XLII DE KLEINE PAEDAGOOG

Ik logeerde in een mijner vacanties in een van de voormalige landhuizen,

thans als hotel ingericht, zoo prachtig te midden der Betuwe gelegen.

Bosschen omgaven het vroegere landgoed. De tuinbaas met zijn talrijk

gezin, bestaande uit vrouw en elf kinderen, bewoonde een schamel huisje

vlak bij het hotel. Het was een vroom katholiek gezin, waarin vrede en

opgewektheid heerschten; een kolfje naar mijn hand.

De kinderen kregen een goede opvoeding. Ik voelde me dadelijk bijzonder

tot de kleuters aangetrokken. Binnen de woning,--ik werd reeds den

tweeden morgen op de koffie genoodigd--had ik het gevoel me te gedragen

als een burgerjuffrouw, die voor 't eerst aan het hof verschijnt. Ik

vreesde, uit onbekendheid, elk oogenblik inbreuk te maken op _hun_

etiquette. Bij zulke kinderen ben je echter gauw thuis. Na eenige dagen

noemden ze me reeds "tante", een onderscheiding, die volgens Moeder, nog

nimmer eenigen gast ten deel was gevallen. Ik was er trotsch op en

gelukkig in het vooruitzicht van een heerlijke vacantie.

Elken morgen, voordat ik mijn lui reisgezelschap mede op weg kreeg,

sloot ik me bij de kinderen aan, die vol ijver Vader bij zijn tuinarbeid

hielpen. De kleinste kinderen, van twee, drie en vijf, speelden om ons

heen. Ook deze kinderen waren ongedisciplineerd als alle kleine

kinderen. Ik bemerkte gauw den invloed, dien mijn liefde hier had. Ik

gebruikte dien invloed om den kinderen het een en ander bij te brengen.

Tevens leerde ik van hen. Ze gaven me veel te denken. Zoo eens Wim.

De tuinen, die langs de veranda om ons hotel lagen, liepen terrasgewijze

af naar een dal, dat, aan de achterzijde van ons huis, leidde naar een

fontein, omgeven door wilgen. Daar begon het bosch.

Op dat heerlijke plekje ging ik elken middag na de lunch me in het

belangrijkste nieuws van den dag verdiepen.

Op een keer, nauwelijks daar gezeten, hoorde ik een droevig

kindergeschrei. Ik zag den vijfjarigen Wim, met den twee en een

halfjarigen Jacob aan de hand, die naderbij kwamen. Wim bekommerde zich

heelemaal niet om het hartsverdriet van het lieve broertje.

Hij floot er een deuntje bij.

Bij ondervraging verneem ik, dat ze samen een paar uur kastanjes geraapt

hadden. Jacob had de zijne in zijn petje geborgen. Toen ze bij het naar

huis gaan langs den vijver liepen, had Jacob, zijn voor hem te zwaren

pet, laten vallen en de vruchten--in werkelijken zin--van zijn moeizamen

arbeid waren jammerlijk verdronken.

Ik poogde Jacob te troosten, maar zijn verdriet bleek _te_ groot. Daarom

verzocht ik Wim vriendelijk wat van zijn kastanjes aan het broertje af

te staan.

Wim weigert koppig.

"Waarom dan niet, ventje? Dat is toch niet lief van je," tracht ik te

overreden.

"Hie hat daorveur moete oppassen... Jaop had se bèter in de haande motte

draoge... 't Bosch leet er vol van. Hie kan aandere haole, as wie

strakkies verom gaon," paedagogiseert Wim wijselijk.

Ik vraag beteekenisvol: "Heb jij nooit eens, (het was juist dien morgen

gebeurd) per ongeluk een kopje koffie over het tafelzeil laten vallen.

Heeft Moeder je dan voor dezen eenen keer niet het kopje opnieuw gevuld,

op je belofte, dat je voortaan voorzichtiger zoudt zijn?"

"Jao-e, mar--mar 't kupke koffie was van Moeke, mar de kastanjes zain

van m'n eige," verdedigt hij zich uit de eerlijkheid van zijn hart.

Het was de kleine, nog ongevormde paedagoog, die rechtte.

En gaat het dan zeer vele Opvoeders niet als onzen kleinen Wim? Zoodra

eigenbelang in het spel komt, laten ze elke juiste theorie varen, en

wegen lang niet voldoende de belangen van hunne pupillen. Het instinct

verdringt de rede.

De kinderen zullen daar in mindere of meerdere mate onder lijden.

Laten we ons bij de behandeling onzer pupillen het zielsverdriet van den

kleinen Jacob voor oogen houden. Het zijn juist deze schijnbare

kleinigheden in het leven, die een kind zooveel leed kunnen berokkenen.

Paedagogische Overwegingen · 第 54 / 57 题