XI ONS HUMEUR *

Mevrouw X. was 's middags even bij ons ingeloopen om te informeeren naar

de verschillende zieken. Juist kwamen de kinderen van school, ze liepen

op de teenen, fluisterend, de woonkamer binnen, begroetten me op hunne

eigen hartelijke wijze en vroegen dadelijk, of ik me nu wat prettiger

voelde dan vanmorgen. "U ziet toch nog heel bleek", oordeelde de oudste

kleuter meêwarig.

Daarna beloofden ze ongevraagd, zich frisch op te knappen en gingen

meteen naar boven. Hun voorbeeldig gedrag had Mevr. X. ten zeerste

getroffen.

Ze beklaagde zich er over, dat haar kinderen, wanneer ze ongesteld en

tegen de vele moeilijkheden minder opgewassen is, lastiger zijn dan

ooit.

"Toch heb ik ook een moeilijken morgen met hen doorgebracht. Denkt u één

oogenblik in, met vrij erge hoofdpijn om half zeven 's morgens te staan

voor een doktersgezin, bestaande uit een zieke moeder met haar jong

geboren kindje, vier schoolgaande kleuters van zes tot tien, een

bijzonder hulpbehoevend meisje van vier jaar, een kinderjuffrouw aan

influenza lijdende te bed en het pas ontvangen bericht, dat de werkvrouw

en het dagmeisje, beiden door ongesteldheid verhinderd zijn te komen

helpen."

"Het is om wanhopig te worden", besliste Mevr. X. na mijn benauwende

opsomming.

"Dat werd ik nu juist niet. Uwe reactie daartegen is de meestal

onbewuste fout, die vele moeders, opvoedsters(ders) begaan".

"Maar mijn humeur is bij de minste ongesteldheid van streek en dat

werkt natuurlijk terug op de kinderen", verontschuldigde ze zich.

Ik zie daar het natuurlijke allerminst van in. Het is wel waar, men kan

de geestelijke reactie op het lichamelijk onwel bevinden niet keeren,

maar men kan en moet wel degelijk zijn stemmingen tegenover anderen

beheerschen, onder elken tegenslag. Dat is de opvoedster(der) verplicht

tegenover het kind, dat nog minder dan de volwassene het grillig humeur

verdraagt van anderen, omdat het niet in staat is rekening te houden met

verontschuldigende overwegingen. We mogen van onze kinderen geen

overmatige inschikkelijkheden eischen. We moeten er tegen waken--de

Franschman drukt het zoo aardig uit, de faire sortir notre âme de son

assiette--onze ziel te verliezen, door te beletten, dat het ongeduld

tegenover onze kinderen ons onder welke omstandigheid ook, ontsnapt.

Dat geduld is een weinig algemeene deugd.

Het is even moeielijk als noodig voor de opvoedster(der) zich daarin te

oefenen.

Slechts door onveranderlijkheid van humeur onder moeilijke

omstandigheden te doen blijken, zullen we de vrijwillige medewerking van

het kind oproepen. Door humeurig en lastig te zijn bewerken we het

tegendeel, maken we het ons en den kinderen des te moeilijker.

De opvoeder(ster) die gewaarschuwd is, zal, ik ben er van overtuigd, met

de kracht der liefde voor haar kinderen daartegen strijden.

Paedagogische Overwegingen · 第 21 / 57 题