Elsje is een aardig, guitig meisje van negen jaar, doch teer van gestel.
De onderwijzeres van de derde klas, waarin Elsje nu zit, is de eerste,
die opmerkt, dat het kind veel meer intellectueel dan physiek ontwikkeld
is. Elsje is onhandig.
Ze vertelt Mej. N., met wie zij evenals _elk_ kind vertrouwelijk is, dat
ze op vijfjarigen leeftijd aan spierrheumatiek geleden heeft, dat ze
toen eenige maanden met koorts te bed had gelegen en dat sedert dien
tijd de stijfheid in hare handen en voeten maar niet wilde verdwijnen.
"Moeder vreesde, dat ik gebrekkig zou blijven. Langzamerhand is het
beter gegaan. Toch ben ik nog altijd gauw moe." Juffrouw N. zag toen,
dat haar oordeel omtrent de gezondheid van het kind juist was geweest.
Ze hield daarmede rekening in de handwerkles. Ze stelde aan Elsje
mindere eischen dan aan de andere kinderen.
Drie weken voor St. Nicolaas, terwijl de kinderen de laatste hand legden
aan den merklap, die op den 1sten December ingeleverd moest worden,
maakte Juffrouw N. de kinderen blij door te zeggen, dat ze tot St.
Nicolaas in de handwerkles op school haar geschenkjes voor de
huisgenooten mochten afmaken. Elsje was in de wolken. Die handwerkjes,
hoe eenvoudig ook, hadden haar dwars gezeten. Er moest geknipt, geplakt,
gestreken worden. Nu was ze uit haar zorgen. Ze vloog in opwelling
Juffrouw N. om den hals.
Even later kwam het hoofd der school binnen.
Ze wilde de merklappen inspecteeren, voordat ze ingeleverd werden. Bij
Elsje gekomen zegt ze scherp: "wat een broddellap"! Die merklap moet
overgemerkt worden.
"Ik _kan_ ze zoo niet inleveren."
Smeekend verzoekt Elsje het toch te probeeren. Ze zou voortaan meer haar
best doen.
Onverbiddelijk klinkt het: "De merklap moet voor 1 December klaar zijn.
Dan moet Elsje in de handwerklessen merken en 's avonds, het gedeelte,
dat ze dien dag niet klaar heeft gekregen, afmaken."
De klasse-onderwijzeres is bleek van opwinding, doch beheerscht zich.
Het verdriet van het kind is onmetelijk. Elsje is geheel uit haar
evenwicht. Ze snikt nog terwijl ze de school verlaat. De klasgenootjes
hebben allen diep medelijden met haar.
Den volgenden morgen komt Elsje treurig en bleek het schoollokaal
binnen.
Ze had den vorigen avond nog een uur gemerkt, maar ze was weinig
gevorderd.
Bij het openen van haar lessenaar, vindt Elsje een pakje met het
opschrift: Aan het lieve Elsje van St. Nicolaas. Het bevat een geheel
bewerkte merklap, die Elsje zoo maar heeft in te leveren. De Juffrouw
had den vorigen avond daar eenige uren aan opgeofferd.
Ja waarlijk, Mej. N. beging eene groote theoretische fout, eene
ergerlijke fout.
Toch is ze de meest beminde onderwijzeres op school, die bijzonder goed
orde heeft in haar klas.
De kinderen hebben op school de zaak geheim gehouden. Ze voelden
instinctief, dat dit voor hare beminde onderwijzeres, het geschiktste
was.
Ze hebben, ook onze kinderen, thuis het gebeurde verteld.
Ze waren in aanbidding voor Juffrouw N.
Mejuffrouw N. geeft in elk opzicht blijk van een goede "paedagoge" te
zijn.
* * * * *
=Naschrift.= Dit geval heeft eenige overeenkomst met het veelbesproken
door Edw. Peeters aan de orde gesteld geval, waar hij zich uit een
paedagogische impasse had gered door een onwaarheid, waarvan hij zijn
leerlingen medeplichtigen had gemaakt. Ook hier is een zeker complot van
kinderen en onderwijzeres, gericht tegen een ander, met een edel doel.
Maar dit geval staat m.i. veel hooger en zuiverder dan dat van Edw.
Peeters en laat zich veel beter rechtvaardigen. Toch is er iets in wat
onbevredigd laat, en dat is weer hetzelfde als bij Peeters. Men kan nl.
de vraag niet onderdrukken: Was er geen andere--en openhartiger--uitweg?
In dit geval: Was dat hoofd zoo'n barribal, zoo'n paedagogische nul, dat
de onderwijzeres niet de zaak met haar bespreken en in het reine had
kunnen brengen?