XXVII DE KUNST VAN BEVELEN *

Mevr. X. deelde eenige dagen mijn kamer in plaats van twee kleine

nichtjes van acht en tien jaar.

"Hoe is het mogelijk!" riep ze verbaasd uit, toen we 's avonds van een

concert thuiskwamen.

Er lag op mijn nachtkastje van ieder kind een briefje, met een trouw

verslag van hun doen en laten dien avond. Ze hadden er zelfs een stukje

van haar avondlekkers ingerold. Die billets-doux deponeerden de kinderen

vaker, ofschoon ik ze daar nooit om gevraagd had. Ik copieer het briefje

van de kleinste:

"Lieve Tant! Om zeven uur mijn lesje gekend. Tot half acht met Mies

geknikkerd. Bij Truitje in het kuiltje van de keuken. Even

krijgertje gespeeld in de gang. Niet met Truitje. Uitgegleden. Knie

een pukkebeetje geschaafd. Geeneens gehuild. Acht uur in bed.

Hartelijk gekust. Melk _op_gedronken! Nan."

Hoe besefte dit kind warm, waarmede ze me voldoen kon. Eerst het werk

maken, daarna spelen, flink zijn bij een kleinen tegenslag, op tijd naar

bed gaan, kortom haar plicht. Haar gehoorzaamheid kwam voort uit eigen

energie, uit innerlijke kracht.

"Hoe is het mogelijk!", herhaalde Mevr. X. nog steeds.

"Zou ik dat mijn kinderen eens kunnen leeren!"

"Ik heb in mijn aanwezigheid al zooveel moeite om ze tot hun plicht te

dwingen. Wanneer ik uit wil gaan, moet ik zorgen, dat het schoolwerk

voor dien tijd in orde is. Ik reken er dan maar op, dat niet één van de

kinderen op tijd naar bed gaat, dat... ja eigenlijk, zoowat alles in het

honderd loopt."

Ik, die Mevr. X. in den omgang met haar kinderen kende, zou niet anders

verwacht hebben. Ze was een goedhartige, doch wilszwakke persoonlijkheid.

Ze wist niet te bevelen. Ze miste den sterken wil voor het _onmerkbare_

inwerken op hare omgeving. Ze had dien wil ook nimmer geoefend, als

verwend, eenig kind. Haar optreden was niet in staat de vrijwillige

gehoorzaamheid van de kinderen te wekken. Ze bracht nu vaak uit onmacht

"den dril" in praktijk, waarbij het innerlijke van den opvoedeling niets

wint. Ze soebatte, commandeerde, dreigde, strafte. Het laatste zelden,

maar meest onredelijk. Wanneer ze "au bout de son latin" kwam, ze door

haar onmacht het meest noodige voor het kind, niet wist gedaan te

krijgen. Dan was ze door de opgewondenheid, te hard en onredelijk,

waarom de kinderen, met hun aangeboren zin voor rechtvaardigheid, haar

minder liefhadden. In hare aanwezigheid kreeg ze daarmede wel wat

gedaan, maar dra was de folterstoel veilig achter slot, of alles vloog

uit den band.

Ze verlangde, dat ik haar leerde, hare kinderen even ver te brengen als

de onze, die ons liefhadden, vertrouwden, die voelden, dat hun geluk,

ons geluk was. Dat mijn ziel en hart in hun opging. Wat bij Moeder X.

werkelijk evenzeer het geval was.

Ik raadde haar vóór alles, den wil te sterken. Slechts met een sterken

wil kan men anderen bevelen = inwerken op hun wil.

Ze zou zelf 's middags stipt op tijd thuiskomen van de wandeling, geen

voorgenomen werk noodeloos uitstellen, op tijd opstaan, in alles

ongeëvenaarde stiptheid betrachten. Nimmer schreeuwen of heftig worden.

Haar opdracht slechts éénmaal geven en kalm. Daarvoor heeft het kind

respect. Het was voor haar een zeer moeielijke raad om op te volgen. Ik

werd nog dikwijls geroepen om bij te springen. Maar mocht tot mijn

groote voldoening al weer gauw constateeren: "Waar een wil is, is een

weg."

Paedagogische Overwegingen · 第 38 / 57 题