Onze zesjarige Nan is een wildebras. Het meisje is te zorgeloos. De
stemming in het gezin lijdt er evenzeer onder als het kind. Nan is
altijd een nummer op het programma van onze ernstige overwegingen.
Nu is zorgeloosheid wel een trek der kinderen eigen, die langzamerhand
terecht komt. Maar is een of andere eigenschap meer dan gewoon bij onze
opvoedeling aanwezig, dan dienen we daartegen bijzondere maatregelen te
nemen.
Bij Nan uit zich de zorgeloosheid in schier al haar handelingen. In een
wip is de eerste boterham met al het lekkers opgesmuld. Daarna zit ze
vol spijt de leege boterhammetjes te kieskauwen. Ze werpt pardoes haar
wassen popje in het heete bad, voor haarzelf bestemd. Tot haar groot
verdriet smelten onmiddellijk de trekken uit het aangebeden gezichtje en
verdwijnen de roode wangetjes. In een plotselinge liefdesopwelling beurt
ze poes van den stoel, die, zijn zonnekoestering verkiezende, het kind
snoode krabt. Gaan er van het zusje hoogstens drie boezelaars per week
in de wasch, Nan lukt het met veel moeite, ze tot zeven te beperken.
"Maar kijk toch eerst uit," "denk toch eerst na," dit is schering en
inslag. Ze ondervindt wel vaak de nadeelige gevolgen van haar verkeerd
gedrag. Maar haar diepgaande zorgeloosheid doet haar elk leed weer gauw
vergeten. De strijd is zoo moeilijk voor een kind. Toch moet ze
veranderen.
Invroolijk trekt het gezin 's morgens naar het pension in Baarn. Voor,
een prachtige tuin aan een rustigen weg. Ideaal voor onze wildzangen.
We kunnen gemakkelijk het oog op hen houden. We zijn nauwelijks
aangekomen of ons vijftal is in frisch buiten-ornaat aan het stoeien.
Levendige Nan niet het minst.
"Pats," daar ligt ze in den eenigen modderplas, dien er te bespeuren
valt.--Een verstopt gootje, zijwaarts het huis, had haar dat
onheilsplekje bezorgd.--
"Dat kan ik nu toch heusch niet helpen," jammert ze, angstwekkend.
Om Vaders vacantie-stemming niet dadelijk te bederven, trek ik haar
schoone kleertjes aan. Dat was 's morgens halftien.
"Daar is de slager! Daar is de slager!" galmt ze even later door den
tuin.
"Geef mij maar de mand om naar de juffrouw te brengen." Vol smerige
vlekken van het bloederige, vette hengsel, dat ze tegen zich aan had
gedrukt, betreurt ze al gauw haar gedienstigheid.
Er volgt een ernstige vermaning van Vader, en... de tweede schoone jurk.
Daarna gaat ze met den knecht kersen schudden.
Ze klimt argeloos tegen den boom op en komt van onder tot boven met
vochtig mos besmeurd naar beneden. De onvermijdelijke schoone jurk No. 3
wordt haar aangetrokken.
Op het punt van vertrek voor onze groote middagwandeling, ziet ze er zoo
schandalig uit, dat ze gewoon belachelijk was.--Ze had Broer zijn fiets
helpen schoonmaken met olie en pommade.--
"En zoo gaat ze mede," zegt Vader streng. Wanhopig snikt het kind het
uit.
Doorzetten! Het valt Opvoeders vaak moeilijk. Vooral Moeders. Deze
behandeling is Vader, met zijn teeder hart, volkomen toevertrouwd. Hij
zorgt er wel voor, een eenzamen weg te kiezen, waar we geen kans hebben
iemand te ontmoeten. We mogen het kind niet tegenover vreemden
vernederen, als we 't willen opheffen.
De overige kinderen zijn keurig gekleed.
Den geheelen middag loopt de gemerkte met neergebogen hoofd slenterend
achter ons aan. Ze is daarna veel verbeterd. Ze is zelfs minder
onbezonnen dan de andere kinderen.
"Ik houd er stellig voor," zegt het lieve nog zeer jonge meisje, dat
juist bij mij op bezoek is, "dat ik mijn tegenwoordige gewichtige
betrekking aan die behandeling te danken heb."
Ze is chef in een belangrijke zaak.
Het boven beschrevene is haar als een levendige herinnering
bijgebleven.