XVII DE GENOEGENS VOOR HET KIND *

Vierjarig Truusje noemt het gewoon weg "taartjesdag".

Ze geniet hem of beter gezegd, ze ondergaat hem, behoudens buitengewone

gevallen, gemiddeld eens per week. De verjaardagen van de Grootouders,

ooms en tantes, alsmede de herdenking van hunne trouwdagen, de

verjaardagen van nichtjes en neefjes, van Moeders intiemste vriendin,

van het getrouwde dienstmeisje van Grootmoeder, het factotum in de

familie, de verjaardagen en den trouwdag van het eigen gezin. Want

Moeder neemt Truusje alle dagen mede op hare wandelingen en bezoeken.

Truusje is toch bij niemand zoo veilig, meent ze. Iets, dat ik niet

gaarne onderschrijf. Moeder laat het kind _hare_ leefwijze volgen,

terwijl ze juist in hoofdzaak rekening moest houden met de belangen en

de behoeften van 't kind, die geheel verschillend zijn.

Ieder op zijn beurt vindt, dat Truusje bij zoo een bijzondere

gelegenheid wel een taartje extra mag hebben. Ik ben aan de familie

verwant en daardoor van tijd tot tijd in de gelegenheid Truusje op zoo

een receptie waar te nemen. Ze gedraagt zich zeer bescheiden. Meestal in

een crapaud gedoken zet ze een gezicht alsof ze overdenkt, dat ze de

taartjes wel heel lekker vindt, maar de menschen toch erg vervelend.

Vanmiddag bracht het kind zelf, de Moeder van hare dwaze behandeling

terug.

Het dienstmeisje van Grootmoeder, dat zeer veel van kinderen houdt en

waarschijnlijk geen critiek van haar jeugdige gast verwachtte, loopt,

terwijl nog aller oogen ter begroeting op Truusje gevestigd zijn, als

_hare_ hulde, met een glaasje limonade, waaronder een klein badje,

onmiddellijk op het kind af.

Met een afkeurenden zijwaartschen blik, vergezeld van een wegwijzend

handgebaar, stuurt Truusje haar terug, zonder een woord te zeggen.

Haar mimiek, zoo goed uitgevoerd, doet Moeder in een lach schieten. Zij

alleen begrijpt de oorzaak van deze weigering, die ze het gezelschap nu

verklaart.

Moeder heeft kort geleden een nieuw dienstmeisje gekregen, wier netheid

bij het bedienen nog vaak te wenschen overlaat. Ze heeft haar reeds

eenige malen, wanneer er bezoek was, op dezelfde wijze als Truus nu, met

een kopje of glaasje teruggestuurd. Nadat het bezoek vertrokken was, had

ze het meisje haar fout onder het oog gebracht. Truusje is daar meestal

bij tegenwoordig geweest.

Het kind had de handeling van Moeder zoo volleerd nagebootst; dat ze die

maar al te goed gevat moet hebben. Ze moet er zich op getraind hebben om

haar bij de eerst voorkomende gelegenheid toe te passen, zoo natuurlijk

was haar vergoelijkende, berispende uitdrukking bij de terugwijzing.

Men merkt daaruit ook weer, hoe verkeerd het is, kleine tekortkomingen

van ondergeschikten in het bijzijn van kinderen te releveeren. We moeten

het kind slechts op het goede in zijn huisgenooten wijzen. Het zal

daardoor welwillend jegens hen worden en hen _achten_.

Dat is ook _noodzakelijk_ voor het kind tegenover de oudere, die, in

welke betrekking hij ook tot hem staat, altijd zijn meerdere is, die

gehoorzaamd moet worden.

Truusje werd verlegen onder het algemeen gelach, dat op Moeders

uitlegging volgde. Ze huilde bijna. Om zich een houding te geven, zette

ze haar pop op den schoot rechtop voor zich en gaf haar den troostkus,

waaraan ze zelve behoefte had.

Je bent een flink lief meisje, suste ik haar en leidde haar af door met

haar te gaan spelen.

Truusje verschijnt voorloopig niet op de recepties. Moeder en ik hebben

een poosje samen gesproken. Moeder heeft een ontwikkeld, liefhebbend

meisje van zeventien jaar bij Truus tot gezelschap genomen. Het kind is

sedert dien tijd veel normaler, veel vroolijker geworden, en minder

critisch.

Dergelijke genietingen, als recepties, mogen een heel enkele maal plaats

hebben. Het gewone eigen doen is een eisch voor het kind. Bovendien

moeten de genoegens voor het kind onverdeeld zijn. Dat kunnen ze niet,

wanneer ze voor groote menschen èn kinderen tegelijk bestemd zijn. Deze

hebben verschillende eischen. Ze zullen het kind zeker nadeel

toebrengen. Het kind wordt, eigenwijs, veeleischend, onvoldaan, kortom

het gaat in elk opzicht physiek en moreel achteruit.

Paedagogische Overwegingen · 第 28 / 57 题