DE FAMILIE KEGGE. [14]

Eene treurige inleiding.

Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch

leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is

te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien

bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke

worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag

betwisten, totdat de lijder--meestal, helaas!--onder dien kampstrijd

bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan hare

verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken oogen,

die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in

altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo als zij nu

eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte

bezig met hunne visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun

meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna

weder ineen te krimpen als in dierlijken angst. Zij staan mij voor

den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere

tusschenpoozen, die den dood voorbeduiden. Nog zie ik al dien droevigen

toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te

drijven; dien gewichtigen overgang van afwasschende tot prikkelende

middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zoo

zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het zielpijnigend dobberen

tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen nacht,

het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik

de betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen "of dit nu niet de

crisis zou zijn geweest?" en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zij

zich met in hun oog goede teekenen vleien, den dokter een zwaarhoofd

achten, zijne uitspraken naar de inspraak van hunne hoop verplooien,

zoo lang, zoo lang ... tot (eindelijk nog onverwachts!) de harde

waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte hopeloos was, dat de dood

zich onvermurwbaar had aangekondigd.

Maar ook, Gode zij dank! er doemen zoete herinneringen van herstelling

bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld

met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare

kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling der

gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste

ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm

opslaan der oogen; die honger; dat eerste opzitten; en die kinderlijke

dankbaarheid voor het eerste glas wijn, dat werd toegestaan! O! gezond

te zijn is een onschatbaar bezit, maar uit een ziekte te herstellen

is een zalig genot!

In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een

jong mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het

is de gewoonte onder de studenten, in zulk geval elkander een bezoek

te brengen. De jongeling beviel mij. Hij was van een openhartig,

aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel. Vooral dacht hij

zeer teeder en aanhankelijk over de betrekkingen, die hij in zijn

geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hij niet weder zou

zien dan na zijn bevordering, waarom hij zich ook zoo veel mogelijk

met zijn studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver was hij

mij lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze tijd van aankomen

te veel verschilden, mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf,

zoo bezocht ik hem toch een enkele maal, en scheen hem dat dubbel

aangenaam te zijn, omdat hij met mij vrijuit spreken durfde over dat,

wat hem zoo na aan 't harte lag en aan de meeste zijner jonge vrienden

kinderachtig toescheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek

te worden gemaakt.

Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over een zekere

vermoeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen

kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat _William Kegge_, zoo

heette hij, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt

het nimmer aan gezelschap; en er sterft er misschien menigeen aan

te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtjen uit,

waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond hem

te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jongeling,

als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn troost

in de veeren zoekt dan een nijvere huismoeder, zoo was dit dan

toch erger dan ik mij had voorgesteld. _William_ was echter zeer

monter en opgewekt. Ik bemerkte dadelijk, dat hij koorts had. Twee

zijner intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren,

en raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen

kaart in een partij hombre, die dien namiddag in "de Pauw" gespeeld

was, waardoor zij hem noodzaakten zich in verbeelding zevenentwintig

kaarten in allerlei samenvoeging voor te stellen; gewisselijk een

aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit haren aard toch

wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden zieketroosters een wenk om dit

gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen zien vertrekken. Ik

ried daarop den patiënt zich stil te houden, draaide de pit van de

lamp wat neer, en liet het opgenomen bedgordijn vallen.

Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van

hooren; een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en

men zou den anderen dag afwachten.

Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman

bij mij.

"Het was niemendal goed met meheer! Hij was in 't midden van den nacht

wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt

niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had

hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze "der tranemontane haast was

kwijt geraakt en de schrik haar nog in de beenen zat". Zij geloofde,

"dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam

zat, want daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan

gewend", en zoo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.

Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over

zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles;

hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had

daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was,

en liet oogenblikkelijk een dokter halen.

De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De

studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt met zijn

bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een

paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond

en wien de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand

en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita

was gelukkig eene zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en

tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn

best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt

waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het

hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en na drie weken van

angst en tobben, droegen wij den armen _William Kegge_ naar het graf.

Een studentebegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van

menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave

brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor

den dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien, om er zich van

te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien allen

doordrongen waren of konden wezen van dit gevoel; indien allen even

zeer belang stelden in den overledene, even zeer deel namen in zijn

dood; ja, indien maar allen, ook de achtersten, het _Memento Mori_

zien konden dat vooruitgedragen wordt. Ook moesten de nooders van

de liefhebberij afzien om met den langen trein te pronken en hen,

die hem uitmaken, te vervelen met eenen nutteloozen omgang door de

stad. Gewoonlijk wordt de baar door de stadgenooten van den doode

gedragen of, indien die niet genoegzaam in getale zijn, door hen

die met den doode uit dezelfde provincie of uit dezelfde kolonie

afkomstig zijn. Voor _William_ had men geen twaalf landgenooten kunnen

vinden. Zijne beste vrienden droegen hem. Hij had nog zoo kort aan de

hoogeschool verkeerd...! Er was misschien onder dezen zelfs niet een

enkele, voor wien hij zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was

ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste

geweest. Althans hij had in den laatsten nacht van zijn leven, in

een oogenblik waarop hij volkomen bij zijne kennis was, een ring

van zijn vinger getrokken, met een kleinen diamant, en van binnen de

letters E.M.

"Bewaar dat"--had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem gezegd--"het

was mij heel dierbaar."

Meer had hij er niet bijgevoegd.

De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke _William_

behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen

wierpen wij, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in,

en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene

aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie

en scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken, de witte

handschoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen,

zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg deze

en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen, tegen kersttijd,

de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen werd, waarin ook

eenige regels aan de nagedachtenis van _William Kegge_ waren gewijd,

was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herinneringsmiddelen

moest bijeenroepen om zich voor te stellen hoe "die _William Keg_"

er bij zijn leven had uitgezien.

Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven,

was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam

den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het

doodsbericht en zijne verantwoording omtrent de zaken van den jongen

overledene zoo ras mogelijk volgen zouden. Ik vervulde dien moeilijken

plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide tijdingen ontving

ik van den vader van _Kegge_ een brief vol van wel wat overdreven

dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in antwoord.

Twee jaren later kwam de familie _Kegge_ zelve in Nederland, en zette

zich (zooals ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik

kreeg hier het eerst kennis van, door een kistje havannah-sigaren,

per diligence ontvangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen

inhoud:

"Een klein reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het

moederland. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is

gekomen, en gij zult hartelijk welkom worden geheeten door

_Jan Adam Kegge_."

Kennismaking met menschen en dieren.

Eenigen tijd na de ontvangst van dit "reukoffer", hetwelk mijne

vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te

doen opgaan, zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik

juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt,

toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed.

"Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende,

"drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier

suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!"

Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de

kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen

gestrande portefeuilles, of de "professeurs" van onbekende lycaea,

die "tijdstroomen" aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die

uit hunne verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een

mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A's, of de goedkoope

portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uwen

besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een

spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen

zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken,

waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op

den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige

luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene

listige wijze bij de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden,

onervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te

bieden; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch

spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste,

beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan;

en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede

bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene

stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij

bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien.

"De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een

goede veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet

hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en

joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had

levendige grijsblauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar,

waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds

hier en daar, naar de uitdrukking van _Ovidius_, met een weinig grijs

doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, dien hij oogenblikkelijk

losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een

satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van

zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes met barnsteenen

knop.

"_Kegge_!" riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groeten,

"_Kegge_! De vader van _William_! Ik ben gekomen om u, het Museum,

en den Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt gaan,

zulje me drommels veel pleizier doen."

Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam

ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden _William_ dacht,

maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den

beroofden vader, deed mij aan.

Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend vóór

mij te zien.

"Ja," zei de heer _Kegge_, zijn horloge uithalende: "het was jammer

van den jongen, hè! 't Moet een goeie kerel geworden zijn. 't Spijt

me in mijn ziel." En het gordijntje openschuivende voegde hij er bij:

"Je woont hier duivels hoog, maar 't is een mooie stand; dat heet

hier de Breestraat, doet het niet?"

"Hier schuins over woonde _William_: dáár; waar nu de steiger staat."

"Ei zoo, dan was je na buren! Ja, 't is jammer, jammer,

jammer.--Sakkerloot, is dat het portret van _Walter Scott_? Lees je

Engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een complete editie van

_Walter Scott_ kunnen krijgen? Maar zij moet wat mooi, wat kostbaar

zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half

verscheurd."--En al weder op zijn horloge ziende: "Hoe laat gaat dat

museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeesten-spel toe. Kan

ik de Academie óók zien? Wat hebje al zoo meer?"

Op dien regenachtigen Octoberdag zag men _Hildebrand_ met een

vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten

in het Museum van natuurlijke, en daarna de Farao's in het Museum van

onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen

op de kindertjes, die nooit geleefd hebben, der Anatomie, en daarna

op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen,

op de Senaatskamer, van _Scaliger_ "met den purperen mantel" af, tot

op _Borger_ met den houten mantel toe, waarvan er echter ettelijke

den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid

teweeg te brengen, bezochten wij daarop den Burg, die zelf een lijk

is, vroeger bewoond door de Romeinen, _Ada_, en die Rederijkerskamer

waarvan "zoo vele genieën" lid waren. Ten slotte zagen wij ook nog

den Sineeschen en Japanneeschen inboedel bij den heer _Siebold_, en

rustten eindelijk uit in de sociëteit Minerva, toen nog geschraagd door

"de dubbele zuil" van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos

verbroken is. Wij aten vervolgens aan de open tafel in "de Zon",

en het was aldaar, dat de heer _Kegge_ de algemeene verbazing en

zelfs de volkomen verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich

trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayennepeper, die hij uit een

opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren kokertje op zijn spijzen

schudde, alsmede door zijne volstrekte verachting van bloemkool en

bordeaux-wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met

hem te deelen.

Na het diné vertrok ZEd. per diligence; evenwel niet dan na mij de

belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden

zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken bij hem zou

komen doorbrengen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe _hij_

gewoon was menschen te ontvangen, en hoe goed _zijn_ kelder was.

"Als je studeeren wilt," zei hij; "ik heb een mooie portie boeken;

en is er wat nieuws uitgekomen van _Bulwer_ of zoo iemand, breng het

voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!"

Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze

mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-Indische

confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele

schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quint-essence

van suiker ingelegd. De heer _Kegge_ meldde mij, dat "zijne vrouw

en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjes gezegd, een mooie

brunette was, van verlangen brandden om mij te zien."

Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover

de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee

spaansche hazewindjes, ten huize van den heer _Jan Adam Kegge_.

De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de

weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed

van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk

aanzien hadden van splinternieuw te zien. Een breede, veeloctavige

piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken,

een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten

muziekkastje stond open, en een der spaansche hazewindjes vermaakte

zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op

de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen

met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflesschen,

handvuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare

plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde

metaal rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op

een trumeau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een

groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange

staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen

kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der

kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt

was uit gloeiend rood en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken

gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk

bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de

levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw;

mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een

oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed,

met een dik parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon,

en schitterende armbanden. Een derde schilderij stelde een groep van

vier kinderen voor, waarbij aan de schoone brunette vooral niet was te

kort gedaan. De beeltenis van _William_, die de oudste geweest was,

miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het stuk was eerst

sedert de overkomst der familie in het moederland geschilderd. Voor

de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag

een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo

ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk.

Toen ik binnentrad zat mama met het windhondje Azor, dat met minder

muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje Mimi, op haar

schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had

neergelegd, om zich met een grooten witten kaketoe met gele kuif

te onderhouden.

Mevrouw _Kegge_ was eer klein dan groot van gestalte, aanmerkelijk

jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter

en, wat zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk

verre van eene schoonheid in de oogen van een Europeaan. Haar toilet

was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen

eenigszins slordig; maar waar is het, dat er veel werd goedgemaakt

door een zonnige ferronière op mevrouw _Kegges_ voorhoofd en een

zware gouden ketting op mevrouw _Kegges_ voormaligen boezem; hoezeer

ook deze versierselen zich het air gaven van bij mevrouw _Kegges_

tegenwoordige kleedij volstrekt niet te willen passen. Zij scheen

verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen een weinigje

verlegen met alles te zijn; ook met de pracht die haar omringde,

en het karakter, dat zij had op te houden.

Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van sommige

moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten,

eenigszins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een

stoel gaf, veel dichter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar

genoegen mijnheer _Hildebrand_ te zien. "Papa had er zich zóó veel

van voorgesteld mijnheer _Hildebrand_ eens te bezitten. Niet lang

zeker zou hij zich laten wachten; maar eene dringende commissie had

hem uit geroepen."

Inderdaad, het was een schoon meisje, die dochter van den heer

_Kegge_. Zij had den fijnen neus en den mond van _William_, maar veel

schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende

oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg,

blonken zij vurig en onversaagd, en toch, als zij ze neersloeg,

hadden zij iets bijzonder zachts en kwijnends. Heur haar hing in

menigte van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs

haar eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist dat zij drie

jaar jonger was dan _William_, die nu ongeveer twintig jaren zou

geteld hebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten

was zij ten vollen ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist

en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen

anderen opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de

oogen trok tot haar kleine zachte handekens.

De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de

gapingen aan door allervriendelijkst met den kaketoe te converseeren

en hem kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken,

bij welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone

vingeren. Men gevoelt, dat ik het begunstigde dier uitermate prees.

"O, hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te

leeren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?"

En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco te zijn.

De lieve naam kwam echter zoomin van 's mans hoornachtige lippen,

als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang

vleiens kwam er: "Kopje krauwen."

Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur

genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand

gaf den onwilligen met een gouden naaldekoker een gevoeligen slag

op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een schuinslinks

gebogen kruin en kleine pasjes, naar het verwijderdste gedeelte van

zijn kruk retireerde, en daar in die houding zitten bleef met een ter

bescherming opgeheven poot, ongeveer als een schooljongen op wien de

meester onheildreigend uitschiet.

"Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid," zei de

vertoornde schoone; "maar _ik_ vind het zeer onaangenaam."

Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.

Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan

de portretten te hulp te roepen, als mijnheer _Kegge_ te huis kwam.

"Onsterfelijke vriend!" riep hij mij toe; als waren wij ons geheele

leven door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in

een album gesproken is, "verknocht, verstrengeld" en, als het

rijm medebrengt, "verengeld" geweest: "Onsterfelijke vriend! daar

doe je wel aan. Kom aan, dat's goed. Nog niets gebruikt? Wat

wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, constantia? witte

port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de likeuren

komen. Hoe zit _jij_ daar zoo te druilen, Lorre?"

"Hij heeft knorren gehad, papa," antwoordde de dochter, "omdat hij

andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb."

"Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes! kopje

krauwen! gekskap!..."

"Papa, ik had het waarlijk liever niet."

"Nu, nu, _Harriot_ _my dear_! Ik zal 't niet weer doen.--Maar wat

zegje van onzen gast, mijnheer _Hildebrand_? En wat zegt mijnheer

_Hildebrand_ van mijn dochter?..."

Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkaar te zeggen.

"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_; "je zult wel familiaar

worden. Voortaan geen mijnheeren of dames, maar _Henriette_ en

_Hildebrand_, alstjeblieft."

Juffrouw _Henriette Kegge_ stond op, om met zeer veel ijver op de

piano een boek te zoeken.

De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen

te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote vierkante

sandelhouten kist op tafel, met het woord _Liqueurs_ in sierlijke

trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der

gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen hoeveel

prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer

_Kegge_ evenwel te oordeelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben

verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er,

met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht,

na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom.

"Hoor reis, onsterfelijke!" ging de heer _Kegge_ voort, "dit is nu

mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je

al de kinderen zien; niet waar _Hanna_? Dan ken je hier de taal en de

spraak zoo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In

Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heeren en groote

hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel;

ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je wilt."

_Henriette_ verliet de kamer.

"Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat's één

geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat

hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed,

drinkt goed--dat zijn de wetten van het huis. Waar is _Henriet_?"

"Naar haar kamer," antwoordde mevrouw _Kegge_. "Zij kleedt zich voor

het diné."

"Dan moeten de kinderen nog effen komen!"

Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinderen

verschenen.

Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere van

tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zij

waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauwlakensche pakjes

met tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en

breed geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met

witte kousjes. Daarna kwam een meisje van zeven jaar met lange zwarte

haarvlechten en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf,

in een schotschbont blousetje; weder een meisje, van een jaar of drie,

met bloote voetjes in gekleurde laarsjes; en eindelijk, op den arm

eener min, een kind, dat niets meer aanhad dan het witte jurkje dat

men zag, en het witte hemdje dat men niet zag,--verontrust u niet,

lieve Hollandsche moeders! het schaap zag er volmaakt gezond uit--met

een gouden rammelaar in de eene hand en een korst brood in de andere.

"Nu hebje ze allemaal gezien," riep papa, de kleinste van den arm der

minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst

schaterde van lachen en met de bloote beentjes spartelde en trappelde,

dat het een lust was om aan te zien. "Ik heb er elf gehad; _William_,

dien je gekend hebt; _Henriet_, die je gezien hebt; nu is er een heele

gaping; eerst kreeg mijn vrouw een miskraam, en daarop een dood kind;

de vierde is tien jaar oud geworden en toen aan de koorts bezweken;

nu komen de jongens; hier hebje _Rob_, en daar hebje _Adam_, mijn

petekind; die zijn allebei nog ondeugender dan hun vader, toen hij

zoo klein was; tusschen hem en dit meisje is er weer eentje dood; dat

werd door een beest van een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar;

dit meisje heet _Hanna_, naar mijn vrouw; dat 's een mooi klein ding,

is het niet? en die kleine jongen heet _Jan_; niet waar, boer? Hier

hebben we _Sofietje_; en het kleintje heet _Kitty_."

Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas

malaga in, en liet zelfs de kleine _Kitty_ daarvan proeven, die een

leelijk gezicht zette, een uitwerksel dat den oorsprong van haar

leven zeer vroolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van _Rob_,

en _Rob_ met den staart van Azor; _Adam_ prikte zijn zuster _Hanna_

zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den

kaketoe, die zichtbaar bang voor hem was; _Jan_ en _Sofie_ begonnen

een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer _Kegge_

gaf zijn jongste spruit weer aan de min over.

"Zie zoo, minne!" zeide hij: "nu maar weer naar de kinderkamer! Vort,

jongens! Veel pleizier!"

En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur,

en stoof henen.

"Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!" hervatte

de heer _Kegge_, die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben,

"ga dan mee als je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien."

Hij bracht mij naar een achterbovenkamer, die op den tuin uitzag. Nog

nooit zou ik te midden van zooveel weelde hebben geslapen. Een lit

d'ange, een canapé, een chaise longue daarenboven, een pendule,

een psyché, een waschtafel van satijnhout, met tot de geringste

benoodigdheden voor het toilet meer dan voorzien.

"Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?" zei de heer

_Kegge_, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe

vergiftige pijlen wijzende. "Hier is de schel; als je wat noodig hebt,

dan rammel je maar dat het huis dreunt."

Wij gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde

en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche literatuur,

op de keurigste wijze gebonden, bijeen was.

"Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al

makkelijk. In deze laden zijn platen; al wat je hier ziet is meestal

in Engeland gekocht, en nu completeert _Henriet_ het zoo wat. Ik

kan me met die snorrepijperij niet altijd ophouden. _Henriet_

heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in 't

land gekomen, en hebben haar thuisgehaald; ze was te groot, en ze

moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al; en als je

in twee jaren geen Fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat

lange schoolgaan--allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen

meer schoolgaan; ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs

en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjes

betreft: mijn vrouw verstaat geen woord Fransch, en toch heeft ze

elf kinderen gehad, weetje.... Zie je dien opgezetten tijger? Dien

heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten!... De deugniet had al

driemaal een kalf komen weghalen."

Wij gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer

_Kegge_ mij al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal

en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige

gesprekken, waaruit het mij meer en meer bleek, dat de heer _Jan

Adam Kegge_ zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijn kinderen, en

zichzelven. Hij scheen er volkomen van overtuigd te zijn, dat hij een

onuitputtelijk fortuin had en dat hij "een perfecte goeie kerel" was;

tienmaal beter dan alle mogelijke "groote hanzen en adellijke heeren",

en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en welvoeglijkheden

met zijn lievelingsuitroep af te doen: "allemaal gekheid!"

Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal.

_Henriette_ verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar niet

volkomen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tusschen

haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over

mij, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het couvert

van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf

wijn zoo goed als bij het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een

stoel ledig; en toen wij allen gezeten waren, kwam er een kleine,

magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw _Kegge_. Zij kon

omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende

grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij niet. Zij was in

het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode

oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange-hond, die

zoodra zij plaats genomen had zich bij haar stoel nederzette en zijn

kop in haar schoot lei, waar zij hare bruine hand op rusten deed. Er

was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op

de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama; doch ik twijfelde

soms of dit niet maar een naam was, haar in scherts gegeven. Zij

zelve sprak weinig en eenigszins gebroken, maar eenmaal zag ik haar

veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer _Kegge_ vertelde "dat

hij den koop van dat nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu

voortaan nog makkelijker naar de kerk zou rijden."

"Kom, kom!" riep hij toen, "geen hoofdschuddingen! dat's allemaal

gekheid. 't Zal het mooiste rijtuig van de stad zijn, en de groote

hanzen en adellijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb

zin om er een wapen op te laten schilderen met een gouden keg [15]

op een zilveren veld, en een groote planterskroon er bovenop van

suikerriet en koffieboonen."

"Ik zou er maar J.A.K. op laten zetten," zei de oude dame droogjes: "je

kunt immers de letters met net zooveel krullen maken als je maar wilt."

Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en

andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelsche

pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld

te geven van den portwijn van den heer _Kegge_, die hij door een

extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer

_Kegge_ verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te willen zijn als men

hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij den koning van

Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en _Henriette_ weinig;

maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde

zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke

orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen

bezondigde, en dan met een "allemaal gekheid" de fout verschoonde. De

hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij

ontzag hadden voor den langen-hond der oude dame; maar de kinderen,

die "vrij werden opgevoed", maakten een vreeselijke drukte.

Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotsche

likeur proeven, die als vuur in de keel was.

De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan en

vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de

eetzaal gebleven, waar de kleine _Hanna_ de compôte met morellen tot

zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en

hare broertjes nog eens bediende, op mama's vriendelijk verzoek zich

aan deze verkwikking niet verder te buiten te gaan, niets antwoordende

dan dat het zoo lekker was.

"Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga,"

zei de heer _Kegge_; "dit is _mijn_ studie-uurtje!" En met een weinig

bedwongen geeuw verliet hij de kamer.

Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder,

wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereidde zich

insgelijks tot de siësta.

De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de

schemering, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het lustig

brandend kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder en betuigde

er zich in te verheugen, dat zij na den eten aangenaam gezelschap had.

Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam schemeruurtje

ook zijn waarde heeft.

Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours,

veel menschen; "en helaas", voegde zij er bij, "er is hier volstrekt

geen conversatie."

Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo veel

duizend inwoners, zonder eenige conversatie.

"Ach," antwoordde _Henriette_: "men moet denken, de menschen zijn

hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men

niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne

met ons zouden omgaan, maar ... die conveniëeren _ons_ weer minder."

Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad

huisgezinnen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne

eigenlijke plaats en stand; familiën zonder familie, die den neus

optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en

grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd

staan, dat de eerste kringen hen niet met open armen ontvangen. Lieve

menschen! van waar komt u deze laatdunkendheid? Moeten dan, mevrouw,

omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat hem tot het waterpas van

zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes, zeven vrouwen

dier groote heeren terstond vergeten, dat uw geboorte burgerlijk,

uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u,

rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn toegenaderd,

naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen,

zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meer paarden en misschien

wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat

uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam,

en den achtbaarsten patriciër, den besten edelman naar de oogen

steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patriciër, die

doorluchtige edelman al de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade

voor zijnen zoon begeeren? Weet gij dan niet, dat indien de kringen,

welke gij zoo verlangend zijt binnen te treden, zich voor u openden,

gij in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uws

vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het

niet veel beter zijn, indien gij u rustig aansloot aan den stand

waartoe gij behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin

gij zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gij niet veel liever de

eerste onder de burgers dan de laatste, de bij gedoogen toegelatene,

onder de grooten zijn? Waarlijk, ik begrijp hunne terughoudendheid

beter dan uwe eerzucht. Zij zijn volkomen tevreden met het verkeer

onder huns gelijken; zij schromen avances te doen, die hun naderhand

zouden kunnen berouwen; de mevrouwen vreezen, dat zij nu en dan voor

elkander over hare nieuwe kennissen zouden hebben te blozen, indien

zij u _en amitié_ namen, en gij verriedt eens uw nieuwelingschap of

volkomen misplaatst zijn in de kaste, waarin gij waart toegelaten

zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!... Of, korter

nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in haren omgang zouden

opnemen.--Maar gijzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar

vensters te kijken en het af te zien hoe zij haar huis stoffeeren,

haar disch arrangeeren en hare bedienden dresseeren; gij, die haar

plaagt, en tart door uw toilet kostbaarder te maken dan het hare, die

er beurtelings de nabootsing, de parodie, en de charge van uitstalt;

die terwijl gij over den onchristelijken hoogmoed der groote dames

klaagt, die de deur sluiten voor eene familie, die niet tot haren

stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familiën,

die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt, dat gij

deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is

zoo goed als, en misschien beter dan een fazantehen, maar ze behoort

daarom niet in het hok der goudlakenschen. Zoo zij dan den kippenloop

veracht, mag zij alleen gaan zitten onder dezen of genen sparreboom,

en pikken zich in de veeren, en aan de voorbij zwemmende eenden

wijsmaken, dat haar nicht in den tienden graad ook een fazantehen

is. Maar de kippen in den loop hebben samen ruim zoo veel genoegen

als zij in haar eenigheid, achten elkander, bewonderen elkanders

eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u heb ik

eene andere vergelijking. Gij zijt vledermuizen, bij de vogelen niet

gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan

in het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen,

die haar waarlijk staan of ze haar niet toekomen.

Het bleek mij in _dit_ schemeruur, dat de schoone _Henriette_ zich

met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet;

maar mijnheer, schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog was, sprak

mij veel te veel van adellijke heeren en groote hanzen, dan dat ik

hem niet van eene heimelijke jaloezie verdacht zou hebben. In zijn

trotsch belijden "zoo je wilt, een parvenu te zijn" was misschien

even veel spijt als oprechtheid.

In den loop van ons gesprek verhaalde _Henriette_ mij wonderen van het

huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had; een

slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het

kerkboek, een slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op haar kostschool,

en klaagde over de nare madame, die door al de meisjes gehaat was,

en verhief hemelhoog de allerliefste _Clementine_ zus en zoo, haar

beste vriendin, waarmee zij "in alles sympatiseerde".

Zij had eene "onbegrijpelijken zin" om in Den Haag te wonen, of een

reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij liefhebberij

toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk niet door

dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de menschen

_hier_ over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard zagen,

en dat men zich nooit in _deze_ stad met een heer in 't publiek kon

vertoonen of er werd gezegd dat men verloofd was; een grieve, welke

ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb hooren

inbrengen, maar waarvan ik het ijselijke zoo ijselijk niet inzie.

Een juffertje en een mijnheer.

Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of

drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid

dan ingeleid, onder het gejuich van "_Saartje_ met een mof! _Saartje_

met een mof!"

Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van _Henriette_.

De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschijnlijk

geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen

trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen:

"_Saartje_ met een mof! _Saartje_ met een mof!"

"Kind!" zei _Henriette_ tot de binnengekomene: "Wat kom je ontzaglijk

vroeg; mama slaapt nog."

"Wat zegje, _Harriot_?" riep mevrouw met een schorre stem, wakker

wordende: "Wat wilje kind? is er iets? hebje nog geen licht op?"

"Nicht _Saartje_ is daar al," was het antwoord. "De kinderen zeggen;"

voegde zij er lachend bij; "de kinderen zeggen, met een mof!"

De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele

lieve stem naar de gezondheid van nicht _Kegge_ en nicht _Henriette_.

"Och!" zei de laatste, "je bent er toch niet ver af; schel reis om

het licht, wilje?"

Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam

binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje, misschien

van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van _Henriette_. Een

allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed,

maakte zich los uit de plooien van een bruinen lakenschen mantel; een

gegaufreerd kraagje sloot stemmigjes om een allerblanksten hals; en

toen zij haar eenvoudig kastoor hoedje afzette, vertoonde zich, onder

een schat van los neerhangende blonde krullen, een allerinnemendst

zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde op het onverwacht gezicht van

een persoon meer dan zij vermoed had. Ik haastte mij haar van hoed

en mantel te ontlasten, en ook van de mof, in wier gezelschap zij

was aangekondigd. Zij bloosde nog sterker over deze gedienstigheid

en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen.

_Henriette_ nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch,

nieuwmodisch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe of

kersroode zijde gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor twee kleine

handjes, een zakdoek, een reukflesch, en een visiteboekje; maar een

degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche

langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbekleedsel behoorde,

waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen en

waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien

verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.

"Wat een allerliefst mofje!" zei _Henriet_, met het harde haar

over hare zachte wangen strijkende; "wat doe _jij_ nu met een mof,

_Saartje_?"

"'t Is een oud ding," zei _Saartje_ met een lief lachje: "de kinderen

hebben er ook al zoo'n pleizier over gehad. 't Is nog van mijn

grootmoeder, en ik draag het alleen 's avonds, nicht _Henriette_! Hoe

vaart neef?"

"Papa is heel wel," antwoordde de schoone. En als om het te bewijzen

trad de heer _Kegge_ zelf binnen, vatte _Saartje_ met een fikschen

greep om het middel, en gaf haar een zoen dat het klapte.

"Wel _Saar_! daar doe je wèl aan!" riep hij uit. "Kom je nog reis

thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben

opgedaan? Pas maar op hoor, het is een meisjesgek."

Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel anders

doen kan dan pijnlijk glimlachen.

"En wat hoor ik van je mof? _Rob_ zegt dat je een mof hebt. Laat reis

kijken. Die is nog van je moeder, _Saar_! Lieve schepsel! ik ben een

citroen als dat niet precies het haar is van een wild varken. Hoor

reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van _mij_ hebben."

"Och neen, neef _Kegge_!" zei het lieve meisje verlegen; "ik zou haar

toch niet anders dan 's avonds dragen."

"En waarom niet, als _ik_ ze je geef?"

"Omdat het me ... niet past, neef _Kegge_."

"Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?"

"Toch niet, neef _Kegge_! heusch, ik had het liever niet,--ik mag

geen bont dragen,--en ik ben er ook nog veel te jong voor."

"Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhaar? 't

Is immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas;

en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi."

Deze laatste aardigheid deed den heer _Kegge_ machtig genoeglijk

aan, en wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver

en de kopjes van blauw porselein waren, behoeft niet te worden

opgemerkt. De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke

familie _Kegge_ gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer

verwonderd te staan, en het verveelt mij er hem langer opmerkzaam op

te maken. Die er behagen in schept moois van dien aard met bewondering

en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen van Q. en Z. Men

zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op de schoone mirakelen,

die zij beschrijven.

Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren stond,

liet de heer _Kegge_ zich een met zwart zeehond gevoerden overjas

van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels,

zeide hij. Hij stak daarna op, hetgeen hij met een kieschen term een

stinkstok noemde, en ging uit, om alweer een noodige commissie te doen.

Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van een zeven-

of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt,

rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat voor

het overige zeer vervallen was. Hij droeg het haar eenigszins lang,

zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze

oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe spelonken, want de

jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en om zijne lippen speelde

een glimlach, die kennelijk geen andere bestemming had, dan om een

zeer blank en regelmatig gebit te doen te voorschijn komen. Deze

persoon was gedost in een zeer nauwen groenen rok met zeer kleine

vergulde knoopjes en zeer nauwe en korte mouwtjes, een zeer wijden

zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een gebrocheerd

zijden vest. Een zwartsatijnen strop, in welks slippen een zeer lange,

zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertje daaraan

vast, stroo-gele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn

kleedij. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit

lange magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den

weg naar een zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een bijna

onzichtbaar elastiek koordje een klein vierkant lorgnet bengelde,

dat geschikt was om zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel

van het oog te blijven staan.

Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, volstrekt in

dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest en zonder ter

linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men zou gezegd

hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot mevrouw _Kegge_

genaderd was, stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de borst vallen

als eene geknakte bieze; vervolgens ging hij op _Henriette_ af, en

herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid van een automaat;

eindelijk bracht hij ze ten derdemale ten uitvoer voor de vereenigde

personages van _Saartjen_ en mij.

_Henriette_ stelde ons aan elkander voor, als mijnheer _Van der Hoogen_

en mijnheer _Hildebrand_.

Mijnheer _Van der Hoogen_ plaatste zich vervolgens op den hem

aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterband ter hoogte van

zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde

vestje, zoodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop

begon hij met een krakende stem tot mevrouw:

"En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde

ik bij den heer _Van Nagel_; nu, u weet wel dat freule _Constance_

ook een aardig hondje heeft...."

"Ik weet het heel goed; het is een King Richard," zei _Henriette_,

"een allerliefst dier."

"Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet

bij Azor en Mimi."

"Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.

"o Mevrouw!" antwoordde de heer _Van der Hoogen_, geheel

opgewondenheid: "het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten

het te zeggen. Freule _Constance_! zei ik, uw hondje is charmant;

maar de hondjes van mevrouw _Kegge_ zijn charmanter."

Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw _Kegge_

niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi,

die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe,

en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.

De heer _Van der Hoogen_ richtte zich daarop tot _Henriette_.

"Ik kan u zeggen, juffrouw _Henriette_, dat de freule _Constance_

jaloersch is van uw maraboe's; zij heeft u er laatst mee in de

kerk gezien. Gisteren zei ze: _Van der Hoogen_, je kent immers de

familie _Kegge_? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te

zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe's

van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe's; daarop volgde

een heel gesprek over u."

"Waarlijk?" vroeg _Henriette_: hare oogen ongeloovig tot hem

opslaande. "Foei, _Van der Hoogen_! je houdt me een beetje voor

den gek."

"Dat is ondeugend van je," antwoordde _Van der Hoogen_, als zij

glimlachende. "Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte

soupçons!" Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en

vervolgde: "Waarlijk, juffrouw _Henriette_, het is jammer, heel jammer,

dat je die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule

_Constance_ is waarlijk allercharmantst."

"Ik weet niet, _Van der Hoogen_! maar ik geloof stellig dat er iets

bestaat tusschen u en die freule _Constance_!" merkte _Henriette_

aan. En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle

mogelijke coquetterie in de oogen.

De heer _Van der Hoogen_ had er, wed ik, zijn mooie handschoenen

voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos

was--wie weet waar?

"Al weer foei!" hernam hij, "dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw

_Henriette_!" En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd

vest; "ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar

misschien van fluistert--onwaar is."

Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij

voort:

"Ik mag de freule _Constance_ heel gaarne; zij is waarlijk

allercharmantst; maar ... ik heb geen plans, in 't geheel geen

plans. En wilje weten waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?"

"Welnu?"

"Omdat zij zich zoo aan _u_ intéresseerde." En hij sloeg de oogen

liefelijk neder.

"Inderdaad, ondeugd?" plaagde _Henriette_; "je zoudt me waarlijk

nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!"

"Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en intéressant," zei _Van

der Hoogen_, "en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En zich tot

mevrouw _Kegge_ keerende: "Lieve mevrouw! vereenig u toch met al wat

in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden."

"Dat behoeft niet meer!" zei _Henriette_ glimlachende: "alles is

bepaald: ik speel vrijdag."

"Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule _Constance_

verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk,

hoop ik...."

"Ik ben nog niet gedécideerd," antwoordde _Henriette_: "wil de heer

_Van der Hoogen_ mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens

openmaken?"

"Gaarne, dolgaarne."

"Maar gij moet reflecties maken."

"Onmogelijk! onmogelijk!" riep _Van der Hoogen_. Daarop sprong hij

van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij

hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal

geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à

l'anglaise, en hielp _Henriette_ de muziek uitzoeken.

Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: "Dat juffertje _De Groot_

heeft toch een allercharmantst gezichtje!"

"Wat onbeduidend," antwoordde _Henriette_.

"Niet waar? dat is de eenige fout," sprak _Van der Hoogen_.

"_Saartje_," hernam _Henriette_, "het is goed dat ik er om

denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje

gezelschap zoudt willen houden."

"Graag, nicht _Henriette_!" antwoordde _Saartje_; "ik ga terstond."

Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken.

_Henriette_ begon te spelen, en de heer _Van der Hoogen_ sloeg de

bladen om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee talmde,

dat _Henriette_, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve

hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten

en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over 't

geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer vertrouwelijk.

Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren _Rob_ en

_Adam_ écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine _Hanna_

(want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een

kostbaar boek tot mislukte knipsels.

Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst

ophelderde dat de gebeurtenis, die "al wat in de stad smaak had

verrukken zou," geen andere was, dan dat _Henriette_ aanstaanden

vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De

heer _Van der Hoogen_ had haar zoo lang gebeden, en de directie van

het concert had er mijnheer _Kegge_ zoo zeer om lastig gevallen,

en _Henriette_ speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet langer had

kunnen weigeren! Na deze mededeeling begon ons gesprek te kwijnen,

en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe 't haar in

Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te

lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en gierig,

en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zooveel kleeren aan

't lijf; en de huizen waren zoo tochtig! Maar zij zelve was gelukkig

altijd gezond, en de kinderen en _Kegge_ ook, en ook de hondjes.

De heer _Kegge_ kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het

blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn

binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De

heer _Kegge_ voegde zich bij de piano. _Saartje_ kwam weder beneden

en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik

hield mij daarop met haar bezig door te zamen de platen te bezien

eener prachtuitgaaf van _Lafontaine_. Zij wist zoo goed welke fabel

door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Fransch zoo wel

uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje,

dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad,

en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone

brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.

Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw _Kegge_ sluimerde

met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante heer

_Van der Hoogen_ weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de

borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer _Van der Hoogen_,

de eer had haar dienaar te wezen.

Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu

aan den heer _Kegge_.

"A propos"--zeide hij--"goed dat ik er om denk. Er presenteert

zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te

verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk

décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand

zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blankofficier;

honorable betrekking!"

"Vooral tegenwoordig!" merkte de heer _Kegge_ aan, "schoon't bij

ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in

verachting. Maar 't is dwaas; want zoo in Suriname als in Demerary

zijn de meeste directeurs het zelf geweest."

_Henriette_ werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen

kon de charmante heer _Van der Hoogen_ niet uit zulk een bekentenis

opmaken! Maar de charmante heer _Van der Hoogen_ dacht misschien aan

zijn eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder

te Amsterdam was, en met wien hij dien ten gevolge niets meer had

uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok.

Vaderangsten en kinderliefde.

Wie _Hildebrand_ te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al

te lastigen gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij

moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar

ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje

van ontwijk, al is dat dan ook nog zoo klein, waar hij zichzelven kan

toebehooren en, ongestoord en onbespied, gedurende een zeker gedeelte

van den dag doen wat hij wil; en als het winter is, valt dat bij

sommige menschen moeielijk; want dan kan op de eene kamer niet gestookt

worden om de valwinden, en op de andere geen vuur aangemaakt omdat

het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude getroosten kan,

"in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten." Ondertusschen is het

een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en het koffieuur, te zitten

hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in négligé;

daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op

te lichten om "eventjes de tafel te wrijven," vervolgens met in 't

geheel geen gezelschap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand,

die een brief gaat zitten schrijven, en dan, af en aan, eene flauwe,

slaperige en rekkerige conversatie. Neen! de conversable dag begint

niet voor één ure. Aan het ontbijt voegt de bijbel en de stilte, en

na den ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de koffie krijgt eerst

de gezelligheid hare rechten, en ik heb geen eerbied voor den man,

die eene anecdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok

van éénen koud is.

Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht

op mijn gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij

op eene fatsoenlijke wijze te vervelen door, zonder bepaald iets te

willen doen, nu het eene dan het andere boek uit de kast te halen,

in te zien, en weer op zijn plaats te stellen, maar door een klein

werkjen op te zetten, waartoe ik de materialen had meegebracht, een

werkje daar ik alle oogenblikken van scheiden kon, maar daar ik ook

genoeg aan had om met belangstelling in bezig te zijn.

Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als "den geleerde" begroet,

"die den heelen ochtend met den neus in de boeken had gezeten;

allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij in slaap

zou zijn gevallen."

_Henriette_ kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en opgewekt

uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij pas

scheen te hebben ontvangen.

"Kind!" riep de heer _Kegge_ haar toe, "vanavond ga je uit, hoor!"

"En waarheen, papa?" vroeg _Henriette_.

"Naar neef _De Groot_, hart! Op vergulden."

"Op wat?" vroeg _Henriette_, wier aangezicht betrok.

"Op koekplakken!" zei haar vader, "Sakkerloot, ik heb het in mijn jeugd

ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, _Adam_ en _Eva_,

schepen, al den boel! "Weetje niet dat het haast Sinter Klaas is?"

"Ik koekplakken, papa, bij de _De Grooten_!--Ik kan het niet; ik

bedank er voor. Neen, _daar_ bedank ik nu voor," zei _Henriette_

op een welberaden toon, "ik doe het _niet_."

"Ja maar, lieve meid," zei de heer _Kegge_, "ik heb het voor je

aangenomen; hoor; je kunt er niet af; 't is een heele damespartij."

"En wat voor dames zouden er bij de _De Grooten_ komen?" vroeg de

schoone smalend.

"Weet _ik_ het, juffrouw _Henriette_?" zei de vader, op een kluchtige

wijze het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van het hiaat

in zijne lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid. "Ik ben een

kievit als ik het weet. Je neef heeft er me verscheiden opgenoemd;

juffrouw _Riet_, juffrouw _Dekker_, juffer dit en dat; hij zegt dat

het heele ordentelijke juffrouwen zijn."

"En waarom heeft _Saartje_ mij dan gisteren niet verzocht?"

"Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze."

"Omdat ze niet gedurfd heeft," verbeterde _Henriette_, rood van

verontwaardiging.

"_Henriette_-hef!" vleide papa, "ik had graag dat je wèl waart met de

_De Grooten_. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons duizend

diensten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en alles;

hij is een eerlijk man; kan hij 't helpen dat hij geen adellijk heer

of groote hans is, dat hij geen glacé handschoentjes draagt als onze

vriend _Van der Hoogen_? Ik heb het aangenomen; je zult er immers

heengaan? Ik wil dat je er heengaat."

"Het is wèl; ik _zal_ er heengaan," antwoordde _Henriette_, bleek

van drift; "maar als ik vrijdag slecht speel, is het _uw_ schuld."

"Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Misschien

bevalt je dat óók niet; ik heb neef _De Groot_ een introductiekaartje

beloofd."

"'t Is goed," zei _Henriette_, haar spijt verbijtende.

"Van wien is dat paarse briefje?"

"Ik heb het met muziek gekregen."

"Nu, kind! van avond vergulden, hoor! _Hildebrand_ mag je komen

halen als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan

hij nog reis mee trekken om 't langste brok. 't Zijn waarlijk goeie

menschen, _Hildebrand_! heel ordentelijk. Je hebt gisteren _Saartje_

gezien. _Henriet_"--vervolgde hij, met de oogen pinkende--"_Henriet_

mocht willen dat zij er zoo uitzag!"

_Henriet_ beefde.

"Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen," zei haar papa, en gaf

haar een kus. "_Harriot_, _my dear_, je moet niet boos zijn."

_Harriot_, _his dear_, draaide het hoofd af.

De vader was verlegen.

"Het is goed weer," hernam hij: "best weer! ik heb de schimmels voor

de barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn logé. Ga

je mee, _Harriot_?"

"Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren," antwoordde zij,

een slotportefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier

uitkrijgende, dat zij oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten

vullen.

"Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud."

Er volgde een poosje stilte.

"Is uw toilet voor vrijdag al in orde, _Harriot_?" vroeg de heer

_Kegge_.

"Ik weet niet," zei _Harriot_.

"Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?"

"Neen, papa."

De schimmels waren vóór; _Henriette_ bleef pruilen. Wij namen afscheid

en stegen in de barouchette.

"_Henriette_ was boos," zei de vader, toen wij gezeten waren. "Ja,

die dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En _Henriet_ heeft _veel

karakter_."

Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de

vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer _Kegge_ beweerde

dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de

voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord "ongepermitteerd"

duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met

kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt

kwamen en op dezen of genen hoek niet gauw genoeg uit den weg konden

komen. Ook zag ik deftige heeren met rottingen onder den arm die,

niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten

hunne wandeling te staken, totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan,

en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, "verschoten" en de

aan haar zorg toevertrouwde lievelingen bij de armen naar zich toe

sjorden, om der wereld te toonen hoe goed zij voor hen zorgden. In

een koffiehuis kwamen, drie of vier heeren, met horizontaal opgeheven

pijpen in den mond, over het horretje kijken, en alles toonde ontzag

voor de twee schimmels, het mooie rijtuig, den deftigen koetsier,

en den zwarten lakei achterop, die met onbewegelijke plechtigheid zat

rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle

vooroordeelen verheven straatjongen, die hem nariep: "Mooie jongen,

pas op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!"

Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn persoon

en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van den heer _Kegge_

te prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te maken.

Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien keer

door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag. Het

had in dien herfst weinig geregend en nog in het geheel niet

gestormd. De boomen pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun

bladerkroon. Heerlijk blonken de goudgele en bloedroode tinten van

iepen en beuken in het rosse zonlicht. Hier en daar breidde een eik

daartusschen zijn gelende takken uit, nog steeds groen aan den top;

en het donkergroen van een partij dennen beschaamde van tijd tot

tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het woud, die nu nog

zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt en arm den

winter zouden tegemoet gaan.

Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, noch de frissche

najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den heer _Kegge_

te verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden en zijne

gedachten over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar telkens bleek

het mij duidelijk dat zij over de verstoordheid van zijne beminde

dochter liepen.

De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en de koetsier

maakte den heer _Kegge_ herhaalde malen opmerkzaam dat de bijdehandsche

nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen alsof de heer _Kegge_

er geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren van _Henriet_.

De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een "grooten hans

en adellijken heer" voorbij te rijden; maar de heer _Kegge_ wreef

zich de handen niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd hield

dat hij het gisteren zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt. Wel

poogde hij den last nu en dan van zich af te werpen, of zich dien te

ontveinzen, door van tijd tot tijd koddig of ruw uit te vallen, maar

daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. Hij was de man van gisteren

niet. Die barre mijnheer _Kegge_, zoo onafhankelijk, zoo luidruchtig,

zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was kleinmoedig en

benepen van ziele, om den wille van de gril van een zeventienjarig

meisje, dat hij liefhad, en vreesde. Mejuffrouw _Toussaint_, in wie

ik niet weet wat het meest te bewonderen, òf de juistheid waarmede

zij de verborgenheden van het innerlijk leven opvat, òf de keurigheid

en kracht waarmee zij die in hare geschriften schildert, heeft dezen

vorm der ouderlijke liefde uitstekend geschetst.

Op den terugkeer gebood de heer _Kegge_ stil te houden voor de deur

van een bloemist.

De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. "Is je heer thuis,

meisje?"

"Meheer is na Amsterdam."

"Maar mogelijk is _Barend_ te werk," riep _Kegge_ uit het rijtuig.

"Ja, meheer! _Barend_ is er. As meheer er maar uit wil komen?"

Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollenhuis,

waar _Barend_ zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjes

en sterke geuren aan ons oog vertoonde.

_Barend_ was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij wien

wij waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst

voorkomen. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een blauw wambuis

van een antiek snit, een korte broek, grijze kousen en groote vierkante

zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte

opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge jaren, droeg hij het hoofd

nog vrij rechtop. Dunne witte haren hingen hem langs de slapen; maar

zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde rood, dat denzulken, die

hun leven in de open lucht hebben doorgebracht, tot in hun grijsheid

bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden een vriendelijken glans, en

zijn mond was juist genoeg ingevallen om een allerinnemendste plooi

te hebben aangenomen.

"_Barend_!" zei de heer _Kegge_, "ik moet een mooien ruiker bloemen

hebben."

"Dat zal slecht gaan, meheer _Kegge_," antwoordde _Barend_.

"Voor geld en goede woorden, _Barend_!" hernam _Kegge_; "'t kan me

niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie."

"Allemaal goed," zei _Barend_; "maar je kent de natuur niet

dwingen. Dat 's een anjer; verstaje! 't Is nou de allerschraalste

tijd. Weetje wel dat we al mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg

in 't voorjaar as je wil, meheer _Kegge_, en ik zel je een handvol

gebroeid goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles

gedaan. Der mag nog een enkele kresantemum wezen,--maar 't is over,

meheer _Kegge_; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding niet

dwingen. Je _kent_ het wel dwingen; maar dwingen en dwingen is twee;

en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen kan worden,

wat heb je dan? Dan plaag je je zelve."

De heer _Kegge_ brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van

den ouden _Barend_ af, met te zeggen: "Nu nu, _Barendje_, als je al

de kassen reis doorloopt!"

"Hoor reis!" zei _Barend_, "je mot maar denken dat ik je net zoo

graag de heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen,

want daar zit al de kracht in, weetje. 'En blom, meheer _Kegge_; dat

zeg ik altijd; 'en blom is net as 'en mensch. As ik jou je hart uit je

gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in 't leven blijven? Daar zit

'et 'em as 't ware maar in.... Wat zeg _jij_, meheer?" voegde hij er

bij, zich tot mij richtende.

De heer _Kegge_ wachtte volstrekt niet af wat _ik_ in dezen zeggen

zoude. "Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen

hebben?" zei hij ongeduldig.

"Hoor," zei _Barend_, zijn snoeimes uit den zak halende en openslaande,

"as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfje te besteeën; dan zelje

voor een spiergulden [16] al heel wat doen. Maar 't is maar dat het

zoo bitter uit den tijd is. Is het voor mevrouw?"

"Neen, _Barend_! voor me dochter."

"Kom an!" hernam hij, "da's etzelfde; de dames zijn onze beste klanten

voor de blommen; maar as we 't van de blommen hebben mosten!"

"Maar waar drommel moet je 't anders van hebben?"

"Wel, van de bollen," zei _Barend_; "de blommen beteekenen nies. Dat

is armoed. Kijk!" ging hij voort, daar hij een potje aanwees dat niet

bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte;

"motje zoo'n dingsigheidje niet hebben? Of hebje dat al?"

"Wat is het, _Barend_?"

"Dat," zei _Barend_, "is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus

mi tangere!"

"Hou op met je potjes-latijn!" riep _Kegge_ uit; "allemaal gekheid! Hoe

heet het in je moers taal, man?"

"Kruidje roer me niet," antwoordde _Barend_.

"Dankje hartelijk!" hernam _Kegge_, zich waarschijnlijk herinnerende

dat hij "zoo'n dingsigheidje" al had.

Wij gingen eerst den tuin door, waar nog een enkele maandroos bloeide,

die er heel goed uitzag, ofschoon _Barend_ beweerde, dat zij het door

de nattigheid toch in het hart weg moest hebben, en zagen vervolgens

de kassen, waar hij hier en daar een pelargonium, chrysanthemum,

en primula sinensis afsneed, zoodat wij op 't laatst nog een vrij

aanzienlijken ruiker bijeen hadden, terwijl _Barend_ bij iedere bloem

zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen hij de laatste

deur achter zich sloot, liet de heer _Kegge_ zich onvoorzichtig de

vraag ontvallen:

"Wel _Barend_! hoe lang ben jij hier nu al geweest?"

"Vijf en vijftig jaar, meheer! met God en met eere," was zijn antwoord;

"ik word met vrouwendag achtenzestig; en ik ben hier op me dertiende

jaar as tuinmansjongen gekommen."

"Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!" merkte ik aan.

"O!" antwoordde _Barend_; "maar dan most meheer me wijf zien. Die

is nou toch ook in der zestigste, maar da's nog wat anders. Ik heb

dertien kinderen bij 'er gehad, en de jongste scheelde met de oudste

krek eenentwintig jaar. Nou beurt dat zoo niet meer, maar voor een

jaar of tien is 'et _mennigmaal_ gebeurd dat de lui an der vroegen,

of 'er vader thuis was."

"Dat 's knap!" zei _Kegge_, "weergaasch knap, hoor _Barend_. In de

Westinjes is dat anders. Daar kan 't wel beuren dat moeder en dochter

maar vijftien jaar schelen; maar de vrouwen zijn er vroeg oud, man."

Met deze woorden haalde de heer _Kegge_ zijn beurs uit den zak en

nam de houding aan van iemand die vertrekken wilde. Maar _Barend_

dacht er anders over, en leunde tegen den muur van de kas met al de

gemakkelijkheid van iemand die een lange historie beginnen gaat.

"De heeren hadden men vader motten kennen," zei _Barend_, "dat was

een vast man. Toen ie stierf was ie omme en bij de negenenzestig

jaar, maar hij had zijn volle gebit nog. We woonden toen ter tijd te

Uitgeest en hij kwam geloopen van Uitgeest na Alkmaar om de koffie,

want we hadden een eigen moei te Alkmaar; en hij ging weer na huis,

en hij wist er niks niemendal van.--En was 't niet om 'en boer--hij

_was_ er nog wel."

"Zóó," merkte ik aan; "dan zou hij toch nog al aardig oud zijn! vrind!"

"Doet niet!" zei _Barend_, "doet niet! Dan was ie pas honderd en

vijf, en dat had _hij_ makkelijk kennen worden ook. Maar dat mot

ik de heeren toch reis vertellen. Hij was bij een boer, _Stoetema_

hiette de boer, an 't werk; want me vader was een timmerman van zijn

ambacht. Wat wil 't geval. Hij krijgt zoo klakkeloos de koors op 't

lijf. Nou was me vader van _zoo'n_ natuur, dat as ie, met permissie,

maar an 't zweeten kommen kon, dan was ie weer klaar. Jongens, zeit

ie tegen zijn kameraads, ik heb een harde koors. Weetje wat, zeiën ze,

dan motje wat op de koes gaan leggen. Dat is, zooals de heeren mogelijk

wel weten, in den koestal, achter de koeien, de plek waar de knechts,

deur den bank, slapen. Maar _Stoetema_ zei: dat kan niet, want we

hebben 't bed pas opgemaakt voor de jongens; dan most me vader maar in

den hooiberg gaan. Nou toen moest me vader zoo'n hooge ladder op van

'en veertig sporten. Jongens! dat kostte hem wat 'n moeite voor dat

ie boven kwam! Toen maakte hij daar zoo'n kuiltje voor 'm en haalde

het hooi over 'm heen, en bleef stil leggen. Maar toen ie een uurtje

gelegen had, kwam daar 't houtschuitje; daar gingen de knechts mee

na huis; want het sloeg twaalf uren. Deur _die_ weg riepen ze an me

vader: _Jan_, kom der nou of, daar is 't schuitje! maar me vader zei:

neen, want ik zweet zoo, laat me nou leggen. Maar ze zeiën: jongen,

as 't reis erger wier; je most maar mee gaan. Toen kwam me vader van

den hooiberg af; maar kijk, hij zweette dan erg. Toen vroegen ze an

_Stoetema_ om koedekken. Maar hij wou ze niet geven; me koedekken

motten droog blijven, zeid' ie. Toen trok de een zen wammes uit, en

de ander trok zen wammes uit, en lei dat over me vader; maar het holp

niet, want het was te kort. Zoo kwammen ze te Uitgeest, maar het was

nog wel 'en anderhalfuur varens. Maar die menschen motten zekerlijk der

tijd noodig gehad hebben, want geen een ging er met me vader mee. Maar

toen waren zen beenen zoo stijf geworden, dat ie niet gaan kon, maar

van hoeken tot kanten viel. Toen motten de lui, die 'm gezien hebben,

zekerlijk bij der eigen hebben gedocht, die man is dronken. Maar

ziet! met dat ie zóó an de deur kwam, wou ie de knop grijpen...."

Hier raakte de oude _Barend_ zijn stem, die al zwakker en afgebrokener

geworden was, geheel kwijt, en stikte in zijn tranen. Met de linkerhand

greep hij zich bij 't achterhoofd en trok zich bij de dunne haren.

"Kijk!" zei de oude man, met den voet stampende, en met even veel

smart en verontwaardiging als of zijn vader gisteren gestorven was,

"kijk! as ik an dien boer denk!..."

"Hij wou de knop grijpen," ging hij bedaarder voort, "maar het ging

niet. Drie dagen daarna was ie 'n lijk. Maar was 't niet om dien

boer," zei hij, andermaal stampvoetende, "hij zou der makkelijk _nog_

kennen wezen."

De heer _Kegge_ had de tranen in de oogen. Hij tastte in zijn beurs.

"Daar _Barend_," zeide hij; "wat er meer is dan een spiergulden is

voor jou. Geef me nu den ruiker maar in een groote spanen doos."

_Barend_ ging de doos halen.

"Die oude heer _Barend_ is in allen gevalle toch niet in de wieg

gesmoord," merkte de heer _Kegge_ aan, met gemaakte vroolijkheid. En

zijn oogen afvegende, voegde hij er bij: "een lamentabele

historie! Zoo'n ouwe kerel zou je nog akelig maken óók."

Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. _Henriette_, die ook al

berouw over hare verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen

haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie

oogen. Zij was beschaamd.

"Je bent toch een lieve papa," zei ze, hem kussende, en met haar

fraaie hand zijn haren schikkende. "Ik had het niet verdiend," voegde

zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart.

"Geen coupjes!" zei de vader. "Allemaal gekheid! Een mensch moet

altijd vroolijk zijn!"

Ik begon tienmaal meer van _Henriette_ te houden. De kaketoe riep:

"Zoete vrouw."

Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer _Van der Hoogen_, dien

ik in mijne gedachten nooit anders dan "den charmanten" noemde,

aangediend werd en binnenkwam.

_Henriette_ kleurde vreeselijk.

"Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer _Van Kegge_. Een

zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juffrouw _Van

Kegge_; het is alleraffreust; ik ben desperaat!"

Ik zag den heer _Van der Hoogen_ opmerkzaam aan, maar ik merkte

niets van die verwilderde haren of strakke blikken, die de dichters

mij als het onvermijdelijk vereischte der wanhoop hebben leeren

beschouwen. Integendeel; 's mans lokken zaten, dank zij het uitmuntend

plakmiddel, bij de haarbouwkunstenaars als cosmétique bekend, even

glad en net als gisteren; de blik zijner oogen was volmaakt kalm;

en ook beefde de hand des desperaten heeren _Van der Hoogen_ niet,

toen hij die naar een glas port uitstak, dat mijn gastheer voor

ZEd. had ingeschonken.

"Ik zal u zeggen;" dus vervolgde hij tot _Henriette_; "ik kan

onmogelijk donderdagavond bij uwe repetitie zijn. Zoo even ontving ik

de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer _Van Lemmer_, waar

ik niet van tusschen kan, en 's middags moet ik bij mevrouw _D'autré_

dineeren! Morgen is er, zoo als je weet, soirée bij den generaal. Als

je van avond niet kunt, dan ben ik waarlijk radeloos. Maar ik _vrees_

dat je niet zult kunnen...."

De dochtervreezende vader nam deze gelegenheid waar, om alles wat hij

dezen morgen verkorven had geheel weder goed te maken; want indien

_Henriettes_ toorn hem bevreesd had gemaakt, hare tranen hadden hem

volkomen overtuigd dat hij haar ongelijk had aangedaan. Misschien

was hij wel een weinigje bang voor eene nieuwe vredebreuk.

"Nu _Henriette_," zei de heer _Kegge_, het woord schielijk opvattende:

"dan zit er niets anders op dan dat je thuisblijft. Je _kunt_ er wel

af,--zóó is het niet."

"Hadje een invitatie? Dat vreesde ik al," merkte _Van der Hoogen_ aan;

"juffrouw _Van Kegge_ is overal zoo gechérisseerd. Neen, neen! als

je er iets voor sacrifiëeren moet, doe het dan niet; ik zal...."

"Neen!" zei de heer _Kegge_, "ik ben op die repetitie gesteld. Wij

wachten u van avond stellig.... Om een uur of zeven, niet waar?"

"Charmant, charmant!" riep de heer _Van der Hoogen_ uit, en wipte

van zijn stoel op: "dérangeer u niet; à ce soir!" Hij danste heen.

Ik begreep de beschaamdheid en de tranen van _Henriette_ nog beter dan

vóór den eten. Het was alles een opgedicht stukje, en de heer _Van

der Hoogen_ vertrok met de zalige overtuiging, der schoone brunette

een belangrijken dienst te hebben bewezen. Zij zelve had er berouw

van. Ik stond op om hem uit te laten.

"Mijnheer studeert te Leiden, niet waar?" vroeg hij mij in de

gang. "Charmante jongelui. Ik heb ook een halfjaar te Leiden

geresideerd. Maar 't is voor 't overige een miserabele stad. Geen

amusementen; de menschen zien elkander niet. Eens in 't jaar een

bal, om hun fatsoen te houden. Criant vervelend. Dérangeer u niet. A

ce soir!"

"Het spijt mij dat het zoo treft," zei _Henriette_ toen ik weder

binnenkwam, "maar gij ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan."

"Je moet een briefje schrijven!" zei haar papa.

"Foei neen!" zei _Henriette_; "geen briefjes aan de _De Grooten_;

dat zijn die menschen niet gewend."

"Wil _ik_ het voor u af gaan zeggen?" vroeg ik half schertsend.

"Heb ik u niet gezegd, mama! dat mijnheer zin in _Saartje_

heeft?" sprak _Henriette_ lachende; maar daarop nam zij de zaak

ernstig; "ik zou haar inderdaad zéér verplichten!"

"Goed," zei ik, "en als 't mij bevalt, blijf ik er, in plaats van

juffrouw _Henriette_, hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets

tegen vergulden."

"Vergulden!" riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak zoo

geheel ten genoegen van de dochter geschikt was, "wel, ik kan je

zeggen dat _ik_ het nog met pleizier doen zou. Ik wed dat grootmama

er nog schik in zou hebben...."

"Ik hou niet veel van verguld!" sprak de oude dame.

Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn; en voorts

iets droevigs.

De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat

uur begaf ik mij op weg naar de woning van den koekebakker _De Groot_

of, zooals _Henriette_ altijd zeide, van "de _De Grooten_". Zij was

vrij verre van het huis van den heer _Kegge_ gelegen, en ik ging op

de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een

vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer _Kegge_ af.

Camera Obscura · 第 35 / 64 题