XIV OVERBLUFFEN *

Lies is een pittig ding met een frisch gezichtje, ronde en roode

wangetjes. Prachtige, leuke ondeugende oogen. Een kind dat boeit.

Ze is het jongste van de drie kleine meisjes in het gezin, kinderen van

tien, negen en twee en een half jaar oud. Moeder zegt, dat ze met de

oudste kinderen nooit eenige moeite heeft gehad, met Lies des te meer.

Het geval interesseert me.

"Lies lijkt me toch een aardig meisje, echt beminnelijk."

"Dat is ze ook, maar of het uit haar aard voortkomt of dat het

langzamerhand een gewoonte is geworden, ik weet het niet. Wanneer haar

stemming door 't een of ander maar even verstoord wordt, begint ze te

huilen en blijft daarna uren lang drenzen. We staan daar machteloos

tegenover. Alles hebben we geprobeerd. Door hardheid raakt ze

angstwekkend overstuur. Zachtheid helpt evenmin. Ze wordt steeds

moeilijker op dit punt".

"Toe, gaat u eens in de vacantie met de kinderen meê uit. U zult het

ondervinden".

Gaarne aanvaard ik de invitatie, om te trachten het drensprobleem op te

lossen.

Het was een schoone Juli-morgen, toen we om negen uur op stap gingen,

beladen met alles wat kinderharte-wenschen in vervulling kan brengen.

Nog wel naar een speeltuin, waarachter een groot weiland. Een eind

buiten de stad zijnde, stevenden we arm in arm, vroolijk zingende op ons

doel aan. Op eens, wee ons, bemerkt de kleine Lies, dat haar poppenkind

een schoentje heeft verloren. Angst op aller gelaat.

--Het spreekt van zelf, dat ik niet ingreep. Ik wilde eerst de familie

in actie zien.--

Als gefascineerd door het uitbundig geschrei van Liesje, gaan allen aan

het zoeken. De zusjes loopen een heel eind terug. Het is vergeefsch. Het

schoentje wordt verloren verklaard. Daarna vangt Liesje aan met het

waarlijk ondraaglijke drenzen.

"Ehe...... èhe...... het poppenschoentje...... èhe."

"Je moogt _mijn_ pop hebben als we thuis komen", aldus het zachte oudste

zusje.

"Moeder zal net zoo een paar nieuwe schoentjes morgen voor Liesje's pop

koopen", tracht Moeder te kalmeeren.

"Er is zooveel ander leuk speelgoed in den tuin," troost het tweede

meisje.

Niets, niets brengt maar eenige verandering.

Liesje blijft onbedaarlijk drenzen. Ehe...... èhe...... het

poppenschoentje...... èhe......

Na een kwartier landden we bij de uitspanning. Zoodra we aan een

tafeltje zitten om de lunch voor te bereiden, gaat Liesje vlak voor ons

in het gras liggen...... drenzen. "Ehe...... èhe...... het schoentje."

De een brengt haar chocolade. De ander suikertjes. Moeder zoete

woordjes. Ze neemt alles aan en in zich op, maar...... blijft drenzen.

Liesje wordt in haar idealen bakschommel gezet en er weer drenzend

uitgedragen. Naar de caroussel gebracht en er weer drenzend vandaan

gehaald.

Moeder zegt, dat ze een voorbeeld aan de andere kinderen moet nemen, die

zoo lief zijn. Dat ondervindt ze, maar zelf blijkt ze er geen trek in te

hebben.

Ze blijft liggen drenzen. Ehe...... éhe...... het schoentje......

Nu weet ik er genoeg van. Heel kalm sta ik op, en ga even kalm naar

Lies. Ik zet haar overeind, leg haar pop in haar rechterarm, neem haar

linkerhandje en breng haar een heel eind verder. Ze was te overmand om

tot het besef van verweer te komen. Ik leg haar meteen achter de

gelagkamer in het gras. Ze kon ons van daar niet zien zitten. Ik zeg op

deelnemenden toon: "ik vind het heel erg naar, dat je zoo'n verdriet

hebt Lies. We kunnen je vandaag het schoentje niet weergeven. Wanneer je

weer vroolijk bent, kom dan maar weêr bij ons terug."

Lies was overbluft, door zulk een onverwachten tegenstand. Ze was aan

zulk een wijze van behandelen niet gewend. Ze verroerde zich niet, zei

niets tegen. Bij het heengaan knikte ik haar goedig vriendelijk toe. Het

kind wist niet, dat ik haar uit de gelagkamer kon waarnemen en zoo

noodig haar dadelijk kon bereiken. Na tien minuten scheen ze van den

schrik bekomen te zijn. Daarna zette ze haar ondeugende stemming van

verdriet in vermaak om. Niemand troostte haar meer of nam nog eenige

notitie van haar. De grootste prikkel tot het drenzen was weg. Ze was om

te stelen.

Ondeugendheid werkt zoo sympathisch. Ze is voor een flinken opvoeder een

kracht, om _alles_ voor het moeielijke kind te willen doen, zijn zware

taak te verlichten. Helaas, dat diezelfde kracht bij de zwakke moeder

tot verwennen leidt.

Lies doet haar eigen laag schoentje uit en bindt het met haar haarlintje

om het ontbloote voetje van de pop. Daarna gaat ze hinkepinken in het

grasveld en laat haar popje deftig naast haar wandelen. Alles met een

triomfantelijk gezicht. Ze heeft haar zin. Popje heeft twee schoentjes

aan. Haar vroolijkheid, mede tengevolge van de heerlijke opwekkende

landelijke omgeving stijgt ten top. Ze gaat grasbloempjes plukken, tooit

haar pop en zichzelve er mede. Ik had moeite niet op haar toe te loopen

en haar in mijn armen te troetelen, die kleine zomerfee.

Na een kwartiertje schijnt ze honger te krijgen. Ze begint haar popje

te voeren. Telkens loopt ze naar het einde van de gelagkamer, waar ze om

een hoekje het gezelschap kan zien zitten.

Nu ga ik naar haar toe.

"Zoo, je kijkt weer vroolijk! Nu gaan we een boterham eten en gezellig

samen spelen."

Ik maakte haar haren weer in orde en trok Liesje het schoentje weer aan,

uit vrees voor een spontane verheerlijking van Moeder en de zusjes, die

weer heel wat had kunnen bederven.

We bleven tot 's middags zes uur in den tuin, zonder eenig drensincident

meer te beleven.

Op weg naar huis riepen de oudste meisjes enthousiast: "Moeder zulk een

heerlijk dagje hebben we met Lies buiten nog nooit gehad."

Lies liet zich gedurende de terugreis het plaatsje aan mijn hand niet

ontnemen.

Zoo trok ik nog vele vacantiedagen met het gezelschapje de stad uit.

Moeder verklaarde me: wanneer Lies nog eens een enkelen keer dreigde in

haar oude kwaal te vervallen, heb ik maar te vragen: "zal ik het Juffr.

E. schrijven?" om het kind tot de orde te roepen.

Niet er op rekenen, zooals de moeder hoopte, dat ze, als ze ouder werd,

wel anders zal worden, maar zorgen, dat ze ouder geworden, veranderd is.

Daarheen moeten we het toch bij het opvoeden leiden.

* * * * *

=Naschrift.= Het voorvalletje toont duidelijk, hoe verkeerd het

zoogenaamde "afleiden" is. In heel enkele gevallen, bij heel kleine

kinderen, en als hoog uitzonderingsgeval, kan het er mee door, soms

zelfs een redmiddel zijn, maar als 't zóó dikwijls aangewend wordt,

dat het kind het merkt--en dat is _zeer_ spoedig het geval--dan is

het spel verloren. Het behoort tot een genre maatregelen, die ik als

"omkoopings-paedagogiek" pleeg te karakteriseeren: deze nu is het ware

middel om bedorven kinderen te kweeken. Daarentegen is overbluffen, door

het kind plotseling te stellen voor de natuurlijke, maar ongewenschte

consequenties van zijn gedrag, een uitstekend middel. Slechts vergete

men nooit, dat er in de opvoeding geen middelen zijn, die altijd en

overal helpen.

Overigens herinnert dit schetsje mij zoo levendig aan de wijze waarop

Rousseau den verwenden en onhandelbaren jongen Chenonceaux tot rede

bracht, dat ik mij voorgenomen heb dat aardige verhaal eerlang voor ons

blad te vertalen.

Paedagogische Overwegingen · 第 24 / 57 题