En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was
er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige
dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een forschen
tjingel besloot.
Mama _Van Naslaan_ bleek van eene meening te wezen tegenovergesteld
aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had
beleden; zij geloofde veeleer dat haar _Koosje_ niet alleen iets,
maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets
in het midden te brengen, waarop mevrouw _Dorbeen_ zei:
"Wel ja, laat je ook reis hooren, _Koosje_! _ik_ heb nu mijn plicht
gedaan!"
En tante riep: "Och ja, asjeblieft?" en mijnheer _Dorbeen_, zeer
droogkomiek, rijmde:
"Kom Koosje,
Lief roosje,
Reciteer reis een poosje!"
En _Mietje_, die niets was, zei alweer: "Hè ja!" en de oude _Stastok_
zei: "Komaan!" en stopte een pijp; en de jongere _Stastok_ verstoutte
zich om met een hooge kleur te zeggen: "Toe, als 't u belieft!"
Maar het lieve kind bloosde zoo sterk, en was zoo angstig, en
verontschuldigde zich zoo smeekend, dat tante er medelijden mee kreeg
en zei:
"_Koosje_ is misschien bang voor den vreemden heer; ik geloof dat
we haar meer pleizier doen zullen als we 't voor dezen keer te goed
houden!"
Waarop mevrouw _Dorbeen_, haar oogen zeer sterk op den snuit van den
olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei:
"Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde
stellen! Mijnheer _Hildebrand_ kan immers ook wel een kleinigheid!"
"Dat was goed," zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde
even op zijn horloge te kijken; want "hij wou om den dood niet graag
dat er nachtwerk van wierd."
Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer _Van
Naslaan_ met een zucht; de heer _Dorbeen_ met het oog van een kenner;
_Pieter_ met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die
pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik
stoorde mij volstrekt niet aan de heeren, en plaatste mij zoo, dat ik
het lieve gezichtje van _Koosje_ vlak voor oogen had; men moet _wat_
hebben voor de moeite.
"Ik zal," zeide ik, toen alles doodstil was, "het gezelschap lastig
vallen met een klein stukje. 't Is een vertaling door een mijner
vrienden, en uit het Fransch."
"Uit het Fransch!" herhaalde de heer _Van Naslaan_, met een bedenkelijk
gezicht mijn oom aanziende.
"Kom aan, dat 's goed!" zei mevrouw _Dorbeen_.
Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar
geen der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheidenheid
dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met
uitzondering van mevrouw _Dorbeen_, die scheen te willen weten "of hij
goed met zijn oogen rollen zou". _Koosje_ zat hevig te festonneeren,
en ik zag niets dan haar gescheiden haar.
Ik begon:
"Als 't kindje binnenkomt--"
Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam--geenszins
een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast
en beladen met de aangekleede boterham in persoon, in de gedaante van
een schat van broodjes met kaas en rookvleesch, en een macht van ster-,
ruit-, cirkel-, klaverblad-, en vischvormige gebakjes, die ondanks
hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud,
in het dagelijksch leven den wiskundigen naam van evenveeltjes dragen.
Mevrouw _Dorbeen_ kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening
niet onderdrukken.
Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met
een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de
uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat
de droogkomieke heer _Dorbeen_, toen ik de eerste woorden herhaalde,
nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:
"Als 't kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;
Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;
Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;
En 't rimpligst voorhoofd (ook 't bezoedeldste wellicht!)
Klaart voor den aanblik op van 't vroolijk aangezicht,
Met iedereen in vrede.
't Zij we onder 't lindeloof des zomers zijn vereend,
't Zij 't snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent
En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;
Als 't kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;
Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd;
En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken."
Mevrouw _Dorbeen_ lachte goedkeurend.
"Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand,
Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,"
De heer _Van Naslaan_ knikte zeer verstandig.
"Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen;
Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat!
't Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen,
En hobblen op de knie, en jok en kinderpraat."
"Dat is heel lief!" zei mijn goedhartige tante, halfluid.
"Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen,
Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen,
Naar 't woelig gieren hoort, daar 't kind doorheen slaapt; als,
Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen
Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen,
En blijde zangen wekt bij 't vooglenkoor des dals;"
De heer _Dorbeen_ kuchte. De heer _Van Naslaan_ trok oogen en
wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: "waar moet dat
naar toe?"--Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat
onbepaalde bewondering blijken.
"Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten
En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;
Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;
Door d'adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,
Als zuivre koeltjes, die langs 't knoppig bloembed zweven,
En 't blosje sterken op der rozen aangezicht.
"Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen;
Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,"
"Och heer!" zei mijn tante halfluid, en haar oogen werden
allervriendelijkst klein.
"Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.
Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen!
Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,
Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!"
_Koosje_, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier haar
schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste regel
scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk.
"Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht den vrede,
De vreugde en 't zoetst geluk in onze woning mede,
Zoo vurig afgesmeekt, met zooveel angst verbeid!
Gij kijkt de wereld, daar gij niets van vat, in 't ronde!
Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde,
Ik eer uw dubble maagdlijkheid!
"Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen,
Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen,
De goede trouw in 't oog, en 't uitzicht zoo gerust!
't Slaat een verwonderd oog op 's werelds bont getoover,
En geeft zijn jonge ziel zoo blij aan 't leven over,
Als 't ons zijn lipjes biedt als 't wordt goenacht gekust."
Tante knipte een traan weg; mejuffrouw _Van Naslaan_ knikte twee-,
driemaal met het hoofd. _Koosje_ hield haar adem in en zag mij angstig
aan, als ik vervolgde:
"Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broedren, en mijn vrinden,
En hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden,
Indien er zulken zijn misschien!
Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren,
Of bijenlooze korve, of schaapskooi zonder lammeren,
Of kinderlooze woning zien!"
"Heeremijntijd! neef _Hildebrand_!" riep mijn tante, "neef
_Hildebrand_, dat is mooi."
En ik wed dat zij aan _Pieter_ dacht, toen hij klein was; maar ook
... och, zeker ook aan het kleine _Truitje_, dat gestorven was vóór
haar vijfde jaar, en daar zij niets van overhad dan een klein vlokje
haar aan haar middelsten vinger.
"Hé ja;" zei _Mietje_ met de kalfsoogen, die ditmaal velen vooruit was.
"Ik vind altijd," zei mejuffrouw _Van Naslaan_, "dat men moeder zijn
moet om van zulke dingen het rechte te hebben."
"Niet waar, juffrouw _Van Naslaan_?" zei mevrouw _Dorbeen_! "O, maar
het is allerliefst; het vèrs" (zij drukte op het woord) "het vers is
allerliefst!" Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft,
dat kon beter.
_Koosje_ was geen moeder, en kon er dus "het rechte niet van hebben",
maar haar glinsterende oogjes en bleeke wangen zeiden genoeg dat zij
de poëzie verstaan en gevoeld had.
"Van wien is het gedicht?" vroeg de heer _Van Naslaan_.
"Van _Victor Hugo_, mijnheer."
"_Victor Hugo_?" zeide hij, den klemtoon op de eerste lettergreep
leggende en met een uitspraak alsof er, in plaats van ééne Fransche,
vijfentwintig goede Hollandsche G's in den naam geweest waren. "Ik
dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de
Letteroefeningen, dunkt mij ... Hé, dat ontschiet me ... Ik dacht
dat het zoo'n bloederig man was."
"Ik weet niet, mijnheer!" antwoordde ik.
"Verwar je hem ook met _Jacques Julin_?" vroeg de makelaar.
"Is dat die, die dat boek over _Barneveld_ geschreven heeft, dat we
laatst in het leesgezelschap gehad hebben?" vroeg oom terzijde aan
_Pieter_. [9]
"Ja," zei mijnheer de makelaar. "Dat is een rare kerel, naar ik
hoor. Hij schrijft voor geld, mijnheer; hij schrijft voor geld;
pro en contra schrijft hij voor geld."
"Ja," zei oom, zijn pijp uitkloppende, "die Franschen! 't Is een raar
volk; al zeg ik 't zelf."
"Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?" zei
mejuffrouw _Van Naslaan_, het gezelschap rondziende: "Het Nut der
Tegenspoeden."
"Wat?" vroeg de heer _Dorbeen_, droger en komieker dan ooit; "het
nut der regenhoeden?"
Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk mejuffrouw
_Van Naslaan_ min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar
lofrede op het bekende geschrift van _Lucretia Wilhelmina_, die voor
een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek den
geest te laten geven.
"Inderdaad," fluisterde zij mijn tante in: "het is een heerlijk boek,
en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je 't met
geen droge oogen lezen kunt."
Het gesprek werd spoedig weder algemeen en levendig. Ik maakte veel
werk van de zeventienjarige, en _Pieter_ week niet van haar stoel. Ik
poogde hem telkens te bewegen ook reis iets op te zeggen, of te zingen
of zoo; maar hij zei altijd, met een knorrig gezicht: "Och kom!" en
"Ik kan waaratje niets!" En hard wilde ik er niet op aandringen,
omdat ik oom nog eens weer op zijn horloge had zien kijken. Er kwam
dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de familie _Stastok_, door
middel van den muzikalen olifant, tot het genoegen van dien avond te
veel had bijgedragen, om nog iets van een harer leden te vergen.
Het avondje liep verder vroolijk en gezellig af; en nadat al de dames
en de beide heeren mijnheer en juffrouw _Stastok_ bedankt hadden "voor
de vrindelijke receptie", en _Pieter_ "voor zijn aangenaam gezelschap";
en nadat mijnheer en mejuffrouw _Stastok_ plechtig hadden beloofd
"hun scha eens te zullen komen inhalen"; en nadat de beide heeren
elkanders hoeden hadden opgehad, en tante met eigen hand al de dames,
behalve _Koosje_, wie ik niet kon nalaten zelf hierin bij te staan,
aan haar mantel had geholpen en, naar verkiezing, er de kraagjes boven
overheen gehaald, of "alles er asjeblieft maar onder" gelaten had,
ging men omstreeks half twaalf, recht van elkander tevreden, uiteen; en
schoot er voor niemand eenig genoegen meer over dan voor de meid, die
op eene achtelooze wijze zich de kwartjes liet welgevallen, die zij bij
't weggaan der gasten schijnbaar toevallig in haar hand voelde glijden.
Oom had slaap, al zei hij 't zelf. Heeremijntijd! wat had mijn tante
't nog druk. Waaratje was knorrig. Onder zulke omstandigheden ging
ik naar bed.
Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan.
De knorrigheid, waarmee _Pieter_ was te bed gegaan, was mij in 't
geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheelen
avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders
onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar
twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te
weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan
dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van
_Koosje_, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen,
zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te
knoopen. Verder was het mij niet moeielijk gevallen te ontdekken hoe
de goedkeuring hem gehinderd had, die de schoone verzen van _Victor_
(hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen)
bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee
ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke
lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had
benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof
ik, heel veel voorgesteld; maar _Koosje_ was vertrokken zoo als zij
gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd,
tenzij dan "houje nog al van evenveeltjes?" Hij had er op den duur
"ingezeten": hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover
wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder
zoo hij uit zijn humeur geraakt was?
Ik wilde meer van dit alles hebben.
"Goeden morgen, _Pieter_;" riep ik, toen de keukenmeid den anderen
morgen om zes uren als gewoonlijk hare knokkels op de kamerdeur had
laten spelen, zonder dat ik evenwel mijn bedgordijnen openschoof;
ik kon genoeg van hem zien.
"Goeden morgen, neef!" zei hij, op den rand van zijn bed in gedachten
zittende, en nog zonder bril.
"Ik heb waarlijk van _Koosje van Naslaan_ gedroomd!"
_Pieter_ bloosde, en bukte om een kous aan te trekken, met zooveel
inspanning dat het lijken moest of hij alleen daarvan een kleur kreeg.
"Zoo," zei _Pieter_.
"Ja," zei ik, "'t is een heel mooi meisje."
"Vindje dat?" vroeg _Pieter_, zijn tweede kous aantrekkende en naar
de waschtafel gaande. "Ja, 't is een lief gezichtje; maar zoo heel
mooi kan ik ze maar niet vinden."
"Niet?" riep ik verwonderd uit en ging overeind zitten.
"Waaratje niet!" zeide hij.
Verliefdheid, die haar voorwerp verloochent, verraadt zich
ontegenzeggelijk.
"Ik wou dat meisje wel wat nader leeren kennen, _Piet_! Zou er geen
kans op zijn, haar tusschen nu en overmorgen nog eens te ontmoeten?"
"Ik weet niet," antwoordde _Pieter_, de lampetkom óverschenkende;
"ga haar een bezoek brengen."
"Dat gaat niet, jongen!" zei ik; "maar weet je er niets anders op?"
"Wel neen!" sprak _Pieter_.
"Ik dan wel!" zei ik uit het bed springende. "Zeg reis, _Piet_," ging
ik hem sterk aanziende voort; "hoe komt het dat je je bril vergeten
hebt?--Kijk, 't is alledag heerlijk weer: we willen een roeischuitje
huren, en we gaan _Koosje_ en nog een andere dame van je kennis,
liefst van je familie, vragen om ons de eer aan te doen eens met ons
te gaan varen."
"Varen?" vroeg _Piet_ op den toon der alleruiterste verbazing.
"Wel ja; vàren; dat 's om te praten en te minnekoozen veel beter dan
rijden. Of wou je niet minnekoozen? Heidaar! jongen! waarom trek je
je pantalon verkeerd aan?"
"Och!" zei _Petrus_, de knorrigheid van gisteren weer opvattende,
"schei er uit met die gekheid. Ik bedank om door jou geplaagd te
worden."
"Jongen!" zei ik, "dat verstaje verkeerd. Ik plaag je niet; ik vraag
maar of je niet wilt minnekoozen?"
"Minnekoozen," hernam hij, met een schuinschen blik vol gramschap,
van onder zijn bril uit, en lippen dik van toorn--"minnekoos jij zelf!"
"Met pleizier, beste vrind! maar de meisjes willen mij niet hebben. Ik
ben te leelijk."
"Je kunt mooi genoeg praten--mijnheer!" zei _Pieter_, met de tanden
op elkaar en bevende van haat.
"Ja!" antwoordde ik lachende, "maar ik geloof toch wel dat jij beter
kunt minnekoozen!"
Er kwam geen antwoord. _Pieter_ haastte zich schrikkelijk met kleeden
en liep de trappen af. Toen ik beneden kwam, zat hij veilig onder
de vleugelen van zijne ouders een pijp te rooken, als een Fransch
romanticus zeggen zou: "enveloppé de sa colère".
Na den ontbijt ging hij in den tuin, ik volgde hem op de hielen.
"Laat me gaan," riep hij met een gezicht als een oorworm.
"Neen," zei ik, mijn hand uitstekende; "je moet niet boos zijn,
_Piet_! Wat drommel; is nu 't woord minnekoozen een woord om boos
om te worden? Als ik u was, ik zou veel boozer zijn over het woord
Instituten."
_Pieter_ glimlachte pijnlijk.
"Maar weetje wat! Ik zal van de heele zaak niet spreken; maar we gaan
roeien, man; we gaan roeien met de dames. Kanje roeien?"
"Wel, ik denk ja!" zei _Pieter_ verwaand.
"Wilje roeien?"
"Ja wel."
"Wílje dames vragen?"
"_Zij_ zullen niet willen."
"Dat vraag ik niet. Wil _jij_? Hoor reis, _Piet_! Ik beloof je dat
ik discreet zal zijn."
"Nu ja," zei hij, "ik wil wel."
Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd besloten
dat wij, behalve _Koosje_, nicht _Christientje_ zouden vragen, eene
jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne mee zou gaan,
daar zij niets te doen had dan bij een knorrige tante te zitten,
die twee meiden hield en nooit uitging.
Wij gingen er dus op uit om een schuitje te huren; en nadat wij eerst
bij een schuitenmaker aan de Oostpoort geweest waren, die het zijne
had verkocht "om dat er geen profijt bij was", en die ons naar de
Westpoort zond, waar hij zeker wist dat wij er een konden krijgen;
en nadat wij bevonden hadden, dat er aan de Westpoort niets meer van
boven water stak dan eventjes een klein neusje van den steven, vonden
wij er eindelijk een zeer goed, in het midden van de stad, dat wij voor
een gulden voor een geheelen achtermiddag huren konden. Wij huurden
het dus voor den geheelen achtermiddag van den volgenden dag en kweten
ons vervolgens van onze uitnoodigingen, die op eene innemende wijze
werden aangenomen. Mama _Van Naslaan_ was er voor hare dochter zeer
vereerd mee; schoon zij, geloof ik, wel dacht dat er meer achter zat,
en dat ook dit muisje een staartje hebben zou, en de oude tante hoopte
tienmaal in een half uur dat het niet te koud op het water wezen zou,
wat wij trouwens ook hoopten, schoon Wij het tegendeel vreesden.
Wij bepaalden onderling dat _Koosje_ meer bijzonder onder de zorgen
van _Pieter_ staan zou, en ik mij meer dadelijk tot den ridder van
_Christientje_ zou opwerpen. Ik kon niet edelmoediger zijn.
_Pieter_ was dan ook volmaakt in zijn humeur, en tantelief pakte ons
nog dienzelfden dag een mandje met rijnwijn en sinaasappels, [10]
eene verfrissching, frisch genoeg in de maand October. Wij hadden de
dames verzocht mantels mee te nemen.
De andere dag was een allerheerlijkste najaarsdag en alles beloofde
genoegen. Maar toen _Pieter_ des voormiddags van eenige boodschappen,
die hij voor zijn toilet te doen had, thuis kwam, stond zijn aangezicht
akelig bedroefd; hij smeet met de deur, smeet zijn rotting, smeet
zijn hoed, smeet zijn handschoenen.
"Wat scheelt er aan, amice?" vroeg ik verschrikt.
"Och, die ellendige _Dolf_!" zei hij, zich tot zijn moeder wendende.
Nu was er zeker geen menschennaam in de vijf werelddeelen, die in
staat was aan mejuffrouw _Debora Stastok_, en in 't algemeen aan alle
teederhartige moeders in geheel D., een grooter schrik aan te jagen,
dan diezelfde naam _Dolf_, die den niets kwaads vermoedenden lezer
onmogelijk aan iets anders kan doen denken dan aan de volkomener
vormen: _Adolf_, _Rudolf_, of des noods _Ludolf_; maar welke naam aan
mejuffrouw _Debora Stastok_ en, zoo als ik zeg, aan alle teederhartige
moeders in geheel D. niet anders voorkwam dan als een kort begrip
der eeretitels: katäas, straatschender, verkwister, lichtmis, lap,
deugniet en leeglooper; immers hij behoorde aan den persoon, met
wien ik reeds in het koffiehuis de "Noordstar" de eer had gehad
kennis te maken, in één woord aan den heer _Rudolf van Brammen_,
die na in zijn jeugd bekend te hebben gestaan voor een ondeugenden
kwâjongen, die het zijn ouders en zijn meesters te kwaad maakte, alle
avonden puisje vong en alle meisjes om zoenen plaagde, een paar jaren
te Leiden, op naam van Jur. Stud., in dien toestand had verkeerd,
die men aldaar _sjouwen_ noemt, zonder dat zijn vader destijds recht
begreep wat hij er eigenlijk deed dan veel geld verteren, terwijl hem
echter naderhand bleek dat hij behalve die bezigheid ook nog aan de
liefhebberij van schulden maken had toegegeven. Na dien tijd had hij,
nu reeds een jaar of drie, op zijn vaders kosten, die gelukkig een
welgesteld man was, een ander beroep uitgeoefend, hetwelk men (almede
te Leiden) den vereerenden naam van _dweilen_ geven zou, tot groote
ergenis der Deënaars, die veel nieuwsgieriger waren wat er nog eens
van hem worden zou dan de heer _Rudolf van Brammen_ zelf. Hij deed
evenwel geen openlijk kwaad, dronk een redelijken borrel, woonde alle
publieke vermakelijkheden bij, tot het optrekken van de wacht en het
boomrooien op de stadssingels toe; bootste alle publieke personen na,
wandelde veel, biljartte veel, werd veel dik, verkocht vele grappen,
en was zeer populair.
Het was dus niet te verwonderen, dat mijn tante op het hooren van
den enkelen naam van dezen onmensch een koude rilling over haar rug
gevoelde. Inderdaad, ik geloof dat de haren haar onder de kornet te
berge rezen.
"Wat is er nu weer met hem gebeurd?"
"Gebeurd!" riep _Pieter_ mistroostig uit, en zijn oogen vonkelden,
onder zijn bril: "niets gebeurd. Maar hij wil mee uit roeien."
En hij zag mij stijf in 't gezicht, om mij al de ijslijkheid van deze
Jobstijding te doen beseffen.
"Als hij maar een dame meebrengt," zei ik--"dan is 't mij wel."
"Ja, daar komt het door aan. 't Is zijn zuster; die malle
meid! _Christientje_ heeft haar verteld dat ze met _Koosje_, en mij,
en een Leidsch student uit varen ging, en toen wou ze met alle geweld
ook mee. Als _ik_ ook reis wat doen wil!..."
"_Koosje_, en mij en een Leidsch student!" _Pieter_ zou in ieder
ander geval gezegd hebben: _Koosje_, een Leidsch student, en mij;
maar hij was verliefd, en het lustte hem in deze omstandigheid de
plaatsen aldus te schikken.
"Hoor reis," zei tante, gerustgesteld door het meegaan van de zuster,
die bij de bevolking van D. eene verontschuldiging was voor de
tegenwoordigheid van den broer: "_Meeltje_ is een heel ordentelijk
meisje, en ze heeft altijd goed opgepast, op school en overal. Daar
moet je niets van zeggen. Ze moeten dan nu maar mee."
"Och, mijn plezier is er nu alweer af," bromde _Pieter_, en verliet
de kamer, om in zijn vertwijfeling nog wat aan zijn tabellen te
gaan knutselen.
Ik had ondertusschen de ontmoeting van de contrasteerende heeren _Dolf_
en _Pieter_ wel eens willen zien. Ik verbeeld mij dat de ex-student
van zijn zuster _Amelie_ in last had, niet om op een dadelijke wijze
haar en zijn eigen persoon aan ons te komen opdringen, maar "als hij
_Pieter_ zoo reis tegenkwam", zoo eens zijdelings te hooren of het
niet wel goed zou zijn dat zij meegingen; iets 't welk zij zonder
twijfel reeds aan _Christientje_ beloofd had _in allen gevalle_ te
zullen doen. Men begrijpt lichtelijk dat _Dolf_ evenzeer overtuigd
was _Pieter_ _in allen gevalle_ tegen te zullen komen, indien namelijk
_Pieter_ zich maar een oogenblik op straat waagde, daar hij gewoon was
ettelijke uren van den dag aan eene stadswandeling te wijden, bij welke
gelegenheid hij in 't geniep aan vele knappe dienstmeisjes oogjes gaf
en bijzonder acht sloeg op alle mooie honden. Nu was het gebeurd dat
hij _Pieter_ net ontmoet had, toen deze, in den meergemelden winkel
van _Van Drommelen_, een paar prachtige puimsteenkleurige glacé
handschoenen had gekocht, met welk paar gezegde _Van Drommelen_
reeds lang verlegen was geweest, daar niemand het koopen wilde, en
't welk hij _Pieter_, als naar den laatsten smaak, opdrong. Ik stel
mij voor dat zijn gesprek met een "Je gaat zoo uit varen?" begonnen,
en dat daarop heel gauw gevolgd is: "Jongens, je hadt mij en me zuster
ook wel eens mee kunnen vragen"; waarop _Pieter_, zonder aan eenige
mogelijke verontschuldiging te denken, ongetwijfeld onmiddellijk had
gezegd: "dat 's goed!"
"Hoe laat _ga_ jelui?"
"Half vier."
"Dat is wel wat vroeg; maar 'k zal er wezen. _Amelie_ brengt haar
gitaar mee. Tot van middag!"
Er gebeurde dien dag iets in 't huishouden van mijn oom, dat nog
nooit gebeurd was: het etensuur werd verzet; ook al ten gevalle van
neef _Hildebrand_, die ondanks zijn kamerjapon nogal een witten voet
bij oom kreeg; en toen wij verzadigd waren, ging _Pieter_, onder
vele vermaningen van toch vooral voorzichtig te zijn, _Koosje_,
en ik _Christientje_ afhalen.
Van alle jonge meisjes nu, die bij oude knorrige tantes zouden
kunnen of willen wonen, was _Christientje_, of laat ik liever zeggen
_Christien_, want zoo werd zij altijd genoemd door die haar kenden,
wel de ongeschiktste. Zij was in haar hart een Jan-Pret, en scheen niet
tegen een kleintje op te zien. Zij greep mijn arm met een zoo fikschen
greep aan, en lachte zoo glunder over 't mooie weer en 't prettige plan
en 't frissche van 't water, dat ik mij heel veel van haar voorstelde,
en alleen maar vreesde dat _zij_ zich te veel voorstelde van de pret.
Wij hadden het schuitje in den singel laten brengen en derwaarts had
_Keesje_ den rijnschen wijn getorst. Ik kwam juist met _Christien_
ter bepaalder plaatse, als _Pieter_ er ook verscheen; _Koosje_ ging
nevens hem; hij had haar geen arm durven aanbieden, en zij had werk
zijn groote stappen bij te houden.
De knorrigheid van _Pieter_ scheen wel wat gezakt te zijn, maar ik
zag ze met nieuwe neteligheid opleven, toen hij den jeugdigen _Van
Brammen_ met zijne zuster en eene meid, die in de eene hand een grooten
huissleutel en in de andere een gemarmerd bordpapieren gitaardoos
droeg, uit de poort en over de brug zag gaan. _Dolf_ had voor deze
gelegenheid een gelen stroohoed opgezocht, die hem vrij gemeen stond,
droeg een bruingeruiten pantalon en een groenen dichtgeknoopten rok
met glimmende knoopen; aan zijne laarzen blonken een paar moeren
van sporen, die hij evenwel, als bij deze gelegenheid minder te pas
komende, had thuis gelaten, en hij had een gelen degenstok in de
hand, die hij om dezelfde reden thuis had _kunnen_ laten. _Amelie_
wier peettante eigenlijk _Meeltje_ geheeten had, was zeer bijzonder
gekleed. Zij had een spencer aan van paarse zijde, waar een groene
rok onder uitkwam, en een hoedje van dezelfde kleur en stoffe als
haar spencer, waarop zij een witten sluier droeg met een breeden rand
van dezelfde kleur als de rok. Haar kleine voeten staken in nanking
slobkousjes, die haar fijnen enkel zeer wel deden uitkomen. Deze kleine
voet en fijne enkel maakten, benevens hare handjes, de voornaamste
schoonheden van de magere _Amelie_ uit, die een lang bleek gezicht
had, met groote groenachtige zwemmerige oogen, welke zij evenwel, of
omdat zij bijziende was, of omdat zij het schijnen wilde, zoo dicht
toekneep dat men wedden zou dat zij niets zag. Zoo als zij nu naast
haar buikigen broeder voortschreed, maakte zij in mij de gedachte
aan den eersten droom van koning _Farao_ zeer levendig.
De ontmoeting van de drie dames was uiterst hartelijk en lieftallig;
die van _Van Brammen_ zeer vroolijk.
"Bonjour, heeren!" heette het.--"Ik heb ongemakkelijk veel gegeten
hoor! Jongens, dat is een knap schuitje; waar haalje dat van daan,
_Piet_? _Hildebrand_, ik heb je nog gezien toen je groen was; je
hadt een kaneelkleur jasje aan, allemachtig leelijk. Kijk hier; een
haakje ook!" En het haakje opnemende velde hij het als een speer,
en maakte de handgrepen van _Pieter_ te willen doorsteken.
"Heiwat!" zei _Pieter_, die alweer zoo kwaad was als een spin.
"Hoor reis!" zei _Dolf_, in het schuitje springende: "Ik ben de
dikste, en ik heb van middag zoo veel gegeten; ik zal naderhand
ook wel reis roeien, dat spreekt; maar jijlui moet beginnen; vindje
't goed, _Hildebrand_?"
"Best," zei ik.
Ik nam de taak van ceremoniemeester op mij, en plaatste mij op de
achterste roeibank. _Pieter_ zou vóór mij gaan zitten, en dan op de
zijbankjes, bij zijn rechter knie, het mooie lieve _Koosje_, zijn
eerste liefde, en bij zijn linker de "magere ende zeer leelijke van
gedaante, rank van vleesche, en wier gelijke in leelijkheid niet
gezien was in den ganschen Egyptenlande", met de gitaar onder de
bank. Daarnaast, of naast _Koosje_, naar verkiezing, de vroolijke
_Christien_, die met alles tevreden was; _Dolf_ aan 't roer.
"Maak 'em nou maar los, vrind!" riep _Dolf_ tegen _Keesje_: "braaf
man! dat mag je reis weer doen"; en het haakje opnemende stiet hij
van wal en stuurde met veel handigheid naar het midden.
_Pieter_ en ik vielen aan 't roeien; maar het bleek duidelijk dat de
eerstgenoemde het of nooit meer, of in lang niet gedaan had.
"Je hoeft den singel niet uit te diepen," riep _Dolf_ hem al heel
gauw toe, daar hij de riemen met een hoek van bijna negentig graden in
't water plantte. "Je moet over 't water scheren als een meeuw, man."
"Ik weet het heel wel," zei _Pieter_, en hief den rechtschen riem hoog
op, om te _toonen_ dat hij 't heel wel wist, maar vergat den linker,
dien hij zoo mogelijk nog rechtstandiger indoopte, met dat gevolg,
dat de rechterriem bijna geen water raakte, maar wel met hevigheid
tegen mijn dito aansloeg, en hij zoo groot een kracht deed met den
linker, dat de schuit ronddraaide.
"Ho wat, _Pietje_!" riep de gehate stuurman nu weder, terwijl _Koosje_
lachte, _Christien_ proestte, _Amelie_ een klein gilletje gaf. "Ho wat,
_Pietje_! je moet er den gek niet mee gaan steken, man; we zouen zoo
wel reis naar den grond kunnen tollen."
_Pieter_ wenschte van harte, dat _Dolf_ onmiddellijk in 't water
gevallen en naar den grond getold ware.
Het roeien is zulk een heksewerk niet; het kwaad was spoedig
hersteld en, met hem een weinig te gemoet te komen, kon ik maken dat
_Pieter_ binnenkort al vrij wel slag met mij hield. Wij roeiden den
singel uit en de kleine rivier op, die de trots en de glorie van
D. uitmaakt, en waren spoedig in het ruime. Daar viel het roeien
nog veel makkelijker. De dames vonden het dolprettig op het water,
_Koosje_ was allerliefst, _Christien_ alleruitgelatenst, _Amelie_
allersentimenteelst. _Pieter_ zelf kwam bij. Maar wat hem zeer hinderen
moest, was dat de beide eersten als aan den mond van _Dolf_ hingen,
die allerlei grappen vertelde, en voor dezen, die toch een _mauvais
sujet_ was, veel meer aandacht overhadden dan voor hem zelven, die
eerstdaags een candidaatsexamen dacht te doen, _summâ cum laude_; een
leed, door menig eerzaam jong mensch onder dergelijke omstandigheden
diep gevoeld. De dames zullen beter weten dan ik, hoe het komt dat
zij er reden toe geven. Maar zelfs het zedige _Koosje_ luisterde met
alle blijken van welgevallen en genoegen, wanneer _Dolf_ nu eens een
liedje zong, dan eens den voorzanger uit de Groote Kerk nabootste,
dan weder zijn stroohoed op een koddige wijs in de hoogte gooide, dan
weder een anecdote vertelde, en nog al dikwijls met veel vrijmoedigheid
en oprechtheid haar een complimentje maakte; en ik zelf vond hem
werkelijk van tijd tot tijd nog al heel aardig.
Daar nu evenwel de (ik mag wegens hare magerheid haast niet zeggen
vleeschelijke, maar toch eigene) zuster van _Dolf_ met vele van 's
mans grappen bekend was, en ook wegens de nadere bloedsbetrekking
niet zoo zeer van ZEd. gecharmeerd wezen kon als de beide andere
dames, zoo gebeurde het dat zij _Pieter_ in een zeer druk en zeer
poëtisch gesprek wikkelde over de lieve omstreken van Utrecht,
en het lieve Zeist, en het lieve Zusterhuis. Zij verklaarde veel
sympathie met al die soort van inrichtingen te hebben, en zelfs niet
afkeerig te zijn van het denkbeeld van in een nonnenklooster te gaan,
of op zijn minst een Zuster van Barmhartigheid te worden, een soort
van dreigement van meisjes van de jaren en de bloedsmenging van de
magere _Amelie_; en zij overstroomde den goeden _Pieter_, die zich
inmiddels van jaloezie verbeet, met een regen van edele, teedere,
heilige, en smelterige gevoelens; bij welke gelegenheid zij hare
oogen op eene bijzondere wijze wist op te slaan, net precies alsof
zij een goede kennis had in de maan, die alreede als een wit vlekje
aan den hemel stond; dan zuchtte zij ook weer eens, als personen
die een verborgen verdriet hebben; en dan zag zij, bij een of ander
zeer boekachtig gezegde, over _Pieters_ schouder naar mij, die van
het nadeel van op een achterste roeibank te zitten dit voordeel had,
van zoo dikwijls ik wilde het gesprek niet te hooren.
"Maar wil ik je nou niet reis aflossen, men lieve galeiboeven?" vroeg
_Dolf_ ons met hartelijkheid nadat we een goed half uur geroeid
hadden. "Ik zit hier maar sigaartjes te rooken aan 't roer."
"Hoor," riep ik hem toe, "ik zal je zeggen wat het plan is. _Pieter_
heeft me gesproken van een boerderij, waar we aan kunnen leggen om
iets te gebruiken. Daar moeten we welhaast wezen."
"Ja wel, bij _Teeuwis_," viel _Dolf_ in, met al de snelheid van iemand
die alle dergelijke inrichtingen van buiten kende.
"En zoo lang moeten _wij_ nog maar aan de riemen blijven. Dan zullen we
wat uitrusten, en dan roeien we langzaam naar de kom terug, die we daar
zoo pas zijn voorbijgegaan. Daar zullen we dan wat in gaan drijven."
"O ja," riep _Amelie_, "dat is lief; ik ken niets aangenamers dan
drijven."
"Ja!" zei ik, "en dan zullen we alle weelden vereenigen; wij zullen
zien wat er in ons mandje overbleef, en wat er in uw gitaardoos is."
"Dat is heerlijk!" riepen de dames. "Ja, _Amelie_, je moet zingen
en spelen."
"Ja maar, weet je wat," zei _Dolf_, "ik zal ook zingen, hoorje! Ik
ken heerlijke liedjes.--_Amelie_! je moet het niet te veel op de maan
gooien, hoor!"
_Amelie_ zuchtte over haar broeders ongevoelig hart.
Nog een slag of vijftig en wij waren aan de boerderij.
Wij stapten aan wal, tot niet weinig genoegen van _Pieter_, die van
de riemen en van _Amelie_ verlost was. Het eerste deed hem evenwel
bijna nog meer genoegen dan het laatste. Hij had het onverstand gehad,
met zijn puimsteenkleurige glacéhandschoenen te willen roeien, die
nu als vellen om zijn vingers hingen en, daar hij de riemen veel
te stijf had vastgehouden, had hij vrij aanzienlijke blaren in de
handen. _Dolf_ hielp de dames uit de boot, bij welke gelegenheid
hij iets heel streelends van _Christiens_ voetje zei, en een aardig
drukje in _Koosjes_ handje gaf, dat zij beiden wel heel ondeugend,
maar toch niet heel onaangenaam vonden. Hij liet de zorg voor zijne
zuster aan den ongelukkigen _Pieter_ over.
De schuit werd vastgelegd, en een heldere boerin kwam buitenloopen om
ons welkom te heeten en te zeggen dat we binnen moesten komen. Maar
wij verkozen een tafeltje op de werf te hebben, om immers zoo veel
mogelijk van de frissche octoberlucht te genieten! Dit geschiedde;
en hoewel er 's winters, als er schaatsen gereden werd, van alles te
krijgen was, zoo was er nu niets te bekomen dan melk, die dan ook in
groote glazen overdadig vloeide. Want de wijn werd, op de schikking der
dames, epicuristisch geheel voor de drijvende zaligheid bewaard. _Dolf_
vroeg onder veel grappen om een beetje jenever met suiker; en _Pieter_
maakte zijn zakdoek in een kopje melk nat, en hield het verzachtend
vocht tegen de blaren in zijn hand.
Er was een schommel aan den anderen kant van het huis, en _Dolf_
noodigde de dames tot zijne genoegens. _Christien_ had er een
dollen zin in, en _Koosje_ ging ook mede, en _Pieter_ volgde
natuurlijk. _Amelie_ hield er volstrekt niet van, en kreeg er "zoo'n
ijselijken steek in de zij" van. Ik bleef dus om haar gezelschap te
houden met haar aan ons tafeltje zitten, dat mij wonder wel beviel,
daar ik moe van 't roeien was, en nog veel roeiens vooruitzag.
Voor een sentimenteel meisje was er op die werf niet veel te zien. Wij
zaten aan een vrij verveloos tafeltje, waarvan maar drie pooten den
grond raakten, op eenen door kippen en hanen omgewoelden grond, van
een aarden dijkje aan drie kanten omgeven, en hadden het uitzicht op
een vrij groote kroosgroene eendekom, een loods, en een zeker ander
klein gebouwtje. Het duurde een heele poos, eer een kleine leelijke
bastaard van een mop en een fikshond geheel ophield uitvallen van
vijandigheid te plegen; maar wat het tooneel eenige schilderachtigheid
bijzette, waren drie kinderen, waarvan het oudste, een meisje van
een jaar of zes, het kleinste, een wicht van even zoo veel maanden,
op schoot had, terwijl de derde, een jongen van omstreeks vijf jaren
met spierwit haar, op zijn rug op den grond lag. Deze groep bevond
zich aan den rand van de eendenkom, en keek dan eens schichtig naar
ons en dan weer vertrouwelijk naar de eenden
Het waren deze lieve kinderen, die _Amelie_ in staat stelden al de
liefderijkheid van haar zachtgestemd gemoed te toonen; zij trok dus
den kleinen linkerhandschoen van de kleine linkerhand, en besloot ze
op de innemendste en wegslependste wijze toe te spreken.
"Wel liefjes! kijk jelui zoo naar de eendjes?"
De kinderen keken haar strak aan, maar gaven geen antwoord.
"Hoeveel van die lieve diertjes zijn er wel?"
Geen antwoord; maar eenige verwondering in 't oog van 't zesjarig
meisje; want op 't boerenland noemt men een eend geen diertje.
"Hou je veel van de eendjes?"
Zelfde stilte.
"Is dat je jongste zusje?"
Stilte als des grafs.
_Amelie_ zag dat zij met deze Arkadische kleinen niet vorderde,
haalde de schouders op, en zweeg.
"Onze zeug het ebigd," zei het meisje opeens, uit zichzelve.
"Wat _zegt_ het schepseltje?" vroeg _Amelie_, voor wie deze inlichting
volkomen onverstaanbaar was.
"Zij zegt iets dat haar zeker hoog op 't hart ligt, juffrouw _Van
Brammen_," zei ik, "ze vertelt dat het wijfjesvarken.....in de kraam
is gekomen."
_Amelie_ kreeg een kleur, voor zoover haar vel daartoe in staat was.
"Ze zijn in de boet [11]", zei de kleine jongen, zich oprichtende en
een paardebloem plukkende, waarmee hij herhaalde malen op den grond
tikte. "Veertien."
Ik stelde _Amelie_ voor, de kraamvrouw te gaan zien; want ik vond
het pikant een sentimenteel meisje in een boerenloods bij een zeug
met veertien biggen te brengen.
Maar zij had er geen zin in, en scheen eenigszins gebelgd over het
voorstel.
De schommelaars kwamen weerom, met kleuren als boeien.
"Hè!" zei _Christien_, haar voorhoofd afvegende, "dat 's prettig
geweest; maar _Dolf_ had ons bijna laten vallen. Het ging dol hoog."
_Pieter_ had niet mee geschommeld, zijne beblaarde handen hadden hem
niet toegelaten de touwen vast te houden; _Dolf_ en _Koosje_ hadden
neus aan neus op het plankje gestaan, en hij had het genoegen gehad
ze op te geven.
Toen de dames een weinigje waren uitgerust, stelde ik voor weer aan
boord te gaan, om zoo spoedig mogelijk naar de kom te roeien, waar
wij zouden drijven, drinken, en dwepen. _Dolf_ moest op de achterste
roeibank, ik op de voorste, en _Pieter_, met zijn beblaarde handen,
aan 't roer.
_Christien_, die door 't schommelen door 't dolle heen geraakt was,
had een razenden lust om te gaan wiegelen; maar de gebeden van
_Koosje_ en de zenuwachtige gillen van _Amelie_ weerhielden haar;
en daar _Dolf_ een goed roeier was en ferm slag hield, waren wij
al heel spoedig nabij de kom der genoeglijkheden. Reeds haalde ik
de riemen in, en liet _Dolf_ alleen nog maar met de zijne spelen;
reeds gaf ik mijne aanwijzingen aan _Pieter_, hoe hij het roer
moest wenden om de kom in te draaien, toen de liefderijke _Amelie_
eensklaps aan den rechter-oever een plantje of zes nog laat bloeiende
vergeetmijnieten in 't oog kreeg en uitriep:
"Och, mijn lieve mijnheer _Stastok_, wilje me een groot plezier
doen, stuur dan reis even naar die vergeetmijnietjes; ik ben dol
op vergeetmijnietjes!"
Haar wensch geschiedde, en wij waren in een oogenblik bij de
hemelsblauwe bloemekens, waarvan de vraag was. _Amelie_ plukte ze allen
op een na af, en deelde ze aan al de leden van het gezelschap uit,
zoodat wij in een oogenblik ieder met zulk een levend albumblaadje
in ceintuur of knoopsgat pronkten.
Toen wij nu zoo mooi waren, wilden wij weer heen; maar de schuit
scheen nog veel grooter liefhebster van vergeetmijnietjes dan _Amelie_
zelve; want haar gehechtheid strekte zich letterlijk uit tot de struik
waarvan zij waren geplukt, tot het stuk grond waarop zij gebloeid
hadden. Met andere woorden: wij zaten op land.
Te vergeefs, zoo wij poogden los te raken: de schuit zat vast en
bleef vastzitten; er scheen geen verwikken aan; het speet _Amelie_
"verschrikkelijk" dat zij de oorzaak van dit oponthoud was; _Christien_
vond het daarentegen "ijselijk aardig"; wij manspersonen werkten ons
half dood, en zaten dan weer een oogenblikje neder om krachten te
herkrijgen. In een van die tusschenpoozen begon _Dolf_ ons bij den
Zwitserschen Robinson te vergelijken.
"Hoor eens," zei hij, "_Koosje_! als we hier voor eeuwig blijven,
moeten, dan trouw ik met jou, hoor!" En hij maakte een beweging;
om haar de hand te kussen.
Op dit gewichtig oogenblik was het dat de merkwaardige _Petrus
Stastokius_ Junior een Simsonsverzuchting slaakte, den haak in edele
verontwaardiging opnam, tegen den wal zette, en er met zooveel geweld
en zoo groote inspanning van krachten op neerviel, dat de schuit
plotseling losraakte en achteruitstoof, terwijl de edele bewerker van
dit voorval zelf voorover in het water stortte. Daar lag hij; alleen
zijne laarzen waren nog aan boord; de panden van zijn jasje zweefden
boven de golven, en de merkwaardige _Petrus Stastokius_ Junior, zich op
zijne handen op den bodem des waters ophoudende, hield het beslikte,
maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met moeite boven. Zijn hoed
dobberde op de ongewisse baren. Het was verschrikkelijk.
Een ieder, die ooit in de zaligheden van een roeischuitje met
de schoone sekse heeft gedeeld, gevoelt welk een uitwerksel de
plotselinge indompeling van _Petrus_ op onze dames maken moest. Hij
hoort ze allen gillen, hij ziet ze allen opstaan, elkander, en ook
zelfs ons, in de armen knijpen, en zeggen: "O G..!" Zijne verbeelding
slaat alle pogingen gade, die zij gezamenlijk aanwenden om zoo mogelijk
een nog grooter ongeluk te krijgen... Welnu, hij heeft een denkbeeld
van onzen toestand.
"Zitten!" riepen _Dolf_ en ik tegelijk; "in 's hemels naam,
blijft zitten!" en in een oogenblik staken wij de riemen aan
bakboordzij in den grond, om het verder afdrijven van het schuitje
te beletten. "_Pieter_, jongen! je bent nou toch nat; we zullen je
met het schuitje volgen, zoodat je de beenen niet hoeft na te halen;
kruip maar op je handen naar wal."
Hij deed als hem gezegd was, en in een oogenblik was hij op het
terrein der gezegende vergeetmijnietjes.
_Pieter_ was kopje-onder geweest en tot het midden doornat. Hij
zag er hartverscheurend uit; zijn druipend haar, zijn bleek en
verwilderd gezicht, zijn zwarte, beslijkte handen!--Er was een algemeen
medelijden; zelfs _Dolf_ deelde er in. De drenkeling werd in de schuit
opgenomen, en er werd besloten naar de boerderij terug te varen om hem
te drogen. Het zou dan wel te laat worden om in de kom te drijven,
maar wij zouden nu in de boerderij onze ververschingen gebruiken en
daarna, stevig door, naar huis roeien. Eerst nog werd de hoed van
_Pieter_ achterhaald, en weldra zag de glundere boerin ons terug.
"Ze had wel docht," zei ze, "dat dat heerschop een ongeluk krijgen
zou; want hij had er al-an dat ie bij de schoppel staan hadde zoo
kniezerig en zoo triesterig uitzien, dat ze al in haar aigen zeid
hadde: nou! dat komt nooit goed of met dat heerschop! Maar ze zou maar
flussies wat raizen opgooien, en dan zoudie wel gauw weer hielkendal
op-eknapt zain; as meheer een hemd van haar man an wou hebben; meheer
had maar te spreken," enz. enz.
Wij lieten _Pieter_ aan hare zorgen over en begaven ons naar de werf.
Het was ondertusschen halfzes geworden en, schoon 't nog zeer licht
was, de zon was al ondergegaan en wij konden ons nog alleen in den
kouden naglans verheugen. Het bleek nu welk een dolle streek het
eigenlijk was, in de maand October na den middag een watertochtje te
beginnen; er stak een zéér koel windje op, en wij vonden 't beter
binnen te gaan. Wij werden alzoo in het beste vertrek van 't huis
gelaten, waar het pronkbed was, een friesche klok en een dambord
hingen, en vier schilderijen aan den wand ons de geschiedenis van
Willem Tell herinnerden, om niet te spreken van een dier tabelletjes,
welke men verkorte uitgaven van Trommius zou kunnen noemen, en waarop
men lezen kan hoeveel kapittels, hoeveel verzen, hoeveel ende's in
den bijbel staan, en dergelijke wetenswaardige dingen meer. Zulk
een hing er in een verguld lijstje. Hier zetten wij ons op de matten
stoelen neder en begonnen, nadat _Amelie_, die het op haar zenuwen
zeide te hebben, een weinig bedaard was, rijnschen wijn te drinken
en sinaasappelen te eten alsof het een lauwe avondstond in Juli
geweest ware.
Daarop kwam de gitaar binnen, die in onze omstandigheden waarlijk een
heele vervulling was; want indien het waar is dat muziek en zingen
menige recht prettige bijeenkomst storen en bederven, zoo moet men
ook zeggen dat er niets beters is om een niet prettige bijeenkomst
of mislukte partij aan den gang te houden, dan juist diezelfde muziek
en zang.
_Amelie_ zong verscheidene Duitsche romances, en zong ze waarlijk vrij
goed; maar zij bracht er, tot haar aanmerkelijk nadeel, al die kleine
behaagzieke naïveteiten bij te pas, die een mooi meisje goed staan,
maar die een leelijk meisje als _Amelie_ nog leelijker en metterdaad
belachelijk maken. Zeker had onder dit boerendak nog nimmer zoo
teergevoelig een liedje geklonken, als de bleeke _Amelie_, met de
vergeetmijnietjes aan haar boezem en den gitaar met het lichtblauwe
lint op de knie, er menigeen voortbracht; en ik was juist in deze
bespiegeling verdiept, toen zij met lange uithalen een zeer teedere
liefdeklacht met de dubbele herhaling van den laatsten regel besloot,
die gedurig lager en doffer werd:
Zum kühlen Grab,
Zum kühlen Grab,
Zum kühlen Grab,
totdat haar stem op eens weer zeer hoog uitschoot, met dezelfde
woorden:
Zum kühlen Grab,
toen het lied werd afgewisseld door een goede, ronde, vroolijke
boerinnestem, die van buiten kwam met het liedje:
Klompertjen en zijn wijfje,
Die zouwen vroeg opstaan,
Om eiertjes te verkoopen
En na de markt te gaan.
Ze waren halverwege,
Halverwege den dijk,
Daar braken al der eiertjes,
En 't bottertje viel in 't slijk.
Het speet er niet om de eiertjes,
Maar om er mooien doek,
Die ze gisteren nog gemaakt had
Van Klompertjes beste broek.
"Dat's een weergaasch aardig liedje," zei _Dolf_, het venster
openstootende en de dikke boeremeid aansprekende, die hare "purperen
armen", als _Rotgans_ het uitdrukt, in de rookende waschtobbe stak,
en het liedje van Klompertje waarschijnlijk gezongen had; "dat's een
weergaasch mooi liedje, _Trijntje_!"
"Ik hiet geen _Trijntje_!" zei de meid, schalk omkijkende.
"Hoe hietje dan?" riep _Dolf_, wien 't maar te doen was om een naam.
"Dat weet me moeder wel, hoor!" zei de meid, lachende en eene rij
van de witste tanden zien latende, die ooit een boerinnemond versierd
hebben.
"Kenje meer zulke liedjes, zoete?" vroeg _Dolf_.
"Loop," zei de boeremeid, wier naam haar moeder wel wist--"ik heb
niet zongen; wat verbeel jij je wel?"
"Dat raam tocht vreeselijk," merkte _Amelie_ aan, die deze samenspraak
om duizend redenen weinig beviel. Maar nauwelijks was het raam toe,
en had _Dolf_ nog eens ingeschonken, of er klonk een nog vroolijker
liedje uit den mond der frissche deerne; en wij luisterden allen:
Dans, nonneke dans!
Dan zei ik je geven een muts.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Ik heb er een van me zus.
'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.
Dans, nonneke, dans!
Dan zel ik je geven een huis.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Daar ben ik niet van thuis.
'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.
Dans, nonneke, dans!
Dan zel ik je geven een zoen.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Daar wil ik 'et niet voor doen.
'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.
Dans, nonneke, dans!
Dan zel ik je geven een man.
Toen zei dat aardig nonneke,
'k Zel dansen al wat ik kan.
'k Wil wel dansen, 'k zel wel dansen,
Dansen is men order wel;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen wel.
En nauwelijks was het liedje uit, of _Rudolf van Brammen_ gaf een
fikschen klap op zijn stroohoed, zoodat hij in plaats van boven op
zijn hoofd te staan, op zijn linker wang kwam te hangen en, zijn
weemoedige zuster om haar paarsen spencer grijpende, tilde hij haar
van haar stoel op, en walste ondanks haarzelve een toertje met haar
door de kamer, onder het herhalen van het refrein:
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen wel.
De levenslustige _Christien_ stiet _Koosje_ aan, en de beide meisjes
lachten achter haar zakdoek.
_Amelie_ zeeg "doodaf", en waarschijnlijk met een halfhonderd steken in
haar zij, op een stoel neder, maar op dit oogenblik ging de deur open,
en de vroolijke _Dolf van Brammen_ schoot met dezelfde uitgelatenheid
op den persoon van _Pieter_ af, die met een wijd duffelsch buis aan,
een roode bouffante van _Teeuwis_ om den hals, en een pakje nat goed,
in zijn zakdoek samengebonden, onder den arm, binnentrad; en denzelven
_Pieter_ oogenblikkelijk bij de linkerhand grijpende en zijn eigen
rechter om _Pieters_ midden slaande, die vruchteloos zich poogde los
te worstelen, galoppeerde hij met hem door de kamer, onder het juichen
van die zelfde regels, die hem zoo bijzonder schenen te bevallen.
"Laat me los, _Van Brammen_!" riep _Pieter_, voor de eerste maal sedert
ik hem kende zijne manlijkheid toonende; en met een fikschen zwaai
wierp hij, vonkelende van woede, den op zulk een krachtsbetooning niet
verdachten _Dolf_ van zich af en bijna tegen den muur. Deze evenwel,
zonder zijne bedaardheid te verliezen, greep zijn degenstok op,
stak den van zichzelven verbaasden _Stastok_ den knop toe:
"Wil je vechten, kereltje? Ook goed. Trek reis aan dien stok! Zie zoo;
jij den degen, en ik de schee: kom aan, _en garde, droit au fond_,
asjeblieft!" En, zich in de positie stellende van iemand die schermen
gaat, begon hij eenige parades te maken.
De dames waren zeer onthutst; maar _Christien_ kon haar lachen toch
niet laten, en _Amelie_ was half in haar schik dat zij een zoo romanesk
geval bijwoonde.
Ondertusschen leverde _Pieter_, met zijn fijnen stalen bril, zijne
bouffante, zijn duffelsch wambuis, en het opgedrongen rapier vrij
onhandig in de hand, een zeer zonderling schouwspel op, de teekenpen
van een _Cruikshank_ overwaardig. Maar de pose duurde niet lang;
hij wierp het staal verachtelijk weg.
"Ik wil geen ruzie maken," zei de edelmoedige _Pieter_.
"Daar hebje wèl gelijk in," antwoordde _Dolf_.
Op dat belangrijk oogenblik hoorde men een geluid alsof er een
flesch werd opengetrokken, en daarna een ander alsof er een glas
werd ingeschonken. Nog ééne seconde, en _Hildebrand_ bood den
beiden kampioenen twee ongelijke bekers aan en de eervolle vrede
werd gedronken.
Het was ondertusschen hoog tijd om te vertrekken. Aan vóór boomsluiten
thuis te zijn was geen denken; maar het was in geen geval noodig,
daar wij verlof hadden het schuitje buiten den boom te laten, en er
een knecht komen zou om de riemen af te halen. Maar toch moesten wij
ons wegens den vallenden avond haasten. _Christien_ wilde dolgraag
ook zelf eens roeien, en _Amelie_ gaf voor, gaarne eens aan 't roer
te willen zitten. _Dolf_ ging op de achterste bank. Op de voorste
kwam de vroolijke _Christien_ mij helpen en nam een der riemen zeer
handig op. Zij kon tot dit werk haar mantel niet gebruiken, en stond
er (ik geloof meer uit ondeugendheid dan uit medelijden) op, dat de
gemelde drenkeling dien nog over zijn duffel zou aandoen. Het was
een schotschbonte. _Pieter_ liet zich bewegen; en in dat gewaad zette
hij zich aan _Koosjes_ zijde in het schuitje.
_Amelie_ keek naar de lieve maan en de lieve sterren. _Dolf_ roeide
en rookte om 't zeerst. _Christien_ had allerlei vroolijke invallen
en plagerijen met mij. _Pieter_ was dus met het voorwerp zijner
genegenheid zoo goed als alleen. _Koosje_ scheen zeer lief voor
hem. Verscheidene malen hielp zij hem zich te beter in de plooien
van den mantel wikkelen, en meer dan eens zag ik dat zij hem met
een innig medelijden aankeek. Hij schoof dan ook inderdaad gedurig
dichter en vertrouwelijker naar haar toe. Zijn gelaat luisterde op,
en hij scheen werkelijk een teeder en aandoenlijk gesprek met haar
te hebben aangevangen, als ik opmaakte uit de zinrijke woorden,
die ik tusschenbeiden op kon vangen, als daar zijn: "weetje nog wel
van"--"blijde dagen"--"nooit zoo gelukkig meer worden"--"veel aan
denken", en wat dies meer zij.
Dit duurde zoo voort totdat het ongeluk wilde, dat de heer _Rudolf
Van Brammen_ zijn laatste sigaar had uitgerookt, en dus een ander
tijdverdrijf behoefde.
"Kijk reis aan!" riep hij, het overschot in 't water gooiende,
"kijk reis aan! _Pieter_ zit waarlijk te vrijen."
_Pieter_ bloosde en wierp een grimmigen blik ter zijde uit op den
spreker, volmaakt als een schichtig paard, dat op den straatweg een
hondewagen tegenkomt.--_Koosje_ bloosde, keerde zich om, en vroeg
onmiddellijk aan _Christien_: "of ze niet moe werd van het roeien?"
Het was gedaan met _Petri Stastokii_ Junioris zaligheid; en daar ik
naderhand nooit van eenige verstandhouding tusschen hem en _Koosje
van Naslaan_ heb gehoord, maar veeleer vernomen heb dat _Koosje van
Naslaan_, in den laatst verleden herfst op haar vaders zilveren
bruiloft plechtig is verloofd geworden aan een jongen wijnkooper
uit een naburige stad, zoo houd ik het er voor, dat hier de droevige
geschiedenis der eerste en teedere liefde van _Petrus Stastok_ Junior,
student in de rechten aan de hoogeschool te Utrecht, en tegelijk die
van 's mans eerste minnekoozerij, een einde neemt.
Wij waren spoedig thuis, en toen ik den anderen dag te elf uren op
de gele diligence zat, die van E. over D. naar C. rijdt, had ik voor
lang afscheid genomen van mijn oom en tante _Stastok_, en van al de
kennissen die ik te D. gemaakt had; het laatst evenwel van _Keesje_,
die mijn koffertje gekrooien, en van _Pieter_, die mij naar "de
Rustende Moor" vergezeld had; terwijl ik, buiten de poort komende,
nog gelegenheid had om uit het portier een groet toe te werpen aan
den heer _Rudolf van Brammen_, die reeds dáár was om naar de oefening
van een paar pelotons recruten te zien, die met bevende handen eene
gezwinde lading ondernamen, waar zij ruim zooveel tijd aan besteedden,
als hunne nijdige sergeanten tot die in vier tempo's noodig hadden,
en waarover de bejaarde tweede luitenant een waakzaam oog hield.