IX DE SINAASAPPELMETHODE VAN JAN LIGTHART *

Motto: Wanneer wij de menschen slechts nemen zooals ze zijn, dan

maken wij ze slechter, doch wanneer wij ze behandelen als waren zij

dat wat zij _moesten_ zijn, zoo brengen wij hen daarheen, waarheen

zij gebracht moeten worden.

(Goethe. W. Meisters Lehrjare.)

Zeker! Ik stem met den wensch van Jan Ligthart in, "dat op een algemeene

vergadering van Paedagogen de motie worde voorgesteld en bij acclamatie

aangenomen, dat de sinaasappelmethode[2] van Jan Ligthart de

voortreffelijkste is," mits... ze uitsluitend worde toegepast door "'n

Jan Ligthart".

[2] De sinaasappelmethode van J. L. beoogt alleen door liefde en

zachtheid het goede in het kind op te wekken.

We kunnen ons echter in 't bezit van slechts weinige "Jan Ligtharts"

verheugen.

De methode toch is, evenals vele opvoedkundige methoden, gevaarlijk in

verkeerde handen.

(Feit is, dat in den loop der tijden de sinaasappelmethode door vele

opvoeders(sters) onbewust gebruikt wordt, vooral door Moeders).

Ik heb de toepassing dezer methode bijna altijd tot even groot nadeel

voor den opvoeder(ster) als voor het kind zien leiden. Tot bespotting

van den eerste, tot met geweld moeten ingrijpen bij het laatste. En

telkens weêr overdacht ik met weemoed "ware dit kind maar dadelijk

minder ideaal behandeld."

Persoonlijk heb ik de sinaasappelmethode het meest aangewend in den

vorm van een heel mooie vergulde bittere pil.

Ik laat hier een van de gevallen volgen.

Het gebeurde in een Pension te Zandvoort, waar ik in de vacantiemaanden

verblijf hield.

Niet minder dan twintig kinderen en hun respectieve Ouders of Moeders

hadden mede hunne tenten bij Mevrouw M. opgeslagen.--Onze hospita was

vermaard door haar groote welwillendheid en door de liefde, waarmede ze

haar gasten verzorgde.

Ook een heel zwakke oude juffrouw woonde sinds vele jaren in ditzelfde

pension.

Het was noodweêr den eersten dag van ons samenzijn. Een hevig onweêr

deed allen in de conversatiezaal bijeenkruipen. Vele kinderen waren

onrustig.

De vierenzestigjarige Juffr. Bruin, hyperouderwetsch zoowel in hare

manieren als in hare kleeding--een Dickensplaatje--werd voor de kinderen

de gewenschte afleiding.

Ze bekeken de stakkerd van 't hoofd tot de voeten en na haar voldoende

te hebben opgenomen, verwekte de negenjarige Frans, de belhamel van het

troepje, door een luide opsomming van haren lijfelijken inventaris

uitbundige hilariteit.

"Het succes rechtvaardigt de daad."

Zoo ook voelde het Frans.

(Een haast vergoelijkende vermaning, hé Frans! van zijn Moeder, liet hij

onopgemerkt voorbijgaan).

Het kind werd steeds baldadiger.

Hij amuseerde nu het gezelschap door op een stoel te gaan staan en de

verschillende "Beilagen" van 't toilet van Juffr. B., haar reticule,

brillehuisje, pepermuntdoosje, waaier enz. enz. als projectielen uit

zijn vermeende vliegmachine de zaal in te werpen.

Juffr. Bruin, hoewel zeer angstig bij dit weer in haar eentje, wilde

naar haar kamer vluchten.

Ik vroeg haar, liever bij mij te komen zitten: ik zou haar beschermen.

Het ongelukkige oudje, vertelde me, dat het al den tweeden zomer was,

dat die kleine bengel de kinderen zoo tegen haar ophitste.

"Waarom ze dan niet in een ander pension ging?"

"Ze had het hier zóó goed, ze wilde zoo gaarne blijven. De dokter had

haar een voortdurend rustig verblijf aan zee voorgeschreven."

Eindelijk vertrouwde ze me onder droevig snikken toe, dat ze in de

vacantiemaanden, in elk pension van de kinderen hetzelfde te duchten zou

hebben.

Nuchter verklaarde ze--wie kent ooit zichzelve--niet te begrijpen

waaraan ze die kwelling te wijten had. Ze had nooit in haar leven één

kind onvriendelijk bejegend.

Ze verzette zich heelemaal niet.

Waarom zou ze opkomen tegen iets, wat toch niet te veranderen was?

Ik stelde den kinderen, ook Frans voor, wat met me te gaan spelen.

Frans bleek een pittige, kranige jongen te zijn, een half-bloed, een

hartstochtelijke, onbeheerschte natuur.

De jongen was zoo behendig en slim, dat hij bijna elken prijs won, dien

ik op de verschillende spelletjes had gezet. Toch keek Frans bedrukt.

Tijdens het spel stelde ik alle liefde en gunsten beschikbaar voor de

andere kinderen. Ik merkte, dat hij, wanneer ik zijn kant uitkwam,

beefde van verlangen en hoop. Ik negeerde hem geheel. Den volgenden dag

nam ik allen mede naar het strand. Toen Frans me bij den arm pakte,

drong ik hem zachtjes weg en nam een anderen jongen in de plaats.

Zijn gelaat betrok, pijnlijk.

Hij, Frans, weggeduwd, vernederd, zijn affectie versmaad, hem toewijding

geweigerd? Dat was voor den kleinen koning niet te dragen.

Hij tobde er over, waarom het juist hem niet gelukte, de aandacht te

trekken.

De verdachte vraag bleef dan ook niet uit.

"Juffr. A., waar ... waaròm bent u nooit lief voor mij?"

"Omdat je niet lief bent voor anderen!"

"Wat doe ik dan?" vroeg hij met lippen trillende van hartstocht.

"Nu je weet immers wel, dat je het die beste juffr. Bruin op schandelijke

wijze lastig maakt, dat je haar kwelt. Voor zulk een jongen kan ik geen

liefde voelen", zei ik op minachtenden toon.

Schreiend wierp hij zich om mijn hals en riep vol gloed uit: "Ik zal

Juffr. Bruin _nooit_ meer plagen en haar verder aardig behandelen."

--Ik merkte, dat mijn waardeering op dit oogenblik zijn hoogste goed

uitmaakte, zooals gewoonlijk datgene, wat onbereikbaar is. Frans voelde

nu wel, dat hij mijn vriendschap niet waard was.--

Ik maakte me weer zachtjes van hem los, zeggende "Neen, dit alleen is

niet voldoende om in mijn gunst te komen. Je hebt nog meer misdreven. Je

hebt de andere kinderen tegen J. B. opgehitst. Eerst wanneer je ook hen

er toe gebracht hebt, zich goed te gedragen tegenover Juffr. Bruin, kan

ik van je houden."

En òf Frans ijverde.

Hij bracht voor Juffrouw Bruin reeds denzelfden middag beeldige bloemen

mede, gekocht van zijn eigen spaarpenningen, schikte ze in een vaas en

bracht ze haar zelf.

Een hulde, welke de arme juffr. Bruin, die nooit eenige kinderliefde had

ondervonden, overgelukkig maakte.

Nu begon voor de gasten een recht genoegelijk samenzijn. We vormden ééne

groote familie.

"Elk normaal kind is tot op zekere hoogte tot het goede te leiden",

besloot onze hospita.

Haar kleine gasten zouden het Juffr. Bruin niet meer lastig maken. Ze

zou hen op mijne wijze behandelen.

"Ik heb wel altijd diep medelijden met Juffr. Bruin gehad, ik wist

alleen maar niet den jongen juist aan te pakken", verontschuldigde ze

zich. Ze had het ten slotte als een onverbeterlijken trek van de jeugd

aanvaard.

* * * * *

Deze jongen zou, wanneer ik hem met de oorspronkelijke

sinaasappelmethode tot het goede had willen brengen, van kwaad tot erger

zijn vervallen. Het was reeds door de zachtheid van de pensionhoudster,

die hem met suikertjes en lieve woordjes had willen lokken, dien kant

uit gegaan.

* * * * *

Frans en ik sloten een hechte vriendschap. Dat mijn _bittere_ pil den

jongen goed bekomen is, bewijzen nog de hartelijke brieven, die ik van

tijd tot tijd van hem ontvang.

* * * * *

=Naschrift.= En toch was het de sinaasappelmethode. Want deze bedoelt, het

kind niet te beoordeelen en te behandelen naar de ongunstige kanten, die

hij naar buiten keert, maar naar het betere innerlijke gehalte, dat men

in hem onderstelt. Zij is een toepassing van het wijze paedagogische

woord van Goethe, dat wij als motto boven dit nummer plaatsen.

Paedagogische Overwegingen · 第 19 / 57 题