XL JALOERSCHHEID

Kleine Jenny is jaloersch! Treurige eigenschap, die streng veroordeeld

wordt, doordat ze dikwijls tot onbeminnelijke, ja zelfs tot

onmenschelijke daden voert. De jaloersche wordt veracht. Is er

pijnlijker reactie denkbaar?

Jaloerschheid is niet een eigenschap, die den mensch is aangeboren. We

mogen dit afleiden uit de ervaring, die leert, dat dezelfde persoon,

onder verschillende omstandigheden, die eigenschap meer of minder, al of

niet bezit.--Zoo vertoont het mismaakte kind, dat de _ware_ liefde in

zijn omgeving ondervindt, die gehate eigenschap zelden tegenover zijn

zooveel beter bedeelde zusjes en broertjes.--

Daarom is het mogelijk, dat we reeds bij het jonge kind de kiem er van,

door een juiste behandeling uitroeien.

Arme Jen. Ze heeft _schijnbaar_ wel redenen om jaloersch te zijn. Ze is

minder aanvallig dan het één jaar jonger zusje en ziet er ook niet zoo

lief uit. Jen is wat slap en rustig, Lous zoo een echte hupsche mol.

Maar Jen is bijzonder pienter en heeft een heel gevoelig hartje.

Voorwaar toch goede gaven om in het leven tevreden te kunnen zijn.

Haar leeftijd leidt er echter toe, dat haar gemis haar duidelijker wordt

gemaakt, dan haar bezit. Troetelen de ooms en tantes dan niet altijd

Lous en nooit eens haar? Wordt Lous door de vreemde kinderen niet

gevraagd om mede te spelen, terwijl ze haar passeeren?

"Zijn jullie _zusjes_?" wordt zoo beteekenisvol verbaasd, het kind

telkens toegevoegd.

Jen krijgt weêr denzelfden smartelijken trek om het mondje. Dan voel ik

me 't hart toenijpen.

Zesjarige Jen leeft onder een druk.

We nemen ons ernstig voor, dat leed van het lieve kind af te wenden.

Aanvankelijk door een te veel, om tot den juisten middenweg te komen.

Bij Loutje wordt, voor zoover haar belang het meebrengt, voldaan aan

elken eisch, dien ze als kind stellen mag; maar Jenny krijgt van ons,

huisgenooten, een opmerkelijk surplus.

"Waarom mag Jen nu altijd naast Paatje zitten?"

"Jij zit toch immers naast Moeder?"

"Nu heeft _Jen_ weer dat mooie potlood van Maatje gekregen!"

"_Jij_ kreeg toch gisteren een potloodje van Els!"

"Waarom mag _Jen_ nu weer met Pa mede naar de zieke menschen rijden?"

"Vader kan toch maar één kindje tegelijk meenemen. Een volgend keer ben

jij aan de beurt."

Loutje gelooft in ons en is uit haar eigen persoontje zóó stralend

gelukkig dat ze niet dieper doordringt, terwijl de tobberige Jenny zich

hoe langer hoe meer, door ons begint "uitverkoren" te voelen. Dat geeft

haar kracht. Ze vindt eigenlijk dat ze verwend wordt door ons, die haar

zooveel waard zijn; en ze voelt zich door de wreede andere menschen

onbillijk behandeld. Ze wijt haar achterstelling niet meer aan zichzelf.

Daarheen wilden we het leiden.

Het is meestal het gemis aan eigenwaarde, wat een mensch op anderen,

bevoorrechten, jaloersch doet zijn. Het eenige redmiddel is dan, zijn

eigenwaarde te versterken, op welke wijze ook. Het doel heiligt de

middelen. Jen gaat zich voelen. Ze wordt wat laatdunkend. Dat opent

_haar_ den weg tot begeerd worden.

We hebben die behandeling lang moeten volhouden. Zoolang tot haar

verstand gerijpt was en ze zelve het leven, juister wist te benaderen.

Ze is ons dankbaar. Ze uitte het nog deze week, het jonge vrouwtje, in

den brief, die ze me na haar huwelijksreis schreef.

Paedagogische Overwegingen · 第 52 / 57 题