Ik was ongeveer acht jaar oud, toen Moeder met een harer zusters over
"borgstelling" sprak.
"Een _borg_stelling? Wat is dat Maatje," vroeg ik als elk weetgierig
kind.
En diepzinnig door redeneerende bij hare verklaring, kwamen we tot de
juiste beteekenis van het borgen zelf, waarbij Moeder mij de noodige
moralistische waarschuwingen gaf, die allerminst tot mij doordrongen. De
onmiddellijke idee "borgen" had me toch zóó verrukt. Het trof mij, die
daar vroeger nooit van gehoord had, als een uiterst prettige en
practische schikking bij een voorkomende gelegenheid.
Je koopt maar, neen, je borgt maar, wat je wenscht te bezitten. Je kunt
het toch immers later wel betalen. De wereld behoorde mij! Ik had het
altijd zoo bindend, zelfs drukkend gevonden, van Vrijdagmiddag tot
Zondagmorgen niets te kunnen koopen. Juist op den vrijen dag, wanneer je
de Luilekkerlandswinkeltjes zoo eens op je gemak kon raadplegen om
"rouwkoop" te beletten. Zaterdag was mijn kooplust het sterkst. Dat ligt
voor de hand. De dief _vindt_ een gelegenheid.
Mijn jongste zusje, wat te zwak om geregeld de lagere school te
bezoeken, werd op haar vijfde jaar op een voorbereidend schooltje van de
dames Kroon geplaatst. Vader kon nu speciaal rekening houden met de
gezondheid van het kind. Ze mocht daar op tijden gebracht en gehaald
worden, die Vader goed dacht en...... als Moeder haar personeel kon
missen. Dit laatste was niet officieel overeengekomen. Ik kreeg in
opdracht Vrijdagsmiddags, wanneer ik van de Joodsche lagere school om
twee uur vrij had, en Moeder niet in de gelegenheid was met ons uit te
gaan, het twee jaar jongere zusje uit school te halen. De scholen lagen
vlak bij elkaar. Ik mocht dan, tot het schooltje uitging, bij de dames
Kroon het onderwijs blijven volgen of het spel der kinderen medespelen.
"Heerlijk bij die schattige kindertjes!" En Moeder wist haar kinderen
daar goed verzorgd.
Het was nog maar kort na mijn inwijding in de borgwetenschap, dat ik bij
het verlaten van de dames Kroon, vol blijden moed en met de meest
eerlijke beginselen in het hart, gemagnetiseerd werd door het
fonkelnieuw, hel opgeschilderde buurwinkeltje, met zijn bijzonder
prikkelende kleur- en geurrijke étalage.
"Wat een héérlijke, roode appeltjes", riep het kleine teere Jetje
opgetogen uit. "Ik heb wel geld in mijn portemonneetje, vier centen.
Maar we mogen niet meer koopen, hè Eetje? Van onzen lieven Heer niet,"
lispelde het kleine slangetje schuchter en verleidelijk...... _Niet_
koopen, maar wel _borgen_ flitste plots door mijn brein, en als een ware
Eva bezweek ik. Uit instinctmatige vrees, dat ik aan mijn kordate
uitspraak zou gaan tornen, sleepte ik Jetje, die ik braaf aan de hand
hield, meteen het winkeltje binnen.
--We waren voor de eigenares goede bekenden; we kochten er dikwijls drop
voor het kleine verkouden zusje.--
Bevende voerde ik het woord.--De daad toch is eerst de voltrekking van
het voornemen. Zij beslist.
"Juffrouw wilt u ons voor vier centen wat _borgen_? vroeg ik geheel
buiten mezelve. _Koopen_ mogen we niet op Zaterdag. Maandagochtend voor
den schooltijd zal zus het u komen betalen."
--Nooit heb ik in mijn later leven scherper accent op twee
tegenstellingen gelegd.--
"Zoek maar uit lieve kinderen!"
"Als de Nederlandsche bank", uitdrukking die ik eerst later begreep,
wenkte ze haar vraagblikkenden echtgenoot toe.
Buiten het winkeltje werd ik ontnuchterd. Toen ik nog bovendien tot de
ontdekking kwam, dat ik, overstuur door den angst, een gevolg van mijn
slecht geweten, het verkeerde lekkers had gekozen, en dat Jetje maar
drie in plaats van vier centen in haar portemonneetje had, overviel me
een diepe weemoed.
Straks de plechtige inwijding van den Sabbat te vieren, Vaders zegen en
Moeders hartelijken kus te ontvangen, met een schuldig geweten,--dat was
voor mij niet te dragen. Op een drafje holde ik naar huis en nauwelijks
binnengekomen, bekende ik Moeder mijn stoutmoedige, stoute daad.
"Je _krijgt_ den cent niet, die je tekort hebt, een agent komt je straks
halen", plaagde de een. "Van borgen komt stelen", vernielde een andere
paedagoog me. Als een gevallen menschje stond ik benepen in een hoekje
van de kamer te snikken.
Een moeder kan haar kind niet lang in zulke droevige omstandigheden
laten.--Bovendien zag mijn verstandige, flinke Moeder dadelijk in, dat
ze te wijs met me had geredeneerd dezen keer. Dat leidt onvermijdelijk
tot verkeerde gevolgtrekkingen bij het kleine kind. Het is niet vatbaar
voor een diepzinnige beschouwing van de zedenwet of voor welke
beschouwing ook.
"Je moogt _nooit_ meer iets koopen zonder het onmiddellijk te betalen,
anders krijg je geen geld meer om er zelf over te beschikken. Wees nu
maar weer vroolijk. Aaltje zal het Maandagmorgen wel betalen. Wat
_borgen_ is kunt je eigenlijk eerst goed begrijpen, wanneer je grooter
bent."
Dat had mijn lieve Moeder eerder moeten hebben ingezien.