I. Nu zal ik u zeggen, waarmede gij onzen toestand, voor zoo ver wij
niet of wel door goed onderwijs beschaafd zijn, moet vergelijken.
Stel u menschen voor, die in een onderaardsch hol wonen, dat eene
opening naar boven heeft langs zijn geheele breedte; en die van
jongs af aan de beenen en den hals geboeid waren, zoo dat zij steeds
alleen vooruit konden zien, en door die boeijen verhinderd werden
hun hoofd om te draaijen; en dat er een vuur in de hoogte achter
hunne ruggen brandt; en dat er tusschen dat vuur en die gevangenen
een pad is en daar langs een muur, zoo hoog als de beschotten,
waarachter zich de marionettenspelers verschuilen, wanneer zij hunne
poppen laten bewegen.--Ik stel het mij voor.--Verbeeld u nu verder,
dat er langs dien muur menschen gaan, die vaten en beeldwerk van
allerlei maaksel op hun hoofd dragen, zoodat het boven dien muur
uitkomt, en die natuurlijk somwijlen in het voorbijgaan spreken en
somwijlen zwijgen.--Die gelijkenis en die gevangenis vind ik al heel
zonderling.--Het is ons beeld, zeide ik; want, vooreerst: gelooft gij,
dat zulke menschen van zich zelven en anderen wel meer zouden gezien
hebben dan hunne schaduwen, die door het vuur op de tegenovergestelde
zijde van het hol geworpen worden?--Wanneer zij hun leven lang hun
hoofd onbewegelijk hebben moeten houden, zeker niet.--En evenmin van
hetgeen voorbij wordt gedragen?--Dat spreekt.--Als zij nu met elkander
konden spreken, gelooft gij dan niet, dat zij zich zouden aanwennen
aan hetgeen zij zagen voorbijgaan namen te geven?--Natuurlijk.--En
als nu die gevangenis eene echo had, die van de zijde tegenover den
ingang kwam, en iemand, die voorbijging, sprak, gelooft gij, dat
zij dan dat geluid aan iets anders dan aan de voorbijgaande schaduw
zouden toeschrijven?--Wel neen.--En in ’t algemeen, zouden zij in dien
toestand niets dan die schaduwen van de voorbijgedragen dingen voor
werkelijk houden.--Dat is onvermijdelijk.--Let dan nu eens op, hoe
het hun gaan zou, wanneer zij konden losgemaakt en van hunne dwaling
genezen worden. Wanneer een hunner werd losgemaakt en op eens gedwongen
op te staan, en zijn nek om te draaijen en voort te gaan, en het licht
aan te kijken, en door dat alles pijn leed, en door het schelle licht
die dingen niet zien kon, waarvan hij te voren de schaduwen zag; wat
zou hij dan wel zeggen, zoo iemand tot hem zeide, dat hij te voren
slechts schijnbeelden gezien had, maar nu nader bij de waarheid was en
meer wezenlijke dingen aanschouwde en beter zien kon, en zoo men hem
het voorbijgedragene wees, en hem vroeg, wat dat was? Denkt gij niet,
dat hij er weinig van maken zou en het vroegere voor meer waar zou
houden, dan hetgeen men hem nu liet zien?--Zeer zeker.--
II. En zoo men hem dwong naar het licht zelf te kijken, zou hij
dan geen pijn aan de oogen hebben en ze zoeken af te wenden naar
datgene, wat hij kon aanzien, en meenen, dat dit inderdaad duidelijker
was?--Zekerlijk.--En als men hem dan met geweld van zijne plaats tegen
den ruwen en steilen opgang optrok, en niet losliet, voordat hij
naar buiten in het zonnelicht getrokken was; zou hij dan geen smart
lijden en zich boos maken, en wanneer hij in het daglicht gekomen
was geheel verblind worden, zoodat hij volstrekt niets zien kon van
hetgeen tegenwoordig als wezenlijk bestaand wordt aangemerkt?--Als
het zoo op eens ging, zekerlijk.--Hij zou er, denk ik, van lieverlede
aan moeten gewennen, als hij hetgeen boven op de aarde is ooit zou
leeren zien.--In het eerst zou hij het gemakkelijkst de schaduwen
kunnen beschouwen, en daarna de beelden van menschen en andere
dingen in het water, en eindelijk de dingen zelve. Vervolgens zou
hij van de hemelsche dingen het nachtelijke licht van de sterren en
de maan met meer gemak kunnen aanzien dan over dag de zon en haar
licht.--Natuurlijk.--Het laatste van allen, geloof ik, zou hij de
zon niet in haar schijnsel in het water of elders, maar regelregt
de zon zelve kunnen aankijken, en zien hoe zij er uitziet.--Dat
spreekt.--Hierop zou hij over haar gaan nadenken en tot het besluit
komen, dat zij de jaargetijden en de jaren daarstelt en al het zigtbare
bestuurt, en ook eenigermate van alles, wat hij dáár beneden gezien
had, de oorzaak was.--Het is natuurlijk, dat hij eerst van lieverlede
hierop komen zou.--En als hij zich nu aan zijne eerste woning, en
hetgeen dáár wijsheid was, en aan zijne medegevangenen herinnerde;
gelooft gij niet, dat hij dan zich zelven om die verandering gelukkig
zou noemen, en hen zou beklagen?--Wel zeker.--En als er nu bij hen
eenige eer of loftuiting en belooning was voor hem, die hetgeen
voorbijging het scherpst zien kon, en zich het best herinnerde, wat
daarvan gewoonlijk vroeger, en wat later, en wat te gelijk voorbijkwam,
en daaruit het best kon voorzeggen, wat er komen zou; gelooft gij, dat
hij dan daarnaar zou verlangen en hen, die daar beneden vereerd en
geprezen werden, zou benijden; of dat hij, zoo als ~Homerus~ zegt,
liever boven op aarde de knecht van een arm man zou willen zijn, en
liever alles dulden dan zich weer met die gissingen bezig te houden
en op zulk eene wijze te leven?--Ik geloof, dat hij liever alles zou
dulden dan zóó te leven.--Bedenk nu nog eens dit. Wanneer hij nu weder
naar beneden ging en op dezelfde plaats ging zitten, zouden zijne oogen
dan niet door de duisternis verblind worden, daar hij zoo pas uit het
licht kwam?--Zeer zeker.--En als hij nu in het raden naar die schaduwen
weder met hen, die steeds geboeid waren gebleven, moest wedijveren,
voordat zijne oogen aan dat schemerlicht gewend waren, en hij er niet
heel spoedig aan gewennen kon; zou hij dan niet worden uitgelagchen, en
zou men niet van hem zeggen, dat zijne oogen door dat naar boven gaan
bedorven waren, en dat het niet der moeite waard was eene poging te
doen, om ook naar boven te komen? En zouden zij iemand, die hen wilde
losmaken en naar boven brengen, niet, als zij hem maar in hunne handen
konden krijgen, van kant zoeken te maken?--Ongetwijfeld.--
III. Deze gelijkenis nu, mijn beste ~Glauco~! moet in haar geheel op
het vroeger gezegde worden toegepast. Onze woonplaats op de zigtbare
wereld moet gij met die woning in de gevangenis vergelijken, en het
licht van de zon met het schijnsel van het vuur daar binnen; en
wanneer gij nu dat opklimmen naar boven en dat beschouwen van hetgeen
op de aarde is, als een beeld neemt van het opklimmen der ziel in de
denkbare wereld, zult gij mijne geliefkoosde meening, die gij immers
hooren wildet, geraden hebben. Of zij waar is, weet God; maar ik voor
mij ben van oordeel, dat in de denkbare wereld de idee van het goede
de grond van alles is, en dat het moeijelijk is haar te vatten; maar
dat, als men haar gevat heeft, daaruit het besluit moet volgen, dat
zij overal van al het schoone en goede de oorzaak is, daar zij in de
zigtbare wereld het licht en deszelfs bron heeft voortgebragt, en in de
denkbare wereld de grond is van waarheid en kennis, en derhalve door
ieder, die in bijzondere of algemeene zaken redelijk zal handelen,
moet gekend worden.--Zoo ver als ik het volgen kan, ben ik het met u
eens.--Dan zult gij het zeker ook hierin wel met mij eens zijn, en
u niet verwonderen, dat zij, die dáár zijn gekomen, de menschelijke
zaken niet meer willen behartigen, maar dat hunne zielen voortdurend
haken om boven te vertoeven; want als onze gelijkenis juist is, kan dit
niet anders.--Neen waarlijk niet.--En vindt gij er dan ook wel iets
verwonderlijks in, wanneer iemand, van zulke goddelijke bespiegelingen
naar de menschelijke ellende afdalende, een dwaas figuur maakt en aan
bespotting ten doel staat, als hij, terwijl zijn gezigt nog verblind en
aan die duisternis nog niet gewoon is, gedwongen wordt voor de regtbank
of elders over de schaduwen en beelden der regtvaardigheid te twisten,
en te kibbelen over de wijze, waarop zij door menschen worden opgevat,
die de regtvaardigheid zelve nimmer gezien hebben[124]?--Wel neen.--Een
verstandig mensch zou dan ook bedenken, dat tweeërlei oorzaken de oogen
kunnen verblinden, namelijk de overgang uit het licht in de duisternis,
en die uit de duisternis in het licht; en oordeelende, dat hetzelfde
ook met de ziel plaats heeft, zou hij eene ziel, die in de war was en
niet best zien kon, niet onberedeneerd uitlagchen, maar nagaan, of zij,
uit een helderder plaats gekomen zijnde, door ongewoonte niet zien
kon, dan wel, of zij in helderder licht, dan waarin zij geweest was,
overgebragt zijnde, door den meerderen glans verblind werd; en dan zou
hij de eerste gelukkig noemen, en de tweede beklagen, en als hij deze
nog uitlachte, zou hij daaraan althans minder dwaas doen dan indien hij
gene uitlachte, die uit een helderder licht gekomen was.--Daarin hebt
gij gelijk.--
IV. Als dit nu waar is, moeten wij hieruit het gevolg afleiden, dat
het onderwijs niet zoodanig is als de meeste onderwijzers zeggen.
Want zij zeggen, dat zij de kennis, die niet in de ziel is, daarin
brengen, even alsof zij in blinde oogen het vermogen om te zien
bragten.--Dat zeggen zij.--Onze tegenwoordige redenering echter brengt
aan het licht, dat het vermogen en het zintuig der kennis in ieders
ziel wordt gevonden, en dat bij gevolg, even als wanneer iemand zijn
oog slechts met zijn geheele ligchaam van de duisternis naar het
licht kon keeren, hij evenzoo met de geheele ziel van het ontstaan en
vergaan moet worden afgewend en voorzigtig omgedraaid, tot dat zijn
zielsoog het aanschouwen van het wezenlijk zijnde, ja van deszelfs
helderste deel, kan uithouden; en dit laatste noemen wij het goede,
niet waar?--Ja.--Dus bestaat de kunst van het onderwijs in het zoo
gemakkelijk en volkomen mogelijk omwenden van de ziel, niet in het
inbrengen van het gezigt, daar dit er wel is, maar slechts naar eene
verkeerde zijde is heengewend[125].--Dat schijnt zoo.--De andere
zoogenaamde deugden der ziel nu schijnen met die des ligchaams veel
overeenkomst te hebben, en er in waarheid eerst niet in te zijn, maar
er later door gewoonte en oefening ingebragt te worden; doch het
kenvermogen is, naar het schijnt, van veel goddelijker aard, daar
het nooit zijne kracht verliest, maar door de omwending bruikbaar en
nuttig of onbruikbaar en schadelijk wordt. Of hebt gij nooit opgemerkt,
hoe scherp en snel het zieltje van zulke personen, die men zegt dat
slecht en wijs te gelijk zijn, die dingen doorzien kan, naar welke
het zich gekeerd heeft; daar het niet slecht van gezigt is, maar zich
in de dienst van het kwaad begeven heeft, en dus te meer kwaad doet
naarmate het scherper ziet?--Wel zeker heb ik.--En wanneer nu zulk eene
ziel van jongs af werd besnoeid en van de ruigte gezuiverd, die er
door smulpartijen en ander vermaak aan vastgroeit en haar gezigt naar
beneden trekt, en daarvan verlost zijnde naar de waarheid gekeerd werd;
dan zou zij ook deze met dezelfde vlugheid doorzien, als de dingen,
naar welke zij tegenwoordig is heengewend.--Waarschijnlijk.--En is het
nu ook niet waarschijnlijk, ja volgens het besprokene noodzakelijk, dat
noch onbeschaafde en met de waarheid onbekende menschen een staat ooit
goed kunnen besturen, noch zij, die hun leven lang zich met de waarheid
mogen bezig houden; daar gene in hun leven geen rigtsnoer hebben om al
hunne openbare en bijzondere bemoeijingen naar te regelen, en deze zich
aan alle bemoeijingen onttrekken, daar zij meenen reeds bij hun leven
naar de gelukkige eilanden verhuisd te zijn?--Dat is waar.--Dus is het
onze taak onze burgers van den besten aanleg tot de voortreffelijkste
wetenschap, de kennis van het goede te brengen en op te leiden; maar,
wanneer zij zijn opgeklommen en het lang genoeg gezien hebben, hun niet
te vergunnen wat men tegenwoordig wel vergunt.--Wat meent gij?--Daar
boven te blijven en niet naar de gevangenen af te dalen, noch aan
de werkzaamheden en eerbewijzen daar beneden, hoe die dan ook wezen
mogen, deel te nemen.--Maar zullen wij hun dan geen onregt doen, en hen
ongelukkig maken, terwijl zij in de gelegenheid waren een ongestoord
geluk te genieten?--
V. Gij zijt nu al weder vergeten, mijn vriend! dat een wetgever niet
zijn best doet, om éénen stand in den staat bijzonder gelukkig te
maken, maar dat hij dit geluk aan den geheelen staat wil verschaffen,
en met overreding en dwang de burgers zamenvoegt, en maakt, dat zij
elkander doen deel nemen aan het voordeel, hetwelk ieder aan den
geheelen staat kan bezorgen; en dat bij zulke menschen in den staat
opleidt, niet om ze naar hun eigen lust te laten leven, maar om ze te
gebruiken tot de betere zamenvoeging van den geheelen staat.--Dat is
waar; ik was het vergeten.--Ook moet gij bedenken, ~Glauco~! dat wij
hen, die bij ons wijsgeeren worden, geen onregt doen, maar regt hebben
van hen te vorderen, dat zij voor de anderen zorgen en ze bewaren.
Want wij zullen zeggen: die in andere staten zoodanig worden, behoeven
zich niet met de staatszaken te bemoeijen, omdat zij van zelfs zonder
medewerking van staatswege ontstaan, en al wat van zelfs ontstaat
los is van de verpligting om aan iemand voor zijne opvoeding dank te
vergelden: maar wij hebben u voor u zelven en voor de overige burgers
even als de aanvoerders en koningen in een bijenzwerm groot gebragt,
en door eene uitstekende opvoeding in staat gesteld, om aan beiden
(wijsbegeerte en staatsbestuur) deel te nemen. Dus moet ieder uwer op
zijne beurt naar de woning der andere burgers afdalen, en zich gewennen
om in dat schemerlicht te zien; want, zoo gij er eens aan gewend zijt,
zult gij honderdmaal beter zien dan zij, die dáár wonen, en honderdmaal
beter bij elk dier schaduwbeelden onderkennen, wat het is en waarvan;
daar gij het wezenlijk schoone, goede en regtvaardige gezien hebt. En
zóó zal onze staat door wakende menschen bestuurd worden, niet, zoo
als tegenwoordig de meeste, door droomende, die om schaduwen tegen
elkander vechten en om het regeren, alsof dat iets goeds was, twisten.
In waarheid toch is het zóó: de staat, waarin de toekomstige overheden
het minst naar de regering verlangen, wordt noodzakelijk het best
en het rustigst bewoond; en omgekeerd.--Ongetwijfeld.--Denkt gij nu,
dat onze kweekelingen dit hoorende ongehoorzaam zullen wezen, en
zullen weigeren ieder zijne taak in den staat te vervullen, en liever
gezamenlijk boven zullen blijven wonen?--Onmogelijk, want wij hebben
iets regtvaardigs van regtvaardige menschen geëischt. Zij zullen echter
altijd het regeren als een noodzakelijk kwaad aanmerken, en daarin van
de tegenwoordige bewindhebbers onderscheiden wezen.--Zoo is het dan
ook, mijn vriend! Wanneer gij voor de toekomstige overheden een leven
kunt uitdenken, dat beter is dan het waarnemen van overheidsambten,
dan is het mogelijk, dat uw staat goed bestuurd wordt; want alleen in
zulk eenen staat zullen zij regeren, die waarlijk rijk zijn, niet in
geld, maar in den wezenlijk geluk aanbrengenden rijkdom, in een goed en
redelijk leven; doch wanneer zij, die arm zijn aan eigene goederen, de
algemeene goederen in handen krijgen en meenen daarmeê hun voordeel te
moeten doen, dan is dit niet mogelijk; want als er om de regering wordt
gestreden, ontstaat er een burgeroorlog, die én voor de strijders én
voor den geheelen staat verderfelijk is.--Dat is volkomen waar.--Weet
gij nu een andere levenswijze, die de staatsambten doet geringschatten,
dan die van den waren wijsgeer?--Wel neen.--Edoch de regering moet aan
hen worden opgedragen, die er geen minnaars van zijn; anders gaan de
medeminnaars der regerende personen er om vechten.--Natuurlijk.--Zult
gij dus anderen tot het besturen van den staat nopen dan hen, die het
wijste zijn in die dingen, waardoor een staat het beste bestuurd wordt,
en die tevens andere eer en een beter leven, dan het staatkundige
hebben?--Niemand anders.--
VI. Willen wij nu eens nagaan, hoe zulke menschen gevormd worden, en
hoe men ze naar het licht moet opleiden, gelijk sommigen volgens
de overlevering uit den Hades naar de Goden zijn opgeklommen?--Met
vermaak.--Dit schijnt meer te zijn dan het omkeeren van een kleed,
en heeft veel van eene omwending der ziel uit een nachtelijk duister
naar den weg tot het ware licht, dien wij gewoon zijn wijsbegeerte
te noemen.--Natuurlijk.--Moeten wij dus niet nagaan, welke studie
daartoe geschikt is?--Ja.--Welke studie, ~Glauco~! zou dan de ziel
van het ontstaan en vergaan naar het ware zijn kunnen heentrekken?
Daar komt mij onder het spreken iets in de gedachten. Zeiden wij
niet, dat zij in hunne jongelingsjaren zich in den oorlog moesten
oefenen[126]?--Ja.--Dus moet de studie, welke wij zoeken, nog deze
eigenschap hebben.--Welke?--Zij moet voor krijgslieden niet nutteloos
wezen.--Zeker niet; als dit maar mogelijk is.--Bespraken wij niet
vroeger, dat onze wachters door gymnastiek en muzenkunst moesten
gevormd worden[127]?--Ja.--De gymnastiek nu houdt zich bezig met
het ontstaan en vergaan; want zij waakt over den wasdom en het
afnemen des ligchaams.--Juist.--Dus is zij de studie niet, welke wij
zoeken.--Neen.--Zou het dan die muzenkunst zijn, die wij vroeger
besproken hebben?--Maar die was, zoo gij het u nog herinnert, het
tegenbeeld van de gymnastiek, en vormde de zeden der wachters, door
hun gevoel voor harmonie en maat op te wekken[128], niet door hun
wetenschap mede te deelen; en ook voor zoo ver zij in sprookjes
en ware verhalen bestond, had zij dezelfde strekking[129]; maar
eenige opleiding tot de kennis van het goede, zooals gij nu zoekt,
was in haar volstrekt niet te vinden.--Dit herinnert gij mij zeer
naauwkeurig, want inderdaad had zij die volstrekt niet. Maar, mijn
waarde ~Glauco~! waarin zou die dan wezen? de kunsten toch schenen
allen den geest neder te drukken[130].--Dat spreekt. Maar wat is
er dan behalve de muzenkunst, de gymnastiek en de kunsten nog voor
andere studie?--Komaan, zeide ik, als wij dan niets daarbuiten kunnen
vinden, moeten wij maar iets nemen, dat vaan die allen gemeen
is.--Wat?--Bij voorbeeld dit, hetwelk alle kunsten, redeneringen
en wetenschappen bezigen, en hetwelk overal het eerst moet geleerd
worden.--Wat?--Eenvoudig, één, twee en drie te onderscheiden; met
één woord, de leer der getallen en het rekenen. Of heeft alle kunst
en wetenschap dit niet volstrekt noodig?--Wel zeker.--Dus ook de
krijgskunst.--Natuurlijk.--~Palamedes~ maakt dan ook in de treurspelen
~Agamemnon~ tot een al heel bespottelijk veldheer. Want gij weet
immers, dat hij beweert het tellen uitgevonden te hebben, en het
daardoor mogelijk te hebben gemaakt, om het leger voor Troje in benden
te verdeelen en het getal der schepen en van al de rest te bepalen;
daar die te voren ontelbaar waren, en ~Agamemnon~, naar het schijnt,
niet eens wist, hoe veel voeten hij had? En wat voor een veldheer moet
hij dan wel geweest zijn?--Als dat waar is, een erge prul.--
VII. Willen wij het dan maar als een der vereischten van een krijgsman
beschouwen, dat hij kan tellen en rekenen?--Ongetwijfeld; zoo hij ten
minste eenig denkbeeld van het in orde scharen van troepen moet hebben;
of liever, zoo hij een mensch moet wezen.--Denkt gij nu over die
studie even als ik?--Hoe meent gij?--Zij schijnt uit haren aard te
behooren tot die opleidende studieën, welke wij zoeken; maar niemand
bezigt ze, geloof ik, naar behooren, daar zij inderdaad geschikt is, om
de kennis van hetgeen wezenlijk is te bevorderen.--Hoe zegt gij?--Ik
zal mijn best doen, om u mijne meening duidelijk te maken. Beschouw
eens met mij, wat, naar ik geloof, tot ons doel opleidt, en wat niet;
en zeg dan, of gij er evenzoo of anders over denkt; opdat wij wat
duidelijker inzien, of ook dit zóó is als ik vermoed.--Zeg maar op.--Ik
zeg dan, zoo gij het begrijpt, dat sommige voorwerpen der zinnelijke
waarneming het verstand niet tot nadenken opwekken, daar zij door de
zinnen alleen genoeg worden waargenomen; en andere volstrekt nadenken
vorderen, daar de zinnen alleen geen uitsluitsel geven.--Gij meent
zeker de verwijderde voorwerpen, en die, waarbij gezigtsbedrog plaats
heeft.--Gij hebt nog niet volkomen gevat, wat ik zeggen wil.--Maar wat
wilt gij dan zeggen?--Wat geen nadenken opwekt, noem ik dat, welks
zinnelijke waarneming geen tegenstrijdigheid oplevert; maar wat dit
wel doet, en in de waarneming zich zoowel op deze als op gene wijs
vertoont, hetzij het van verre of van nabij wordt waargenomen, dat zeg
ik, dat het nadenken opwekt. Zóó zult gij mijne meening duidelijker
inzien. Hier hebt gij drie vingers, de voorste, de middelste, en de
achterste.--Ja.--Denk nu, dat wij ze van nabij zien; en let eens met
betrekking tot dezelve hierop.--Waarop?--Ieder hunner vertoont zich
als een vinger, en het maakt geen onderscheid, of hij in het midden of
aan een der zijden is, en of hij wit is of zwart, dik of dun, enz.,
want bij dit alles wordt de ziel niet genoodzaakt aan het verstand te
vragen, wat een vinger toch eigenlijk is, daar het gezigt volstrekt
niet te kennen geeft, dat een vinger het tegenovergestelde van een
vinger is.--Dat is zoo.--Iets van dezen aard heeft dus geen kracht om
tot nadenken op te wekken.--Niet bijzonder.--Maar ziet nu het gezigt
hunne grootte en kleinte even goed, en is het daarvoor hetzelfde,
of een hunner in het midden of niet in het midden is? En neemt het
gevoel even goed hunne dikte of dunheid, hardheid of zachtheid waar?
En geven ook de andere zinnen omtrent zulke dingen geen gebrekkige
berigten? Doet niet iedere van haar aldus? Vooreerst de zin, die het
harde waarneemt, moet ook het zachte waarnemen, en verkondigt aan de
ziel, dat zij hetzelfde als hard en als zacht waarneemt[131].--Dat is
waar.--En moet nu de ziel in zulke gevallen niet onzeker zijn, wat
toch voor de zinnelijke waarneming hard is, daar hetzelfde zich ook
als zacht voordoet; en evenzoo wat ligt en wat zwaar is, wanneer het
zware ligt en het ligte zwaar schijnt.--Ja waarlijk, deze waarnemingen
zijn zonderling en vereischen nader onderzoek.--En begint nu niet in
zulke dingen de ziel van zelfs het verstand en de redenering aan het
werk te zetten, om te zien, vooreerst: of ieder dier waargenomen dingen
één of twee is?--Natuurlijk.--En als het twee schijnt te wezen, is
dan ieder van die twee niet één?--Ja.--En als ieder één is en zij te
zamen twee zijn, dan zal het verstand ze van elkander onderscheiden;
want, als zij niet onderscheiden waren, zou het er geen twee, maar
één denken.--Juist.--Echter, zeggen wij, zag het gezigt wel groot en
klein, maar toch niet onderscheiden, doch tot één verbonden: niet
waar?--Ja.--En juist omdat het zich duidelijk alzoo vertoonde,
moest integendeel de geest groot en klein niet verbonden, maar ieder
afzonderlijk zien.--Dat is waar.--En komt daardoor dan niet vooreerst
de vraag in ons op, wat toch groot en wat klein is?--Ongetwijfeld.--En
ten gevolge daarvan onderscheiden wij dan het denkbare van het
zigtbare.--Volkomen juist.--
VIII. Dit begon ik nu daareven te zeggen, dat sommige dingen tot
nadenken opwekken en andere niet, terwijl ik hetgeen zich te gelijk met
zijn tegendeel aan de waarneming voordoet als tot nadenken opwekkend,
en wat dit niet doet als niet opwekkend beschouwde.--Nu begrijp ik het,
en ik vind het ook.--Tot welke van beiden rekent gij nu de getallen en
de eenheid?--Dat zie ik nog niet in.--Beredeneer het dan eens uit het
vorige. Want als de eenheid op zich zelve genoeg wordt gezien of door
een ander zintuig waargenomen, dan is zij geen middel om tot hetgeen
wezenlijk is op te leiden, zoo als wij dat bij de vingers gezien
hebben: maar als er bij haar steeds eenige tegenstrijdigheid voorkomt,
en zij zich geen zier meer als eenheid dan als het tegenovergestelde
vertoont, dan is hier een ander beoordeelaar noodig, en dan komt de
ziel in verlegenheid en moet zoeken, en haar denkvermogen opwekken,
en vragen, wat toch de eenheid is; en dan behoort de leer der eenheid
onder de middelen, die de ziel tot het beschouwen van het wezenlijk
zijnde omkeeren.--Dit heeft bij hare beschouwing niet weinig plaats:
want wij zien hetzelfde te gelijk als één en als ontelbaar in
menigte[132].--En als dit met de eenheid plaats heeft, dan heeft
het ook met alle andere getallen plaats.--Natuurlijk.--En reken- en
telkunst houden zich geheel met getallen bezig.--Ja.--En zij schijnen
tot de waarheid te leiden.--Wel zeker.--Dus behooren zij, naar het
schijnt, tot de studiën, welke wij zoeken; want een krijgsman moet
ze leeren om het scharen der troepen, en een wijsgeer, omdat men bij
het leeren derzelve zich wan het ontstaan en vergaan naar het wezen
keeren moet.--Dat is waar.--En onze wachters zijn krijgslieden en
wijsgeeren.--Ja.--Dus, ~Glauco~! zou het passen deze studie bij de wet
voor te schrijven, en hen, die in den staat de grootste dingen moeten
behartigen, te overreden, zich op de rekenkunst toe te leggen, en die
niet oppervlakkig te leeren, maar tot dat zij met hunnen geest tot het
beschouwen van de natuur der getallen zijn doorgedrongen, ze niet als
kooplieden of kramers voor het gebruik in den handel leerende, maar
tot nut voor den oorlog, en om gemakkelijkheid te verkrijgen in het
omwenden der ziel van het ontstaan en vergaan naar het wezen.--Dat
zegt gij goed.--Waarlijk, nu wij van de rekenkunst spreken, herinner
ik mij ook, hoe fijn zij is en hoe bruikbaar tot hetgeen wij willen;
zoo men ze maar om de wetenschap zelve, niet om den koophandel
leert.--Hoe dat?--Wel, omdat zij, zoo als wij zeiden, de ziel zeer
naar boven trekt; en haar dwingt over de getallen zelve te denken, en
het niet toelaat, wanneer men haar zigtbare of tastbare ligchamen van
een bepaald getal voorlegt[133]. Want gij weet, dat zij, die daarin
bedreven zijn, wanneer iemand de eenheid zelve in het redeneren poogt
te deelen, lagchen en dit niet toelaten en alle pogingen om haar te
verdeelen tegenwerken, uit vrees, dat de eenheid geen eenheid maar
vele deelen zou schijnen te wezen[134].--Wat gij daar zegt, is volkomen
waar.--Maar wat denkt gij nu wel, ~Glauco~! dat zij zouden antwoorden,
als iemand hen vroeg: in welke getallen zegt gij, dat de eenheid zóó
is als gij wilt, iedere eenheid volmaakt aan de andere gelijk, zonder
eenig verschil en zonder eenige deelen te hebben?--Zij zouden, denk ik,
antwoorden, dat zij over die getallen spreken, welke slechts gedacht,
maar op geen andere wijs gevonden kunnen worden.--Ziet gij nu, mijn
vriend! dat wij deze wetenschap noodig hebben, daar zij de ziel dwingt,
om door het denken alleen naar de zuivere waarheid te streven?--Ja;
want dat doet zij krachtig.--En hebt gij nu wel hierop gelet, dat zij,
die aanleg voor het rekenen hebben, in alle studie vlug schijnen, en
dat minder vluggen, zoo zij daardoor ontwikkeld en geoefend worden,
althans alleen dit er bij winnen, dat de scherpte van hun oordeel
vermeerderd wordt?--Dat is zoo.--Gij zult dan ook, geloof ik, niet veel
wetenschappen vinden, die bij het leeren en bestuderen meer inspanning
vorderen[135].--Zeker niet.--Om al deze redenen moeten wij dus die
studie niet laten varen, maar er de menschen van den besten aanleg in
oefenen.--Toegestemd!--
IX. Dit vak mogen wij dus vaststellen; maar laat ons nu nagaan, of het
daarop volgende ons past.--Wat? Meent gij welligt de meetkunst?--Juist
geraden.--Ten opzigte van de krijgskunst past zij ons natuurlijk;
want in het opslaan van legerplaatsen, en het opmeten van gronden,
en het bijeentrekken of uitbreiden van troepen, en wat verder voor
gedaanteveranderingen in den strijd of op marsch met de legers
voorvallen, heeft een kenner der meetkunst heel wat vooruit.--Ja, maar
voor die dingen is een weinig meetkunst voldoende; doch wij moeten
nagaan, of eene diepere kennis van hare hoogere deelen ook de strekking
heeft om de beschouwing der idee van het goede gemakkelijk te maken.
Wij vonden immers die strekking in alles, wat de ziel noodzaakt zich
naar dat gebied te keeren, waarop het heerlijkste van het wezenlijk
zijnde, wat zij volstrekt zien moet, gevonden wordt.--Juist.--Als
zij dus noodzaakt het wezen te beschouwen, past zij; en als zij het
ontstaan en vergaan doet beschouwen, past zij niet.--Juist.--Nu zullen
allen, die maar een weinig in de meetkunst zijn gevorderd, ons wel
toestemmen, dat het met deze wetenschap heel anders staat, dan er over
gesproken wordt door hen, die haar beginnen te leeren.--Hoe dat?--Dezen
spreken er gek en bekrompen over, alsof zij alleen voor het dadelijk
gebruik lijnen en figuren trokken, enz., terwijl toch die geheele
studie om de wetenschap zelve plaats heeft.--Juist.--Nu moeten wij het
hier nog over eens worden.--Waarover?--Dat het bij haar te doen is om
de wetenschap van het altijd zijnde, niet om die van hetgeen ontstaat
en vergaat.--Daarover worden wij het ligt eens; want de meetkunst is
zelve de wetenschap van het altijd zijnde.--Dus, mijn waarde! is zij
ook een middel om de ziel naar de waarheid te trekken, en den geest
van den wijsgeer te nopen om zich naar boven te rigten; en niet, zoo
als nu verkeerdelijk geschiedt, naar beneden.--Daarvoor is zij een
krachtig middel.--Dan moeten wij ook zoo veel mogelijk zorgen dat
in onzen goeden staat de meetkunst niet verwaarloosd worde, te meer
daar zij buitendien nog groote nuttigheid heeft.--Welke?--Vooreerst,
zoo als gij reeds gezegd hebt, voor den oorlog; en dan weten wij ook,
dat in het beter vatten van alle andere wetenschap een kenner der
meetkunst oneindig veel boven een niet kenner vooruit heeft[136].--Ja
waarlijk!--Dit is dus het tweede studievak, dat wij aan de jongelingen
voorschrijven.--Ja.--
X. Willen wij nu als derde de sterrekunde zetten, of hoe denkt gij
daarover?--Ik vind het goed, want het vaardig berekenen van uren,
maanden en jaren komt niet slechts voor landbouw en scheepvaart,
maar ook voor de krijgskunst te pas.--Het heeft er veel van, of gij
de menigte vreest, en den schijn vermijden wilt, dat gij nuttelooze
studievakken voorschrijft. Het is dan ook niet gemakkelijk maar
moeijelijk in te zien, dat door al die studievakken een zintuig der
ziel wordt gezuiverd en hersteld, hetwelk door de andere bezigheden
bedorven en verstompt werd, en meer verdient gered te worden dan
duizend oogen; dewijl slechts daardoor de waarheid kan gezien worden.
Zij nu, die er evenzoo over denken, zullen u van harte toestemmen; maar
zoo velen als hiervan geen denkbeeld hebben, zullen u waarschijnlijk
geheel afvallen, daar zij hierin geen ander noemenswaardig voordeel
zien kunnen. Bedenk u dan eens spoedig, tot wie van beiden gij
spreekt; of liever, of gij wel tot een van beiden het woord rigt,
en niet grootendeels voor u zelven redeneert, zonder het evenwel
anderen te misgunnen, zoo zij er eenige winst meê doen kunnen.--Ik
kies het laatste; dat ik grootendeels voor mij zelven spreek en vraag
en antwoord.--Komaan! dan moeten wij terug, want wij hebben hetgeen
op de meetkunst volgt niet goed genomen.--Hoe dat?--Terstond na het
vlak[137] hebben wij het ligchaam in beweging genomen, voordat wij het
op zich zelf genomen hadden; maar het regte is na den tweeden trap den
derden te nemen. Deze nu is de vorming der kuben en in ’t algemeen der
ligchamen.--Dat is waar. Maar ~Socrates~! dit is, naar het schijnt, nog
niet gevonden.--Daarvoor is een dubbele oorzaak; én omdat geen staat
het in eere houdt en het moeijelijk is, wordt er traag naar gezocht; én
die er naar zoeken hebben geen leidsman, zonder wien het zwaar is te
vinden, en die zich ook niet ligt zal opdoen; en als hij er was, door
hen, die er naar zoeken, uit verwaandheid niet ligt zou gevolgd worden.
Wanneer echter een geheele staat die leiding op zich nam en het vak in
eere hield, zouden zij wel volgen, en als het aanhoudend met inspanning
gezocht werd, zou het wel ontdekt worden; daar het ook tegenwoordig,
hoezeer door de menigte veracht en tegengewerkt, door hen, die er naar
zoeken, niettegenstaande dat zij er geen nut van kunnen aanwijzen,
omdat het zoo vermakelijk is, wordt uitgebreid, en dus misschien
wel kan gevonden worden.--Vermakelijk is het zeker. Maar zeg mij
duidelijker, wat gij gezegd hebt. Gij noemdet immers de leer van het
vlak meetkunst?--Ja, zeide ik.--En eerst hebt gij terstond daarachter
de sterrekunde gezet, maar later zijt gij weêr teruggegaan.--Door
mij te haasten om alles met spoed af te handelen, vorder ik juist
minder; want de leer der ligchamen, die eigenlijk aan de beurt lag,
heb ik, omdat zij nog niet gevonden is, overgeslagen, en terstond na
de meetkunst de sterrekunde, die de ligchamen in beweging beschouwt,
geplaatst.--Juist.--Als vierde studievak moeten wij dan de sterrekunde
stellen, in de hoop, dat het nu ontbrekende vak door bemoeijing van
staatswege zal gevonden worden.--Goed. En, ~Socrates~! daar gij mij
straks beknord hebt, dewijl ik de sterrekunde om gemeene redenen prees,
wil ik ze thans in uwen geest prijzen. Want het is, geloof ik, voor
ieder duidelijk, dat zij den geest naar boven doet zien, en hem van
de dingen hier beneden aftrekt.--Misschien is dit voor alle anderen
duidelijk; maar voor mij nog niet.--Wat?--Zoo als de tegenwoordige
leermeesters der wijsbegeerte haar aanpakken, vind ik, dat zij
bijzonder naar beneden doet zien.--Wat zegt gij?--Gij hebt een aardig
begrip van dat naar boven zien; want gij schijnt te meenen, dat, als
iemand iets ziet, dat op een dak van een huis staat, hij dit met zijn
geest en niet met zijne oogen beschouwt. Misschien hebt gij gelijk, en
heb ik het mis. Ik echter kan mij geen studievak als den geest naar
boven trekkend denken behalve zulk een, dat het wezen en het onzigtbare
behandelt, hetzij iemand dat naar boven ziende of met het gelaat naar
beneden bestudeert: maar zoo hij naar boven ziende iets zinnelijks
leeren wil, dan zeg ik nimmer, dat hij studeert, want die dingen zijn
niet eens een voorwerp van wetenschap; en ook niet, dat zijne ziel naar
boven ziet, maar wel naar beneden, zelfs al poogde hij het achterover
liggende te leeren.--
XI. Ik word met regt beknord, want ik voel, dat ik het verdiend
heb. Maar waarin moet dan volgens u de studie der sterrekunde
verbeterd worden, om aan ons doel bevorderlijk te zijn?--Dat zal ik
u zeggen.--Omdat die lichten in den hemel tot de zigtbare wereld
behooren, moet men ze wel als de schoonste en regelmatigste dingen van
hunne soort beschouwen, maar toch oordeelen, dat zij heel wat minder
zijn dan de ware hemelkringen, die door de ware snelheid en traagheid
in ware getallenverhoudingen worden omgewenteld, en al wat zij bevatten
meêvoeren. Deze kunnen door den geest en het denken gevat worden,
maar niet door de oogen; vindt gij wel?--Wel neen ik.--Dus moet men
die lichten in den hemel als ophelderende voorbeelden bij deze studie
bezigen, alsof men zeer schoon en naauwkeurig door ~Daedalus~ of een
ander schilder geteekende figuren gevonden had. Een meetkunstenaar
toch, deze ziende, zou wel oordeelen, dat zij zeer fraai bewerkt waren;
maar hij zou het gek vinden ze met ernst te bestuderen, om daarin de
ware meetkunstige verhoudingen op te sporen.--Dat zou dan ook al heel
gek wezen.--En denkt gij nu niet, dat een waarachtig sterrekundige
hetzelfde oordeel over de omwentelingen der hemelligchamen zou vellen?
dat hij wel meenen zou, dat de bouwmeester des hemels dezen met al wat
er in is zoo schoon mogelijk heeft zamengesteld; maar dat het toch
dwaas zou zijn te veronderstellen, dat de verhoudingen tusschen nacht
en dag, maanden en jaren, en van dezen tot de sterren, en der sterren
tot elkander voortdurend zóó blijven en nooit veranderen, hoewel de
sterren ligchamelijk en zigtbaar zijn; en dat het dus zaak is daarvan
op allerlei wijze de eigenlijke waarheid te zoeken.--Zoo als ik het nu
van u hoor, moet ik het toestemmen.--Wij moeten dus de sterrekunde,
gelijk de meetkunst, door middel van zuivere redenering behandelen;
en de sterren laten rusten, wanneer wij haar waarlijk beoefenen en
daardoor het denkende deel der ziel van onbruikbaar wezenlijk bruikbaar
maken willen.--Gij schrijft een vrij wat moeijelijker studie voor dan
de sterrekunde tegenwoordig is.--En zóó moeten wij, denk ik, de rest
ook voorschrijven, als wij goede wetgevers zijn zullen.--
XII. Kunt gij u nu nog eenig noodzakelijk studievak te binnen
brengen?--Zoo op het oogenblik niet.--Naar mijn inzien, bestaan er meer
dan ééne soort van beweging. Die allen zou een wijze misschien kunnen
zeggen; maar ik zie er twee.--Welke dan?--Behalve de vermelde zie ik
er eene, die daar tegenover staat.--Welke?--Het schijnt, dat gelijk
de oogen voor de beweging der hemelligchamen, zoo de ooren voor die
der toonen gevormd zijn, en dat deze bewegingen met elkander verwant
zijn; zoo als de Pythagoreërs zeggen[138], en wij, ~Glauco~! immers
toestemmen.--Ja.--Daar dit nu een omslagtig werk is, willen wij hen
vragen, hoe zij er over denken, en of zij er nog meer van weten; maar
wij willen bij dit alles ons beginsel in het oog houden.--Welk beginsel
meent gij?--Om onze kweekelingen geene nog onvoltooide wetenschap te
laten leeren, of die niet op het doel uitloopt, waarop alles moet
uitloopen, gelijk wij daareven van de sterrekunde gezegd hebben. Of
weet gij niet, dat ook de toonkunst op gelijke wijs wordt behandeld?
Want de klanken en toonen, die gehoord worden, tegen elkander
afmetende, doen hare beoefenaars een even onvruchtbaar werk als de
sterrekundigen.--Ja, bij de Goden! het is bespottelijk, hoe zij van
herhalingen van toonen spreken, en hunne ooren toesteken, als om hunne
buren te beluisteren, en hoe sommigen zeggen tusschen twee toonen nog
een middelklank met een zeer klein verschil aan weerskanten te hooren,
en anderen daarentegen beweren geen verschil waar te nemen, terwijl
beiden hunne ooren meer dan hun verstand vertrouwen.--Gij spreekt daar,
geloof ik, van die helden, die de snaren martelen en met schroeven
pijnigen. Om dit nu niet langer te rekken, en te beschrijven, hoe zij
met de citherpen tokkelen, en wat zij al van de snaren beweren, zal ik
maar kortelijk zeggen, dat ik hen niet hebben moet, maar de anderen,
die wij zeiden, over de toonkunst te zullen raadplegen. Genen toch doen
als de sterrekundigen; want zij zoeken de verhoudingen der hoorbare
toonen, in plaats van het tot zuivere redenering te brengen, en na te
gaan, welke getallen eene goede verhouding met elkander hebben, en
welke niet, en waarom.--Gij noemt daar een drommelsch werk.--Ja maar
een nuttig, althans voor het onderzoek naar het waarlijk schoone en
goede; als het anders wordt beoefend, is er weinig nut in.--Dat geloof
ik ook.--
Nu geloof ik, dat als deze studievakken met het oog op hun verband
en hunnen zamenhang beoefend worden, en vooral het aan allen
gemeenschappelijke wordt opgevat, hunne beoefening nader brengt
tot ons doel, en een vruchtbare studie is, anders niet.--Dat begin
ik ook te vermoeden; maar ~Socrates~! dat is een verschrikkelijk
werk.--Die inleiding? of wat meent gij? wij weten toch wel, dat dit
alles nog maar inleiding is tot de eigenlijke studie. Want zij,
die dit alles verstaan, zijn immers nog geen redeneerkundigen.--Op
enkele uitzonderingen na, waarlijk niet.--Maar die nu niet kunnen
redekavelen, zullen die ooit dat te weten komen, wat wij zeggen,
dat zij weten moeten?--Wel neen.--~Glauco!~ wij zijn dan nu tot het
eigenlijke studievak, tot de wijsgeerige redekaveling, gekomen,
die, zoo als wij zeiden[139], in de zigtbare wereld wordt afgebeeld
door het gezigtsvermogen, dat met schimmen niet tevreden de levende
wezens en de sterren, en eindelijk de zon zelve poogt te aanschouwen.
Evenzoo toch streeft hij, die de wijsgeerige redekaveling begint te
beoefenen, zonder hulp der zinnen, met de rede alleen, naar het
ware wezen van alle dingen; en als hij niet ophoudt, voor hij met
het zuivere denken de ware wezenheid van het goede gevat heeft, dan
is hij tot den hoogsten trap in het denkbare gekomen, zoo als gene
in het zigtbare.--Juist.--En noemt gij dien arbeid niet wijsgeerige
redekaveling?--Natuurlijk.--
XIII. Zoo als dus in onze gelijkenis die gevangene van de boeijen werd
losgemaakt, en van de schaduwen naar de beelden en het licht gekeerd,
en verder uit het hol werd naar boven gebragt, en daar eerst de dieren
en planten en het zonnelicht niet zien kon, maar met hunne afschijnsels
in het water moest beginnen; zoo beginnen wij hier met goddelijke
afschijnsels en schaduwen van hetgeen wezenlijk is, niet van beelden,
welke schaduwen door een licht, dat tot het ware licht staat als het
licht daar beneden tot de zon, veroorzaakt worden; en deze geheele
beoefening der opeenvolgende studievakken heeft de strekking om het
beste deel der ziel tot het aanschouwen van het beste der wezens op te
leiden, zoo als in de gelijkenis het scherpste zintuig des ligchaams
tot het helderste der ligchamelijke dingen in de zigtbare wereld
werd opgeleid.--Ik stem het u toe; want het schijnt wel moeijelijk
om toe te stemmen, maar het is toch aan den anderen kant moeijelijk
hieraan zijne toestemming te weigeren. Laat ons evenwel, daar wij
deze redenering toch niet slechts eens hooren maar naderhand dikwijls
herhalen moeten, voor het oogenblik stellen, dat het gesprokene waar
is, en nu het eigenlijke studievak evenzoo gaan doorloopen als wij de
inleiding gedaan hebben. Zeg dan nu, hoe de wijsgeerige redekaveling
moet behandeld worden, en welke hare onderdeelen en verschillende
wijze van toepassing zijn: zij toch brengt ons tot ons eigenlijk
doel, en als wij dáár gekomen zijn, kunnen wij van onzen arbeid en
onze reis uitrusten.--Mijn beste ~Glauco~! dat zult gij nog niet
kunnen volgen, anders zou ik bereidwillig wezen, en dan zoudt gij
niet langer beelden zien, maar, gelijk ik geloof, de waarheid zelve.
Of nu mijne denkbeelden daaromtrent goed zijn, komt er minder op
aan; maar, dat het iets dergelijks is, kunnen wij vaststellen, niet
waar?--Ongetwijfeld.--En ook dat de wijsgeerige redekaveling het
slechts aan hem kan aantoonen, die in het aangewezene bedreven is,
anders niet.--Ook dat kunnen wij vaststellen.--Ieder zal ons dan nu
wel toestemmen, dat geen andere studie de wezenheid van alle dingen
volgens een geregeld plan naspoort, maar dat alle andere wetenschappen
en kunsten, óf op de meeningen en begeerten der menschen gerigt
zijn, óf op het verplegen van hetgeen ontstaat en wordt zamengesteld
betrekking hebben; en wij zien, dat de overige, die wij zeiden, dat
eenig deel van het wezenlijke vatten, de meetkunst en hare zusters,
ten opzigte van dat wezenlijke droomen en niet tot de helderheid van
het waken komen kunnen, zoo lang zij op onderstellingen bouwen, die
zij niet aanroeren en niet kunnen bewijzen. Hij toch, die van hetgeen
hij niet weet uitgaat, en zijn geheele verdere redenering aan dat
onbekende vastknoopt, moge van zijne leer overtuigd zijn, maar heeft
toch eigenlijk geen wetenschap.--Volstrekt niet.--Dus gaat alleen de
wijsgeerige redekaveling dezen weg, dat zij die onderstellingen tot
haren grond terugbrengt; en zij trekt het oog der ziel, dat in eene
soort van slijkpoel verzonken is, zachtjes daaruit op, en bedient
zich daarbij van de hulp dier vakken, die wij uit gewoonte vaak
wetenschappen noemen, hoewel zij een naam moesten hebben tusschen
wetenschap en meening in. Vroeger hebben wij ze, meen ik, tot de
verstandskennis gerekend. De naam doet er echter minder toe, daar wij
vrij wat belangrijker dingen te onderzoeken hebben.--Och neen, als hij
maar duidelijk genoeg onze denkbeelden uitdrukt.--
XIV. Het bevalt u dus nog even als vroeger, het eerste deel redekennis,
het tweede verstandskennis, het derde geloof, en het vierde vermoeden
te heeten; en de twee laatste te zamen meening, de twee eerste te zamen
wetenschap; en dat de meening op het ontstaan en vergaan, de wetenschap
op het wezen gerigt is; en dat het wezen staat tot het ontstaan en
vergaan, als de wetenschap tot de meening, als de redekennis tot het
geloof, en als de verstandskennis tot het vermoeden. Doch, ~Glauco~!
laat ons den grond van deze tweeledige verdeeling van meening en
kennis maar laten rusten, om nu niet in een nog wijdloopiger onderzoek
te vervallen.--Het zij zoo, maar de rest komt mij, zoo ver ik u
volgen kan, juist voor.--Noemt gij dan ook niet hem een wijsgeer,
die van ieder ding het wezen zoekt te vatten; en zegt gij niet, dat
hij, die ergens geen reden van geven kan, in zoo verre geen kennis
heeft?--Natuurlijk.--En is het nu niet evenzoo met het goede; dat
hij, die de idee van het goede niet kan bepalen en van al het andere
onderscheiden, en zijne wetenschap, (niet zijne meening) daaromtrent
tegen alle tegenwerpingen handhaven, dat hij noch het goede zelf noch
iets goeds kent, maar, zoo hij al een beeld er van vatten mag, dit door
meening, niet door wetenschap doet, en zijn leven droomend en half
slapend doorbrengende, niet wakker wordt voor hij bij zijn sterven
geheel inslaapt?--Waarlijk, daar ben ik het geheel mede eens.--Gij
zoudt dan, geloof ik, aan uwe zonen, die gij nu al sprekend opvoedt en
onderwijst, zoo gij ze eens werkelijk moest opvoeden, niet toelaten,
voordat zij tot redekennis gekomen waren, den staat te besturen en de
belangrijkste dingen in handen te nemen.--Zeker niet.--Gij zult dan bij
de wet vaststellen, dat zij zulk eene opvoeding moeten bekomen, als
hen het meest voor de wijsgeerige redekaveling kan geschikt maken.--Die
wet zullen wij te zamen vaststellen.--Vindt gij nu niet, dat de
wijsbegeerte de kroon is der wetenschappen, en dat geene wetenschap
boven haar moet gesteld worden; zoodat wij nu de reeks der studievakken
voleindigd hebben?--Ja zeker.--
XV. Nu is ons nog over te bepalen, aan wie wij die studie zullen
voorschrijven en op welke wijs.--Weet gij nu nog, wie wij vroeger
voor overheidsposten hebben uitgekozen[140]?--Wel zeker.--Houd het
er dan voor, dat wij nu in de meeste punten dezelfde soort van
menschen moeten uitkiezen; want wij moeten aan de standvastigsten en
moedigsten en zooveel mogelijk aan de schoonsten de voorkeur geven;
en daarenboven moeten wij niet slechts edele en strenge karakters
zoeken, maar zij moeten ook dien aanleg hebben, die voor deze opleiding
geschikt is.--Te weten:--Zij moeten ijver voor de studie hebben en
niet moeijelijk leeren, want de zielen verliezen veel ligter den moed
bij zware studie dan bij zware ligchaamsoefeningen, daar de eerste
haar meer van nabij treft, en niet mede door het ligchaam gedragen
wordt.--Dat is waar.--Wij moeten ook menschen zoeken van een goed
geheugen, en geestkracht, en lust voor arbeid in het algemeen. Of
gelooft gij wel, dat bijna iemand, én tot ligchamelijken arbeid, én
bovendien tot zoo groot eene studie en geestinspanning zal genegen
zijn?--Zeker niemand, die niet van bijzonder goeden aanleg is.--De
dwaling, die de wijsbegeerte in verachting deed komen, is dan ook
daaruit ontstaan zoo als wij vroeger zeiden[141], dat onwaardigen
haar aanvatten; want geen bastaarden maar wettiggeborenen hebben
daar het regt toe.--Hoe meent gij?--Vooreerst moet hij, die haar zal
aanvatten, niet mank gaan in arbeidzaamheid, en half arbeidzaam,
half traag zijn. Dit nu heeft plaats, wanneer iemand wel houdt van
ligchaamsoefeningen en jagt en andere ligchamelijke inspanning, doch
niet leergierig is, noch gaarne hoort en onderzoekt, maar zich hiervoor
niet wil inspannen. Ook is hij mank, die zijne arbeidzaamheid naar
den anderen kant gewend heeft.--Dat is volkomen waar.--En moeten wij
niet evenzoo met betrekking tot de waarheid eene ziel voor gebrekkig
houden, die wel van opzettelijke leugens afkeerig is, en ze ook in
anderen niet duldt, maar niet-opzettelijke gemakkelijk verdraagt, en
niet verdrietig wordt, zoo zij blijkt onwetend te wezen, maar zich als
een zwijn met onwetendheid bemorst.--Ongetwijfeld.--En ook ten aanzien
van ingetogenheid, moed, onbekrompenheid en alle andere deelen der
deugd moeten wij niet minder onderscheid maken tusschen den bastaard
en den echten. Want wanneer enkele menschen of staten dat alles niet
weten na te gaan, dan geven zij, zonder het te merken, aan manken en
bastaarden, als aan vrienden of overheden, vaak de belangrijkste dingen
in handen.--Dat gebeurt dikwijls genoeg.--Op dat alles nu moeten wij
passen; want als wij gezonden naar ligchaam en ziel tot zulke studie
en oefening brengen, dan zal de regtvaardigheid zelve niets op ons te
zeggen hebben; en wij zullen den staat en de burgers behouden: maar
brengen wij gebrekkigen derwaarts, dan doen wij juist het tegendeel en
wij maken de wijsbegeerte nog meer bespottelijk.--Dat zou heel leelijk
zijn.--Of het. Maar ik heb mij daar gek aangesteld.--Hoe zoo?--Wel,
ik dacht er niet aan, dat hetgeen wij doen maar spel is, en sprak met
te veel ernst. Onder het spreken toch dacht ik, hoe de wijsbegeerte
mishandeld wordt, en maakte mij boos op de schuldigen, en daardoor
heb ik, misschien wat al te ernstig gesproken.--Voor mij als hoorder
volstrekt niet.--Ja maar wel voor mij als spreker. Doch laat ons nu dit
niet vergeten, dat wij bij onze vorige keus oude lieden[142] kozen,
en dat dit nu niet gaan kan. Want ik geef aan ~Solon~ niet toe, dat
iemand ook in zijnen ouderdom veel kan leeren; daar studie hem dan nog
zwaarder dan loopen valt, en alle groote inspanning voor jonge menschen
past.--Dat spreekt.--
XVI. Het rekenen nu en de meetkunst en alle verdere tot de wijsbegeerte
voorbereidende vakken moeten wij hun in hunne jeugd meêdeelen, en bij
dat onderwijs allen dwang vermijden.--Waarom?--Omdat een vrij mensch
geene wetenschap met dwang moet leeren; want gedwongen ligchaams-arbeid
maakt het ligchaam niet slechter, maar in de ziel blijft niets hangen,
dat met dwang geleerd wordt.--Dat is waar.--Derhalve, mijn vriend!
moeten de kinderen die vakken niet met dwang maar al spelende leeren,
opdat tevens des te beter ieders aard zigtbaar worde.--Dat laat
zich hooren.--Herinnert gij u nu nog, dat wij zeiden, de kinderen
op paarden als toeschouwers naar den oorlog te zullen brengen, en
ze, als er geen gevaar was, dien van nabij te zullen laten zien, om
hen als jonge honden bloed te laten proeven[143]?--Wel zeker.--Wie
zich nu bij al deze inspanning, studie, en verschrikking bijzonder
goed houdt, moet van de anderen worden afgezonderd.--Op welken
leeftijd?--Wanneer zij van de gedwongene ligchaamsoefeningen ontslagen
worden. Want zoo lang zij daarmede bezig zijn, kunnen zij niets anders
doen; want vermoeijenis en slaap is hinderlijk bij het leeren, en
het is ook van niet weinig belang na te gaan, hoe ieder zich van de
ligchaamsoefeningen kwijt.--Natuurlijk.--Vervolgens, na den ouderdom
van twintig jaren, moeten die uitverkorenen boven de anderen geëerd
worden, en de vakken, die de kinderen meer door elkander leerden,
moeten voor hen zoowel onderling als met de wezenheid van het zijnde in
verband gebragt worden.--Alleen zulke studie is dan ook van blijvend
nut voor wie ze vatten kan.--En het is ook eene belangrijke proef, om
een wijsgeerig karakter aan te kennen; want die dit onderlinge verband
kunnen vatten, zijn wijsgeerig van aanleg, de anderen niet.--Dat
vind ik ook.--Dus moet gij, dit in het oog houdende, nagaan, wie
onder hen het meest zoodanig zijn, en in de studie, den oorlog en wat
verder wordt voorgeschreven bestendigheid aan den dag leggen; en deze
moeten, wanneer zij dertig jaren achter den rug hebben, weder uit de
uitverkorenen worden afgezonderd, en aan de proef onderworpen, of zij
zonder hulp van oogen en andere zintuigen door zuivere redenering
het waarachtig zijnde kunnen vatten. En hierbij moet gij bijzonder
voorzigtig zijn, mijn vriend!--Hoe zoo?--Merkt gij niet, hoe groot
een kwaad tegenwoordig een gevolg van het redekavelen is?--Wat
bedoelt gij?--De menschen worden er losbandig door.--Dat is maar al
te waar.--En vindt gij dat nu zoo vreemd en onverschoonlijk?--Hoe
meent gij dat?--Bij voorbeeld: wanneer een ondergeschoven kind in veel
rijkdom, een aanzienlijk geslacht en veel vleiers was opgevoed, en
volwassen geworden ontdekte, dat hij niet van die ouders was, die er
zich voor uitgaven, en ook zijne ware ouders niet vinden kon; hoe denkt
gij dan wel, dat hij jegens die vleiers en jegens zijne voorgewende
ouders zou gezind wezen, én terwijl hij van dit onderschuiven nog
onkundig was, én terwijl hij het wist? Wilt gij eens hooren, wat ik
er van denk?--Gaarne.--Ik denk, dat, zoo lang als hij de waarheid
niet wist, hij zijn zoogenaamde ouders en andere betrekkingen boven
de vleiers zou vereeren, en ze minder zou in den steek laten, als zij
hem noodig hadden, en hen in woorden en daden meer zou ontzien, en in
belangrijke dingen meer naar hunnen raad dan naar dien der vleiers
zou luisteren.--Dat is waarschijnlijk.--Maar als hij nu de waarheid
te weten kwam, dan denk ik, dat hij zou ophouden hen te vereeren en
te ontzien, en zich meer naar die vleiers zou heenneigen, en hun meer
dan vroeger gehoor geven en naar hunnen raad handelen en onbeschroomd
met hen omgaan, maar zich, zoo hij niet heel edel dacht, om zijn
voorgewende ouders en andere betrekkingen volstrekt niet meer zou
bekommeren.--Het zou juist gaan, zoo als gij zegt. Maar wat heeft die
gelijkenis met het redekavelen te maken?--Dat zal ik u zeggen. Van
kinds af hadden wij meeningen over regt en deugd, waaraan wij steeds
als aan onze ouders gehoor gaven en eere bewezen.--Dat is zoo.--En zijn
er nu geen andere, daarmeê strijdende, vermaak belovende handelingen,
die onze ziel vleijen en tot zich lokken, maar op goede menschen geen
invloed hebben, daar zij hunne voorvaderlijke meeningen vereeren en
er zich naar rigten?--Wel zeker.--Wanneer nu aan een braaf mensch, op
dit standpunt, gevraagd wordt, wat schoon is, en zijne daaromtrent
gevestigde meening door de redekaveling weêrlegd wordt, en hij door
herhaalde weêrlegging tot de overtuiging komt, dat dit geen zier
meer schoon is dan leelijk, en wanneer ditzelfde ten aanzien van het
regtvaardige en goede en wat hij verder vereerde plaats heeft; hoe zal
het dan met die vereering en gehoorzaamheid gesteld worden?--Die zullen
dan natuurlijk verminderen.--Wanneer hij dan nu die dingen niet meer
als vroeger eerbiedigt, en het ware niet vinden kan, is het dan wel
waarschijnlijk, dat hij in zijne levenswijs voortaan iets anders dan
het vermaak zal beoogen?--Wel neen.--En dan zal het schijnen, dat hij
van ingetogen losbandig is geworden.--Dat spreekt.--
XVII. Is nu hetgeen menschen, die zóó leeren redekavelen, gebeurt,
niet natuurlijk, en verdient het geen verschooning?--Ja zeker, en ook
medelijden.--En moeten wij nu niet, om onze wachters van dertig jaren
voor dat medelijden te bewaren, met de grootste voorzigtigheid die
redekaveling aanvatten?--Ongetwijfeld.--En hoort onder die maatregelen
van voorzigtigheid niet vooral deze, dat zij dezelve niet in hunne
jeugd leeren? want gij weet, geloof ik, wel, dat knapen, wanneer zij
pas iets van het redekavelen geleerd hebben, het als een spelletje
misbruiken en altijd tegenspreken, en hunne leermeesters nabootsende,
anderen weêrleggen, en als jonge honden er vermaak in scheppen, om
hen, met wie zij in aanraking komen, te trekken en te plukken.--Dat is
volkomen waar.--En wanneer zij nu dikwijls weêrlegd worden, en dikwijls
anderen weêrleggen, dan vervallen zij er heel ligt toe, om niets van
hunne vroegere meeningen voor waar te houden, en komen daardoor met
de geheele wijsbegeerte bij anderen in een slechten naam.--Dat is
volkomen waar.--Iemand van meer jaren echter zal zich niet gaarne met
zulke dwaasheid inlaten, maar hem, die redekavelt om de waarheid te
vinden, meer nabootsen dan hem, die voor de grap met het redekavelen
speelt en tegenspreekt; en daardoor zal hij zelf beter worden en
het vak niet in oneer maar in eer brengen.--Juist.--En behoort tot
die voorzorg ook niet het reeds gezegde, dat die redekaveling aan
personen van een ordelijk en bestendig karakter, en niet, zoo als
tegenwoordig, aan een iegelijk, hoe weinig hij er voor deuge, moet
geleerd worden?--Ongetwijfeld.--Vindt gij het nu goed, dat zij zich
als tegenstuk voor de verpligte ligchaamsoefeningen tweemaal zoo lang
uitsluitend met deze zielsoefeningen bezig houden?--Meent gij zes
of vier jaren?--Och, stel het maar op vijf jaar. Want daarna moeten
zij weder in die spelonk neêrdalen, en verschillende posten bij het
leger en de vloot waarnemen, om ook in ondervinding niet beneden
anderen te staan. En ook daarin moeten zij beproefd worden, of zij in
alle omstandigheden standvastig blijven, of niet.--En hoeveel tijd
verlangt gij daarvoor?--Vijftien jaar. En als zij dan vijftig jaar
oud zijn, moeten zij, die getrouw zijn gebleven, en in allen arbeid
en alle studie hebben uitgemunt, eindelijk tot het hoogste gebragt
worden, en wij moeten hen nopen, om het oog hunner ziel te verheffen
tot de bron van alle licht, en het goede zelve gezien hebbende, zich
dat als voorbeeld te stellen, om er den staat en de enkele burgers
en zich zelven naar te vormen, en meest met de wijsbegeerte bezig
zijnde, zich echter ieder op zijne beurt de moeite der staatszaken
te getroosten, en den staat voor deszelfs welzijn te besturen; niet
omdat dit aangenaam, maar omdat het noodig is; en evenzoo weer
anderen hiertoe op te leiden, ten einde even goede wachters van den
staat achter te laten, wanneer zij zelve naar de gelukkige eilanden
verhuizen. En wij moeten op staatskosten voor hen gedenkteekenen en
offers instellen, zoo de ~Pythia~ het goedkeurt, als voor goden; zoo
niet, als voor zalige en heilige menschen.--~Socrates!~ gij hebt die
bestuurders zoo mooi afgebeeld, alsof gij een beeldhouwer waart.--En
de bestuurderessen ook, ~Glauco~! want gij moet in het oog houden,
dat ik niet méér van mannen gesproken heb dan van vrouwen, voor zoo
ver ook deze hiertoe geschikt zijn.--Dat is goed, daar zij, zoo als
besproken is, alles met de mannen moeten gemeen hebben.--En stemt gij
ook toe, dat hetgeen wij van den staat en de slaatsregeling gezegd
hebben geen hersenschim is, maar, al is het wat moeijelijk, toch in
dat ééne geval uitvoerbaar is, wanneer waarachtige wijsgeeren een staat
in handen krijgen, en wat tegenwoordig roem heet verachtende, het goede
en in ’t bijzonder het regtvaardige boven alles stellen, zich daaraan
dienstbaar maken, en hunnen staat er op inrigten, om dit te laten
bloeijen?--Hoe meent gij dit laatste?--Wanneer zij alle inwoners, die
ouder zijn dan tien jaren, uit de stad naar het land zenden, en de
kinderen, om ze buiten den invloed van de zeden der ouders te houden,
onder hun opzigt nemen, en volgens de levenswijs en de wetten, die wij
besproken hebben, opvoeden. Zoo toch zal onze staatsregeling het snelst
en gemakkelijkst tot stand komen en bloeien, en het volk, dat haar
aanneemt, gelukkig maken.--Zekerlijk; en ik geloof, ~Socrates~! dat gij
goed hebt aangewezen, hoe zij, zoo dit in ’t geheel gebeurt, zal tot
stand komen.--Nu hebben wij, geloof ik, genoeg gezegd, én over deze
staatsregeling, én over den man, die aan haar gelijk is, want hoe die
man wezen moet, is nu klaarblijkelijk.--Dat vind ik ook; en wij kunnen
dit dus als afgehandeld beschouwen.