XXII GEEN WIJZE REDENEERINGEN *

Ik was ongeveer acht jaar oud, toen Moeder met een harer zusters over

"borgstelling" sprak.

"Een _borg_stelling? Wat is dat Maatje," vroeg ik als elk weetgierig

kind.

En diepzinnig door redeneerende bij hare verklaring, kwamen we tot de

juiste beteekenis van het borgen zelf, waarbij Moeder mij de noodige

moralistische waarschuwingen gaf, die allerminst tot mij doordrongen. De

onmiddellijke idee "borgen" had me toch zóó verrukt. Het trof mij, die

daar vroeger nooit van gehoord had, als een uiterst prettige en

practische schikking bij een voorkomende gelegenheid.

Je koopt maar, neen, je borgt maar, wat je wenscht te bezitten. Je kunt

het toch immers later wel betalen. De wereld behoorde mij! Ik had het

altijd zoo bindend, zelfs drukkend gevonden, van Vrijdagmiddag tot

Zondagmorgen niets te kunnen koopen. Juist op den vrijen dag, wanneer je

de Luilekkerlandswinkeltjes zoo eens op je gemak kon raadplegen om

"rouwkoop" te beletten. Zaterdag was mijn kooplust het sterkst. Dat ligt

voor de hand. De dief _vindt_ een gelegenheid.

Mijn jongste zusje, wat te zwak om geregeld de lagere school te

bezoeken, werd op haar vijfde jaar op een voorbereidend schooltje van de

dames Kroon geplaatst. Vader kon nu speciaal rekening houden met de

gezondheid van het kind. Ze mocht daar op tijden gebracht en gehaald

worden, die Vader goed dacht en...... als Moeder haar personeel kon

missen. Dit laatste was niet officieel overeengekomen. Ik kreeg in

opdracht Vrijdagsmiddags, wanneer ik van de Joodsche lagere school om

twee uur vrij had, en Moeder niet in de gelegenheid was met ons uit te

gaan, het twee jaar jongere zusje uit school te halen. De scholen lagen

vlak bij elkaar. Ik mocht dan, tot het schooltje uitging, bij de dames

Kroon het onderwijs blijven volgen of het spel der kinderen medespelen.

"Heerlijk bij die schattige kindertjes!" En Moeder wist haar kinderen

daar goed verzorgd.

Het was nog maar kort na mijn inwijding in de borgwetenschap, dat ik bij

het verlaten van de dames Kroon, vol blijden moed en met de meest

eerlijke beginselen in het hart, gemagnetiseerd werd door het

fonkelnieuw, hel opgeschilderde buurwinkeltje, met zijn bijzonder

prikkelende kleur- en geurrijke étalage.

"Wat een héérlijke, roode appeltjes", riep het kleine teere Jetje

opgetogen uit. "Ik heb wel geld in mijn portemonneetje, vier centen.

Maar we mogen niet meer koopen, hè Eetje? Van onzen lieven Heer niet,"

lispelde het kleine slangetje schuchter en verleidelijk...... _Niet_

koopen, maar wel _borgen_ flitste plots door mijn brein, en als een ware

Eva bezweek ik. Uit instinctmatige vrees, dat ik aan mijn kordate

uitspraak zou gaan tornen, sleepte ik Jetje, die ik braaf aan de hand

hield, meteen het winkeltje binnen.

--We waren voor de eigenares goede bekenden; we kochten er dikwijls drop

voor het kleine verkouden zusje.--

Bevende voerde ik het woord.--De daad toch is eerst de voltrekking van

het voornemen. Zij beslist.

"Juffrouw wilt u ons voor vier centen wat _borgen_? vroeg ik geheel

buiten mezelve. _Koopen_ mogen we niet op Zaterdag. Maandagochtend voor

den schooltijd zal zus het u komen betalen."

--Nooit heb ik in mijn later leven scherper accent op twee

tegenstellingen gelegd.--

"Zoek maar uit lieve kinderen!"

"Als de Nederlandsche bank", uitdrukking die ik eerst later begreep,

wenkte ze haar vraagblikkenden echtgenoot toe.

Buiten het winkeltje werd ik ontnuchterd. Toen ik nog bovendien tot de

ontdekking kwam, dat ik, overstuur door den angst, een gevolg van mijn

slecht geweten, het verkeerde lekkers had gekozen, en dat Jetje maar

drie in plaats van vier centen in haar portemonneetje had, overviel me

een diepe weemoed.

Straks de plechtige inwijding van den Sabbat te vieren, Vaders zegen en

Moeders hartelijken kus te ontvangen, met een schuldig geweten,--dat was

voor mij niet te dragen. Op een drafje holde ik naar huis en nauwelijks

binnengekomen, bekende ik Moeder mijn stoutmoedige, stoute daad.

"Je _krijgt_ den cent niet, die je tekort hebt, een agent komt je straks

halen", plaagde de een. "Van borgen komt stelen", vernielde een andere

paedagoog me. Als een gevallen menschje stond ik benepen in een hoekje

van de kamer te snikken.

Een moeder kan haar kind niet lang in zulke droevige omstandigheden

laten.--Bovendien zag mijn verstandige, flinke Moeder dadelijk in, dat

ze te wijs met me had geredeneerd dezen keer. Dat leidt onvermijdelijk

tot verkeerde gevolgtrekkingen bij het kleine kind. Het is niet vatbaar

voor een diepzinnige beschouwing van de zedenwet of voor welke

beschouwing ook.

"Je moogt _nooit_ meer iets koopen zonder het onmiddellijk te betalen,

anders krijg je geen geld meer om er zelf over te beschikken. Wees nu

maar weer vroolijk. Aaltje zal het Maandagmorgen wel betalen. Wat

_borgen_ is kunt je eigenlijk eerst goed begrijpen, wanneer je grooter

bent."

Dat had mijn lieve Moeder eerder moeten hebben ingezien.

Paedagogische Overwegingen · 第 33 / 57 题