Driejarige Han is een kleine strooper. Waar het hem bij het volvoeren
van zijn plan dienstig is, ontziet hij een anders eigendom niet. En hij
_maakt_ plannen! Telkens andere. Vooral onverwachte.
Hij zit bijv. een half uur rustig bij je op den grond met zijn auto te
spelen. Opeens krijgt hij den inval dat zijn machine over een berg moet,
en dan is de mooiste bibelot op de naastbijzijnde console niet meer
veilig voor hem.
Men vindt hem een lastigen jongen.
Ik meen, dat hij alle qualiteiten bezit, om een practisch degelijk
mensch te worden. Iemand met moed, ijver en doorzettingsvermogen.
Zijn onbesuisdheid vind ik op dien leeftijd natuurlijk, vooral voor een
kind van zijn aanleg. Als elk kind onderzoekt Han alles wat hij in
handen krijgt, maar met nog meer durf om het uit elkaar te halen.
Geen enkele spoortrein, overigens zijn lievelingsspeelgoed, houdt het
langer dan hoogstens vier dagen bij hem uit, 't zij hij van hout, van
blik of van ijzer gemaakt is.
Een uitkomst. Perry kondigt als reclame, den zwaren onbreekbaren
spoortrein aan. Gegarandeerd. Hij is wel kostbaar, maar moeder schaft er
toch een aan. Ze redeneert: duurkoop, goedkoop.
Han bevestigt den regel door de uitzondering. Na twee dagen hebben de
spiegel en het behang het reeds moeten ontgelden. En uit gegronde vrees
voor de kleine zusjes laat moeder de "tank" verwijderen.
Eenig beeld van mijn neef Han, zult u hoop ik wel gekregen hebben. Han
en ik zijn hartsvrienden.
Zijn vader moet er eens uit. Dokter heeft een drukke influenzapraktijk
achter den rug. Het ouderpaar besluit tot een vierweeksch reisje naar
Zwitserland. Juf en de twee kleine meisjes worden bij grootvader
gestald, zooals grootvader het betitelde. Ik krijg het vereerend
verzoek, zoolang de ouderlijke plichten bij Han waar te nemen.
Verschillende moeders hebben hem liever niet. Vader heeft mij als
medicus zoo vaak uit den nood geholpen; dat ik me gaarne bereid
verklaar.
Zijn oom Jan, van moeders zijde, een nog jonge man, houdt dol veel van
den kleinen woesteling. Hij snoeft er niet weinig op, dat hij zoo goed
met het vrindje kan omgaan. Hij verwent hem echter onzinnig. Dat moet
spaak loopen. Uren mag hij bij hem op zijn kantoor komen spelen. Han
vindt daar alles van zijn gading. Klosjes, pennetjes, gespen, knoopjes,
kistjes enz. enz. Hij heeft daar ook zijn volledig ingericht magazijn.
Oom vraagt me, of ik tijdens de afwezigheid van de ouders 's morgens
maar dikwijls met hem op 't kantoor wil komen spelen. Hij is toch meest
in zijn particulier kantoor.
Den eersten morgen dwingt Han reeds om er heen te gaan. Hij is al gauw
geïnstalleerd. Bedrijvig loopt hij in zijn speelhoek heen en weer,
terwijl oom mij een geheel nieuwe machine, zoo juist aangekomen,
verklaart.
Drie, viermaal wordt onderwijl kort na elkaâr van de fabriek boven, door
de spreekbuis gefloten.
"Ja, als het goed maar om tien uur beneden is om ingepakt te worden".
Een ander maal "driehonderd leesten tegelijk". Zoo wisselen de
antwoorden af.
Opeens loopt Han naar de buis. Een noodgefluit blaast hij. De
meesterknecht komt aangesneld en krijgt natuurlijk een verward antwoord
op zijn vraag "en wie". "Dertien leest gauw ja!" Han doet de fluit er
weer op. Even later informeert de meesterknecht wat dat beteekent. Oom
antwoordt lachend "een opdracht van onzen driejarigen bezoeker". Meteen
verbiedt hij Han, weer te fluiten. Han zwijgt: in gedachten verzonken
keert hij naar zijn magazijn terug.
Een paar minuten later, hetzelfde tooneeltje.
De meesterknecht verzoekt nu dringend er voor te zorgen, dat het kind
het fluiten laat. Het stoort hem in zijn werk. Oom, reeds eenigszins
opgewonden, zegt Han, dat hij niet meer naar de spreekbuis mag gaan.
Haast op hetzelfde oogenblik holt Han opnieuw naar de fluit, maar
voordat hij ze te pakken heeft, loopt Oom driftig op hem toe en geeft
hem een flinken klap in het gezicht.
Ik weet niet wie meer verontwaardigd was, Han of ik. Hij trapte, beet.
Ik riep hem dadelijk tot me, nam het schreiende kind in mijn armen.
Daarna bracht ik hem gauw tot kalmte.
"Maar ventje", berisp ik nu, "Oom had toch gezegd dat je niet meer
fluiten mocht."
"Maar, maar," snikt hij nog, "ik _heb_ niet gefloten."
"Je _hebt_ niet gefloten?"
"Nee......e, ik was toch immers _Oom_, ik speelde toch magazijntje!"
Oom heeft diep berouw over zijn onrechtvaardig ingrijpen. Hij heeft het
kind hartelijk lief. Hij wil hem met weldaden overladen om zijn fout
weêr goed te maken.
Han wil niets meer van hem weten.
Het kind wilde niet langer blijven en was ook later niet meer te bewegen
er heen te gaan.
Han bleef Oom haten[4].
[4] Wanneer dit woord niet te sterk is gekleurd, dan pleit het niet
voor Han.--=Red.=
Deze had de liefde van het kind verspeeld.