Treesje, goedhartig kindje, heeft een moeielijke karaktereigenschap. Ze
is veeleischend. Ik durf beweren, dat die trek door haast elke Moeder
verkeerd behandeld wordt. Deels om in het gezin den vrede te bewaren,
deels ter geruststelling van het kind zelf, deels uit gemakzucht, in
hoofdzaak echter uit slapheid. Ik heb de veeleischendheid meest tot
droeve gevolgen zien leiden. Een mijner vriendjes moest op
vijftienjarigen leeftijd in een andere omgeving geplaatst worden om door
een ijzeren, doch liefdevolle hand, geschikt te worden gemaakt voor zijn
eigen thuis. Dat had kunnen voorkomen worden.
Wanneer we Treesje nauwkeurig waarnemen, is haar veeleischendheid in al
haar handelingen merkbaar.
--Vader Medicus vindt niet goed, dat de kinderen als regel brood bij het
middagmaal eten, daarom wordt het niet op tafel gezet. Is er nog wat
brood over; dan mogen ze bij de soep nog wel eens een stukje hebben.
Treesje is er dol op. Maar wordt het toegestaan, dan wacht ze altijd,
totdat ze Karel ziet gaan, om het te halen en roept hem dan haastig toe:
"voor mij ook een boterhammetje a. u. b."
De kinderen zullen met Juf naar een speeltuin gaan. Herbert pakt
allerlei dingen in zijn tasch. Treesje vraagt roerend lieftallig, "mijn
springtouw en bal mogen er ook wel in, Heppie?" Dan behoeft zij weer
niets te dragen. Wanneer de zusjes en broertjes reeds beneden zijn om
naar school te gaan, vindt Moeder het toch beter, dat ze jas en mantel
aantrekken. Het weer valt niet mee. "Kareltje breng je mijn mantel ook
mede", hooren we dadelijk. Het zijn kleinigheden, ja! Maar begint het
daarmede niet bijna altijd? Heftige verontwaardiging van Treesje,
wanneer een van de anderen in een korzelige bui, het eens waagt haar
fleemend bevel te negeeren. Dan springt Moeder dadelijk bij en sust:
"het zou je toch ook niets gehinderd hebben, je ging toch naar boven."
Ze overreedt soms zoover, dat Treesje's gezant--heel onrechtvaardig
trouwens--het werk nog eens gaat doen. Ik zie het kind steeds
verergeren. Ze heeft het beste plaatsje aan tafel, wordt het eerst door
Juf 's morgens geholpen, palmt elk jaar den mooisten kalender in, die
Vader toegezonden wordt, haar bedje staat vlak voor het raam, het
gezelligste plaatsje in de kamer, ze pikt altijd den mooisten boezelaar
uit het waschje enz. enz. Treesje is lang niet gelukkig. De volksmond
zegt: Doet de een er wat bij, dan doet een ander er wat af.
Verschillende huisgenooten en bekenden houden niet van Treesje om haar
voorrechten. Moeder begint nu wel in te zien, dat haar schipperen, voor
Treesje even onrechtvaardig is als voor de anderen. Om het kind geen
ingrijpend verdriet te doen, nemen we ons voor, wanneer Treesje niet
gewoon medegaat, voorloopig den zak in plaats van het ezeltje te slaan.
We zitten aan tafel.
--Moeder heeft er voor gezorgd, dat er nog maar een boterhammetje in de
trommel is.
Het gewone tooneeltje volgt.
Karel hoeft bij zijn terugkeer niet te deelen.
Het is zoo dun.
Zoodra Treesje wil gaan huilen, hoort ze: "Ja, kindje, die het eerste
komt, het eerst maalt. Moet je verder zorgen, dat je er bij bent."
Ze weet niets tegen te werpen.
Den volgenden middag verschijnen ze tegelijk met hun boterhammetje aan
tafel.
Zus Molly, haar hartediefje, is wat verkouden. Wanneer Treesje 's
middags uit school komt, ziet ze haar bed verplaatst. En dat blijft zoo,
zegt Moeder gedecideerd. Vader vindt het beter, dat Molly voorloopig aan
den zonnekant slaapt. Treesje zou zich wel schamen, daartegen te
pruttelen.
Zoo worden alle reeds begane fouten handig hersteld en nieuwe met beleid
voorkomen. Het kind voelt de strengheid van de opvoedster niet. Dat is
voor beiden, de meest prettige wijze van correctie.
Treesje uit haar veeleischendheid niet meer, omdat ze geen gelegenheid
heeft, ze ingewilligd te krijgen. Zoo heeft ze er langzamerhand routine
in gekregen hare bovenmatige verlangens weg te cijferen.
Dat is noodzakelijk, wijl de maatschappij later ook geen rekening houdt
met des vreemden hinderlijke fouten. Ze zou als "outsider" een treurig
lot moeten lijden.
We mogen reeds bij "het kleine kind" geen slapheid toonen.
Het kind, dat van natuur te veel eischt, moet reeds vroeg de rechten van
anderen leeren billijken, vooral ook zich leeren schikken in het
terzijde stellen van zijn eischen ten opzichte van de omstandigheden,
waarin het geplaatst is.