"Zonder te wasschen, in vijf minuten. Maar Nol is ook al _acht_. Jij
bent nog maar zeven en een half. Jij bent nog maar een kleine jongen.
Neen, je _kunt_ het nog niet."
"In hòèveel", vraagt hij verachtelijk, "in _vijf_ minuten? Peuh! _Ik_
kan het wel in vier."
Na vier minuten geniet ik het voorrecht Huug, "tiré à quatre épingles",
Moeder en Vader bij de voordeur te presenteeren.
Daarna houdt Huug aan mijn arm, onderweg een kleine nabetrachting.
"Acht, en zeven en een half is eigenlijk even groot niet waar, net
eendere jongens?"
"Ja, dat heb ik vandaag nu ook gemerkt. Den vorigen Zondag geloofde ik
het nog niet. Ik hield je nog voor klein."
"Dat vond ik zóó naar, want ik kòn het toch wel. Het was alleen maar
vervelend je zoo te haasten."
Ook door zijn verdere vragen en opmerkingen kreeg ik de stellige
overtuiging, dat zijn _eigen_ minderwaardigheidsgevoel, gewekt door mijn
verontschuldigend medelijden, Huug veel dieper getroffen had, dan de
_verwijten_ en _straffen_ door anderen hem toebedeeld.
Hij voelde zich gekleineerd, iets wat een flinke jongen niet dulden
_kan_.
We hebben daarna geen enkelen Zondag meer last met hem gehad.
Schaamte is een machtige hulp tot moreele verbetering.
* * * * *
De opvoeder zij er voor gewaarschuwd, dat, voor het toepassen van de
bovengenoemde behandeling noodig is, dat het kind beschikt over de
kracht, tot het uitvoeren van de hem opgelegde taak en het niet-voldoen
er aan, uitsluitend op onwil, ongehoorzaamheid, wilszwakte, kortom op
zijn onmacht berust. Anders zou het kind, door op zijn minderwaardigheid
te worden gewezen, zich ontmoedigd kunnen gaan voelen dat tot mindere
inspanning leidt, of het zou door de zucht om net zoo te zijn als de
geprezene, tot naijver kunnen geprikkeld worden en zich daarom
bovenmatig gaan inspannen. Het middel zou dan erger zijn dan de kwaal.