"Ik wensch geen _stap_ terug te _treden_",
hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.
"Wat is dat?" riep ze.
"Dat is een walsje," zei haar man.
"Neem mij niet kwalijk, mevrouw," smeekte mijn tante, "ik had het
opgewonden. 't Is het speelwerk in de lamp. 't Is anders de aardigheid,
dat het zoo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. 't
Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou
hebben gereciteerd; nu komt het er ook zoo mal in."
Mijn tante zou gaarne, in dat oogenblik van verlegenheid, den geheelen
bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te
doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn
Ach, du lieber Augustin!
Het was een tartend geluid voor mevrouw _Dorbeen_, en zij beefde
inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame
teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze:
"Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er niet
veel bij. Nu zal _Koosje_ wel eens wat willen doen."
_Koosje_ bloosde, en zei met de oogen op haar moeder geslagen:
"Ik kan niets; wel moeder?"
"Stil!" zei _Dorbeen_: "het verandert weer: