Mevr. X. deelde eenige dagen mijn kamer in plaats van twee kleine
nichtjes van acht en tien jaar.
"Hoe is het mogelijk!" riep ze verbaasd uit, toen we 's avonds van een
concert thuiskwamen.
Er lag op mijn nachtkastje van ieder kind een briefje, met een trouw
verslag van hun doen en laten dien avond. Ze hadden er zelfs een stukje
van haar avondlekkers ingerold. Die billets-doux deponeerden de kinderen
vaker, ofschoon ik ze daar nooit om gevraagd had. Ik copieer het briefje
van de kleinste:
"Lieve Tant! Om zeven uur mijn lesje gekend. Tot half acht met Mies
geknikkerd. Bij Truitje in het kuiltje van de keuken. Even
krijgertje gespeeld in de gang. Niet met Truitje. Uitgegleden. Knie
een pukkebeetje geschaafd. Geeneens gehuild. Acht uur in bed.
Hartelijk gekust. Melk _op_gedronken! Nan."
Hoe besefte dit kind warm, waarmede ze me voldoen kon. Eerst het werk
maken, daarna spelen, flink zijn bij een kleinen tegenslag, op tijd naar
bed gaan, kortom haar plicht. Haar gehoorzaamheid kwam voort uit eigen
energie, uit innerlijke kracht.
"Hoe is het mogelijk!", herhaalde Mevr. X. nog steeds.
"Zou ik dat mijn kinderen eens kunnen leeren!"
"Ik heb in mijn aanwezigheid al zooveel moeite om ze tot hun plicht te
dwingen. Wanneer ik uit wil gaan, moet ik zorgen, dat het schoolwerk
voor dien tijd in orde is. Ik reken er dan maar op, dat niet één van de
kinderen op tijd naar bed gaat, dat... ja eigenlijk, zoowat alles in het
honderd loopt."
Ik, die Mevr. X. in den omgang met haar kinderen kende, zou niet anders
verwacht hebben. Ze was een goedhartige, doch wilszwakke persoonlijkheid.
Ze wist niet te bevelen. Ze miste den sterken wil voor het _onmerkbare_
inwerken op hare omgeving. Ze had dien wil ook nimmer geoefend, als
verwend, eenig kind. Haar optreden was niet in staat de vrijwillige
gehoorzaamheid van de kinderen te wekken. Ze bracht nu vaak uit onmacht
"den dril" in praktijk, waarbij het innerlijke van den opvoedeling niets
wint. Ze soebatte, commandeerde, dreigde, strafte. Het laatste zelden,
maar meest onredelijk. Wanneer ze "au bout de son latin" kwam, ze door
haar onmacht het meest noodige voor het kind, niet wist gedaan te
krijgen. Dan was ze door de opgewondenheid, te hard en onredelijk,
waarom de kinderen, met hun aangeboren zin voor rechtvaardigheid, haar
minder liefhadden. In hare aanwezigheid kreeg ze daarmede wel wat
gedaan, maar dra was de folterstoel veilig achter slot, of alles vloog
uit den band.
Ze verlangde, dat ik haar leerde, hare kinderen even ver te brengen als
de onze, die ons liefhadden, vertrouwden, die voelden, dat hun geluk,
ons geluk was. Dat mijn ziel en hart in hun opging. Wat bij Moeder X.
werkelijk evenzeer het geval was.
Ik raadde haar vóór alles, den wil te sterken. Slechts met een sterken
wil kan men anderen bevelen = inwerken op hun wil.
Ze zou zelf 's middags stipt op tijd thuiskomen van de wandeling, geen
voorgenomen werk noodeloos uitstellen, op tijd opstaan, in alles
ongeëvenaarde stiptheid betrachten. Nimmer schreeuwen of heftig worden.
Haar opdracht slechts éénmaal geven en kalm. Daarvoor heeft het kind
respect. Het was voor haar een zeer moeielijke raad om op te volgen. Ik
werd nog dikwijls geroepen om bij te springen. Maar mocht tot mijn
groote voldoening al weer gauw constateeren: "Waar een wil is, is een
weg."