De Aankomst.
In het kleine stadje D---- werd op een donderdag in de maand October,
des namiddags omtrent één ure, de stijle ijzeren trede neergelaten van
een gele diligence, rijdende over D---- van C---- tot E---- vice versa,
en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van dengenen die hem
onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw
onderdanige dienaar _Hildebrand_. Hij had gereisd met een bleeke dame,
die het rooken had verboden, en gedurig de kronkelbochten van haar boa
had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd
was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had,
en altijddoor leelijk was geweest. Op dezelfde bank met deze had een
jong juffertje gezeten, in een blauwen geruiten mantel niet gedoken,
het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een
langvergeten mode vatbaar was om van achteren te worden ingehaald
door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied,
op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelve juffer had een
stroohoed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in groote lissen
met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij
was zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen
afstand; soms had zij den goeden wil haar in 't verschikken van haar
boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig
roodvingerig handje, met een ring, die bijzonder veel op tin geleek,
voor ontbloot; maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen had zij
haar neus gesnoten, volgens een in den omgang zeer deugdelijk stelsel,
naar 't welk de neus alle mispassen, voorbarigheden en malle figuren
misgelden moet. Dit was het personeel van de achterste bank geweest. Op
de volgende had een jodin gezeten, als een oostersche edelsteen gevat
tusschen twee christenen; zij verborg onder een groen nopjesgoed
manteltje een klein kind, dat al haar trots uitmaakte omdat het niet
schreeuwde, zelfs niet toen zij het omstreeks halfweg een schoone
luier aandeed. Het kind nu was zeer klein, en had een zeer groote dot
in den mond. Van de christenen, waartusschen zij gevat was, had de
een een grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker,
een zilver potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en
schoengespen, waaruit ik opmaakte dat hij een zilversmid was; en de
andere een koperen doekspeld, een koperen tabaksdoos, en een koperen
guirlande op zijn buik, waaruit ik besloot dat hij niet minder dan
een banketbakkers meesterknecht zijn moest. De eerste haalde, daar er
niet gerookt mocht worden, den zilveren sigaarkoker een paar malen uit
den zak, alleen om 't vermaak te hebben van hem open te doen, er een
zilveren sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat
er niet in was, maar dat, zoo 't er in was geweest, zeker beter te
pas had kunnen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te
sluiten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna
met het achtereinde naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste
stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering in
den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken, de
koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen. De
jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren; maar de
zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den zilveren zat een
knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken, want hij
had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de hand, een
kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een uitdrukking
alsof hij zich gereed maakte met den eersten die hem toesprak een
vechtpartij te beginnen; het was ongetwijfeld een commissaris van
politie, of een plaatsmajoor in politiek. Aan zijne zijde sluimerde
een jong mensch met gescheiden haar, zoo glad gekamd alsof het uit
eén stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe das, een turkooizen
doekspeld, een roodgebloemd vest, heele korte toegeknoopte mouwen aan
een langlijvig bruin jasje, handschoenen met bont, en overschoenen.
't Was een Duitsch kantoorreiziger. Daar naast--maar wat heb ik er
aan, mijn talent te toonen in 't beschrijven van een reisgezelschap,
dat volstrekt niet pikant was, en dat ik aan het begin van dit opstel
reeds vaarwel had gezegd? Om korter te gaan: ik stapte van de trede,
viel eerst bijna in de armen van een geknevelden heer, met een stijf
been en gelen rotting, die de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde
dat iemand anders haar de hand toesteken zou dan ZEd., de zijne
alvast uitstak, dook onder de reeds tegen het dak van het voertuig,
waarmee ik gekomen was, opgezette ladder dóór, riep den knecht toe:
"die zwarte koffer met een H!" gaf den conducteur, die met de maal
naar binnen ging, mijn vijfje, en keek naar iemand om, die mijn goed
zou kunnen dragen zonder in de verzoeking te komen het aan zijn eigen
adres te bezorgen.
"Is uwé meheer _Willebram_, als ik vragen mag?" vroeg een zwak,
pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog
nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was tot
den commissaris van politie gericht.
"Benje d......mal, kerel", zei de commissaris van politie.
"Moet hij uit dezen wagen komen?" vroeg op hupschen toon de man van
het maagdelijk metaal.
"Dat zal _ik_ wezen", zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende
van de zorg, waarmee het (naar alle gedachten gezelschap-)juffertje
voor haar hoedendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedurige
verzuchting: "Is dat met me goed leven, kondelteur!"
Het mannetje, dat vóór mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk
in een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaconiehuis te
voltooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van knieën, droeg
een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de
mouw, en had onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de
boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht.
"Ik moest een boodschap voor meheer doen", zei het mannetje, dat ik
voor ongeveer achtenzestig aanzag, "en nu zei meheer, dat ik meteen
reis na' de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekommen was. Uwé
mot niet kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon".
Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om
't iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit
zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op
dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertje, totdat
het afgehaald worden zou, in de "Rustende Moor", en sukkelde met
mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van
onderweg vriendelijk door hem onderricht te worden aangaande het doel
van een groot gebouw met gotische deuren en vensters, waarop een toren
stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, 't welk hij zeide
"de kerk" te wezen; als ook omtrent een breede streep groenkleurig
vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, 't welk hij verklaarde
"de gracht" te zijn.
"En dit is het huis", zeide hij, zijne oude beenen op een stoep
zettende en een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die
uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan
het toch niet hooren of ze zacht of hard overgaat.
De Ontvangst.
Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het
voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst
natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen,
daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof
zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met
het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te
slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij
den barometer twintig, en van den barometer tot de mat, zes stappen
vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning.
Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was,
was hij toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had
een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in
het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met
middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede
koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht
vriendelijk uit te noodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten
van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf
op te luisteren òf te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in
die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in
't voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een
hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.
De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij nog
nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen
te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten eenigszins
scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op
een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer "gedaan werd",
zoodat men nu achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het
wel zoo voor lief zou nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook
wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat deze een
heele lieve achterkamer was, en dat hij wel van een achterkamer hield;
waarop oom zei, dat hij er, al zei hij 't zelf, _niet_ van hield, en
tante het met neef eens was dat zij er _wel_ van hield, waarop oom
wat bijkwam met te zeggen, dat hij er 's avonds _nogal_ van hield;
waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook 's avonds het _meest_
van hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd,
dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst
is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de geheele redewisseling
op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd werd terwijl oom
zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht,
en tante de kopjes van 't koffiegoed met een minzaam lachjen en een
bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de stapeltjes in
orde op het blad, toen zij vroeg: "Wel heeremijntijd, _Hildebrand_,
hadje nou niet nog koffie willen hebben?"
Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar
verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht
dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst
om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik straks
met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat
altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam.
Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard,
waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in
gestookt werd vóór den eersten November en er dus ook nu geen vuur
aanlag, en begon met naar mijn neef _Pieter_ te vragen.
Mijn neef _Pieter_ studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel
ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van
onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef _Pieter
Stastok_ ook kenden, had ik daarop te geenen tijde een voldoend
antwoord ontvangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan
deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk
begonnen was met niet meer naar _mijn neef_ _Pieter Stastok_, maar
naar een zekeren student _Stastok_ navraag te doen.
"Gij moest hem al gezien hebben, neef _Hildebrand_", zei de oudere
_Stastok_, "want hij is uitgegaan om u op te wachten."
"Om u op te wachten," herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar
schoot latende vallen en over haar bril heenziende: "hij moet u
zeker misgeloopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is
tegenwoordig zoo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij
te veel werkt; hij is zoo vlug, weet u!"
En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten
om die zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den
jongeren _Stastok_, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen
van de keukenmeid sloften, en de stap van den Utrechtschen student
werd gehoord.
Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad,
zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele
voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde
dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de
theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel,
de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de
floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuffige
kwastjes--alles deed den student zien, die van het academieleven
niets kent dan de collegekamers en de thé's der professoren; van
de studenten, geen andere dan zijn stadgenoot en en de senatoren,
die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn hospita;
den student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt
als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; den student, die
er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet
weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut
zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van
den kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één, gesneden vleesch, één,
ingemaakte postelijn, één, dito andijvie, één, opgekookte aardappels,
en één, rijst met bessennat, omdat hij den moed niet heeft zich
aan een tafel te doen voorstellen; den student, die in de sociëteit
duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vragen, waar
hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor 't
eerst hooren, als zij toevallig op 't college zijn daar hij afgeroepen
wordt om te respondeeren.--Zulk een student was zonder twijfel mijn
onbekende neef _Pieter Stastok_.
"Hoe komt het, _Piet_! dat je neef _Hildebrand_ misgeloopen
bent?" vroeg tante verwonderd.
De student _Pieter Stastok_ keerde zich om, ten einde zijn rotting
in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg
aangekomen was, eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was,
aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur,
door 't storten van een der paarden. "Hij was eerst nog effen bij
den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest,
en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijne
verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met den knecht
was opgewandeld", enz. enz.
De zaak was dat hij een singeltje had omgeloopen, totdat hij zeker wist
dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn,
uit vrees van den verkeerden persoon voor mij aan te spreken. Nu,
indien hij den commissaris van politie getroffen had--hij was voor
zes weken een bedorven man geweest!
"De neven moeten nu maar eens goed kennismaken", zei mijn tante,
die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde;
"ze zijn toch allebei student".
"Ja maar", zei _Pieter_, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld
van eene kennismaking, "in verschillende vakken".
Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben nooit
zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de
harmonie tusschen de zusteracademiën, een toost, die immer gedronken
wordt, waar Utrechtsche en Leidsche studenten bijeen zijn, maar die
men evenwel niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat
ons betreft, er kwam al spoedig gelegenheid voor een toost; want
na nog een woord of wat met _Pieter Stastok_, ter informatie wáár
hij te Utrecht woonde, waarop het antwoord was, ten huize van een
catechiseermeester in de Lijsbethstraat, en na een kort gesprek met
mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een dito met mijn tante
over het goudleeren behangsel in de kamer, waarvoor zij ook wel had
hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zij door den
brand geruïneerd waren, groote sommen zouden hebben willen geven,
kwam het diaconiemannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den naam
van _Keesje_ hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen
van tweeën net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te
hebben afgezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn
bracht en fleschje met _Van der Veen's_ elixer, een fleschje met "Erger
dan de cholera", en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen.
De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste
kennismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden
met _Pieter_. 's Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door
van schorseneren te houden, en bewoog mijn oom bijna tot tranen door
met opgewondenheid van een gestoofden kabeljauwshom te spreken. Om
_Pieter_ ook een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak
te verraden, door de begripsbepaling van Justitia en van Ususfructus
te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom een slaapje bij den
kouden haard, en ging mijn tante eens naar boven. Daarna dronken wij te
zamen recht gezellig thee, zagen de achterkamer op haar voordeeligst,
en wat dies meer zij.
Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende,
en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte
waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar er
werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een
aanzienlijke partij oortjesband, die hij "liever daar zag verrotten
dan haar onder de markt te verkoopen". Hij behoorde alzoo tot die
menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht op
verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een
onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche courant
tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het uit dat hij een
bijzondere genegenheid had voor het stopwoord "al zeg ik het zelf",
alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoot aan den
uitroep "wel heeremijntijd!" welke termen dit echtpaar buitengemeen
beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zij zo somtijds afwisselden met
de bevallige tusschenvoegsels van, "wat hamer", "goede genadigheid",
"och grut" en andere dergelijke vloeken meer, die een balk in hun
wapenschild voeren. De student _Petrus Stastokius_ Jun. had daartegen
niets in te leggen dan zijn geliefkoosde verzekering "waaratje",
waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, erkennen moet, dat hij in
't geheel geen misbruik maakte.
Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen.
Ik werd des anderen daags om zeven uren waker, en toen ik de groene
saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was,--welke
was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer)
_Pieter_ zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met
den bril op, een paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijne
moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.
De oudere _Stastok_ was een man van de klok en stond diensvolgens om
zes uren op, ten einde om halfacht aan het ontbijt te zijn; en daar hij
volstrekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd met pijpjes
rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid
heeft, men des te bekrompener over den tijd denkt. Indien men den
goeden _Pieter Stastok_ Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de
zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe
genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op
twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging
datgene zijner ingewanden aanwijzende, 't welk hij zijn "goud horloge"
noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten
regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed,
groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar
het iederen morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet,
liep het doorgaans volmaakt.
Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen
te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de
handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale
hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik
te verwisselen.
"Mooi weertje, neef _Hildebrand_", riep hij mij toe: "mooi weertje,
al zeg ik 't zelf."
Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer
oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de
chambre te bekijken, en na een "heeremijntijd! zijn _die_ dingen
weer in de mode?" (het was in 1836) begon zij een optelling van
al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger
eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog boven in een
kast hingen.
Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch, en in
de oogen van _Petrus_ geleek ik in dit ochtendgewaad zoo volmaakt op
de grootste Jannen der Utrechtsche academie, dat hij mij, geloof ik,
voor een overgegeven lichtmis begon te houden.
De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige
gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de burgerlijke
huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in
onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op
sommige plaatsen--maar het was stichtelijk, want hij las den bijbel;
het was goed, want hij las met eenvoudigheid; het was schoon, want
het was hem aan te zien dat hij geloofde. Hij las Luc. X, en bijzonder
trof mij, in dezen kring en uit dien mond, het 21ste vers: "Ik danke u,
vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen
en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard".
Na den ontbijt ging _Pieter_ "aan zijn examen werken", 't welk bestond
in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met
rooden, blauwen en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem naar
zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken bezighield.
En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de
stad aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een
rotting had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht,
daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en
kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel,
dat op het Haarlemsche na, het mooiste der wereld was; eene eer,
die ik te Gouda, aan het Goudsche, te Leidon, aan het Leidsche, te
Alkmaar, aan het Alkmaarsche, te Zwol, aan het Zwolsche, en nu weder
te D. aan het Deesche hoorde toeëigenen; zoodat het de zaak van de
4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal,
daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met
levensgevaar den toren van een dier kerken, en maakten er de opmerking
dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water,
en veel molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en
bevonden dat onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder
uitzagen dan wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen
der Deesche dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te
laten zien, bracht _Pieter_ mij zelfs naar de vleeschhal, en over de
vischmarkt, en eindelijk aan een groote vierkante eendekom, die hij
"de haven" noemde. Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk,
hoeveel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden en of het
bij prof. A. fideel was op de thé's; als ook welke colleges gemelde
hooggeleerde in 't Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde;
of iedereen bij prof. C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of
prof. D. liefhebberij-colleges hield; en of ik _Smallenburg_ wel eens
gezien had; tegen welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche
Juris professores met eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak
waardig. Hij verzuimde niet den billijken Utrechtschen trots op
prof. _Van Heusde_ en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in
't Latijn te pas te brengen; en toen ik 't gesprek voor de afwisseling
op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, _Pieter
Stastok_, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel
eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist
vóór een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde
kunst met mij te meten.
_Pieter Stastok_ had noch den moed, noch den slag mij iets aan te
bieden; daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij
insgelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven't buffet
twee uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden,
die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.
Er waren vrij wat menschen in het koffiehuis, maar daar wij met niemand
dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinderden
zij ons volstrekt niet. _Pieter_ sloeg de mouwen van zijn sluitjas
op, en vertoonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder,
hoe algemeen Europeesch die dracht ook geworden was, nog altijd een
Engelsch hemd noemde; daarop verzocht hij den jongen zeer beleefd om
eene "_goede_ keu". De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het
rek was, en wij trokken wie vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt,
en de partij begon.
Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen een
luidruchtig geroep van "pot, jongen!" al onze zaligheden verstoorde.
Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de
studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de
particuliere sociëteit te D. en van dit interregnum gebruik maakte,
om alledag in het koffiehuis "de Noordstar" pot te maken.
"Vierentwintig uit, menheeren!" riep de jongen ons toe, en tegelijk het
korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan.
Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking
scheen te gaan, stak _Pieter_, dien ik ondertusschen als geen
grooten _Mingaud_ had leeren kennen, zijn hand alsmede manmoedig in
den korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne hoeken
en vroegen dopjes voor hunne pijpen; de jongen deelde de eigen keuen
rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven.
"Wie van de heeren heeft het aas?"
"Ik", riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan
aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence
voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter
dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar wel pikeur
der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de
kleine comedie, die aldaar ingelijks bestond.
"Wie van de heeren de twee?"
_Pieter Stastok_ ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te
fluisteren dat hij het was.
"Zoo! zal jij ook pot spelen?" vroeg de jonge advocaat, die als
stadgenoot mijn neef wel kende.
_Pieter_ werd bleek.
De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de
infanterie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had
een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik
man met stoppelig grijs haar, die een graankooper scheen te zijn. De
zeven, een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest
was, maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wien _Pieter_ bang
was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen
de boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de
medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat zelf had de
acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieëndertig
jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders zak leefde,
een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote achting stond
bij den kastelein van het koffiehuis "de Noordstar."
Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes had
opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en den
kleinen bok in de andere hand, en gilde met al de kracht, die een
kind van veertien jaren over kan houden, als hij den geheelen dag en
den halven nacht op één been staat, te midden van de uitwaseming van
mensehen en pijpen: "Aas acquit, twee speelt!"
_Petrus Stastokius_ Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij
maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei _Petrus
Stastokius_ Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel
een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie
vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed
afstands van denzelven bal op 't biljart; krulde den duim bevallig om,
zoodat hij aan 't geheele gezelschap zijn tot op 't leven afgesneden
nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tusschen duim
en vinger heen en weder te bewegen op eene wijze, die deskundigen
"zagen" noemen.
Tot zoover ging _Petri Stastokiï_ wetenschap om op het acquit te
spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal
raken; maar daar het hem aan practijk in het edele potspel haperde,
was hij bijna zoo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig
er op los, met dit gevolg dat hij klotste en "à faire" lag voor den
rechter hoekzak.
Het zou onmenschelijk geweest zijn hem "te maken" en daarom, mijn
eigen bal stevig "houdende", bracht ik den zijnen naar onderen, een
goed eind voorbij den milieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der
infanterie zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met de
linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met "een beest" gesneden door
den chirurgijnsleerling; waarop de verloopen student, die onder ons
gezegd een grappenmaker was, zeide dat die chirurgijns niet leefden
of zij moesten wat te snijden hebben. De graankooper verzocht daarop
den jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht
en onder het genot van zeker mengsel van geestrijk vocht en suiker,
't welk in 't gemeene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in 't
Handelsblad turen, en de verloopen student, zijn sigaar op den rand
van 't biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en
verschrikkelijk hard op 't acquit, welk voorbeeld van hard spelen door
den advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan den
jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon, die,
van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten
te verkoopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een
bal maken kon. Hij maakte: en zoo gebeurde het dat _Petrus Stastokius_
andermaal op het acquit spelen moest.
Hij was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het
voorhoofd stond.
"Dat wordt een collé, mijnheer"; riep de barsche stem van den pikeur.
_Pieter_ sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduchten
spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen
van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk
het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte
hij den acquitbal zoo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan,
in den linker hoekzak "sneed".
"Dat doet men niet, mijnheer!" riep de pikeur, hevig met de keu op
den grond stampende.
"Het was een ongeluk"; stamelde _Pieter_, die nu zoodanig
transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven.
"Het was een lompigheid", brulde de pikeur.
"Leve het snijen!" riep de chirurgijnsleerling.
"Die mijnheer is gevaarlijk!" schertste de bejaarde luitenant.
"Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!" riep de biljartjongen.
Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn
neus te snuiten, maar het had er niets van.
Het derde toertje liep goed voor _Petrus_ af, maar het vierde was
geschikt om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den
middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.
"Je kunt hem best sauveeren", zei de pikeur, "en goed afkomen ook".
Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van _Pieter_, die,
uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem
maken wilde, zelfs al moest hij er _slecht_ op afkomen. Maar daar
de pikeur een gevreesd potspeler was en, sedert onheuglijke jaren,
van de drie potjes, die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak,
riepen natuurlijk al de anderen: "stop weg; stop weg!"
_Pieter_ stootte niettemin met het voornemen om hem stellig _niet_
weg te stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem
weggestopt, dat de winderige advocaat, die in 't gewoel was opgestaan,
uitriep: "hij zit!" waarop de verloopen student, die als gezegd is,
een grappenmaker was, geestig antwoordde, "als hij een stoel had";
waarop allen lachten.
"Wacht wat!" riep de chirurgijnsleerling, die voor 't snijen was;
"hier is nòg een zak!"
En inderdaad! _Petrus Stastokius_ had geheel buiten zijn eigen
voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten,
behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter
bestelde en de Goudsche courant opnam, alleen om haar hard weer neer
te smijten.
Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had
doorgestaan, werd mijn vriend _Pieter_ weder vrij kalm, waartoe vooral
machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op
eens werd zijne rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen:
"vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer _Hastok_ (de _St_
was onduidelijk geschreven) de Vlag!"
Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den
chirurgijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den
jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon. De
een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een
boa constrictor, allen te zamen: "den mijnheer van de vlag". De
bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student
geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder koopen;
de graankooper, die tegen die manoeuvre was, zei dat _Pieter_ veel te
sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde
de bokaal voor mijnheer "_Hastok_", die den pot "op schoon dacht te
winnen";--het was een leven als een oordeel. En onder dit alles stond,
met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer
altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem.
"Welke bal?" vroeg hij verlegen.
"Die witte!" riep de verloopen student, die een grappenmaker was.
"Die ronde!" zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.
"De beste", zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.
"De benedenste", zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg.
Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken
bal de arme _Pieter_, die geen drogen draad meer aan 't lijf had,
op dat merkwaardig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen,
de een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen;
ik herinner mij niet in al den tijd dat ik mee gebiljart heb--nu
slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf--ooit zulk een
stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef
den bok aan. _Pieter_ zag hem aan met een blik van machteloozen haat
en stootte een voet of drie mis.
"Strijk de vlag!" riep de chirurgijnsleerling.
Zij was alreede gestreken. De pikeur had zich bij voorraad gewroken.
Van dat oogenblik aan bood de luitenant _Pieter_ een gulden; maar
hij was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden toer
maakte ik hem, uit medelijden; den daarop volgenden, verliep hij en
smaakte de voldoening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn
bal bood; met een mispunt besloot hij, in den voor hem laatsten toer,
zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hij zeer veel haast
scheen te hebben om te vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl
te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de
dringende aanzoeken van den jongeling met den leverkleurigen pantalon,
die nu zichzelven voor een achtentwintig aan "_Hastok_" verkoopen
wilde, in welk aanbod hem al de vroolijke jongelui ondersteunden.
Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht _Pieter_ weer moed
en verwaandheid toe te waaien.
"Daar zijn goede spelers onder", zei hij, "maar toch waaràtje geen
een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu", voegde hij er bij;
"en hebje wel gezien hoe de hoekzakken trokken?"
Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou gewonnen
hebben eer wij thuis waren.
Het eten stond reeds op tafel. _Pieter_ had geen honger.
Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie.
Drie dagen had ik bij de familie _Stastok_ vertoefd, en in dien
tijd was ik groote vrienden met _Keesje_ geworden. Een paar malen
had hij mij door de stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als
ik boodschappen te doen had; en daar hij, als vele oude lieden,
praatziek was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel,
hadden wij dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. _Keesje_ was een
eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering
van zijn vader, die borstelmaker geweest was en groote "zulveren"
gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde
hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote
huilebalk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er
toen hij thuis kwam een zwarte doek over den spiegel had "gehongen";
en hoe hij, bij die gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen
eten als hij maar wilde; en dat daar een lange moei was bijgeweest,
die zóóveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had:
"je krijgt niet meer". Zijne moeder had hij nooit gekend. De dikke
oom had hem naar 't Weeshuis gebracht; hij had er leeren spellen,
en toen was hij op timmeren gedaan; maar hij was te zwak voor dat
werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om fleschjes
te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan
schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar
daar hij maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee
halfpintsflesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een
pakje poeiers weg moest brengen, was 't hem eindelijk eens gebeurd
dat hij een salebdrank gebracht had bij iemand die obstructies had,
en daarentegen de poeiers met jalappeharst bij eene dame die aan
diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen
werd. Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna huisknecht
bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere
geruïneerd waren; en daar hij, bij de groote opruiming, te oud was
geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk
het Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij
op zijn ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens
slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van kleeren,
wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen van min
gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen van mijn oom,
's mans carrière het meest had gedwarsboomd, was zijne verregaande
onnoozelheid en daaraan geëvenredigde menschenvrees.
Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van den
buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan het huis
van _Petrus Stastok_ Senior nòg een achterkamer, waarin ik u nader
denk binnen te leiden, naar een kleinen tuin, waarop zij uitzag, niet
oneigenaardig de tuinkamer geheeten. Als men de plaatsdeur uittrad,
had men eerst een soort van trottoir van gele klinkers, van omstreeks
drie passen breed, en als men dan over eene hooge rollaag van blauwe
klinkers [8] heenstapte, waarvóór aan de overzijde drie voetschrabbers
waren geplaatst, was men eensklaps in het kleine elyseum van mijn
tante. Men zag er een grooten appelboom, waaraan soms meer dan een
dozijn reinetten groen werden, verscheidene rozeperken, waaromheen
in 't voorjaar een kring gele krokussen bloeien moest, meer dan één
seringeboom, twee goudenregens, een dubbelen kers en, tegen den muur
aan den eenen kant een wingerd, en aan den anderen een moerbeiboom. De
paden waren niet met gewoon gras, maar met roode en witte madelieven
en z.g. zeegras omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er verscheidene
potten met asters en twee of drie dahlia's in bloei; en achterin was
een groen geschilderd priëeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en
spinnen. Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover 't priëel,
eene kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop
_Keesje_ zijn huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje.
In dit priëeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den ontbijt, met een
boek onder den arm, het zonnetje. Waarom ik het boek niet opensloeg
zal terstond blijken.
Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in 't
priëeltje geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met
de oogen op het loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te
verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom en tante in
de verf was, als de plaatsdeur openging en _Keesje_ verscheen. Daar
hij den geheelen tuin doormoest om ter plaatse zijner bestemming te
komen, en hij bijna zeventig jaar op de schouders torste, had ik tijd
genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij strompelde eerst
bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen verdacht te wezen,
schoon hij er sedert jaren alle morgens om halftien uren overheen moest
stappen; hij liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hij over den
arm had, in het zand slepen en, eer hij den appelboom voorbij was,
den borstel, dien hij in de hand hield, tweemaal vallen. Als hij nader
kwam, zag ik dat zijn wangen zeer bleek en flets waren, onder zijn
niet zeer net onderhouden baard; zijn geheele gelaat was betrokken,
zijn oogen stonden dof, en toen hij mij voorbijging was het niet als
anders: "lief weertje, meheer!" maar hij nam zijn hoed stilzwijgend af,
en strompelde naar het plaatsje. Met een diepen zucht trok hij daarop
zijn jas uit, zoodat hij mij in zijn eng zwart vest met mouwen, al
het magere en gebogene van zijne gestalte zien liet. De roode blikken
tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd,
en met wederom een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over
den knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond
eenige oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken,
en begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden.
"Hoe is 't _Keesje_! Gaan de zaken niet goed?" riep ik hem
toe. _Keesje_ borstelde altijd door. Hij was wat doof.
Wanneer men den volzin herhalen moet, die men op een eenigszins
meewarigen toon heeft uitgesproken, is 't glad onmogelijk het met
dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader, en zei
wat luider:
"Wat scheelt er aan, _Kees_?"
_Kees_ ontstelde, zag mij aan, en _bleef_ mij een oogenblik met strakke
oogen aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn ooms zondagschen
rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan over zijn wangen.
"Foei, _Kees_!" zei ik, "dat moet niet wezen: ik zie waterlanders,
dunkt me".
_Keesje_ veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei:
"'t Is een schrale wind, meheer _Hildebrand_".
"Ei wat _Keesje_;" zei ik, "de wind is niemendal schraal. Maar daar
schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?"
_Keesje_ schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het
schuieren.
"_Kees_!" zei ik: "Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets
aan te doen, vrind?"
De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord "vrind". Helaas,
misschien was 't hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel
nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had,
kwam over zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden eerst op,
werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche gelaat zeide:
ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden:
"Hoor reis meheer! Kent uwe Klein _Klaasje_?"
Hoewel ik nu een zeer bijzonderen vriend heb, die _Nicolaas_ gedoopt
is, en van wien 't niet ondenkbaar was dat _Keesje_ hem wel eens gezien
had, zoo kon ik echter onmogelijk op gemelden _Nicolaas_ den naam van
Klein _Klaasje_ toepassen, aangezien hij een zeer "lange blonde jongen"
is, en nooit zou ik hebben willen gelooven dat gemelde _Nicolaas_,
hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn
van ouden _Keesjes_ tranen. Ik antwoordde dus dat ik Klein _Klaasje_
niet kende.
"Heeft meheer _Pieter_ hem uwe dan niet gewezen? De heele stad kent
Klein _Klaasje_. Hij krijgt centen genoeg"; ging _Keesje_ voort.
"Maar wat is het dan voor een man?" vroeg ik.
"Het is", zei _Keesje_, "in 't geheel geen man. 't Is een dwerg,
meheer! een dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee
in een spul reizen. Maar 't is een kwaad kreng. _Ik_ ken hem goed".
Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van _Keesje_.
"Hij is uit het Huis", hernam hij na een oogenblik zwijgens: "hij
loopt over straat as 'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er
'en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten
Klein _Klaasje_ dansen. Dan springt ie om een stok net as zoo'n aap,
en dan maakt ie zijn bochel wel eens zoo groot. Ik _heb_ geen bochel,
meheer!" liet hij er met een zucht op volgen.
Terecht begreep ik dat _Keesje_ minder jaloersch was van den bochel
dan van diens geldige vrucht.
"Ik wou", ging hij op een treurigen toon voort, den rok een veel
harder streek met den schuier gevende, dan voor laken van negen
gulden dienstig was; "ik wou dat ik een bochel _had_. Ik zou nies
uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen.... Maar ik
zou niet drinken", zei hij eensklaps van toon veranderende. En den
volzin omkeerende, voegde hij er, zeer bedaard den rok van den knaap
nemende en hem opvouwende, nog eens bij: "drinken zou ik niet".
"_Keesje_", zei ik, "toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je
aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik
zie je liever bedroefd!"
De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijne dorre handen naar
mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid,
terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje
varen.
"Och", zei hij--"och meheer weet dat zoo niet;--maar ik ben--ik ben
veel bedroefder dan boos. Maar Klein _Klaasje_ het me mishandeld. Klein
_Klaasje_ is slecht. De menschen", ging hij voort, naar het schoensmeer
bukkende, "de menschen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht".
"Hoor eens, _Keesje_!" zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot
opslaande; "ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld,
wat heeft Klein _Klaasje_ je gedaan?"
"Het zel niet helpen", zei _Keesje_, "maar ik zel et doen, as u
't niemand zegt. Kent meheer et Huis?"
"Welk huis?"
"Van de Diakenie."
"Ik heb het in 't voorbijgaan gezien."
"Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met rooie
deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou;
meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm;
ik kan et niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op 't
kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet. We brengen
et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken zakduiten. Dat
is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, verdien ik geen
kopere' cent meer; maar ik krijg toch de' zakduit. Hier", zeide hij,
een bonten katoenen zakdoek uithalende, "deuze, en", op zijn tabaksdoos
kloppende, "en deuze, heb ik van me zakduit gekocht".
Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooren spreken
van "als ik oud word"!
"_Klaas_",--ging hij voort--"zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook
een zakduit. Maar wat doet _Klaas_? _Klaas_ doet niets, dan nou en dan
de straat voor iemand wieden. _Klaas_ houdt zich gek; _Klaas_ danst
met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen,
dan wandelt _Klaas_ de poort uit. Kent meheer de Vette Vadoek?
"Neen, _Keesje_."
"Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt _Klaas_ 'en borrel;
en welreis twee, en welreis drie borrels".
"En als hij dan in 't Huis komt?"
"o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak. Hij
haalt 'en oranjeschilletje bij de' drogist. Soms merkt de Vader et. Dan
krijgt hij 'en blok aan zen been, want hij is te oud om op de bok
gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar
wat is 't as ie met het blok loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen:
St ... jongens! _Klaas_ is ondeugend geweest; _Klaas_ het 'en graantje
gepikt; en de Vader het _Klaas_ al zen centen afgenomen. Je begrijpt
wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet".
Ik begreep het volkomen.
"Maar dat zijn _zijn_ zaken", ging _Keesje_ voort, een schoen van mijn
oom opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette;
"maar wat hoeft ie _mijn_ ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel
et u vertellen. Ik had geld,--ik had veul geld,--ik had twaalf gulden!"
"En hoe kwam je daaraan, _Keesje_?"
"Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek
was. Somwijlen, als ik 'n drankje buiten de stad brocht, op een
buitenplaats of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef
de' looper een dubbeltje; 't is slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden
bij mekaar. Ik mocht die in 't Huis niet hebben. Maar ik bewaarde ze;
op me hart".
"En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje 't alleen
om 't pleizier van het te hebben?"
"Och, meheer"! zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende:
"Als ik et zeggen mag, die rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten
weten 't ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. 't Gaat alles
goed bij zulke menschen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben
't goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we
bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt et Huis
'n os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood is. Dan eten
we allemaal gehakt; en de heeren hebben 'n partij en eten de tong,
We hebben 't er heel goed; maar 'n mensch, meneer, denkt altijd om
zen dood".
"Ik denk nogal dat je 't na je dood ook heel goed zult hebben,
_Keesje_!" zei ik.
"Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik
niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?"
"Wat is dat, _Kees_?"
"Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen
't goed an van 't Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na
't kerkhof, in de put; dat wou ik niet. Ik wou, as ik dood was,
geen diakenhuisgoed aanhebben...."
Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen.
"Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zoo as
ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit
een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben".
Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken der
aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale
spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij
had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten
minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou!
"Meheer begrijpt wel!" ging hij, eenigszins schor, voort, "dat daar
die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog
meer; ik wou fassoendelijk begraven worden. Ik heb geen verstand van
die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan
twee gulden voor de menschen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers
voor een draagplaats an twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De
bediende van den apteker had het zoo beschreven; het geld was in et
pampiertje; en alles in een leeren zakkie: dat heb ik dertig jaar op
me hart gehad.... en nou is het weg..."
"Heeft _Klaas_ het gestolen?" vroeg ik.
"Neen!"--zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste
woord hem gestort had, oplevende: "maar hij is er achter gekomme dat
ik et had. _Zijn_ kreb staat naast _mijn_ kreb. Of ie et gezien het
as ik me uitkleedde, of as ik me aankleedde, of toen ik ziek was, of
dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast
zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om.--Verleden
dinsdag had et den heelen voormiddag geregend, as meheer wel weten
zel. _Klaas_ had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens
hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had
een razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. "_Kees_", zeid' ie na
den eten, "leen me zes centen". "_Klaas_", zeg ik, "dat doei ik niet;
want je verzuipt ze toch maar". "_Kees_" zeid' ie, "ik mot ze hebben",
zeid' ie. Ik zeg: "nou je krijgt ze niet, hoor!" "Weetje wat," zeid'
ie, "_Kees_", zeid' ie, "as je ze me niet geeft, zel ik an de' Vader
zeggen, wat je onder je hemd hebt, hoor!" Ik besturf as 'en doek,
en gaf 'em de zes centen. Maar ik zeid' er bij: "_Klaas_, je bent een
schurk!" Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan
ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de
suppoosten 'em 't blok andoen lieten, het ie as 'en gek geschreeuwd en
gezongen: "_Kees_ het geld! _Kees_ het geld! Onder zen hemmetje het ie
geld"! de broers vertelden 't me, toen ik in 't Huis kwam. Ik was as
'en dooie. We gingen na' de mannezaal en kleedden ons uit. _Klaas_
lag er al en snurkte as 'en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik
me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, als ik kon, in
't strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar
ging de deur ope', en de Vader kwam op de zaal met 'en lantaren. Ik
viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as 'en
gek mensch na' de lantaren. Ieder stap, die de vader dee, voelde ik
op me hart. "_Kees_," zeid' ie, over me heen bukkende: "Je heb geld;
je weet wel dat je dat hier in 't Huis niet verstoppen mag"; en meteen
trok ie 't uit me hand.--"'t Is voor een doodhemd",--stotterde ik,
en viel op me knieën in de krib--maar 't holp niet. "We zellen 't
voor je bewaren", zei de Vader, en maakte het zakkie ope', en telde
et geld bedaard. Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt ik et
er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen,
lief, begrafenisgeldje. "Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel",
huilde ik, "dan me eerlek laten begraven."--"Daar zellen we zelf
wel voor zorgen", zei de vader; en weg ging ie met et geld en met
de lantaren. "_Klaas_", riep ik hem na, "het et je verteld, omdat
ie".... maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie 'en lap is! wat
holp et of ik hem verteld had dat _Klaas_ alle dag na' de Vette Vadoek
ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den heelen nacht heb ik geen
oog toegedaan.--Et is wat te zeggen!"
"Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, _Keesje_?" vroeg
ik vertroostend.
"Neen! neen!" snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als
zocht hij er het geld nog: "het geld most weg; dat is 'en wet zoo
oud as et Huis, en et Huis is zoo oud--zoo oud as de wereld!"
"Dat's wat kras, _Keesje_", zei ik; "en wanneer"....
Hij liet mij niet uitspreken.
"Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui
geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie
mosten eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven
worden?--Maar _ik_ wou begraven worden van mijn, eigen, geld,--en ik
wou zeker _weten_ dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou worden;
en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et vlak op me
hart.--O, as _Klaas_ kon weten dat ie me dood maakte!"
"Hoor eens, _Keesje_", zei ik, "je zult en moet je geld weerom hebben;
ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker
de Regenten wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf,
oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak
er staat op, _Kees_, je zult je geld weerom hebben".
"Zel ik?" zei de arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd. "Zel
ik wezenlijk?"
En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand.
In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij:
"Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?"
"Overheerlijk", was mijn antwoord.
"En is uw jassie goed genoeg geborsteld?" vroeg hij verder; "as er
iets an mankeert, mot meheer 't maar zeggen".
Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop,
met den linkerarm in een laars van _Pieter_ en den schoenborstel in
de rechterhand. "Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben",
zei hij, "maar mag ik u nog wel iets verzoeken?"
"Wel ja _Kees_!"
"As meheer na' de Regenten gaat", hernam hij, "mot meheer maar net
doen as of ie van nies weet."
"Ik beloof het u, _Keesje_!"
Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te
gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en daarna den vader
rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te
convoceeren. Op die vergadering moest eerst _Keesje_ binnenkomen,
en vervolgens buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen,
en vervolgens buitenstaan. Daarop werd er een uur gedelibereerd,
hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht dat de president
gedurig zei dat hij de zaak aan de heeren overliet, en de heeren
gedurig zeiden dat zij de zaak aan den president overlieten.
Daar het zóó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het
advies uit, "dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was _Keesje_
zijn geld terug te geven, daar _Keesje_ een man was van voorbeeldig
gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou
als de ijverige thesaurierzelve",--waarop de "ijverige thesaurierzelve"
boog--"maar dat, aan den anderen kant, de ijverige thesaurier het weder
even zoo goed bewaren zou als _Keesje_, en dat het dus volstrekt niet
noodig was _Keesje_ in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter
bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. _Keesjes_, doel zou
worden aangewend, indien hij, _Keesje_, het zelf bewaarde, dan indien
de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was".
De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den
knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor,
tot een van de beide maatregelen over te gaan;--waarop "de ijverige
thesaurierzelve" de edelmoedigheid had afstand te doen van het
"custodiëeren der penningen in quaesti", en men eenparig besloot
aan _Keesje_ zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen
zakje vastgenaaid, terug te geven.
_Keesje_ heeft nog twee jaren zijn geld "vlak op zijn hart"
gedragen. En toen ik in 't verleden jaar het kerhof te D. zag, was
't mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der
armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door
twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hij, ook eenigszins
door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn
eigen doodskleed zou worden gewikkeld.
Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan _Hildebrand_
gedacht?
Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te
passeeren.
Des zondagsavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik
zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven.
Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het
midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen
door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwetsch
porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen
staan vijf stoelen geschikt, met hooge ruggen en zittingen van groen
gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als
men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige oogen, van wege
vier stoven; de vijfde vonkelt niet; het is een steenen. Daaraan,
en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die
naast den stoel staat, ken ik de plaats mijner eerzame moei. Midden
op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend groote
bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk
een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt
er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in den helder
gepolijsten haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen
omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heeren. De smalle marmeren
schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een
negerslaaf met witte oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot,
die op eene ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat;
en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes
onder stolpjes, zoo poppigjes en zoo kleintjes, dat men ze voor de
pasgeboren kindertjes houden zou van die groote stolp met opgezette
vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje
met ééne lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorwerk
eene aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen,
in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven onder witsellagen
van onderscheidene formatie.
Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd den
meesten luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze
lambrizeering, op snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met
niet onaardige bergachtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen,
zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts
gestoffeerd met vrouwen met manden op den rug, waar bovenuit een bos
stroo steekt; mannen aan den waterkant, die aan lange hengels visschen
opslaan; kinderen met bloote hoofden en bloote voeten, die bij een
geit in 't gras liggen; reizigers op bruine paarden, met den rug naar
u toe om het valies te laten zien, en op witte paarden, die een dunne
rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars met enorme wandelstokken
en driekante..... Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden driekante hoeden
opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor een paar jaar
"opgeknapt", en de heer _Petrus Stastokius_ Sen., hoe ouderwetsch ook
in vele opzichten, had in dezen gemeend een proeve te moeten geven,
dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was
laten modernizeeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de
hoeden veranderd, naar het toen nieuwste model, bij den hoedemaker
gehaald, en al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte
pantalons aangekregen met soupieds en naar de nieuwste snede. Al
de pruiken waren verbannen. De dames, die tot hiertoe de openlijke
bewijzen hadden gegeven dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd
waren op hare wandelingen dan onze zusters op hare bals, hadden hooge
japonnen met stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen, en zelfs
het haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt.
't Is waar, dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog veel
te wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen-
en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de
waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van
dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer.
Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in orde
brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een
offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot
genoeg om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei
wijze te hoonen en weg te cijferen; want om de waarheid te verklaren:
de heeren en dames op 't behangsel waren mijnheer en juffrouw _Stastok_
een goed eind vooruit; en daar zij op dezen heugelijken avond op hun
mooist gekleed zijn, vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen
omdat zij "menschen wachten", wil ik deze gelegenheid waarnemen om u
eene tot hiertoe verzuimde beschrijving van hun persoon en voorkomen
te geven.
Het is nog doodstil in de tuinkamer; "diezelfde tuinkamer" zou een
redenaar zeggen, "die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig
gesnap eener vroolijke menigte!" Ik verneem er niets dan het gezellig
gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen
van de cyprische poes, die voor den haard zit, verwonderd van hier
zoo vroeg in 't jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan den
theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet te
stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand anders dan
mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, en met de
handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op de
vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst
in den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogenblik om zijn portret
te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men
voor dien ouderdom, nog "een kras ventje" noemt. Hij heeft geen grijs
hoofd, vermits hij een bruine pruik draagt, die over zijn ooren gaat,
en waar hij bijgevolg door heen moet hooren; hij heeft een rond,
blozend gezicht, volstrekt geen bakkebaarden, een niet onaardig
bruin oog, en een onderkin. Hij is niet groot van postuur, en heeft,
om hem recht te doen, geen ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen
halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest van den dag, nog ééns
zoo hoog, zoodat ze zelfs de uiteinden van zijne ooren in eenige
ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit stropje,
een overhemd met jabot, een wijden zwarten rok, die van achteren
gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zoodat
men in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in
fijne floretten kousen steken. Op dit oogenblik treedt mijne tante
binnen, die het toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grooten,
schoonen linnen zakdoek met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt
lang gemerkt dat zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond
het beste op, met een net wit satijn lintje met tandjes;--het heugt
mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf!--Zij
draagt het haar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit,
met een mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel
wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen,
die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een
aardig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen
dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschijnende
zijde met ruim lijf.
Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen
om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op _Pieter_ Jr., die
juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen,
beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed;
een zwarte pantalon met soupieds, een zwart satijn vest, een blauwe
rok met glimmende knoopen; en toch ziet hij er infaam ouderwetsch
uit. Want de pantalon is zoo kort, en de soupieds zijn zoo lang, en
het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de
rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt
hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen,
in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke menschen?
Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat
Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in 't voorbijgaan gezegd,
de eenige reden, waarom _Petrus Stastokius_ Sen. nooit diaken of
ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn
geweest, op zijn beurt, ook bij die predikanten te kerk te gaan,
die niet als hij, lieden van de klok waren.
Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de
aankomst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en al
de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van
_Keesje_, die van avond bijzonder verlof heeft om later in 't Huis te
komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over
"de zorg"; hen daarna een uurtje laten praten over 't weer, over de
kou in de kerk, over het verkieslijke van een open haard boven een
"toe kachel", over den stand der fondsen, over het werk van de dames,
en over de laatste verkooping van huizen en het laatste plan van
den stedelijken raad om een brug te leggen over een water, waarover
reeds voor tien jaren een brug is noodig geweest; om u daarna op
eens midden in 't gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden
in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertusschen zelf
een versche pijp stoppen.
De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek
gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der
gilden, zooals die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder
het ministerie _Gogel_ ingevoerd, is een oude kennis, en niemand
anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min
een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie was. Ik
ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij is alleen
maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij behoort tot
die menschen, die jaar en dag in _Wagenaar_ en in de vervolgen op
_Wagenaar_, alsmede in de boeken van _Le Francq van Berkhey_, en
in _Tuinmans_ "Nederduytsche Spreekwoorden" studeeren, terwijl hun
verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preken, en Reizen
rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen,
en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog
niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een huis kon huren,
in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der secretarie
een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het beoordeelen
der talenten aller predikanten; en in 't geheel, als er iets is in
de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer _Van
Naslaan_, "die onbegrijpelijk veel gelezen" heeft. Het is echter waar,
dat in de laatste jaren de hooge wijsheid van den jongen _Pieter_
's mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde _Pieter_
het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat.
_Pieter_ en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van
een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen
sluitjas, die den naam _draagt_ van den heer _Dorbeen_, en den naam
_heeft_ van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt
van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentegrappen, die sedert de
oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal 's jaars gebeurd
moeten zijn, die _hij_ gehoord heeft in zijn jeugd, die aan _mij_
en aan _Pieter_ verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan
de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats
gehad, en nooit _zullen_ plaats hebben; en als hij er een heeft
opgehaald die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje
en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig,
dat hij duidelijk toont hoe droogkomiek hij is. _Pieter_ is onder
zijn verhalen verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een
vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op
heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken.
"De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?" zegt mijn
welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel
opbeurende; "_Pieter_ wil misschien wel een kopje slemp?"
"Dat wil ik óók wel tantelief!" zei ik, en trad naar haar toe, om
haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem
onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk?
Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar
toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den
commies, echter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster
van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij
haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen,
haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af
te dragen; als ook voor haar dochtertje _Koosje_, een meisje van
ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en
rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en
mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige
"mevrouw" van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint droeg,
en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.
Mejuffrouw _Van Naslaan_ was een zeer wijze dame, die zeer verstandige
bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd erger dan
een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten dag nog al
eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel
verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had
zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker
viel dan als men er volstrekt _niet_ aan gewoon was; zoo was zij er
zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het gebied der zielkunde,
toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tusschen menschen en menschen
waar te nemen en met grond te kunnen verklaren, dat de eene mensen
de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar
een grooten roep van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen
van haar kennis; en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er
meer achter zat, en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die
staartjes hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij
meer zag dan een ander. Mevrouw _Dorbeen_ daarentegen was een rammel,
trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had
van haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei,
dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende bruine
oogen bezat.
De manszuster van mejuffrouw _Van Naslaan_ heette _Mietje_, en was
volstrekt niets dan een goed mensch.
Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige,
die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans alle
tegelijk, en de heeren bij het vuur zongen er de tweede partij
toe. Bijvoorbeeld:
"Hoor eens, me lieve juffrouw _Stastok_", zei mejuffrouw _Van Naslaan_,
haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn
tante drukkende: "Hoor eens; me lieve juffrouw _Stastok_, je hoeft
er me niets van te zeggen; ik weet" (hier kneep zij hare oogen op
een interessante wijze dicht), "ik weet dat allemaal wel; ik ken die
menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat _Keetje_ _dat_ in
't hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak".
Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van het
toertje, daar zij aan bezig was, na.
"Ja maar, _Koosje_!" rammelde mevrouw _Dorbeen_, voorbij _Mietje van
Naslaan_ heen sprekende, en die met haar roode mutslinten, zoodanig
voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag betuigde,
er wee van te zijn geworden: "je kunt je niet begrijpen hoe druk
_Dorbeen_ het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar had
je nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_"; (deze was, moet men
weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken _Dorbeen_ waarnam);
"daar hadje nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_, al vóór den
ontbijt: hij ging op de jacht en wou _Dorbeen_ nog eerst spreken;
nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zoodat het er niet op aankwam
dat _Dorbeen_ nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu
heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen _Dorbeen_:
weetje wat? ik ga er zelf maar reis op af. Nu is _Dorbeen_ daar altijd
heel wèl van, en vindt het altijd goed zoo als _ik_ het maak..."
"Juffrouw _Mietje_, nog niet een roomsoesje?" vroeg mijn tante--"Jij
ook niet, _Koosje_? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier
gezien. Het heugt me nog dat je met _Pieter_ speelde. Ja, kleine
kinderen worden groot, _Koos_!"
"Dat zeg ik zoo dikwijls", zei mejuffrouw _Van Naslaan_. "Waar blijft
de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd
vliegt; maar je jonge jaren, kind! zeg ik alle dag tegen _Koosje_,
leer dat van mij, die komen nooit weerom".
"En dat zijn van die dingen", klonk het van den schoorsteen, uit
den mond van den heer _Van Naslaan_, met plechtige langzaamheid en
afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: "dat zijn van die
dingen, mijn goede vriend!--(p'hoe), die u--(p'hoe) en mij--en een
ander--(p'hoe, p'hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen",--hier
nam hij de pijp uit den mond, om er den derden knoop van mijn ooms
rok onder 't spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven--"onze
vaderen ... ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan
wij?--onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op".
"Neen!" verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een versche pijp
stoppende, "dat waren andere menschen! die wisten--_Piet_, geef me 't
komfoortje reis aan--die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg
ik 't zelf;--en wat ik altijd zeg--ze pasten op er tijd. _Mijn_ vader
was altijd 's morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren--kom
daar nú reis om!"
En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke
kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkeerende,
en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de
inspanning half uit zijn adem: "Kom daar nú reis om!"
"Ja, lieve vriend!" zei _Dorbeen_ tot _Pieter_, bijna een der vergulde
knoopen van diens nieuwerwetschen ouderwetschen rok aftrekkende, daar
hij met hem in gesprek was geraakt over een der rijkste jongelui,
die te Utrecht studeerden: "Zijn vader heet _Goedelaken_, maar hij
mocht wel _Goudlaken_ heeten".
Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer _Dorbeen_ sterk was;
en daar _Pieter_ grinnikte, en mijn oom, die 't ook hoorde, zijn hoofd
lachend schudde, en de grap voor den heer _Van Naslaan_ herhaalde,
merkte mevrouw _Dorbeen_ dat er iets grappigs aan de hand was en,
haar gevuurvlamd hoofd opheffende, zeide zij allerinnemendst:
"Lieve _Dorbeen_! laten de dames ook reis wat van je hooren". Allen
zagen hem aan en zwegen.
"Beste schat!" zei _Dorbeen_, toen het heel stil was, met een lief
lachje--"ze hebben immers al heel veel van mij gehoord".
"Hoe zoo?" vroeg mevrouw _Dorbeen_.
"Wel, ze hooren immers _u_, mijn beste! en zijt gij niet van
mij?" antwoordde hij, heel "droogkomiek".
Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige _Koosje_ had moeite, en
daarom vond mevrouw _Dorbeen_ het gepast haar lachende toe te voegen:
"Och _Koosje_! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de mannen
laten er hun vrouwen altijd inloopen".
_Pieter_ was intusschen achter den stoel van _Koosje_ gaan staan
rooken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er nooit
iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen,
doen, loopen.
Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten,
welke men in burgerkringen "een kopje thee, en verder het avondje te
passeeren" of ook wel een "presenteertje", of een "aangekleede pijp",
of een "aangekleede boterham" noemt; daar nu dan toch, zeg ik, de muur
gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de mannen van de vrouwen
scheidt, en er als 't ware eene verbroedering der beide seksen had
plaats gehad, en daar mevrouw _Dorbeen_ op eene ongezochte wijze het
voorwerp der algemeene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom
goed met een verzoek voor den dag te komen, dat hij reeds lang op
't hart had gehad.
"Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plezier
willen doen?"
"Wel zeker, mijnheer _Stastok_!" En zich, met een bescheidenheid
grooten genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw _Van Naslaan_ wendende,
"wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!"
"Ja, mevrouw!" was het antwoord, ik "zeg altijd: duurkoop
goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het 'et beste uithoudt. Ik
had het in den winkel bij _Van Drommelen_ gezien, en ik zeg tegen
mijn kinderen, als ik nú reis weer jarig ben...."
"Hoor eens," zei _Stastok_ tegen _Dorbeen_: "je moet maken dat je
vrouw reis reciteert, hoor".
"Heeremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteeren, lieve
mevrouw!" zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord
_strak_ zooveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.
"Och toe, mevrouw!" zei _Koosje_ met een allerliefste uitdrukking
van gelaat.
"Hè ja!" zei _Mietje_ met de kalfsoogen.
"We moeten mevrouw niet overhaasten", zei mijn tante.
"Neen!" zei mevrouw _Dorbeen_, eenigszins bleek wordende, "als het dan
moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan
nog maar reis". En haar schaar opnemende, om die, onder 't opzeggen,
bij iederen nieuwen regel open te doen en bij 't invallen der caesuur
toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat heesche stem,
die gedurig scheller werd:
"Zoo rust dan _eind_lijk, 't ruwe _noor_den
Van hagel_jacht_ en storm_geloei_,
En rolt de _Rijn_ weer langs zijn _boor_den,
Ontslagen _van_ de winter_boei_."
Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw _Dorbeen_ haar zakdoek voor
den mond en had een hevigen aanval van hoesten. Zij begon op nieuw en
geheel in denzelfden toon, maar andermaal bracht zij 't niet verder
dan tot "de winterboei". Zoodat mejuffrouw _Van Naslaan_ dadelijk
begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat.
Mevrouw _Dorbeen_ werd zoo rood als de linten van haar muts, staarde
in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken,
Ontslagen _van_ de winter_boei_.
Nieuwe stilte.
"Die winterboei boeit je tong, lieve!" merkte mijnheer _Dorbeen_
droogkomiek aan.
"Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht!
"Zijn waatren _drenken_ de oude _zoo_men,
En 't landvolk"
hier werd de stem zeer hoog:
"spelende aan zijn vloed,
Brengt vader _Rijn_ den lente_groet_...."
Aldus ging mevrouw _Dorbeen_ voort op een hartroerende wijze het
hartroerende meesterstuk des grooten _Borgers_ te bederven. Bij
het derde couplet begonnen hare oogen te rollen, en bij het vierde
rolden zij zoo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen
zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende
gekomen tot:
"Noem hij deze _aarde_ een hof van _Eden_,
Die altijd _mocht_ op rozen gaan,..."
Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!
klonk het over de tafel.
Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van
lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór den olifant stond, te zoeken,
opgewonden. Ik begreep na waarom zij er zoo op gesteld was geweest,
dat mevrouw _Dorbeen_ haar reciet mocht hebben uitgesteld.