Kleine Jenny is jaloersch! Treurige eigenschap, die streng veroordeeld
wordt, doordat ze dikwijls tot onbeminnelijke, ja zelfs tot
onmenschelijke daden voert. De jaloersche wordt veracht. Is er
pijnlijker reactie denkbaar?
Jaloerschheid is niet een eigenschap, die den mensch is aangeboren. We
mogen dit afleiden uit de ervaring, die leert, dat dezelfde persoon,
onder verschillende omstandigheden, die eigenschap meer of minder, al of
niet bezit.--Zoo vertoont het mismaakte kind, dat de _ware_ liefde in
zijn omgeving ondervindt, die gehate eigenschap zelden tegenover zijn
zooveel beter bedeelde zusjes en broertjes.--
Daarom is het mogelijk, dat we reeds bij het jonge kind de kiem er van,
door een juiste behandeling uitroeien.
Arme Jen. Ze heeft _schijnbaar_ wel redenen om jaloersch te zijn. Ze is
minder aanvallig dan het één jaar jonger zusje en ziet er ook niet zoo
lief uit. Jen is wat slap en rustig, Lous zoo een echte hupsche mol.
Maar Jen is bijzonder pienter en heeft een heel gevoelig hartje.
Voorwaar toch goede gaven om in het leven tevreden te kunnen zijn.
Haar leeftijd leidt er echter toe, dat haar gemis haar duidelijker wordt
gemaakt, dan haar bezit. Troetelen de ooms en tantes dan niet altijd
Lous en nooit eens haar? Wordt Lous door de vreemde kinderen niet
gevraagd om mede te spelen, terwijl ze haar passeeren?
"Zijn jullie _zusjes_?" wordt zoo beteekenisvol verbaasd, het kind
telkens toegevoegd.
Jen krijgt weêr denzelfden smartelijken trek om het mondje. Dan voel ik
me 't hart toenijpen.
Zesjarige Jen leeft onder een druk.
We nemen ons ernstig voor, dat leed van het lieve kind af te wenden.
Aanvankelijk door een te veel, om tot den juisten middenweg te komen.
Bij Loutje wordt, voor zoover haar belang het meebrengt, voldaan aan
elken eisch, dien ze als kind stellen mag; maar Jenny krijgt van ons,
huisgenooten, een opmerkelijk surplus.
"Waarom mag Jen nu altijd naast Paatje zitten?"
"Jij zit toch immers naast Moeder?"
"Nu heeft _Jen_ weer dat mooie potlood van Maatje gekregen!"
"_Jij_ kreeg toch gisteren een potloodje van Els!"
"Waarom mag _Jen_ nu weer met Pa mede naar de zieke menschen rijden?"
"Vader kan toch maar één kindje tegelijk meenemen. Een volgend keer ben
jij aan de beurt."
Loutje gelooft in ons en is uit haar eigen persoontje zóó stralend
gelukkig dat ze niet dieper doordringt, terwijl de tobberige Jenny zich
hoe langer hoe meer, door ons begint "uitverkoren" te voelen. Dat geeft
haar kracht. Ze vindt eigenlijk dat ze verwend wordt door ons, die haar
zooveel waard zijn; en ze voelt zich door de wreede andere menschen
onbillijk behandeld. Ze wijt haar achterstelling niet meer aan zichzelf.
Daarheen wilden we het leiden.
Het is meestal het gemis aan eigenwaarde, wat een mensch op anderen,
bevoorrechten, jaloersch doet zijn. Het eenige redmiddel is dan, zijn
eigenwaarde te versterken, op welke wijze ook. Het doel heiligt de
middelen. Jen gaat zich voelen. Ze wordt wat laatdunkend. Dat opent
_haar_ den weg tot begeerd worden.
We hebben die behandeling lang moeten volhouden. Zoolang tot haar
verstand gerijpt was en ze zelve het leven, juister wist te benaderen.
Ze is ons dankbaar. Ze uitte het nog deze week, het jonge vrouwtje, in
den brief, die ze me na haar huwelijksreis schreef.