Vacantie, moeder! Vacantie! riepen de kinderen opgewonden, terwijl ze
naar binnen stormden. Toch was er niet _die_ vreugde in hun blik, _die_
zaligheid van andere jaren. Ze wisten, dat ze, in tegenstelling met
gewoonlijk, 's middags niet naar Zandvoort zouden vertrekken.
Grootmoeder, die bij ons inwoonde, kon wegens zwakte het bed niet meer
verlaten en mocht ook niet vervoerd worden. We wilden nu bij haar
blijven. De kinderen hadden waarlijk vol liefde elke opoffering voor
haar over, maar _dit_ offer viel hun toch _heel_ zwaar. "Jammer!"
zuchtte Hans--onze tienjarige oudste--"niet naar Zandvoort." "Ja, heel,
_heel_ erg jammer! Grootmoeder had er zich kort geleden nog zoo op
verheugd en nu zal ze maar altijd ziek te bed moeten liggen," hernam ik
droevig. Hans kleurde sterk, dat merkten zelfs zijn kleine zusjes. Allen
probeerden nu opgewekt te doen en onverschillig voor het gemis te lijken
en dat werden ze daardoor ook in werkelijkheid al heel gauw. Ze juichten
het plan toe, dat ik voorstelde. Ik rekende op hun kinderlijke fantasie,
waarin ik zou trachten innig meê te leven en zoo bestemde ik het
opgehoogde gedeelte--terrein Zuid--tot ons "Zandvoort". "Ja, moeder!"
gaven de kinderen dadelijk vroolijk toe. "Daar kan het _ook_ zoo lekker
waaien!" Na eenige oogenblikken waren ze als altijd reeds enthousiast
bezig met het pakken van de zaken, die elken morgen om negen uur door de
drie oudste jongens naar het strand zouden gekruid worden. De twee
jongsten, meisjes van vier en vijf jaar, aangeboren Montessoriaantjes,
beloofden de huishoudelijke zorgen binnen de mooie Perrytent voor hare
rekening te nemen. We stelden ons voor elken middag tot zes uur daar te
blijven. Juf en ik zouden om beurten Grootmoeder verzorgen. "En gaan we
daar dan echt _lunchen_, net als in het "Pension" in Zandvoort, van het
porceleinen ontbijt-serviesje van Greetje en melk uit glazen? Met
vleesch en koek en jam?" Die vragen, van onzen achtjarigen Bob--waarin
een zekere zucht tot weelde niet te ontkennen viel, deden me minder
prettig aan. Den volgenden morgen zochten we op het strand de meest
afgelegen plek uit en in minder dan geen tijd prijkte onze tent met
vlaggen en wimpels in volle glorie. We waren nog niet lang daar, toen
een troepje havelooze jongens van vijf tot elf jaar--zestien in
getal--zich dicht bij ons nederplantten. Ook de Jordanertjes stelden hun
tent op. Wel niet op zoo grootsche wijze, maar zeer zeker op grootere
wijze dan onze kinderen waardoor de arme jongens al dadelijk hunne
militaire overmacht--hun hoogste verlangen voor den geheelen dag--danig
voelden. Vijf ruwe houten latten, voor een gedeelte met oude lakens en
voor de rest met een bijna versleten vloerkleed bespannen, vormden hun
heiligdom. Toch maakte hun kamp, bewaaid door de daarop aangebrachte
oranjewimpels en vlaggen--relequiën van de onafhankelijkheidsviering--een
zeer aardig effect. De oorlogsmaterialen waren hun door ouders en buren
zoo gaarne afgestaan, bij de gedachte, dat ook zij--ondanks bittere
armoede--in staat waren, de kinderen in de frissche buitenlucht, hun
kampleven te laten spelen. De moeders wisten bij ervaring, dat de
stumperds, gesterkt door de weelde, die ze nu zoo volop genoten, de
ontbering, die hun thuis wachtte, minder zwaar viel te dragen. Zij zijn
straks geen "Lunch zooals in het pension" te wachten in hun tent, maar
de oorlogsboterhammen uit de zelf vervaardigde ransels en het water uit
het blikken werkmanskruikje als veldflesch doen het voor hen niet
minder. Vandaag is elke ontbering eene vreugde, die hun de fantasie van
het kampleven als werkelijkheid doet beleven. Zij _willen_ geen koekjes,
geen jam hebben. Het is oorlog! Het zijn echte Hildebrandtsche
Hollandsche jongens... ze zijn zalig. De oude kolenschop is niet in
staat hun werklust te verflauwen bij het uitgraven van het hol, waaruit
ze straks den vijand zullen beschieten, evenmin als de afgetrapte
schoenen een beletsel zijn om in stormloop op den vijand aan te rennen.
De houten stokken tot degens gefatsoeneerd, doen hen den stoot bij den
aanval niet minder ernstig overwegen. Ze blazen in den ingedeukten
fietshoorn met het meeste entrain de verschillende signalen en de
papieren uniformen doen hun de verplichting tot het stipt nakomen der
bevelen van den aanvoerder niet minder sterk gevoelen. De guitige Jan
Hemert heeft thuis zulk een schitterend plan de campagne opgesteld. Aan
een spannend auditorium wordt door hem alles tot de minste bijzonderheid
verklaard en ieder zijn taak aangewezen. Er heerscht een gewilde
volgzaamheid, die door een verplichte aan een werkelijken
opperbevelhebber niet _kan_ worden overtroffen. De opmarsch geschiedt
dan ook in eene orde, het best gedisciplineerde bataljon waardig.
Eenigen van den troep brengen onvermoeid in de houten kistjes op
wieltjes--als ammunitiewagens--de gevonden steenen, lompen enz. aan,
om ze straks tot barricaden op te werpen. Onweerstaanbaar boeit onzen
kinderen hun spel. Ze volgen vol smeekend verlangen om mede te doen, de
Jordanertjes in al hun bewegingen. Met heilig ontzag blikken ze op tot
den kranigen aanvoerder. Moeder's roepen is vergeefsch, ze zijn er voor
niet één oogenblik vandaan te krijgen. En... geheel verlaten staat op
twintig passen afstand onze mooie Perrytent met "de lunch van het
Pension", het porceleinen ontbijt-servies van Greetje, de doozen met
prachtig afgewerkte soldaten van vele nationaliteiten en al het andere
schitterende oorlogsspeelgoed, hun bij verschillende gelegenheden
geschonken door familieleden en kennissen. De kinderen zouden hun
geheele bezit hebben willen geven om in de vreugde van de Jordanertjes
te mogen deelen. Moeder had weêr een les gekregen. Ze benutte het juiste
oogenblik, de les zou de kinderen nu in het hart grijpen--om hen er van
te doordringen, dat men met het meest eenvoudige verheugd kan zijn en
dat weelde geen vereischte is voor geluk. Dat het leven was, zooals je
het van uit je binnenste zelf inrichtte. De pas beleefde ervaring
spoorde moeder aan, de kinderen op nog eenvoudiger wijze te laten leven,
dan ze het tot nu toe gewoon was geweest.