmante spitsroede.
Wij kwamen thuis. Er werd een buitengewoon souper aangericht. Tegen het
dessert dook de heer _Kegge_ zelf in zijn wijnkelder en bracht zulk
een menigte van allerlei merken boven, dat het hart mij van angst
in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de partij was,
stelde een toost op de schoone pianiste in, en las daarbij een fransch
extemporeetje van zijn eigen maaksel voor, waarin hij op eene charmante
wijze over alle regelen der taal had gezegevierd. Hoofdzakelijk zeide
hij, dat _Henriette_ een mooi meisje met bruine oogen, een engel,
en eene godin der muziek was, en daarbij kwamen eenige opmerkingen
omtrent uitgetrokken harten en op tonen drijvende zielen. Wij waren
allen geheel bewondering, en mevrouw _Kegge_ niet het minst, hetgeen
ongetwijfeld veel voor de zaakrijkheid van het gedicht pleitte,
daar HEd. van de zes woorden er maar drie verstaan had. Mijnheer
_Kegge_ dronk den dichter, en de dichter dronk den heer _Kegge_;
en de heer _Kegge_ liet de kurken van champagneflesschen tegen den
zolder springen; en de heer _Van der Hoogen_ sloeg met de platte
hand op champagneglazen dat de wijn op nieuw begon te schuimen;
en dit alles was ter eere van juffrouw _Henriette Kegge_.
Ochtendbezoek en Avondwandeling.
Des anderen daags vóór den middag werd de goede _De Groot_ aangediend
en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve dochter, die een
groote gunstelinge van den heer _Kegge_ was en in zijn huishouden
goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons dineeren, en haar
vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne dankbaarheid wilde
komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij sprak met de grootste
opgewondenheid over den avond van gisteren.
"Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat
was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het
mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op 't klavier wezen kon als
nicht _Henriette_; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien
was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was
als een engel uit den hemel."
_Henriette_ glimlachte en vergat, om het streelende der vergelijking,
dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koekebakker. Zij
begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw _De Groot_ te vragen en
haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij had kunnen
komen; zij zou juffrouw _De Groot_ nog eens in persoon haar excuses
komen maken.
"Neen maar, juffrouw... ik wil zeggen, nicht _Henriette_!" zei de
goede man, "dat behoeft in't geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom
zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef _Kegge_
wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat
moet u toch vooral niet denken!"
"Nu, neef _De Groot_"... zei _Henriette_ vriendelijk... en wie weet hoe
lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen,
want de charmante trad binnen en maakte wat ik zijn "compliments de
coutume" noemde.
"Wel, juffrouw _Henriette_! Is de nachtrust goed geweest, na de
fatigue van gisteren? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik was nog zoo
geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante avond; de geheele
wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is van u vervuld!"
"Vleier!" zei _Henriette_, "maar ik weet," liet zij er op goedigen
toon op volgen, "ik weet dat gij het goed meent."
En zij reikte hem de hand.
Hij nam die met vervoering aan en trok haar naar de vensterbank.
"Wie is die man?" vroeg hij, den goeden _De Groot_ van het hoofd tot
de voeten opnemende.
"De vader van _Saartje_," antwoordde _Henriette_ bedeesd.
"o Ho!" zei de heer _Van der Hoogen_, die dat ook zeer wel wist hem
den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende bezag hij
den ruiker bloemen, die in een sierlijke porseleinen vaas op een
guéridon voor het raam stond.
"Wat een mooi bouquet, zoo laat in 't jaar!" merkte hij aan.
"Papa is zoo lief geweest het mij mee te brengen. Het heeft zijn
beste dagen al gehad."
"Reiken de stelen allemaal wel goed aan 't water?" vroeg de charmante.
Hij stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den ruiker,
en toen hij die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleurigs
in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde.
De heer _Kegge_ was ondertusschen druk bezig met neef _De Groot_,
die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem
verbazend lastig maakten; en hoewel mevrouw _Kegge_ hem gedurig
verzekerde dat het de liefste diertjes van de wereld waren, die nooit
iemand leed deden, bevielen hem de steeds luider uitvallen en het
gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek was
slechts kort; hij groette mijnheer en mevrouw _Kegge_ allerhartelijkst,
"juffrouw, ik wil zeggen nicht _Henriette_" zeer eerbiedig, en maakte
ook een buiging Voor _Van der Hoogen_, die hem met een hooghartig
"goeden dag" betaalde.
_Van der Hoogen_ ging daarop mijnheer en mevrouw _Kegge_ bezighouden,
en _Henriette_ trad op den bloemruiker toe, haalde er het biljet uit
en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of ik bemerkte
het volkomen; zij vermoedde dit, en kreeg een kleur. De kaketoe werd
daarop haar toeverlaat. Zij hield hem een stukje beschuit voor.
"Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?"
"Pas op, pas op!" riep de kaketoe, die blijkbaar in de war was. _Van
der Hoogen_ vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst weinig
merkwaardigs meer. Grootmama liet naar Saartje vragen; zij bleef een
uurtje boven, en kwam daarna met roode oogen beneden.
"Gij hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt!" fluisterde zij
mij in.
Ik had gelegenheid in den loop van den namiddag de lieve blonde
eens zoo goed als alleen te spreken, en spoedig maakte ik daarvan
gebruik om het gesprek op haar vriendin _Noiret_ te brengen.
Zij verhaalde mij van _Suzettes_ onvergelijkelijke gehechtheid aan
haar moeder, van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor zij
zooveel mogelijk in de behoeften van deze voorzag, van haar eigen
schamel kamertje, en van alles wat haar om den wil harer moeder zoo
zeer bekommerde. Ook deelde zij mij mede, dat er een knappe jongen
in de stad was, een schrijver op een der stadsbureaux, die een dollen
zin in _Suzette_ had, en dat zij geloofde, dat hij _Suzette_ ook niet
ten eenenmale onverschillig liet; maar dat zij het voor zichzelve
niet wilde bekennen, omdat zij meende dat de inwilliging van een
dergelijk gevoel eene misdaad was tegen hare moeder; dat zij daarom
dien jongeling altijd op een afstand hield en hem soms wel wat erg
behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was; en dat zij zich
dat dezer dagen bijzonder verweet, nu zij vernomen had, dat hij,
er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen verwerven en toch
ook vooreerst geen mogelijkheid ziende om haar een onafhankelijk
bestaan te verzekeren, het plan had opgevat om zijn geluk in de West
te gaan beproeven.
"O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig," voegde _Saartje_
er bij, met een traan in de mooie oogen, "en dan verwijt zij zich
weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren dan
aan hare moeder."
_Henriette_ was dien geheelen dag bijzonder aangenaam en lieftallig
jegens mij; zij had allerlei zoete oplettendheden aan tafel, prees
mij verscheidene malen in het aangezicht, en gaf mij zelfs bij het
doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een
allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke.
In het schemeruur bracht ik _Saartje_ thuis; en het lustte mij,
daarna een kleine stadswandeling te maken, in dat bij uitstek drukke
uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan en de
dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren toevallig
tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen omtrent de
verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw, den oudsten
jongeheer, en de oudste juffrouw, bij welke gelegenheid de heer
er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de mevrouw beter dan de
oudste juffrouw, terwijl de jongeheer een van tweeën, òf een "akelig
stuursch minsch", òf "een heertje" is. Ik heb dit uit mijn vroege jeugd
overgehouden, dat ik gaarne de lichten in de winkels zie opsteken,
en ook ditmaal stond ik nu eens stil bij een in het donker vooral
zoo plechtig smidsvuur, waaruit de gloeiende bouten schitterend
te voorschijn kwamen, om onder de slagen van den voorhamer eene
horizontale fontein van vuur uit te spreiden, waarbij het zwarte
gelaat van den smid fantastisch verlicht werd; dan weder boeide
mij het wreedaardig schouwspel eener slachterij, waar de knechts,
in hunne bloederige wollen kousen tot over de knieën reikende en met
een ouden hoed over hunne blauwe slaapmutsen, zichzelven bijlichtten
met een brandend smeerkaarsjen op gemelden hoed vastgekleefd, dat een
tooverachtig licht in de opengehouwen koebeesten wierp, wier inwendige
belangen zij verzorgden. De straatlantaarns waren nog niet opgestoken
en zouden eerst twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is
dat een vreemdeling op een stikdonkere gracht in het water loopt,
als het nog niet langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is.
Het gebeurde dat ik, op zulk een donkere gracht, voortschrijdende
zonder precies te weten waar ik mij bevond, op eenigen afstand
twee personen ontwaarde, waarvan de een evenveel neiging toonde
om den anderen te ontloopen, als de andere gezind scheen de eerste
terug te houden. Naderbij komende zag ik dat gemelde personen tot
verschillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte
vrouwestem, maar schor van zenuwachtigheid, duidelijk zeggen: "laat
me los, mijnheer! of ik schreeuw".
Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht
was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van
schreeuwen was. Althans hij liet de persoon die gesproken had
oogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem
herkend.
"Zijt gij het juffrouw _Noiret_? "Wie durft u aanraken? Laat ik u
thuis brengen," sprak ik haar toe.
Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de
voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.
"Het is verschrikkelijk," snikte zij: "o indien gij zoo goed wilt
wezen; het is ijselijk...."
Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen
koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij
op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon
geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar
voren loopen, met een baklamp in de hand.
"Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de
juffrouw verschoten? Ga gauw in 't kantoortje, juffrouw! Ik ga de
kaars opsteken."
Zij ging heen om den blaker van juffrouw _Noiret_ te halen, en ik
bracht die in een klein, van 't voorhuis afgeschoten kamertje dat
zij mij als 't kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht
verdiende, daar er niets te vinden was dan eene kleine hangoortafel,
vier matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstjen aan
den wand, voorstellende den held _Van Speyk_!
"Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!" riep de
koomenijsvrouw uit, toen zij den blaker van _Suzette_ aangestoken en
haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren, onmiddellijk
daarop uitgeblazen had.
Ik liet haar een glas water halen. _Suzette_ dronk er een teugje
van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zij niet
spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht.
"Maar me lieve gunst," begon de bezorgde, maar nog meer nieuwsgierige,
hospita alweer, "dat's nou toch wel een raar geval. De juffrouw het
'et disperaat op 'er zenuwgestel. Wil ik naar de apteek loopen en
een rooie schrikpoeier halen?"
"De juffrouw is aangerand," zei ik, "er loopt kwaad volk. Ik was er
bijtijds bij; men wilde haar afzetten."
"Angerand!" riep de hospita uit; "ofzetten! Ja, 't is een ijselijkheid
dat er geen werk is. En mijn _Kobus_ is ook nog bij de weg, die kennen
ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist niet meer
bij'em het dan zen zuiver orlozie, en _daar_ is een stevige kopere
kast om; da's één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het niet
pruisisch was hier in de stad. Der is _nog_ reis een winter geweest
dat 'et zoo erg was. Et was in de tijd dat ik op alle dag liep van
me derde. Maar toen braken ze in bij de lui en kwammen voor de lui
der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zel meheer
wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo'n armpie in brand, en
ze draaiden 't driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze,
ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: _die waakt, die waakt, die slaapt,
die slaapt!_ en in die omstandigheid, wil ik maar zeggen, daar je
dan in verkeerde, daar _bleef_ je ook in. Anranden! 't is wat moois
in een kristenland! Gelukkig nog, juffrouw, dat ze je die japon niet
of-hebben angerand; dat zou een leelijkerd wezen!"
En zij nam _Suzette_ een toegespeld pak af, dat deze nog altijd
stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten
tabouretten.
"Breng het boven, moedertje," zei ik, "en laat ons even alleen,
want ik hoop dat de juffrouw mij den persoon zal kunnen beschrijven;
dan zal ik hem bij de politie aangeven."
"Beskrijven! Ja, dat gaat zoover as 't voeten het," antwoordde de
klapper; "en weet je wat _Kobus_ zeit? ze krijgen er de verkeerde deur
te pakken. Laatstleden varkemart hebben ze nog 'en jong gezel, een die
hier, zel ik maar zeggen vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd,
op de varkemart hier zoo'n poffertjeskraam? Nou, hij mocht zoo bij die
poffertjeskraam staan te kijken na die groote kopere schuttels en zoo;
daar komt er een diender na 'em toe; die leest op 'en pampiertje, en
toen kijkt ie 'em an. Nou; de jonge wist van de prins geen kwaad. Maar
de diender zeit teugen 'em: jonge, zeit ie, ga jij reis effen mee. Ik
dankje vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de
diender zei: maatje, zeidie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas
heb. Nou, dat waren nies anders as van die duimskroefies, as meheer
wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch mee vastskroeven,
zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou, die mocht
die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezeid, zoo gedaan; daar holp
geen lievemoederen an; hij _most_ en hij _zou_ mee. Maar toen ie vijf
dagen had zitten brommen--hij was toch maar al die tijd uit zen werk,
zie je--daar komt die zelfde diender, in zen hok, zel ik maar zeggen,
of waar dat ie dan zat, en zeit dat ie maar stilletjes vort zou
gaan. Maar hij zei, neen, zeidie, dat gaat _zoo_ niet. Want hij wou
der verhaal op hebben, zie je meheer! Maar dat weten we wel; dat gaat
zoo ver as 't voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven
niet veul ofdoet. Maar daarom zei _Kobus_ altijd, in die winter toen
't _nog_ reis zoo erg was: as _ik_ er eentje te pakken kreeg, ik zou
'em teekenen, dat ik 'em voor goed zou kennen..."
Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw _Noiret_ alleen te
blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zij in
tranen uit.
"Dit heeft hij mij in de hand gestopt!" riep zij uit; "verbrand het
in de kaars."
En zij wierp een violetkleurig briefjen op de tafel, dat zij in hare
zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zij met
eenen innigen afschuw:
"Foei, mijnheer _Van der Hoogen_!"
Ik nam het briefjen op.
"Mag _ik_ het bewaren?" vroeg ik haar. "Het kan mij te pas komen." Ik
herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak in mijn portefeuille.
Toen _Suzette_ wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij sedert
eenigen tijd overal door _Van der Hoogen_ vervolgd werd. Hij was
immer op haar weg. Bij het gaan van haar kamer naar het hofje,
en bij het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hij een
paar malen het hofje zelf tot zijn namiddagwandeling gekozen,
onbeschaamd bij haar moeder ingekeken, en tegen haar, _Suzette_,
geglimlacht. Zoo erg als van avond had hij het evenwel nog nooit
gemaakt. Zij was uitgegaan om freule _Nagel_ een japon te passen,
zonder hem nochtans te ontmoeten. De freule had haar bij het heengaan,
met hare gewone vriendelijkheid, als _Suzette_ zei, de bescherming
van haar lakei aangeboden; maar zij had het afgeslagen, daar zij
niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen
was de avond op eens gevallen, en zij was nog geen twintig schreden
van het huis van den heer _Van Nagel_, of zij hoorde reeds den stap
van _Van der Hoogen_ achter haar, terwijl hij haar door zonderlinge
geluiden op zijne nabijheid opmerkzaam maakte. Zonder op of om te
zien had zij hare schreden versneld; in haren angst had zij gemeend
hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te slaan; hij was haar
ook daar gevolgd. Toen zij op de donkere gracht was gekomen, had hij
haar om de middel gegrepen en haar eenige woorden toegesproken, die
zij evenwel door den schrik niet verstaan had. Hij had haar daarop
het briefjen in de hand gedrukt, dat zij zich, zeker werktuigelijk,
had laten welgevallen. Daarop had hij haar willen kussen, en had zij
de woorden uitgesproken die ik gehoord had.
Na deze mededeeling, en nadat zij geheel van den schrik zeide bekomen
te zijn, ofschoon zij nog altoos bleekzag, verzocht zij mij dat ik
haar verlaten zoude. Zij wilde zich door een der kinderen van haar
hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten moest.
Ik vertrok.
Op straat verdiepte ik mij in ernstige overleggingen hoe mij na
dit alles te gedragen. _Van der Hoogen_ had mij sedert onze eerste
ontmoeting niet willen bevallen, en ik had, op gelaat en manieren
af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hij het hof
aan _Henriette_ maakte had ik terstond gemerkt en met leede oogen
aangezien. Ik vreesde dat, indien niet louter haar geld, dan misschien
haar geld, vermeerderd met haar schoon, den fat aanlokten, dien ik
daarenboven voor een slecht sujet hield, dat haar ongelukkig zoude
maken. Ondanks alle hare kuren, was _Henriette_ hiertoe te goed, en in
gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door meerderheid in
verstand verbeteren en eenmaal tot eene lieve vrouw maken zoude, tot
welker vereischten zij toch waarlijk vele bestanddeelen bezat. _Van
der Hoogen_ had mij, zooals de lezer zich herinneren zal, met een
woord gezegd dat hij ook te Leiden had "geresideerd", en daar ik het
geluk had in de Sleutelstad menschen van allerlei stand te kennen,
had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige berichten ingewonnen. Deze waren
niet gunstig voor den charmanten uitgevallen en pleitten evenmin voor
zijn gedrag als mensch, als voor zijne beginselen als ambtenaar.
Ondertusschen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te
bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en
onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het
romaneske, waartoe zij eenige neiging toonde. Daarenboven kon men aan
_Van der Hoogen_ eenige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was
nu tusschen hen beiden een _stille_ liefdeshistorie geworden, dat wil
zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in
den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertusschen
had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw _Noiret_ aan
mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke
lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en
weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn
ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was juffrouw _Noiret_ tegen
alle verdere lagen te beschermen, en _Henriette_, om een versleten
leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks
rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.
Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leeren.
Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij
er zelf de mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in
't geheel niet past, maar dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan.
_Hildebrand_, die door een samenloop van omstandigheden bestemd
was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond
den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en
liep met een gewichtig gelaat en groote stappen de kamer op en neer,
eene beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks
of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend
op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne
heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot
gedeelte zijner aandacht aan de musschen, die in den tuin af en aan
vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent
zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege
morgenuur hare hartstochten in beweging brachten.
Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandigheid
die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien
bijzonderen zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude
mevrouw. Mijnheer verklaarde "veel van den godsdienst te houden,
want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij worden!" maar
hij kon "het geteem van de dominé's in _deze_ stad niet aanhooren";
voor mevrouw "tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk"; en wat
_Henriette_ betrof, zij ging wel, maar "zag er geen noodzaak in er
sleurwerk van te maken".
_Hildebrand_ nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en
had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich, niet
zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hij in zich gevoelde,
het zeggen van _Fenelon_, in het treurspel van dien naam:
"Dit is mijn eerste plicht. Men dien' de menschlijkheid,
En zing, daarná, den lof der Hemelmajesteit!"
Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers van
den heer _Van der Hoogen_ te vinden waren en moest ze in een der
middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken. De
heer _Hildebrand_ stapte er heen in de vaste overtuiging den heer
_Van der Hoogen_ thuis te zullen vinden.
Daar hij zich evenwel tebinnenbracht dat de heer _Van der Hoogen_,
die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds
om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en
dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het
hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer _Van der Hoogen_
des zondags een weinigje zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk
nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien heimelijk
een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het
"dienen der menschlijkheid" in dezen medebracht, nog een oogenblikje
uit te stellen.
Nu gebeurde het dat _Hildebrand_, op zijn weg naar den beddewinkel in
de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond,
waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg; en hij gevoelde
lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij
te wonen.
_Hildebrand_ is geen voorstander van het laat verschijnen in het
huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet
wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het
gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet hij
bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft,
zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen,
waar een groote schare reeds met ongedekten hoofde ter nederzit en,
onder het statig intoneeren van het orgel, zijn lofzang als uit
ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, vereenigd, ten minste
uiterlijk vereenigd, in den dienst van God, heeft reeds op zich
zelf eene ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik,
zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het,
al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel
te betrachten: "Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet nalaten".
't Hijgend hert,
zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den
Tweeënveertigsten Psalm: