Het is zijn eenige lieveling, de jolige spring-in-het-veld.
Vader en Beppie zijn zeer "ami".
Ventje, jij en jou zijn niet van de lucht. Ik waarschuw vader daar
steeds tegen.
Op een namiddag zit ik voor het open venster te kijken naar het
tennissen van Beppie. Ze doet het buitengewoon goed. Althans voor een
negenjarig meisje. Ze steekt juf de loef af. Ik moet de punten
aanteekenen. Onderwijl komt vader van kantoor huiswaarts, het avondblad
steekt in zijn jaszak, en hij loopt, bij het zien van zijn schat, op
Beppie toe.
Volgt een stoeien en pretmaken, dat beiden opwindt. "Nu is het genoeg,
het is _genoeg_," waarschuwt vader eindelijk en op het oogenblik, dat
hij naar binnen wil gaan, haalt Bep grappend de courant uit zijn zak en
holt er mede weg. Vader begeesterd, haar achterna. Er volgt een nieuwe
stoeipartij. Ten slotte doodop, beveelt vader "terug". Het kind in haar
brooddronkenheid gaat weer aan den haal. Geen vermaning, geen bedreiging
helpt hier. Hij is immers haar speelkameraadje.
Bep vaardig en vlug wint het krijgertjesspel maar steeds van den
bedaagden vader.
Plotseling zie ik hem vuurrood van toorn worden en op hetzelfde
oogenblik, waarin Bep uitdagend met de courant voor hem staat, grijpt
hij het kind beet en geeft haar den eersten gevoeligen tik.
Ontsteld breekt Beppie in hartstochtelijk snikken uit.
Het kind is daarna eenige dagen zeer gedeprimeerd gebleven,
niettegenstaande vader al het mogelijke deed om zijn misgreep goed te
maken.
Ik acht het noodzakelijk, dat tusschen het kind en ouders en
opvoeders(sters) een zeker respect bestaat, waarvan de grens niet mag
worden overschreden. Die grens sluit nimmer de hoogste liefde en
vertrouwelijkheid uit. Integendeel.