Ik liet den vierjarigen Wim even in de achterkamer van de woonsuite
alleen, om in de voorkamer den pianostemmer eenige inlichtingen te
geven. Wim wist niet, dat ik hem in het oog hield. Even te voren had het
dienstmeisje een mandje met appelen binnengebracht. Wim had me een
gevraagd. Ik had hem gezegd, dat Moeder wilde, dat de appelen bewaard
bleven.
Nauwelijks was ik de kamer uit of Wim sloop naar het mandje, nam een hap
uit een appel en verborg den appel daarna netjes onder de andere. Een
poosje later, het verteluurtje van elken morgen, kwam Wim als gewoonlijk
op mijn schoot zitten. Hij sloeg zijn armpjes knusjes om mijn hals, om
als het ware, het verhaaltje uit mijn oogen te lezen. Ik was kort
geleden begonnen met hem fabels te vertellen. Hij vond het heerlijk.
Vaak improviseerde ik er een in verband met iets, dat met Wim was
voorgevallen. Zoo ook nu.
Meer beducht voor critiek dan bij Wim, zal ik hier den inhoud van de
fabel, die Wim te hooren kreeg, slechts in proza laten volgen.
Ik vertelde hem van een vierjarig berenzoontje, dat zoo flink was, dat
hij, wanneer Moeder Berin boodschappen deed, op zich zelf en op alles
kon passen. _Berenzoontje_ zorgde er wel voor, dat de hond niet van het
vleesch, de poes niet van de melk en het zusje niet van de appelen
snoepte, (Wims oogen sloegen neder) Moeder en Vader hielden heel veel
van het berenzoontje, omdat hij een brave flinke jongen was, waar ze zoo
goed op konden vertrouwen.
Het berenzoontje ....
Verder liet Wim me niet gaan. Onder tranen kwam reeds de bekentenis.
Hij smeekte me het gebeurde nooit aan een ander te vertellen. Hij had nu
zoo goed gevoeld, hoe slecht hij zich gedragen had.
Hij wilde flink en braaf worden als het berenzoontje. Onder die belofte,
legde ik een gaven appel in de plaats.
* * * * *
Men leze de goede fabel op elken leeftijd. Ze verschaft altijd genot,
doch verschillend. Bovendien lijkt ze mij voor het kind nuttig. Het is
zelden, zooals bij Wim, de zedeles, die het kind treft, noch het
voorbeeld tot navolging, maar het kind stelt belang in de eigenschappen
en de karakters der dieren. De kinderen herkennen daarin de zeden van
den hond, dien ze liefhebben, van de kat, die ze verkeerd waardeeren,
van de muis waar ze bang voor zijn, van de geheele dierenwereld, waarin
ze zich meer amuseeren dan op school.
Ze vinden er den wolf, die de ondeugende kinderen bedreigt, den vos, die
om het kippenhok sluipt, den leeuw, wiens moed geprezen wordt. Ze
genieten buitengewoon van de toestanden waarin deze dieren optreden. Ze
trekken partij voor den zwakke tegen den sterke, voor den bescheidene
tegen den trotsche, voor den onschuldige tegen den schuldige. Een eerste
besef van rechtvaardigheid wordt hen onbewust bijgebracht. De begaafden
voor wie men niets ongestraft zegt, gaan nog verder. Ze maken
vergelijkingen tusschen de karakters der menschen en dieren. Er zijn
zelfs kinderen, die meenen, dat sommige fabels in hun ouderlijk huis
zijn afgespeeld.
De zin tot vergelijken vormt zich onmerkbaar in hun hersenen. Ze leeren
in de fabel hun eigen verworven indrukken kennen, hunne herinneringen
ophalen. Wanneer ze levendig geschilderd zijn, oefenen ze zich levendig
te voelen. Ze gaan beter rondzien en met meer belangstelling dan
vroeger.
Al deze te bewijzen voordeelen, meen ik voldoende te vinden, om de goed
gekozen fabel en het juiste sprookje voor het kind te mogen aanbevelen.
* * * * *
=Naschrift.= Met groot genoegen plaats en onderschrijf ik deze
aanprijzing van de fabel. Ik heb het altijd een der aantrekkelijkste
zijden der duitsche opvoeding gevonden, waarmede ik, gelijk mijn lezers
weten, waarlijk niet zonder voorbehoud dweep, dat de fabel daar,
in gezin, school en onderwijs, een zoo belangrijk geëerde en vaste
plaats inneemt. Het is wel aardig hiernaast te leggen de echte
spijkers-op-laag-water-zoekende critiek, die Rousseau in den Emile,
boek III, op Lafontaine uitoefent, daarbij opzettelijk vergetende, dat
als men fabels uit een paedagogisch oogpunt uitzoekt of maakt, men
natuurlijk anders te werk gaat als die looze verteller La Fontaine.
Overigens is bovenstaand schetsje, waarop de schrijfster ons reeds
vroeger gewezen heeft[3], een voortreffelijk staaltje van de goede
manier om kinderen indirecte zedelessen uit te deelen door verhalen
_omtrent anderen_, die wel op hen toepasselijk zijn, maar zonder dat wij
eenigszins laten merken, dat _wij_ die toepasselijkheid weten, en nog
veel minder, dat wij daarvoor gezorgd hebben.
[3] Zie Jeugdh. XIV, Metamorphose.