XXXIII HET SPRAK VANZELF *

Willy zit met haar popje te spelen.

Tot mijn groote verbazing, doet het zachtaardige Moedertje niet anders

dan haar kindje bestraffen. Maar popje is vandaag ook heel

lastig.--Althans op de wijze zooals kinderen ook meestal lastig zijn,

wanneer je het onmogelijke van ze verlangt.--Popje weigert haar dikke

beentjes in de te nauwe kousjes te schieten, ze wil met haar te slappen

lendenen absoluut niet rechtop blijven zitten, ze wil zelfs door een

defect aan het mechaniek, niet meer "Mámá, Pápá" roepen, welke moeite

Willy zich er ook voor geeft.

"Je bent een echte nare pop," daarmede sluit Wil haar onwaardige séance

en gooit vernederend haar telg in een hoek.

"Ja zeker, nu wil ik een poosje met Zusje spelen", zeg ik. Ze zet zich

lievig op mijn schoot.

"Oef! Weg! Je bent veel te zwaar", vinnig ik en ik zet haar meteen op den

grond.

"Dat kan ik toch niet helpen", zegt ze pruilend.

"Maar Wil, Popje kon het ook niet helpen, dat haar beentjes te dik waren

voor de kousjes, dat haar ruggetje niet sterk genoeg was, om zich recht

op te houden enz. enz."

"Nu doe ik nog liever met jou, dan jij met je eigen kindje deedt, want

ik gooi je niet in een hoek!"

"O ja maar dat is nog al duidelijk, _U_ bent ook _tante E._ en _ik_

speelde, ik was _juf_."

Paedagogische Overwegingen · 第 44 / 57 题