Voetnoten

[110] ~Plato~ spreekt van den geheelen tijd en de geheele wezenheid,

als wij van den oneindigen tijd en de oneindige wezenheid spreken

zouden. Hij vat dus het begrip van de stellige, niet van de ontkennende

zijde.

Opdat nu niemand zich aan dit vatten van het oneindige stoote, zal ik

hier twee plaatsen uit de _Eerste gronden der Meetkunst, door_ ~J. de

Gelder~ overnemen. Op blz. 43 zegt hij: «Een hoek is eene onbepaalde

platte vlakte, die aan twee kanten, door twee zamenkomende en tot in

het oneindige voortloopende lijnen bepaald of begrensd, maar, aan den

tegenovergestelden kant van het hoekpunt, onbegrensd is. Men heeft

geene oneindig groote stukken papier: men kan ook geene regte lijnen

tot in het oneindige verlengen; _maar men kan dezelve denken_.» En blz.

93, «Met dit verklaarde [over de onmeetbare uitgebreidheden] strijdt

geenszins ons onvermogen, een regte lijn, b. v. tot in het oneindige te

verdeelen; want wij kunnen dit laatste niet om twee redenen: 1^o. omdat

weldra de uitgebreidheden zoo klein worden, dat onze zintuigen dezelve

niet meer kunnen onderscheiden; 2^o. omdat wij buiten dien hinderpaal

toch met het verdeelen niet tot in het oneindige zouden kunnen

voortgaan: _van de mogelijkheid, en wezenlijkheid van het bestaan der

onderling onmeetbare uitgebreidheden overtuigt ons de rede, zonder

dat het in onze magt staat, dezelve in eene figuur of constructie

aanschouwelijk te maken_.» Zie ook ~Ahrens~, _Grondbeginselen der

Mensch- en Zielkunde_, II. 127, 128.

[111] Dit volgende is als ’t ware het afbeeldsel van ~Alcibiades~.

Zie ~Xenophon~, _Gedenkwaardigheden van Socrates_, uit het Grieksch

vertaald, door Prof. ~J. ten Brink~, Boek I. Hoofdst. II.

[112] Toen ~Themistocles~ nog een knaap was, zeide zijn leermeester tot

hem: jonge! gij wordt zeker een uitstekend held of een groot deugniet.

[113] In Athene had volgens de wet niemand het burgerregt, wiens beide

ouders geen burgers waren.

[114] ~Xenophon~, _Gedenkwaardigheden van Socrates_, Boek 1. Hoofdst.

I. 4. en IV. 14. Boek IV. Hoofdst. VIII.

[115] Zie Boek III. Hoofdst. XIX. XX.

[116] Zie Boek IV. Hoofdst. I.

[117] ~Heracliet~ hield het vuur voor het grondelement, waaruit alles

ontstaat, en geloofde, dat alles periodiek uit het vuur ontstaat en

weer tot dat vuur terugkeert. Zie _Handboek voor de Philosophie, ten

gebruike voor Gymnasien en andere voorbereidende scholen. Naar het

Hoogduitsch, van_ ~F. H. J. Albrecht~, blz. 131. Mijne inleiding voor

den _Theaetetus_ blz. 7.

[118] Zie Boek V. Hoofdst. XVIII.

[119] Zie mijne inleiding op den _Phaedo_, blz. 5.

[120] Zie Bock III. Hoofdst. XX.

[121] Zie _Theaetetus_, Hoofdst. II.

[122] Zie _Handboek voor de Philosophie_, van ~Albrecht~ blz. 56-89.

~Nieuwenhuis~, _Quaestiones Logicae_ p. 80-82.

[123] Zie _Opklimmend deel der Wijsbegeerte_. blz. 87. a. 2.

De republiek van Plato · 第 49 / 65 题