XLI EENKENNIG

Als het kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin.

_Heel_ prettig voor "het kindje" en voor het huisgezin. Maar uit mijn

intuïtieve rangschikking van "het kindje" en "het huisgezin" blijkt

reeds, dat die uitbundige begroeting vaak bedenkelijk kan zijn, vooral

voor het nakomertje.

Van mijn idee uitgaande, dat bijna elk kind tot een normaal

maatschappelijk mensch kan opgevoed worden in het juiste milieu, zoo

meen ik het "nakomertje" even in bescherming te moeten nemen.

Onze kleine, een kindje van veertien maanden, is een beauty. Daarover is

ieder het eens. Jammer dat ze eenkennig is. Of jammer, Moeder constateert

het eigenlijk op een toon vol trots, want haar kindje is er des te

bekoorlijker om. 's Middags komen de tantes, kennissen, vriendinnetjes

en vriendjes van de grootere zussen en broers op het theeuurtje samen,

om de kleine Emma haar betooverende kunstjes te zien uitvoeren. De

medespelers zijn ook uitgenoodigd of beter gezegd besteld.--De hulde is

het kind nog wel onbewust, maar haar kunsten......?

Ik merk al gauw waar het ondeugende schoentje haar wringt.

Emmaatje is schuw voor... personen die het kind niet lijken. Een tanige

oude juffrouw, een oude man met een langen baard, die zich eveneens elke

opoffering, als een groote pop, of een heerlijke doos chocolade

getroosten om een beetje wederliefde bij de kleine te wekken.

Voor wie haar bevalt, is Emma een aanhalig poezelig dotje. Maar komt er

iemand van boven genoemd kaliber in haar flank, dan knijpt ze

onmiddellijk haar groote oogen stijf dicht en vouwt de handjes op den

rug samen. Zoo is ze tegen een mogelijken geestelijken en lichamelijken

aanval gewapend.

"Kijk tante nu eens even aan." "Geef oom dan eens een handje." Het wordt

doovemans oortjes gevraagd. Maar zegt de te licht bevonden tante

onverwachts: "Kijk eens wat een mooie pop ik meegebracht heb voor het

lieve kindje," dan steekt Emma, met één luikje nauwelijks open, haar

grijphandjes uit en palmt het lokaas vlug in. En zoodra tante een quasi

beweging tot vertrek maakt, of het nest hoort, nu Mevrouw ik ga maar

eens, spert Emma de oogen wijd open om nog de zalige vreugde van den

aftocht te genieten.

Ik moet het toegeven, die oogopslag is een filmplaatje waardig en een

verrukking voor de kinderliefhebster. Als kinderkenster tevens,

waarschuw ik de Moeder toch dit spelletje te staken.

Het werkelijk eenkennige kind is onomkoopbaar. Het verzet zich tegen

elke mogelijke tegemoetkoming. Zijn onwelwillendheid komt voort uit

angst. Waar echter zijn onvriendelijkheid willekeur insluit, dient ze

gefnuikt te worden. "Zijn naasten liefhebben, al wat ademt en leeft een

goed hart toedragen," moet het kind reeds jong bijgebracht worden. Het

kind mag dier noch plant bij zijn koesterende liefde uitsluiten.

Emma _zal_ dus iedereen vriendelijk begroeten. Reeds bij het

eerstvolgende délict, weer ik streng af: "Neen tante, Emma mag de pop

niet hebben, alvorens ze U vriendelijk aangekeken en lief een handje

gegeven heeft."

Emma blijft als verstijfd zitten.

Maar, als tante bij haar heengaan, op mijn aanraden de pop medeneemt,

slaan Emma's oogjes even plotseling op, doch nu deemoedig en met een

"da-a, da-a," steekt ze haar handje uit tot afscheidsgroet.

We hadden het pleit voor goed gewonnen.

Paedagogische Overwegingen · 第 53 / 57 题