De ouders van den pittigen Jacques--ze woonden in de ghettobuurt--waren
door onverwachte omstandigheden in goeden doen gekomen.
Jacques leerde goed: Meester prees hem altijd. Ze wilden nu voor alles
van hun eenig kind wat maken.
In overleg met den onderwijzer zou de jongen examen doen voor het
gymnasium.
"Er waren wel bezwaren, maar Jacques zou ze overwinnen", oordeelde
Mijnheer V.
Jacques slaagde, kreeg zelfs bijzonderen lof bij de toespraak van den
curator.
Dat sterkte hem, den spot van zijn medescholieren te verdragen.--Door
zijn opvoeding en erfelijkheid week Jacques in zijn, doen, en denken wel
eenigszins van hen af.--
Zoo kwam hij bijv. des Zaterdags op school, maar hij mocht geen
schriftelijk werk meedoen. Bovendien verlangde Vader, der traditie
getrouw, dat de arme jongen dan in het veelkleurig, haast bonte
Sabbatpak zou verschijnen.
Jacques protesteerde even, maar als goed geaard kind, gaf hij, gedachtig
aan het gebod: "men moet zijn ouders eeren", toch dadelijk toe. Met
loome schreden ging hij naar school.
* * * * *
Bij zijn komst in de klasse werd het kind met hoongelach en lorre,
kopjekrauwen, klontjesdief begroet en de leeraar .... lachte.
De arme Jacques leed.
Geheel ontdaan kwam hij thuis en snikte het uit.
Van den _leeraar_ had hij het niet kunnen dragen.
* * * * *
De leeraar werd daarover onderhouden en bood zijn verontschuldiging aan
door te zeggen: "Nu ja, de jongen had er zóó potsierlijk uitgezien."
"Men is toch _maar_ Mensch."
Reeds toen, het is een tijd geleden, overwoog ik,--steeds met meer hoop
voor de toekomst--dat eens de leeraar (Paedagoog) bij dergelijke
voorvallen zoo zou handelen, dat hij gerust zou kunnen verklaren:
"Men is toch _gelukkig_ Mensch."