"Kan ze dan een verre wandeling doen? En meê krijgertje spelen en
stuivertje wisselen?" Spelletjes die we gewoonlijk als halve wilden
uitvoerden.
"Dan doen we eens wat kortere wandelingen. In Artis kan ze op een bank
zitten terwijl wij om haar heen spelen. Dat is gezellig voor het kind."
"O, voor _haar_, maar _ik_ vind het suf door zulk een stumperd aan
banden gelegd te worden. Hoeft ze dan lid van een club te zijn?... Wat
gaat jou dat vreemde kind aan?... Je _moet_ haar toch niet meênemen van
je Ma?... Bespòttelijk!"
Ro's woorden wonden me steeds meer op.
Meer suggestibel dan een ander kind, begon ik nu toch ook wel iets
onrechtvaardigs te vinden in Moeders eisch: een dergelijke opoffering
voor een dartel kind.
Heel ontstemd ging ik naar huis, onderweg steeds nijdiger repeteerende:
Ik heb Nicht beloofd... _ik_ heb nicht beloofd... IK heb nicht beloofd...
Zou _Ma_ gaarne met Lotje wandelen?, vroeg ik me heftig af. Mijn opstand
werd al wilder tegen Moeder's afspraak tot... ik bij het binnentreden
van onze huiskamer plotseling door een gevoel van wijding werd bevangen.
De sabbathlichten brandden, de ceremonieën waren voorbereid en Moeder
trad me in de met bloemen versierde feestkamer als Gods beeld van liefde
en zachtheid tegemoet. Met een van blijde aandoening trillende stem,
fluisterde ze me als een zoet geheimpje toe. "Jij moogt dit mooie
naaikistje zelf aan Lotje brengen morgen, ze is geslaagd voor de
industrieschool."
Heerlijk! Die arme Nicht Tina heeft de hulp van de kinderen zoo noodig,
nu haar man ziekelijk is.
Mijn opstand was overwonnen. Ik zou niet één woord van ontheiliging in
die liefdevolle zaak, niet één woord van tegenspraak, niet één woord
ter verdediging van eigen belang meer hebben kunnen te berde brengen,
omdat... de gedachten er aan eenvoudig uit mijn hart verbannen waren.
Na eenige malen bedekte spotzucht en onwil bij Ro tegenover de arme
Lotje te hebben bemerkt, sloot ik als Presidente met algemeen
goedvinden, Ro buiten ons clubje "Om der vriendschaps wille". En sedert
dien tijd nam ik het zachte Lotje in het slot van mijn Nachtgebed op:
"Dat wensch ik Ma, Pa, Aal, broer, de zusjes, Lotje..." en ik bleef mijn
woord in daad getrouw. Het kreupele kind mocht nog meer in mijn liefde
deelen, dan ze ooit zonder mijn vuurproef zou hebben gedaan.
* * * * *
We kunnen niet iedereen helpen. Maar wanneer het lot ons met misdeelden
tezamen brengt en een wensch tot steunen in ons harte opwelt, mogen we
niet versagen, welken tegenstand we ook te overwinnen hebben. Dat moet
ook het kind leeren.
Waar het beeld der broederschap wordt verlevendigd als in Moeders gezin,
_zal_ het kind nimmer versagen.
Elke Moeder wil haar kinderen die kracht bijbrengen.