VIII EEN TOEKOMSTBEELD *

De ouders van den pittigen Jacques--ze woonden in de ghettobuurt--waren

door onverwachte omstandigheden in goeden doen gekomen.

Jacques leerde goed: Meester prees hem altijd. Ze wilden nu voor alles

van hun eenig kind wat maken.

In overleg met den onderwijzer zou de jongen examen doen voor het

gymnasium.

"Er waren wel bezwaren, maar Jacques zou ze overwinnen", oordeelde

Mijnheer V.

Jacques slaagde, kreeg zelfs bijzonderen lof bij de toespraak van den

curator.

Dat sterkte hem, den spot van zijn medescholieren te verdragen.--Door

zijn opvoeding en erfelijkheid week Jacques in zijn, doen, en denken wel

eenigszins van hen af.--

Zoo kwam hij bijv. des Zaterdags op school, maar hij mocht geen

schriftelijk werk meedoen. Bovendien verlangde Vader, der traditie

getrouw, dat de arme jongen dan in het veelkleurig, haast bonte

Sabbatpak zou verschijnen.

Jacques protesteerde even, maar als goed geaard kind, gaf hij, gedachtig

aan het gebod: "men moet zijn ouders eeren", toch dadelijk toe. Met

loome schreden ging hij naar school.

* * * * *

Bij zijn komst in de klasse werd het kind met hoongelach en lorre,

kopjekrauwen, klontjesdief begroet en de leeraar .... lachte.

De arme Jacques leed.

Geheel ontdaan kwam hij thuis en snikte het uit.

Van den _leeraar_ had hij het niet kunnen dragen.

* * * * *

De leeraar werd daarover onderhouden en bood zijn verontschuldiging aan

door te zeggen: "Nu ja, de jongen had er zóó potsierlijk uitgezien."

"Men is toch _maar_ Mensch."

Reeds toen, het is een tijd geleden, overwoog ik,--steeds met meer hoop

voor de toekomst--dat eens de leeraar (Paedagoog) bij dergelijke

voorvallen zoo zou handelen, dat hij gerust zou kunnen verklaren:

"Men is toch _gelukkig_ Mensch."

Paedagogische Overwegingen · 第 18 / 57 题