Voetnoten

[23] Hier komt dezelfde ironie voor als in den Theaetetus. ~Plato~ laat

hier, om de zwakheid zijner tegenstanders aan te toonen, hunne zaak

door anderen veel beter bepleiten, dan zij zelve konden doen, ten einde

die dan later des te krachtiger te weerleggen.

[24] _Schijn_ beteekent eenvoudig uiterlijke vertooning, zonder dat

daarbij over het innerlijke iets beslist wordt. Die schijnt wat hij

niet is, heeft alleen schijn; die schijnt wat hij is, heeft schijn en

werkelijkheid te gelijk.

[25] Dit spreekt het onmiddellijk voorgaande niet tegen. ~Socrates~

wil niet onderzoeken, of oorlog in het algemeen beschouwd iets

verderfelijks, of iets heilzaams is, maar stelt alleen, dat, daar bij

den oorlog gewoonlijk eene lijdende partij is, die door den oorlog

ongelukkig wordt, een staat moet zorgen, zoo er oorlog uitbreekt, niet

tot de lijdende partij te behooren, en dat daartoe een goed, geoefend

leger vereischt wordt.

[26] Onder deze uitdrukking wordt alles begrepen, wat eenige beschaving

aanbrengt, daar de muzen als de patronessen van allerlei soort van

geestbeschaving werden aangezien. Eigenlijk staat er _muzijk_, maar,

omdat dit woord bij ons meer bepaaldelijk _toonkunst_ beteekent, heb ik

het, uit vrees voor verwarring, niet durven gebruiken.

[27] ~Uranus~ had zijne kinderen in de ingewanden der aarde opgesloten.

Zijn zoon ~Cronos~ strafte hem daarvoor, door uit het ijzer, dat de

aarde met dat doel voortbragt, een zeis te maken, daarmede zijne vader

te ontmannen en hem van den troon te stooten.

[28] ~Cronos~ at zijne kinderen op, maar werd daarom door ~Zeus~, die

door zijne moeder verborgen was, van den troon gestooten en in den

Tartarus geworpen.

[29] Die bij de Mysteriën van ~Eleusis~ wilde ingewijd worden, moest

een zwijn offeren.

[30] De Grieksche schrijvers uiten dikwijls klagten over de jammeren,

waaraan de menschen zijn blootgesteld. Reeds bij ~Homerus~, _Il._ XVII.

446 lezen wij: Onder alle wezens, die op aarde ademen en zich bewegen,

is er geen ongelukkiger dan de mensch.

[31] _Il._ XXIV. 527 sqq.

[32] _Il._ IV. 50 sqq. XX. 1 sqq.

[33] Zie ~Ahrens~, _Grondbeginselen der Mensch- en Zielkunde_, vrij

vertaald door Dr. ~J. Nieuwenhuis~, enz. II. 231, 232.

[34] _Odyss._ XVII, 485 sq.

[35] _Ilias._ II, 1 sqq.

De republiek van Plato · 第 41 / 65 题