Als het kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin.
_Heel_ prettig voor "het kindje" en voor het huisgezin. Maar uit mijn
intuïtieve rangschikking van "het kindje" en "het huisgezin" blijkt
reeds, dat die uitbundige begroeting vaak bedenkelijk kan zijn, vooral
voor het nakomertje.
Van mijn idee uitgaande, dat bijna elk kind tot een normaal
maatschappelijk mensch kan opgevoed worden in het juiste milieu, zoo
meen ik het "nakomertje" even in bescherming te moeten nemen.
Onze kleine, een kindje van veertien maanden, is een beauty. Daarover is
ieder het eens. Jammer dat ze eenkennig is. Of jammer, Moeder constateert
het eigenlijk op een toon vol trots, want haar kindje is er des te
bekoorlijker om. 's Middags komen de tantes, kennissen, vriendinnetjes
en vriendjes van de grootere zussen en broers op het theeuurtje samen,
om de kleine Emma haar betooverende kunstjes te zien uitvoeren. De
medespelers zijn ook uitgenoodigd of beter gezegd besteld.--De hulde is
het kind nog wel onbewust, maar haar kunsten......?
Ik merk al gauw waar het ondeugende schoentje haar wringt.
Emmaatje is schuw voor... personen die het kind niet lijken. Een tanige
oude juffrouw, een oude man met een langen baard, die zich eveneens elke
opoffering, als een groote pop, of een heerlijke doos chocolade
getroosten om een beetje wederliefde bij de kleine te wekken.
Voor wie haar bevalt, is Emma een aanhalig poezelig dotje. Maar komt er
iemand van boven genoemd kaliber in haar flank, dan knijpt ze
onmiddellijk haar groote oogen stijf dicht en vouwt de handjes op den
rug samen. Zoo is ze tegen een mogelijken geestelijken en lichamelijken
aanval gewapend.
"Kijk tante nu eens even aan." "Geef oom dan eens een handje." Het wordt
doovemans oortjes gevraagd. Maar zegt de te licht bevonden tante
onverwachts: "Kijk eens wat een mooie pop ik meegebracht heb voor het
lieve kindje," dan steekt Emma, met één luikje nauwelijks open, haar
grijphandjes uit en palmt het lokaas vlug in. En zoodra tante een quasi
beweging tot vertrek maakt, of het nest hoort, nu Mevrouw ik ga maar
eens, spert Emma de oogen wijd open om nog de zalige vreugde van den
aftocht te genieten.
Ik moet het toegeven, die oogopslag is een filmplaatje waardig en een
verrukking voor de kinderliefhebster. Als kinderkenster tevens,
waarschuw ik de Moeder toch dit spelletje te staken.
Het werkelijk eenkennige kind is onomkoopbaar. Het verzet zich tegen
elke mogelijke tegemoetkoming. Zijn onwelwillendheid komt voort uit
angst. Waar echter zijn onvriendelijkheid willekeur insluit, dient ze
gefnuikt te worden. "Zijn naasten liefhebben, al wat ademt en leeft een
goed hart toedragen," moet het kind reeds jong bijgebracht worden. Het
kind mag dier noch plant bij zijn koesterende liefde uitsluiten.
Emma _zal_ dus iedereen vriendelijk begroeten. Reeds bij het
eerstvolgende délict, weer ik streng af: "Neen tante, Emma mag de pop
niet hebben, alvorens ze U vriendelijk aangekeken en lief een handje
gegeven heeft."
Emma blijft als verstijfd zitten.
Maar, als tante bij haar heengaan, op mijn aanraden de pop medeneemt,
slaan Emma's oogjes even plotseling op, doch nu deemoedig en met een
"da-a, da-a," steekt ze haar handje uit tot afscheidsgroet.
We hadden het pleit voor goed gewonnen.