I. Toen ik dit gezegd had, meende ik er af te wezen, maar dit was, zoo
als bleek, maar inleiding. Want ~Glauco~, die al wat hij onderneemt
met kracht doorzet, was met het toegeven van ~Thrasymachus~ niet
tevreden, maar zeide: ~Socrates!~ verlangt gij ons in schijn of in
waarheid te overtuigen, dat het in alle opzigten beter is regtvaardig
te zijn dan onregtvaardig?--Natuurlijk in waarheid, zeide ik, zoo
het in mijn vermogen is.--Dan hebt gij uw verlangen nog niet. Want
zeg mij eens: erkent gij het bestaan van een goed, dat ook zonder
de gevolgen om zijne eigene voortreffelijkheid begeerlijk is? zoo
als de blijdschap en de onschadelijke vermaken, die begeerlijk zijn,
al wint men er niets bij dan het oogenblikkelijk genot.--Ja, zeide
ik.--En is er ook niet zulk een, dat wij én om hetzelve én om de
gevolgen begeerlijk achten? zoo als wijsheid, gezigt, gezondheid; die
wij immers om beide redenen begeeren.--Zeker, was mijn antwoord.--En
ziet gij niet, dat er nog eene derde soort van goed is, b. v.
ligchaamsoefeningen, innemen van drankjes, geldwinnen, dat wel niet
zonder bezwaar is, maar ons nut doet, en dus niet om zich zelf maar
om de belooning en de gevolgen begeerd wordt.--Ja, dat is het derde,
maar wat wilt gij daarmede?--Onder welke dier drie soorten stelt
gij de regtvaardigheid?--Onder de schoonste, zeide ik, die én om
zich zelve én om hetgeen er van komt voor waarachtig geluk onmisbaar
is.--Zóó oordeelen toch de meesten niet, maar zij rekenen haar tot de
moeijelijke soort, die om het voordeel en de eer moet gezocht worden,
maar door hare eigene bezwaarlijkheid afschrikt.
II. Ja, dat weet ik wel, en om die zelfde reden wordt zij ook door
~Thrasymachus~ beneden de onregtvaardigheid gesteld; maar ik ben,
naar het schijnt, nog al onbevattelijk.--Komaan, zeide hij, zoo gij
niet van meening veranderd zijt, hoor dan mij ook eens. Ik vind,
dat ~Thrasymachus~ zich veel spoediger dan noodig was door u heeft
laten bezweren, en dat geen van beiden nog goed beredeneerd is; want
ik wenschte wel te hooren, waarin zij eigenlijk bestaan, en welke
werking zij ieder op zich zelve in de ziel uitoefenen; zonder nog te
spreken van belooningen en uiterlijke gevolgen. Dus zal ik, indien
het u goeddunkt, zóó doen. Ik zal de stelling van ~Thrasymachus~
weder opvatten, en vooreerst zeggen, wat men aangaande den aard en
den oorsprong der regtvaardigheid beweert; vervolgens, dat allen, die
haar beoefenen, dit met tegenzin doen, omdat zij noodzakelijk, niet
omdat zij op zich zelve goed is; eindelijk, dat zij hierin regt hebben,
daar het leven van den onregtvaardige veel beter is dan dat van den
regtvaardige; te weten, zoo als men beweert, want, ~Socrates~! ik
ben het daar niet mede eens[23]. Maar ik ben in de war geraakt door
het gepraat van ~Thrasymachus~ en van vele anderen; te meer, daar ik
nog nooit iemand de regtvaardigheid zóó boven de onregtvaardigheid
heb hooren verheffen als ik dat verlang; namelijk zóó, dat zij om
zich zelve geprezen wordt; en ik nog het meeste hoop heb dit van u te
zullen hooren. Daarom zal ik met al mijne krachten de onregtvaardigheid
prijzen, en vervolgens aan u doen zien, hoe ik u de regtvaardigheid
wil hooren prijzen en de onregtvaardigheid laken. Zie eens of dit plan
u bevalt.--Opperbest, zeide ik, want waarover zou een redelijk mensch
liever veel spreken en hooren?--Daar zegt gij goed aan. Hoor dan nu
eerst hetgeen ik het eerste zou zeggen, wat de regtvaardigheid is, en
hoe zij in de wereld is gekomen.
Men zegt, dat van natuur het onregt doen een goed is en het onregt
lijden een kwaad, maar dat het onregt lijden meer in het kwade dan het
onregt doen in het goede uitmunt; zoodat, wanneer de menschen elkander
onregt doen, en tevens onregt lijden, en aldus beiden door ondervinding
leeren kennen, zij, die geen kans zien, om het eerste zonder het
laatste te hebben, hun voordeel zoeken in het maken eener overeenkomst,
om geen onregt te doen en het evenmin te lijden. Dat zij daarom wetten
en overeenkomsten gemaakt, en het door die wetten voorgeschrevene
wettig en regtvaardig genoemd hebben. Dat alzoo de regtvaardigheid is
ontstaan, die tusschen het beste: het ongestraft plegen van onregt, en
het slechtste: het ongewroken lijden van onregt, in het midden ligt.
Dat zij bij gevolg, slechts een middending zijnde, niet omdat zij goed
is bemind, maar slechts uit onvermogen om onregt te doen geëerd wordt;
daar hij, die dit doen kan, en in waarheid een man is, nooit eene
overeenkomst zou willen sluiten, om geen onregt te doen noch te lijden;
want dat hij dan wel gek zou wezen. Dit is dus de geaardheid der
regtvaardigheid, ~Socrates~! en hieruit ontstaat zij volgens deze leer.
III. En dat zij, die haar beoefenen, dit doen, omdat zij tot het
plegen van onregt niet in staat zijn, kan gemakkelijk blijken, zoo wij
in de gedachte aldus doen. Geven wij aan beiden, aan den regtvaardige
en aan den onregtvaardige, de gelegenheid om te doen, wat zij willen,
en laat ons dan eens zien, waar ieder door zijne begeerte wordt heen
gedreven. Dan zouden wij den regtvaardige betrappen, terwijl hij, niet
minder dan de onregtvaardige, zijn best deed, om meer dan anderen te
hebben, daar dit de natuurlijke neiging van alle wezens is, al worden
zij ook door de wet met geweld tot het in acht nemen der gelijkheid
gedwongen. De gelegenheid nu, die ik meen, zou liefst zoo moeten zijn,
als die, welke, naar men zegt, aan ~Gyges~ te beurt viel. Want er wordt
verteld, dat hij een lijfeigen herder was van den Koning van Lydie, en
dat door groote slagregens en eene aardbeving in de streek, waarin hij
weidde, eene spleet in de aarde ontstond. Dat hij, dit met verwondering
ziende, daarin afdaalde, en daar allerlei andere vreemdigheden zag,
en ook een paard van koper, dat hol was en met deuren voorzien,
waardoor hij naar binnen keek, en een lijk zag, dat te groot was voor
een mensch. Dat daaraan verder niets bijzonders was dan een gouden
ring aan de hand, dien hij er afnam en heenging. Dat, toen de gewone
verzameling der herders plaats had, om maandelijks aan den Koning den
staat der kudden te berigten, hij daar ook kwam met zijnen ring aan.
Dat, terwijl hij daar met de anderen zat, hij bij toeval de kas van
den ring naar de binnenste zijde van zijne hand draaide, en dat hij
daardoor onzigtbaar werd voor de aanwezigen, zoodat zij van hem zeiden,
dat hij was heengegaan. Dat hij zich hierover verwonderde en de kas
van den ring weder naar buiten draaide, en daardoor weder zigtbaar
werd. Dat hij, dit merkende, de kracht van den ring beproefde, en dat
het hem altijd gebeurde, dat hij, als de kas naar binnen gekeerd was,
onzigtbaar werd, en, zoo zij naar buiten kwam, zigtbaar. Dat hij, toen
hij dit had waargenomen, wist gedaan te krijgen, dat hij onder de boden
was, die naar den Koning gezonden werden, en dat hij, daar gekomen
zijnde, overspel met de Koningin bedreef, en met hare hulp den Koning
belaagde en vermoordde, en het oppergebied bemagtigde. Zoo er nu twee
zulke ringen waren, en de regtvaardige den eenen, de onregtvaardige
den anderen aandeed, dan zou toch wel niemand zoo onverzettelijk zijn,
dat hij bij de regtvaardigheid bleef, en van zich verkrijgen kon, om
het goed van anderen niet aan te raken, terwijl hij van de volle markt
zonder vrees wat hij wilde kon wegnemen, en in de huizen kon gaan om
gemeenschap te hebben met wie hij wilde, of wien hij wilde te dooden
of uit de gevangenis te halen, enz., daar hij dan als een god onder
de menschen zou rondwandelen. In dat geval zou de een niet anders
doen dan de ander, maar beiden zouden hetzelfde verrigten. En dit is
toch wel een groot bewijs, dat de menschen niet vrijwillig, maar uit
dwang regtvaardig zijn, daar dit op zich zelf geen goed is; want ieder
doet onregt, wanneer hij meent er toe in staat te wezen. Ieder toch
oordeelt, dat op zich zelve de onregtvaardigheid veel voordeeliger is
dan de regtvaardigheid, en daarin heeft hij gelijk, zoo als in deze
leer wordt beweerd; want, zoo iemand zulk eene gelegenheid bekwam, en
dan geen onregt doen, noch het goed van anderen wilde aanraken, dan
zouden zij, die het hoorden, hem heel ongelukkig en gek vinden, maar
hem toch openlijk prijzen en elkander bedriegen uit vrees van zelve
onregt te lijden. Dit staat dus vast.
IV. Om eindelijk beider levenswijs goed te kunnen beoordeelen, zullen
wij liefst den regtvaardige en den onregtvaardige tegen elkander over
stellen. Dit moeten wij zóó doen. Wij moeten bij den onregtvaardige
niets van zijne onregtvaardigheid, en bij den regtvaardige niets van
zijne regtvaardigheid afnemen, maar ons ieder in zijne soort volmaakt
voorstellen. Vooreerst moet dus de onregtvaardige handelen als iemand,
die zijn vak verstaat. Een bekwaam stuurman b. v. of arts ziet in,
wat zijne kunst vermag, en wat zij niet vermag, en onderneemt het
eerste, maar het tweede niet; en indien hij al eens eene fout maakt,
weet hij die te herstellen. Evenzoo moet de onregtvaardige het onregt,
dat hij doen wil, met overleg doen, en daardoor verborgen blijven,
wanneer hij een onregtvaardige, zoo als het hoort, zijn zal. Doch,
zoo hij betrapt wordt, kent hij zijn vak maar half, want de hoogste
onregtvaardigheid bestaat juist in regtvaardig te schijnen, zonder dat
men het is. Dus moeten wij aan den volkomen onregtvaardige de volkomene
onregtvaardigheid geven en er niets afnemen, maar toelaten, dat hij,
hoewel het grootste onregt bedrijvende, zich den grootsten roem van
regtvaardigheid verwerft, en, zoo hij al eens een misstap doet, moet
hij dat kunnen goed maken, door, wanneer hij van onregt beschuldigd
wordt, zich met overtuigende redeneringen vrij te pleiten, en in geval
van nood, geweld te gebruiken, daar hij moed en kracht heeft en over
vrienden en geld kan beschikken.
Nu moeten wij tegenover dezen den regtvaardige stellen als een
eenvoudig en edelaardig mensch, die, zoo als ~Aeschylus~ zegt,
liever goed wil zijn, dan schijnen. Dus ontnemen wij hem den schijn.
Want zoo hij regtvaardig schijnt[24], valt hem om die reden eer en
voordeel te beurt, en dan is het onzeker, of hij zóó is, om de
regtvaardigheid zelve, of om de eer en het voordeel. Daarom moeten wij
hem van alles behalve van zijne regtvaardigheid berooven, en hem in
den tegenovergestelden toestand van den anderen plaatsen; zoodat hij,
zonder eenig onregt te doen, den grootsten schijn van onregtvaardigbeid
heeft; ten einde zijne regtvaardigheid proefondervindelijk te bewijzen,
door zich aan geen kwaden schijn en de gevolgen daarvan te storen,
maar tot den dood bij zijne niet bekende regtvaardigheid te volharden;
opdat, wanneer beiden het hoogste toppunt, de een van regtvaardigheid,
de ander van onregtvaardigheid bereikt hebben, het oordeel gemakkelijk
zij, wie gelukkiger is.--
V. Wel, ~Glauco~! zeide ik, wat hebt gij daar beiden als in eene
afbeelding aanschouwelijk en zonder omwindsels voorgesteld.--Ik heb
mijn best gedaan. Doch daar zij nu zoo zijn, is het, geloof ik, geen
kunst meer, te beredeneren, welk leven ieder moet verwachten. Dat zal
ik dan nu doen. Doch, zoo ik onbetamelijke dingen zeg, ~Socrates~!
geef dan daarvan de schuld niet aan mij, maar aan hen, die de
onregtvaardigheid boven de regtvaardigheid prijzen. Zij zullen zeggen,
dat de regtvaardige gegeeseld, gepijnigd, gebonden, blindgemaakt, en
na allerlei ander kwaad verduurd te hebben, gekruisigd zal worden,
en daardoor leeren zal, dat men liever regtvaardig moet schijnen,
dan zijn. Dat dus de woorden van ~Aeschylus~ veel meer op den
onregtvaardigen passen. Want, dat die, de werkelijkheid en niet het
gepraat der menschen tot maatstaf nemende, liever onregtvaardig wil
zijn dan schijnen, «en in zijnen geest eenen vruchtbaren akker bewerkt,
waaruit wijze plannen ontspruiten.» Dat hij vooreerst, door regtvaardig
te schijnen, overheidsambten bekomt, dat hij vervolgens trouwt met
wie hij wil, zijne kinderen uithuwelijkt, zoo als hij wil, alle
verbindtenissen aangaat, die hij begeert, en daarenboven zijne beurs
vult, daar hij geen zwarigheid ziet in onregtvaardige winst. Dat hij
in twisten en regtsgedingen de overhand behoudt en zijne tegenstanders
meester wordt, en daardoor rijkdom verwerft, en zijne vrienden kan
weldoen en zijne vijanden schaden; en dat hij behoorlijke, ja prachtige
offers en wijgeschenken aan de goden kan geven, en ze dus veel beter
dan de regtvaardige kan dienen; zoodat hij ook natuurlijk aan de goden
veel aangenamer is dan de regtvaardige. Zoo zeggen zij, ~Socrates~!
dat door goden en menschen aan den onregtvaardige een veel beter leven
bezorgd wordt dan aan den regtvaardige.--
VI. Toen ~Glauco~ dit gezegd had, wilde ik er op antwoorden, maar
zijn broeder ~Adimantus~ zeide: ~Socrates!~ gij meent zeker, dat er
al genoeg gezegd is?--Hoe zoo? zeide ik.--Het allernoodzakelijkste
is nog overgeslagen.--Dan moet gij maar aanvullen wat bij uw broeder
ontbreekt. Het door hem gezegde is echter al genoeg, om mij neêr te
werpen en mij te beletten aan de regtvaardigheid te hulp te komen.--Dat
baat niet, zeide hij, dit moet gij ook nog hooren. Wij moeten ook de
redeneringen nagaan van hen, die de regtvaardigheid prijzen en de
onregtvaardigheid laken, opdat hetgeen ~Glauco~, naar ik meen, bedoelt,
nog duidelijker worde.
Ouders en opvoeders zeggen en vermanen hunne kinderen en kweekelingen,
dat men regtvaardig zijn moet, doch prijzen dan de regtvaardigheid
zelve niet, maar het voordeel, dat er uit te halen is, daar een goede
naam de weg is tot posten, rijke huwelijken, en wat ~Glauco~ meer
toeschreef aan den onregtvaardige, die voor regtvaardig doorgaat. Zij
weiden dan alleen wat meer uit over de gevolgen van dien goeden naam,
want zijn zij eens aan de eer bij de goden, dan noemen zij onmetelijke
voordeelen op, die zij zeggen, dat de goden aan de braven geven,
zoo als die goede ~Hesiodus~ en ~Homerus~ zeggen, «dat de goden de
eikenboomen, ten voordeele der regtvaardigen, van boven vruchten, in
het midden honig laten voortbrengen, en dat hunne woldragende schapen
met rijke vruchten beladen zijn, enz.,» of «dat, zoo een goed en
goddelijk Koning de regtvaardigheid vereert, de zwarte aarde hem tarwe
en gerst opbrengt, zijne boomen door de vruchten ombuigen, zijne kudden
niet misdragen, en de zee hem visch oplevert.» En ~Musaeus~ en zijn
zoon ~Eumolpus~ geven nog voortreffelijker belooningen uit naam der
goden aan de regtvaardigen; want zij doen hen in het huis van ~Hades~
aanliggen, en in vrolijke drinkgelagen met kransen op het hoofd den
geheelen tijd dronken doorbrengen, als ware eene eeuwige dronkenschap
de schoonste belooning der deugd. En anderen strekken de belooningen
der goden nog verder uit, want zij zeggen, dat de kindskinderen en het
nageslacht van den deugdzame en regtvaardige zullen bloeijen. Zulke
loftuitingen maken zij op de regtvaardigheid, maar de goddeloozen en
onregtvaardigen dompelen zij in den Hades in een moeras, of laten
ze in een zeef water scheppen; en bij hun leven voorspellen zij hun
een slechten naam en wat ~Glauco~ meer als straffen van hem, die
regtvaardig is, maar onregtvaardig schijnt, heeft opgegeven, dat alles
zeggen zij van de onregtvaardigen, maar verder niets. Dit is dus
hetgeen tot lof en berisping van beiden gezegd wordt.
VII. Daarenboven, ~Socrates~! moet gij nog andere oordeelvellingen over
regtvaardigheid en onregtvaardigheid in het oog vatten, die zoowel bij
dichters als in de taal van het dagelijksch leven dikwijls voorkomen.
Allen zeggen toch uit éénen mond, dat matigheid en regtvaardigheid wel
schoon, maar moeielijk en lastig zijn; doch, dat ongebondenheid en
onregtvaardigheid aangenaam en ligt verkrijgbaar, en slechts door de
meening der menschen en de gewoonte schandelijk zijn. En de meesten
oordeelen, dat onregtvaardigheid meer winst geeft dan regtvaardigheid,
en zijn bereid slechte menschen, zoo zij rijk en magtig zijn, gelukkig
te noemen, en hun zoowel in ’t openbaar als ieder voor zich eer te
bewijzen, maar zwakken en armen te verachten en over het hoofd te zien,
al erkennen zij ze ook voor beter dan de anderen. En het vreemdst van
allen is, hetgeen van de goden beweerd wordt, dat de goden dikwijls
aan braven ongeluk en ellende hebben toegedeeld, en aan slechten het
tegenovergestelde. Ook zwerven er bezweerders en wigchelaars rond
aan de deuren der rijken en maken hun wijs, dat zij van de goden het
vermogen gekregen hebben, om door offers en tooverformulieren de
slechte daden van iemand of van zijne ouders met vermaak en feesten te
verzoenen; en, zoo zij hunne vijanden willen schaden, die met weinig
omslag te kunnen benadeelen, of zij regtvaardig of onregtvaardig zijn,
daar zij met bezweringen en geheimzinnige spreuken de goden, zoo als
zij zeggen, kunnen overhalen, om hun ten dienst te staan. En dit
alles bevestigen zij met de getuigenis van dichters, die b. v. van
het gemakkelijke der ondeugd zingen: «De ondeugd kan men ligtelijk in
overvloed bekomen; de weg derwaarts is vlak en zij woont digt in de
buurt: maar de goden hebben het zweet gesteld voor de deugd, en de weg
tot haar is hobbelig en steil.»
Anderen halen ~Homerus~ aan tot getuige voor de mogelijkheid, dat de
menschen de goden van zin doen veranderen, wanneer hij zegt: «Zelfs
de goden zijn te verbidden, en wanneer iemand overtreden of gezondigd
heeft, bevredigt men ze met smeekgebeden, gaven, geloften, plenging van
wijn en offerdamp.»
Ook vertoonen zij vele boeken van ~Musaeus~ en ~Orfeus~,
afstammelingen van de maan of van de Muzen, zooals zij zeggen, volgens
welke zij offers verrigten, en enkele menschen, ja geheele staten, doen
gelooven, dat er verzoening en reiniging is van misdaden door offers en
aangename feesten, die zoowel voor levenden als voor dooden van kracht
zijn, en die zij mysteriën noemen; bewerende, dat zij ons voor alle
kwaad hier namaals vrijwaren, terwijl zij, die deze offers verzuimen,
een schrikkelijk lot te wachten hebben.
VIII. Wanneer wij nu, mijn beste ~Socrates~! letten op al deze
uitspraken over deugd en ondeugd, en over het gevoelen van goden en
menschen omtrent beiden, wat moeten wij dan wel denken, dat de zielen
van leergierige en vlugge jongelingen, die op al wat zij hooren
toevliegen, daaruit voor gevolgtrekkingen zullen maken, aangaande
de meest verkieselijke levenswijs? Waarschijnlijk zou zulk een wel
eens tot zich zelven de woorden van ~Pindarus~ zeggen: «moet ik
door regt of door kromme wegen een hoogen muur binnenkomen, om mij
daarmede zoolang ik leef te omschansen?» Want, naar ik hoor, deugt
de regtvaardigheid zonder den schijn nergens voor, ja veroorzaakt
klaarblijkelijk nadeel en moeite; maar de onregtvaardige, die zich
met een schijn van regtvaardigheid omgeeft, heeft een heerlijk leven.
Daar dus, zoo als de wijzen zeggen, de schijn de waarheid overwint en
meester is van het geluk, moet ik mij daarop geheel toeleggen, en, van
voren eene groote vertooning van deugd makende, achter mijnen rug,
zoo als ~Archilochus~ zegt, een voordeel aanbrengend en slim vosje
verbergen. Maar, zal iemand zeggen, het is niet gemakkelijk altijd
zijne slechtheid verborgen te houden. Nu ja, is daarop ons antwoord,
groote dingen zijn altijd moeijelijk; maar toch moeten wij, om gelukkig
te zijn, volgens het oordeel van ieder, dien weg op. Dan moeten wij
zamenspanningen en verbonden maken, en er zijn ook leermeesters in
de kunst van overreden, die ons de bekwaamheid verschaffen, die wij
in de volksvergadering en voor de regtbank noodig hebben, zoodat wij
door overreding en geweld ons wel van de straf zullen vrijwaren. Maar
tegen de goden helpt geen bedrog of geweld. Welnu, zoo die niet bestaan
of zich niet om de menschen bekommeren, dan behoeven wij geen moeite
te doen om voor hen verborgen te blijven, en zoo zij er zijn en zich
met ons bezig houden, dan kennen wij ze toch slechts uit de dichters,
die hunne afkomst hebben medegedeeld. Edoch diezelfde dichters zeggen,
dat zij door offers en geloften en wijgeschenken kunnen bevredigd en
gewonnen worden. En wij moeten hen òf in beide punten òf in geen van
beiden gelooven. Zoo wij dus gelooven moeten, dan is het zaak onregt
te bedrijven, en van de winst offers te doen. Want regtvaardigen
worden slechts door de goden niet gestraft, maar missen het voordeel
der onregtvaardigheid, doch onregtvaardigen doen winst, en kunnen
door smeekgebeden hunne overtredingen en zonden weer goed maken, en
er alzoo toch behouden afkomen. Doch in den Hades zullen wij, of onze
kindskinderen, straf boeten voor hetgeen hier is misdreven? Och,
mijn vriend! zal hij zeggen, de mysteriën en de goden, die reiniging
verschaffen, vermogen zooveel, gelijk de grootste staten zeggen en de
zonen der goden, die als dichters en profeten zijn opgetreden, ons
leeren.
IX. Op welken grond zouden wij dan nog aan de regtvaardigheid de
voorkeur geven boven de grootste onregtvaardigheid? Immers, zoo
wij die laatste onder een bedriegelijken schijn van deugd weten te
verbergen, zullen wij het in leven en dood, bij goden en menschen naar
onzen zin hebben, zoo als volgt uit de verklaringen van de meeste en
knapste menschen. Hoe is het na al het gezegde mogelijk, ~Socrates~!
dat iemand van eenige geestkracht, rijkdom, ligchaamssterkte of
afkomst de regtvaardigheid wil vereeren, en niet uitbarst in lagchen,
wanneer hij haar hoort prijzen? Wanneer dus iemand kan aantoonen, dat
het gezegde valsch is, en duidelijk inziet, hoe voortreffelijk de
regtvaardigheid is, dan heeft hij echter geduld met de onregtvaardigen
en wordt niet boos op hen, daar hij weet, dat, behalve een enkele, die
door zijnen goddelijken aanleg de onregtvaardigheid verfoeit, of zich
op grond van hetgeen hij weet, daarvan onthoudt, niemand vrijwillig
de regtvaardigheid beoefent, maar door lafheid, of ouderdom, of
eenige andere zwakheid afkeerig is van het onregt, dat hij niet kan
plegen. En dit blijkt vooral daaruit, dat ieder hunner, zoodra hij in
de gelegenheid is, zooveel onregt doet als hij kan. En van dit alles
is geene andere oorzaak dan deze, ~Socrates~! dat, zoo als hij en ik
reeds in den beginne tot u zeiden, van u allen, die de regtvaardigheid
prijst, te beginnen van die wijzen uit den heldentijd, waarvan nog
uitspraken overig zijn, tot op de menschen van onze dagen, nooit iemand
de onregtvaardigheid anders gelaakt of de regtvaardigheid geprezen
heeft dan wegens de schande en straf of de belooning en eer, die er
op volgen; maar de eigenaardige kracht, die ieder van haar, al merken
goden en menschen het niet, in de door haar bewoonde ziel uitoefent,
heeft nooit iemand in gewone taal of in verzen behoorlijk behandeld,
noch aangetoond, dat de eene het grootste inwendige kwaad, de andere
het grootste goed der ziel is. Want zoo gij allen steeds aldus hadt
gesproken, en ons dit van onze jeugd hadt ingeprent, dan behoefde
de een van ons den ander niet in het oog te houden, opdat hij geen
onregt zou doen, maar dan was ieder voor zich de beste bewaker, daar
hij dan vreezen zou, door het doen van onregt, zich zelven ongelukkig
te maken. Dit, ~Socrates~! en misschien nog meer dan dit, zouden
~Thrasymachus~ en anderen over regtvaardigheid en onregtvaardigheid
kunnen zeggen, wanneer zij, op eene wijs, die ik moet afkeuren, de
kracht van beiden verkeerd voorstelden. Maar ik spreek nu, om de
waarheid te zeggen, dit gevoelen zoo goed als ik kan voor, omdat ik
van u het tegendeel wensch te hooren. Beredeneer dan voor ons, niet
alleen, dat de regtvaardigheid beter is dan de onregtvaardigheid, maar
om welken eigenaardigen invloed op hare bezitters, de eene goed, de
andere kwaad moet genoemd worden. En laat de meening van anderen er
buiten, zoo als ~Glauco~ reeds gezegd heeft. Want zoo gij dat verzuimt,
dan moeten wij, daar die meening valsch kan zijn, zeggen, dat gij niet
het regtvaardig zijn, maar het regtvaardig schijnen verheft, en niet
het onregtvaardig zijn, maar het schijnen laakt, zoodat gij ons dan
raadt onregtvaardig te zijn, maar dit verborgen te houden, en het met
~Thrasymachus~ eens zijt, dat regtvaardigheid goed is voor anderen, en
nuttig voor den sterksten, maar het onregt nuttig en voordeelig voor
den pleger zelven, en slechts schadelijk voor den minderen. En daar
gij hebt toegestemd, dat de regtvaardigheid behoort tot het grootste
goed, hetwelk én om de gevolgen, én veel meer nog om zich zelf moet
gezocht worden, b. v. zien, hooren, wijsheid, gezondheid, en wat meer
door zijnen aard, niet door de meening, echt goed is; zoo moet gij
de regtvaardigheid prijzen om het nut, dat zij door zich zelve, in
tegenstelling van de onregtvaardigheid, haren bezitter aanbrengt, maar
het aan anderen overlaten belooningen en meeningen te roemen. Want ik
zou het van anderen nog kunnen dulden, dat zij de regtvaardigheid en
de onregtvaardigheid wegens meening en vergelding prezen en laakten,
maar van u, met uw welnemen, niet, dewijl gij uw geheele leven dóór
juist dit punt hebt onderzocht. Beredeneer ons dan niet slechts, dat
de regtvaardigheid beter is dan de onregtvaardigheid, maar ook, welke
kracht ieder op zich zelve, hetzij goden en menschen haar opmerken of
niet, op haren bezitter uitoefent, en waarom zij dus voor goed of voor
kwaad moet gehouden worden.
X. Ik had altijd veel schik in den inborst van ~Glauco~ en ~Adimantus~
gehad, maar nu was ik vooral met hen ingenomen en zeide: Jongens!
~Critias~ heeft teregt, nadat gij in den strijd bij ~Megara~ roem
behaald hadt, van u gezongen: «Zonen van ~Aristo~, goddelijk geslacht
van dien beroemden man.»
Dit keur ik daarom goed, mijne vrienden! omdat er waarlijk
iets goddelijks in u zijn moet, zoo gij niet gelooft, dat de
onregtvaardigheid, die gij zóó kunt voorspreken, beter is dan de
regtvaardigheid. En dat gij dit niet gelooft, meen ik uit uwe overige
levenswijs te mogen besluiten, want uwe woorden zouden mij haast doen
twijfelen. Des te grooter is echter nu mijne verlegenheid, want ik
zie geen kans om de regtvaardigheid te helpen, en ik geloof, dat ik
daartoe niet in staat ben, daar gij door hetgeen ik meende zoo mooi aan
~Thrasymachus~ bewezen te hebben niet overtuigd zijt, dat zij beter is
dan de onregtvaardigheid; en aan den anderen kant kan ik haar niet in
den steek laten, want ik vrees, dat het goddeloos is de regtvaardigheid
te hooren beschimpen, zonder, zoo lang men nog adem heeft en spreken
kan, hare zaak te bepleiten. Dus is het het beste haar zoo goed te
verdedigen als ik kan. Nu hebben ~Glauco~ en de overigen mij verzocht
haar toch vooral te helpen en de redekaveling niet af te breken, maar
te onderzoeken, wat de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid is, en
hoe het staat met het nut, dat door ieder van haar wordt aangebragt.
Dit onderzoek echter is, naar mijn oordeel, niet van weinig beteekenis,
maar vordert, meen ik, een scherp gezigt. Daar wij nu, zou ik zeggen,
niet bijzonder knap zijn, moeten wij er op dezelfde wijze naar zoeken,
als wanneer ons was opgegeven, terwijl ons gezigt niet zeer scherp
was, kleine letters van verre te lezen: daar het dan, geloof ik,
eene uitkomst zou wezen, zoo wij diezelfde letters grooter en verder
van elkander wedervonden, en dat laatste schrift eerst mogten lezen,
om het eerste er dan meê te vergelijken.--Zeker, zeide ~Adimantus~;
maar, ~Socrates~! weet gij dan zulk een hulpmiddel bij het onderzoek
naar de regtvaardigheid?--Ik zal het u zeggen, zeide ik. Wij zijn
het immers eens, dat de regtvaardigheid zoowel in een enkel mensch
als in eenen geheelen staat gevonden wordt?--Ja.--En is een staat
niet grooter dan een mensch?--Natuurlijk.--Misschien zou dan in het
grootere de regtvaardigheid ook meer in het groot aanwezig zijn, en
dáár gemakkelijker kunnen opgespoord worden. Zoo gij dus wilt, zullen
wij eerst onderzoeken, wat zij in eenen staat is, en vervolgens, met
behulp der vergelijking van het grootere met het kleinere, ditzelfde
bij den enkelen mensch nasporen.--Dat vind ik goed.--Wanneer wij dus
beredeneren, hoe een staat geboren wordt, dan zullen wij ook den
oorsprong der regtvaardigheid en der onregtvaardigheid in hem kunnen
nagaan.--Waarschijnlijk.--En als dat geschied is, hebben wij dan niet
meer kans om hetgeen wij eigenlijk zoeken te vinden?--Veel meer.--Dus
moeten wij zien, of wij dat tot stand kunnen brengen, want ik geloof,
dat het niet ligt is. Vindt gij dat goed?--Ja, zeide ~Adimantus~, dat
moeten wij doen.--
XI. Een staat dan wordt, geloof ik, gegrondvest, omdat ieder onzer aan
zich zelven niet genoeg heeft, maar vele dingen mist. Of houdt gij iets
anders voor de oorzaak, waaruit staten ontstaan?--Wel neen.--Wanneer
dus verscheidene menschen met verschillende behoeften tot vervulling
daarvan bij elkander gaan wonen, om elkander wederzijds te helpen,
dan noemen wij die zamenwoning een staat, niet waar?--Ja.--En dan
geven zij elkander wederzijds, wat zij noodig hebben, omdat zij
daarin voor zich zelve voordeel zien?--Natuurlijk.--Komaan! laat ons
dan eens beredeneren, hoe een staat geboren wordt. De oorzaak van
zijn ontstaan schijnt dus onze behoefte te wezen.--Juist.--En de
eerste en grootste behoefte is wel die van voedsel om het leven te
onderhouden.--Dat spreekt.--En de tweede die van woning, de derde van
kleeding, enz.--Ja.--Maar hoe zal nu een staat tot vervulling dier
behoefte genoegzaam zijn? Immers dan, wanneer er een boer, een die
huizen kan bouwen, een wever, een schoenmaker en nog een paar zulke
menschen gevonden worden?--Juist.--Dus zou een staat op zijn allerminst
vier of vijf burgers moeten hebben.--Dat schijnt zoo.--Maar wat nu?
Moet nu ieder hunner van zijn werk aan allen mededeelen, zoodat b. v.
die ééne boer aan vier menschen voedsel bezorgt, en dus ook, om aan
de anderen te kunnen mededeelen, viermaal zoo veel tijd en moeite aan
den landbouw besteedt; of moet hij zich om hen niet bekommeren, en
voor zich alleen in het vierde van den tijd, dien hij anders noodig
had, een vierde deel van het voedsel aanbouwen, en de drie andere
deelen tot het bouwen van zijn huis en het maken van zijne kleederen
en schoenen besteden, en zijne zaken zelf doen, zonder den last te
hebben van voor anderen te moeten zorgen?--Misschien is het eerste nog
wel zoo gemaklijk, ~Socrates~! zeide ~Adimantus~.--’t Is wel mogelijk,
zeide ik. Want nu gij dat zegt, schiet mij te binnen, dat vooreerst
de een van ons niet volkomen op den ander gelijkt, maar integendeel
de een meer aanleg voor dit, de ander voor dat heeft. Vindt gij dat
ook niet?--Ja zeker.--Maar wat zal nu beter gaan, wanneer één vele
kunsten uitoefent, of ieder ééne?--Ieder ééne.--Daarenboven is het
ook duidelijk, dat, wanneer iemand den geschiktsten tijd voor eenig
werk laat voorbijgaan, dit werk mislukken moet.--Dat is duidelijk.--Ik
zou dan ook denken, dat het werk niet wachten wil tot de werkman tijd
heeft, maar dat de werkman het werk naar behooren en niet als bijwerk
moet waarnemen.--Noodzakelijk.--Derhalve wordt er van alles meer, beter
en gemakkelijker gedaan, wanneer ieder één ding naar zijnen aard en op
den geschiktsten tijd behandelt, zonder zich door wat anders te laten
aftrekken.--Zeker.--Dus, ~Adimantus~! hebben wij, om ons voornemen tot
stand te brengen, ook meer dan vier burgers noodig. Want dan moet,
naar het schijnt, de landman zijn eigen ploeg, zoo hij goed zal wezen,
niet zelf maken, noch zijn zeis, of eenig ander werktuig van landbouw.
En evenzoo de huizenbouwer, want die heeft toch ook verscheidene
werktuigen noodig. En hetzelfde geldt van den wever en den schoenmaker;
niet waar?--Natuurlijk.--Dus zullen timmerlieden, smeden en meer
dergelijke werklieden aan ons staatje deel krijgen en dat volkrijk
maken.--Ongetwijfeld.--Het zal dus geen overdaad zijn, al voegen wij
er ossendrijvers, schapenhoeders en andere herders bij, opdat de
landbouwers voor het ploegen ossen kunnen krijgen, en de huizenbouwers
zoowel als de landlieden lastdieren tot het vervoeren, en de wevers en
schoenmakers huiden en wol.--Als onze staat dat alles heeft, is hij
waarlijk niet klein meer.--Ja maar, zeide ik, het is niet wel mogelijk
hem op zulk eene plaats te stichten, waar hij allen aanvoer van buiten
kan missen.--Dat kan niet.--Dus zijn er nog anderen noodig, die hetgeen
hij behoeft van elders moeten halen.--Ja.--Maar, zoo die dienaars
ledig heengaan, zonder iets mede te nemen, dat noodig is op de plaats,
vanwaar zij die benoodigheden willen halen, dan komen zij ledig weerom;
niet waar?--Dat zou ik ook denken.--Dus moet er bij ons niet slechts
zoo veel gemaakt worden, als voor ons gebruik genoeg is, maar ook zulke
dingen en zoo veel als zij vorderen, wier hulp wij noodig hebben.--Dat
moet.--Dus heeft onze staat meer boeren en werklieden noodig.--Ja.--En
ook andere dienaars, om de waren in- en uit te voeren, namelijk
kooplieden.--Juist.--Dus kunnen wij de kooplieden niet missen.--Wel
neen.--En zoo de handel over zee gevoerd wordt, ook nog menschen, die
verstand hebben van zeezaken.--Ja, nog zeer velen.--
XII. Maar hoe zullen zij nu in den staat zelven elkander de vruchten
van hun werk mededeelen? want juist daarom hebben wij dien toch
gesticht.--Natuurlijk door koopen en verkoopen.--Bij gevolg moet er
eene markt zijn, en geld als middel van ruiling.--Ja.--Maar wanneer nu
een boer of eenig ander werkman eenig voortbrengsel van zijnen arbeid
naar de markt brengt, en niet op denzelfden tijd komt als zij, die
verlangen het van hem in te ruilen, moet hij dan op de markt blijven
wachten en zijn werk verzuimen?--Wel neen, maar dan zijn er, die
dat zien en zich daarvoor aanbieden, en dat zijn in goed ingerigte
staten meestal de zwaksten, en die voor ander werk ongeschikt zijn.
Want zij moeten dáár op de markt blijven en van hen, die iets kwijt
willen zijn, dat voor geld inruilen, om het naderhand weêr voor geld
af te staan aan hen, die het koopen willen.--Daarom moeten er dan in
onzen staat kramers zijn. Want wij noemen zeker hen, die tot gemak
van den handel zich steeds op de markt ophouden, kramers; en hen, die
van den eenen staat naar den anderen reizen, kooplieden.--Ja.--Verder
zijn er, denk ik, nog andere dienaars, die in gaven des geestes
niet bijzonder uitblinken, maar de noodige ligchaamskracht voor den
arbeid bezitten, en naar het loon, dat zij voor het verhuren hunner
ligchaamskrachten ontvangen, den naam krijgen van daglooners, niet
waar?--Ja.--Dus zijn ook de daglooners een noodzakelijk aanvulsel van
den staat.--Zeker.--Maar, ~Adimantus~! zou nu onze staat niet haast
voltooid wezen?--Misschien.--Waar zou er dan nu de regtvaardigheid en
de onregtvaardigheid in gevonden worden, en met welk van de genoemde
bestanddeelen zijn zij er binnen gekomen?--Ik zie het nog niet,
~Socrates~! of het moest zijn met de wederzijdsche betrekkingen der
inwoners.--Misschien hebt gij gelijk, dus moeten wij dat nasporen en
niet vertragen.
Vooreerst moeten wij dus beschouwen, hoe zij zullen leven, als de zaken
alzoo op orde zijn gekomen. Zij zullen dus graan en wijn bouwen, en
kleederen, schoenen en huizen maken, en des zomers meestal naakt en
blootvoets, maar des winters behoorlijk geschoeid en gekleed hun werk
doen. En zij zullen zich voeden door van het graan meel en bloem te
malen en dat te kneden en te bakken, en aldus daarvan allerlei soort
van kostelijk brood te maken, dat zij op schoone bladeren opdisschen,
en, op matrassen van stroo of varen aanliggende, in gezelschap hunner
kinderen nuttigen, terwijl zij wat wijn toe drinken, en met kransen
op het hoofd de goden bezingen, en zich dus in elkanders gezelschap
vermaken. Ook moeten zij zorgen niet meer kinderen te verwekken dan zij
onderhouden kunnen, ter voorkoming van gebrek en oorlog.
XIII. Toen vatte ~Glauco~ het woord op, en zeide: zult gij die menschen
geen toespijs bij hun eten geven.--Dat is ook waar, zeide ik. Ik heb
nog vergeten te zeggen, dat zij ook toespijs zullen hebben, namelijk
zout, en olijven, en kaas, en uijen, en allerlei tuingroenten, die
gekookt worden. En tot lekkernij zullen wij hun vijgen en erwten, en
boonen voorzetten, en myrtenbessen en eikels zullen zij in de asch
braden, en daarbij een slokje drinken. En alzoo zullen zij hun leven
in gezondheid en vrede doorbrengen, en waarschijnlijk oud worden, en
een dergelijk leven aan hunne nakomelingen nalaten.--Hierop zeide
hij: ~Socrates!~ zoo gij een staat van varkens wildet stichten, hoe
zoudt gij ze dan wel anders voederen?--Maar hoe moet het dan zijn,
~Glauco~! zeide ik.--Zoo als het hoort, zij moeten, om geen ellendig
leven te hebben, op bedden aanliggen en van tafels eten, en toespijs
en lekkernijen hebben, zoo als die tegenwoordig te bekomen zijn.--Ook
al goed. Wij onderzoeken dus, naar het schijnt, niet eenvoudig, hoe
een staat, maar hoe een weelderige staat wordt ingerigt. En misschien
is dat wel zoo goed, want door dit laatste er bij te nemen, zullen wij
welligt kunnen zien, hoe de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid in
de staten geboren worden. Naar mijn oordeel is dus de staat, dien wij
beschreven hebben, wel de ware en gezonde; maar zoo gij wilt, dat wij
ook een zieken staat beschouwen, is er niets in den weg. De beschrevene
levenswijs toch is, naar het schijnt, voor velen niet voldoende, maar
er moeten ook tafels zijn en bedden en ander huisraad, en toespijs,
en zalf, en reukwerk, en hoeren, en gebak, en meer dergelijke dingen.
Ook moeten wij dan het eerstgenoemde, namelijk huizen, kleeding en
schoenen, niet voor het alleen noodige houden, maar er de schilder- en
beeldhouwkunst bij halen, en goud en elpenbeen en wat dies meer zij
moeten wij bezitten: niet waar?--Ja, zeide hij.--
XIV. Dus moeten wij den staat ook grooter maken. Want die gezonde
is niet meer groot genoeg, maar hij moet nu nog gevuld worden met
een menigte ballast, die in de staten niet om de noodzakelijkheid
aanwezig is, b. v. allerlei soort van jagers; en allerlei nabootsers
in gedaanten, kleuren, en muzijk; en dichters met hunne dienaars,
b. v. opzeggers van verzen, tooneelspelers, en koorzangers; en
aannemers; en vervaardigers van allerlei huisraad, en van sieraden
voor de vrouwen. Ook hebben wij dan meer dienaars noodig. Of moeten
wij dan geen oppassers van kinderen, kindermeiden, minnen, kappers,
baardscheerders, banketbakkers en koks hebben? En dan mogen er ook
nog wel zwijnenhoeders wezen. Want dat alles hadden wij in onzen
vorigen staat niet, omdat het niet noodig was; maar in dezen moeten
wij dat alles hebben. En ook allerlei vee, dat gegeten wordt, niet
waar?--Natuurlijk.--En geneeskundigen zullen wij dan ook wel meer
noodig hebben, dan bij de vorige levenswijs.--Veel meer.--
En het land, dat toen groot genoeg was, om de menschen, die zóó
leefden, te voeden, zal nu, in plaats van groot genoeg, veel te klein
wezen.--Natuurlijk, zeide hij.--Dus moeten wij, om genoeg land voor ons
vee en onzen akkerbouw te hebben, van dat onzer buren afnemen; en zij
evenzoo van het onze, zoo zij insgelijks naar oneindige uitbreiding
van bezittingen streven, en de grenzen der noodzakelijkheid te buiten
gaan.--Dat is onvermijdelijk, ~Socrates~!--Dus zullen wij ook krijg
voeren, ~Glauco~! niet waar?--Zekerlijk.--Wij willen nu niet zeggen,
dat de oorlog over ’t algemeen goed of kwaad teweeg brengt, maar
alleen dit, dat wij den oorsprong des oorlogs gevonden hebben, en dat,
zoo de burgers van een staat of de staat zelf ongelukkig worden, dit
vooral daaraan te wijten is[25].--Juist.--Dus moet onze staat bij dit
alles geen klein toevoegsel hebben, maar een geheel leger, dat moet
uittrekken en om al onze bezittingen, ook om het laatstgenoemde, met
de vijanden krijg voeren.--Maar kunnen de burgers dat dan zelve niet
doen?--Neen, zoo gij en wij allen ten minste teregt bij het vormen
van den staat zijn overeengekomen, gelijk gij u nog wel herinnert,
dat één mensch onmogelijk vele kunsten goed kan uitoefenen.--Dat is
waar.--En vindt gij nu niet, dat het oorlogvoeren tot de kunsten
behoort?--Wel ja.--En is de schoenmakerskunst van meer belang dan de
krijgskunst?--Wel neen.--Edoch wij hebben den schoenmaker verboden
te gelijk boer, of wever, of huizenbouwer te wezen, opdat het
schoenmakerswerk goed zou gedaan worden; en evenzoo hebben wij aan
ieder der overigen één ding toegewezen, waartoe hij van natuur geschikt
was, en dat hij goed zou uitoefenen, door er zijn heele leven werk
van te maken, en de geschikte tijden niet te verzuimen; en is het dan
niet van het hoogste belang, dat de krijgszaken goed behandeld worden?
of is dat zóó gemakkelijk, dat een boer of schoenmaker, of ander
werkman, te gelijk een krijgskundige kan wezen, terwijl het dammen of
dobbelen slechts behoorlijk kan gedaan worden door iemand, die er van
kindsbeen zijn hoofdwerk van gemaakt heeft? en kan iemand, die een
schild of ander wapen of oorlogswerktuig opneemt, dan zoo maar in eens
allerlei soorten van strijd behoorlijk volbrengen, terwijl toch geen
ander werktuig, zoodra het is opgenomen, de kunst van het te bezigen
aanbrengt, noch bruikbaar is voor iemand, die er niet mede bekend is en
zich niet behoorlijk in deszelfs gebruik heeft geoefend?--Als dat zoo
was, dan zouden die werktuigen wel veel waarde hebben.--
XV. Naarmate dus het werk der wachters van meer belang is, vordert
het meer tijd, en kennis, en oefening.--Dat zou ik ook denken.--En
ook natuurlijke geschiktheid voor die bezigheid.--Stellig.--Dus
moeten wij, zoo wij kunnen, bepalen, welke en hoedanig een aard voor
het bewaken van den staat geschikt is.--Juist.--Waarlijk, dat is geen
kleinigheid; maar wij moeten toch den moed niet laten zakken, zoo
lang wij nog kracht hebben.--Zeker niet.--Maar vindt gij niet, dat
de aard van een goeden wachthond veel overeenkomst heeft met dien
van een knaap van goeden aanleg voor de krijgsdienst.--Hoe meent gij
dat?--Beiden moeten immers scherp van waarneming zijn, en vlug in het
najagen van het waargenomene, en sterk als er na het inhalen moet
gevochten worden.--Ja, dat alles is noodig.--En ook moedig, zoo zij
goed zullen vechten.--Dat spreekt.--En kan een paard, of een hond,
of eenig ander dier, dat niet driftig is, wel moedig zijn? Of hebt
gij nooit opgemerkt, hoe moeijelijk om te bestrijden en te overwinnen
de drift is, en dat, waar die gevonden wordt, de ziel nergens voor
vreest of terugdeinst.--Ja, dat heb ik wel eens opgemerkt.--Dus
is het duidelijk, hoe het ligchaam van den wachter moet gesteld
zijn.--Ja.--En van zijne ziel is het uitgemaakt, dat zij driftig moet
zijn.--Juist.--Maar, ~Glauco~, wanneer zij zulk eenen aard hebben,
zullen zij dan niet lastig voor elkander en voor andere burgers
wezen?--Ongemakkelijk.--Maar het is toch noodig, dat zij zachtmoedig
zijn voor de hunnen, en slechts tegen de vijanden kwaadaardig. Want
zoo dat geen plaats heeft, zullen zij niet wachten tot anderen hen
verdelgen, maar zij zullen dat wel vroeger zelve doen.--Dat is ook
waar.--Wat zullen wij dan doen? Hoe zullen wij eene inborst vinden,
die te gelijk krachtvol en zachtmoedig is? Want driftig en zachtmoedig
staat toch tegen elkander over.--Dat schijnt zoo.--En die één van
beiden mist, kan onmogelijk een goed wachter zijn. Dus stuiten wij dan
op onmogelijkheden, en een goed wachter is onmogelijk.--Dat lijkt
wel.--Geen raad wetende overdacht ik het vorige nog eens, en zeide:
het is geen wonder, mijn vriend! dat wij in de war zijn geraakt, want
wij hebben het ons voorgestelde beeld uit het oog verloren.--Hoe zegt
gij?--Wij hebben niet bedacht, dat er wel degelijk zulke geaardheden
bestaan, die wij onmogelijk noemden, die deze beide eigenschappen
bezitten.--Waar dan?--Zij komen ook wel bij andere dieren voor, maar
vooral bij die soort, waarbij wij den wachter vergeleken hebben.
Want gij weet toch wel, dat honden van edel ras de eigenschap
hebben, dat zij bijzonder zachtzinnig jegens hunne bekenden, en het
tegenovergestelde tegen onbekenden zijn.--Dat weet ik.--Dus is het
gestelde niet onmogelijk, en wij zoeken geen tegennatuurlijke soort van
wachters.--’t Schijnt van neen.--
XVI. Vindt gij nu niet, dat hij, die een goede wachter zijn zal,
behalve driftig, ook wijsgeerig van geaardheid moet wezen?--Hoe dat?
ik begrijp u niet.--Ook dit kunt gij in de honden opmerken, en het is
wel eene merkwaardige eigenschap van dat beest.--Wat?--Dat het boos
wordt op alle vreemden, ook die het nooit kwaad gedaan hebben, en
vriendelijk is jegens alle bekenden, al heeft het er nooit iets goeds
van ondervonden. Hebt gij u nooit daarover verwonderd?--Tot nog toe heb
ik er niet bijzonder op gelet; doch ik erken, dat het waar is.--Maar
dat is toch wel eene aardige en waarlijk wijsgeerige eigenschap.--Hoe
zoo?--Wel, dat het iemand om geen andere reden, dan om bekendheid of
onbekendheid, al of niet met vriendelijkheid of onvriendelijkheid
bejegent. Of is het geen blijk van leergierigheid het eigene en het
vreemde naar de bekendheid of onbekendheid te bepalen?--Ja zeker.--En
is leergierig en wijsgeerig niet hetzelfde?--Ja.--Dus kunnen wij gerust
vaststellen, dat ook een mensch, zoo hij jegens zijne huisgenooten
en bekenden zachtmoedig zal wezen, een wijsgeerigen en leergierigen
aard moet hebben.--Ja.--Dus moet hij, die een goede wachter voor onzen
staat zal wezen, wijsgeerig en driftig, en vlug, en sterk van aanleg
zijn.--Dat is noodig.--Zóó moeten zij dus van aanleg zijn. Maar hoe
moeten zij nu worden groot gebragt en opgeleid? Zou het onderzoek van
dit punt ons ook kunnen helpen om gemakkelijker te vinden wat wij
eigenlijk zoeken, hoe regtvaardigheid en onregtvaardigheid in den staat
geboren wordt? want wij moeten nu niets, dat noodig is, overslaan,
en evenzeer noodeloozen omslag vermijden.--Hierop zeide ~Adimantus~:
ik geloof, dat dit onderzoek ons hiertoe van heel wat nut zal kunnen
zijn.--Komaan, mijn beste ~Adimantus~! zeide ik, dan moeten wij het
niet nalaten, al is het wat heel omslagtig.--Zeker niet.--Dus willen
wij dan, alsof wij eene fabel verdichten, daar wij toch tijd hebben, de
opleiding dier mannen beschrijven.--Dat is goed.--
XVII. Hoe moet dan nu die opleiding wezen? Is het niet moeijelijk
eene betere te vinden dan die door lengte van tijd gevonden is,
namelijk de gymnastiek voor het ligchaam, en de muzenkunst[26] voor
den geest?--Juist.--En moeten wij hen niet eerst door de muzenkunst,
vervolgens door de gymnastiek opleiden?--Natuurlijk.--En rekent gij
tot de muzenkunst ook de verhalen?--Ja.--En nu zijn er immers twee
soorten van verhalen, ware en verdichte?--Ja.--En wij moeten ze door
beiden opleiden, maar eerst door de verdichte?--Ik begrijp niet,
wat gij bedoelt.--Begrijpt gij niet, dat wij aan de kinderen eerst
sprookjes vertellen. En die zijn toch meest verdicht, al loopt er ook
wat waars onder. En wij bezigen bij de kinderen die sprookjes vóór zij
de gymnastiek leeren.--Ja.--Dit bedoelde ik, toen ik zeide, dat wij
de muzenkunst vóór de gymnastiek onderwijzen.--Juist.--En nu weet gij
zeker wel, dat het begin van ieder werk het belangrijkste is, vooral
bij het nog jonge en teedere. Want daaraan wordt de gedaante, die men
er aan geven wil, het best uitgedrukt en gevormd.--Ongetwijfeld.--Maar
moeten wij dan nu zoo maar toelaten, dat de kinderen allerlei door
iedereen vervaardigde sprookjes hooren, en alzoo in hunne ziel
denkbeelden opnemen, die meestal lijnregt strijden tegen die, welke
wij verlangen, dat zij als volwassenen koesteren?--Wel neen, zeker
niet!--Vooreerst moeten wij dus het oog houden op hen, die sprookjes
vervaardigen, en, zoo zij een heilzaam sprookje gemaakt hebben, dat
goedkeuren, maar wat niet heilzaam is, afkeuren. Verder zullen wij
de voedsters en de moeders aanraden de goedgekeurde aan de kinderen
te vertellen, en alzoo hunne zielen veel meer door die sprookjes dan
hunne ligchamen met de handen te vormen. Maar verscheidene van de
sprookjes, die nu verteld worden, moeten wij afkeuren.--Welke?--Naar
de grootere zullen wij ook de kleinere kunnen beoordeelen. Want
de grootere en de kleinere moeten dezelfde strekking hebben en
denzelfden invloed uitoefenen, niet waar?--Ja zeker; maar ik vat
evenmin, wat gij met die grootere bedoelt.--Hetgeen ~Hesiodus~ en
~Homerus~, en de andere dichters ons verhaald hebben. Want die hebben
vele verdichte sprookjes vervaardigd en aan de menschen verteld, en
vertellen die nog, door hunne gedichten.--Wat bedoelt gij, en wat
hebt gij daarop aan te merken?--De belangrijkste aanmerking, die men
op verkeerde verdichtselen kan maken.--Welke dan?--Wanneer iemand
verkeerde voorstellingen aangaande de natuur van goden en halve goden
in omloop brengt; als een schilder, die afbeeldingen maakt, welke
volstrekt niet gelijken op hetgeen zij moeten voorstellen.--Het is
zeker goed daarop aanmerking te maken; maar hoe en wat meent gij
toch eigenlijk?--Vooreerst, zeide ik, de ergste leugen omtrent de
heiligste dingen; zoo als b. v. wat ~Hesiodus~ ~Uranus~ laat doen, en
hoe ~Cronos~ hen daarvoor strafte[27]. En wat ~Cronos~ gedaan en weêr
van zijn zoon ondervonden heeft[28], zou ik, al was het waar, niet zoo
ligt aan onwetende, jonge lieden vertellen, maar veel liever zwijgen:
en zoo ik het zeggen moest, zou ik het in den vorm van mysterie doen,
opdat zoo weinigen als mogelijk het zouden vernemen, en daarbij geen
zwijn[29], maar zulk een kostbaar offer vorderen, dat haast niemand
er bij kon komen.--Ja, die verhalen zijn leelijk.--En zij moeten in
onzen staat niet verteld worden, ~Adimantus~! En evenmin moeten wij
aan een jong toehoorder zeggen, dat, zoo hij het grootste onregt
bedreef, of zijnen vader, die onregt deed, op allerlei wijs daarin
verhinderde, hij niets vreemds doen zou, maar, hetzelfde als de eersten
en grootsten der goden.--Neen waarlijk, dat vind ik ook niet oorbaar
om te zeggen.--En ook in ’t geheel niet, dat de goden oorlog voeren
en elkander bestrijden en belagen (’t welk toch een leugen is), zoo
althans onze toekomstige wachters het schandelijk moeten vinden, over
eene kleinigheid met elkander te twisten. En ook gevechten van goden en
reuzen moeten wij hun niet verhalen, noch in afbeeldingen vertoonen, en
evenmin al die andere twisten en vijandelijkheden van goden en halve
goden tegen hunne bloedverwanten en naastbestaanden: maar zoo wij hen
willen doen gelooven, dat geen medeburgers tegen elkander vijandig
mogen worden, en dat dit ook door de goden wordt afgekeurd, dan moeten
de oude mannen en vrouwen ook dergelijke dingen aan de kinderen
en de aankomende knapen vertellen, en dan moeten wij de dichters
noodzaken aldus hunne verdichtselen in te rigten. Maar dat ~Hera~ door
~Hefaestus~ is gebonden, of dat ~Hefaestus~ door zijnen vader uit den
hemel is geworpen, toen hij zijne moeder, die geslagen werd, wilde
helpen; en dat de goden, zoo als ~Homerus~ verhaalt, gevochten hebben;
zulke verhalen moeten wij in onzen staat niet toelaten, of er een
verborgen zin in ligt of niet. Want een jong mensch is niet in staat
te onderscheiden, wat verborgen zin is en wat niet, en de meening,
die iemand op die jaren heeft aangenomen, is meestal onuitwischbaar
en niet te veranderen. Daarom is het zaak zijn uiterste best te doen,
dat zij het eerst zulke sprookjes vernemen, die zoo veel mogelijk eene
strekking tot de deugd hebben.
XVIII. Dat laat zich best hooren. Maar zoo iemand ons nu vroeg, welke
verhalen dit dan zijn moeten, wat zouden wij dan zeggen?--Hierop
antwoordde ik: ~Adimantus~: wij zijn op het oogenblik geen dichters
maar stichters van een staat. Als zoodanig moeten wij wel de
grondregels vaststellen, die de dichters bij het verdichten moeten in
het oog houden, en niet toelaten, dat zij die te buiten gaan, maar
wij moeten zelve geen sprookjes verdichten.--Dat is goed; maar welke
zijn dan nu die grondregels voor de verhalen omtrent de goden?--Bij
voorbeeld, dat in alle dichterlijke verhalen, lierzangen, treurspelen,
enz., God zoo aan het volk moet voorgesteld worden, als hij werkelijk
is.--Ja dat is betamelijk.--En is God niet werkelijk goed, en
moeten wij dat niet zeggen?--Ongetwijfeld.--En wat goed is, is niet
schadelijk.--Ik vind van neen.--En wat niet schadelijk is, schaadt
niet.--Zeker niet.--En wat niet schaadt, doet geen kwaad.--Ook dat
niet.--En wat geen kwaad doet, is de oorzaak niet van iets kwaads.--Hoe
zou dat mogelijk zijn?--Verder: het goede is immers nuttig?--Ja.--Dus
veroorzaakt het welstand?--Ja.--Dus is het goede niet van alles de
oorzaak; maar wel van goede, niet van kwade dingen.--Dat spreekt.--Dus
is God, die goed is, niet van alles de oorzaak, zoo als de menigte
zegt, maar hij veroorzaakt weinig bij de menschen, en veel niet;
want wij hebben veel minder goed dan kwaad[30]. En van het goede
moeten wij geen andere oorzaak zoeken, maar van het kwade eene andere
oorzaak dan God.--Wat gij zegt, vind ik volkomen waar.--Dus moeten
wij het niet door de vingers zien, wanneer ~Homerus~ of een ander
dichter uit onverstand die dwaling aangaande de goden verspreidt,
en zegt, dat «twee vaten liggen op den drempel van ~Zeus~, vol met
lotsbeschikkingen, het eene met goede, het andere met kwade,» en dat
hij, wien ~Zeus~ een mengsel uit beide gegeven heeft, «dan eens kwaad
en dan eens goed ondervindt;» maar dat, zoo ~Zeus~ hem onvermengd uit
het ééne geeft, «het kwade verderf hem over de aarde vervolgt,» noch
ook, dat ~Zeus~ «voor ons de beschikker is van goed en kwaad[31].»
XIX. En zoo iemand zegt, dat het verbreken der bezworene verbonden,
waarvan ~Pandarus~ de schuld had, door ~Athene~ en ~Zeus~ bewerkt
is, zullen wij dat niet prijzen; en evenmin het verhaal van den
beslissenden strijd der goden op aanhitsen van ~Themis~ en ~Zeus~[32].
Ook mogen wij de jongelieden niet laten hooren, wat ~Aeschylus~ zegt:
«God doet de menschen kwaad bedrijven, zoo hij een geslacht geheel wil
in het verderf storten.»
Maar wanneer iemand dergelijke onderwerpen als dat van het stuk,
waaruit dit genomen is, b. v. de rampen van Niobe, of van de Pelopiden,
of van Troje bezingt; dan moet hij zeggen, dat die rampen geen werk
van de goden zijn; of, zoo hij ze aan de goden wil toeschrijven, dan
moet hij zóó spreken, als wij daareven, zeggende, dat God regtvaardig
en goed handelt, maar dat die menschen tot hun nut gestraft werden:
doch, dat zij, die straf lijden, ongelukkig zijn, en dat God daarvan
de oorzaak is, dat mag geen dichter verhalen. Zoo hij zegt, dat zij
ongelukkig waren, omdat zij straf noodig hadden, daar de slechten
ongelukkig zijn, en dat God hun door die straf eene weldaad bewees[33],
dan laten wij het toe; maar dat God, die goed is, van eenig kwaad de
oorzaak genoemd worde, moet ieder op alle mogelijke wijs in zijnen
staat beletten, zoo hij wil, dat deze bloeije; en hij moet zorgen,
dat niemand, jong noch oud, dat in verzen of zonder verzen hoore
verhalen, omdat het godslasterlijk is, en nadeelig voor ons, en vol
tegenstrijdigheden.--Aan die wet geef ook ik mijne stem, zeide hij,
want zij bevalt mij.--Dus, zeide ik, is onze eerste wet en grondregel
omtrent het godsdienstige deze, dat zij, die er van spreken of er
gedichten over maken, God niet van alles, maar alleen van het goede de
oorzaak mogen noemen.--Ja, dat is uitgemaakt.--
En wat zegt gij van deze tweede wet? Gelooft gij, dat God een
goochelaar is, en als uit eene hinderlaag telkens in eene andere
gedaante voor den dag komt, dan eens door zelf allerlei vormen
aan te nemen, dan eens door ons te misleiden, en ons dergelijke
denkbeelden van hem te doen koesteren? Of dat hij onveranderlijk
is, en nooit van gedaante wisselt?--Dat kan ik zoo op een oogenblik
niet zeggen.--Maar wat zegt gij dan hiervan? Zoo iets van gedaante
verandert, moet het dan niet óf door zichzelf óf door iets anders
veranderd worden?--Natuurlijk.--En wat zelf het beste gesteld is, wordt
het minst door iets anders veranderd of bewogen, b. v. wordt niet een
ligchaam door spijs, drank en arbeid, en eene plant door hitte, wind,
enz., naarmate zij gezonder en sterker zijn, minder veranderd?--Dat
spreekt.--En de krachtigste en verstandigste ziel wordt immers
het minst door oorzaken van buiten beroerd en veranderd?--Ja.--En
zoo geldt het ook van alle zamengestelde werktuigen en huizen en
kleederen, dat zij minder invloed van tijd en andere oorzaken
ondervinden, naarmate zij beter bewerkt zijn.--Juist.--Dus is hetgeen
door natuur of kunst of beiden in den besten toestand is, het minst
aan verandering door vreemden invloed blootgesteld.--Dat schijnt
zoo.--Edoch God en het goddelijke zal wel in den allerbesten toestand
zijn.--Ongetwijfeld.--Dus kan God althans door deze oorzaak geenszins
vele gedaanten hebben.--Neen waarlijk niet.--
XX. Maar zou hij ook misschien zichzelven veranderen?--Zoo hij ooit
verandert, natuurlijk wel.--Maar verandert hij zich dan in iets dat
beter en schooner is dan hij, of in iets dat slechter en leelijker
is?--Natuurlijk, als dat gebeurt, in het slechtere; want wij kunnen
niet beweren, dat God eenige schoonheid of volkomenheid mist.--Dat zegt
gij zeer goed. En daar dit zoo is, gelooft gij dan, ~Adimantus~! dat
eenig God of mensch zichzelven vrijwillig slechter zou maken?--Dat is
onmogelijk.--Ja, waarlijk is het onmogelijk, dat een God zichzelven
zou willen veranderen, maar, daar ieder der goden volkomen schoon en
goed is, blijft ieder hunner zoo veel mogelijk altijd eenvoudig in
zijne eigene gedaante.--Ik zie ook geene andere mogelijkheid.--Dus,
mijn beste! mag geen dichter bij ons zeggen, dat «de goden op reizigers
uit vreemde landen gelijkende onder allerlei gedaanten door de steden
rondwandelen[34];» noch ons [de gedaanteveranderingen] van ~Proteus~
en ~Thetis~ voorliegen; noch in treurspelen of andere gedichten
verhalen, «dat ~Hera~ onder de gedaante van eene oude priesteres tot
de goede dochters van den Argivischen riviergod ~Inachus~ sprak:»
maar alle dergelijke leugens moeten bij ons geweerd worden. Ook mogen
de moeders op gezag daarvan de kinderen niet bang maken, en leelijke
sprookjes vertellen, zeggende: dat sommige goden des nachts onder
allerlei vreemde gedaanten rondzwerven; daar zij hierdoor de goden
belasteren en de kinderen vreesachtig maken.--Neen zeker niet.--Maar,
zeide ik, misschien zijn de goden wel onveranderlijk, doch doen ons
door misleiding en begoocheling meenen, dat zij allerlei gedaanten
aannemen?--Misschien.--Maar, zou dan een God willen bedriegen, door
met woorden of daden valsche voorstellingen op te wekken?--Dat weet ik
niet.--Weet gij dan niet, dat de waarachtige onwaarheid, om eens zoo
te spreken, bij alle goden en menschen gehaat is?--Hoe meent gij dat?
zeide hij.--Zóó, dat niemand in zijn voornaamste deel ten opzigte van
de voornaamste dingen onwaarheid wil dulden, maar dat hij zeer bevreesd
is, ze dáár op te nemen.--Nu begrijp ik het nog niet.--Gij denkt zeker,
dat ik heel wat vreemds zeg; maar ik meen eenvoudig, dat allen er een
afkeer van hebben, om met hunne ziel ten opzigte van hetgeen wezenlijk
is te dwalen en onwetend te zijn, en dáár onwaarheid te koesteren, en
dat zij ze dáár het allerminst willen opnemen.--Dat is zoo.--Edoch de
naam van waarachtige onwaarheid is wel het meest toepasselijk op de
dwaling in de ziel van den dwalenden; terwijl de onwaarheid in woorden
slechts eene soort van nabootsing van de aandoening der ziel, en dus
niet zulk eene volkomene onwaarheid is. Is het zoo niet?--Zekerlijk.--
XXI. Dus, wordt dan de waarachtige onwaarheid door goden en menschen
gehaat.--Ja.--Maar nu de onwaarheid in woorden, is die somtijds
heilzaam, zoodat zij geen haat verdient? Kan zij tegen vijanden en
tegen zoogenaamde vrienden, wanneer zij door waanzin of dwaasheid
eenig kwaad pogen te doen, niet soms als een nuttig middel tot
afwending gebezigd worden? En maken wij niet in de daareven genoemde
verdichte verhalen, dewijl wij van den ouden tijd het ware niet weten,
de onwaarheid zoo waarschijnlijk mogelijk en daardoor nuttig?--Ja,
zoo is het.--Tot welke dier doeleinden is dan nu de onwaarheid voor
God nuttig? Zou hij de onwaarheid waarschijnlijk maken, omdat hij
van die oude dingen het ware niet weet?--Dat is te gek, om van
te spreken.--Dus verhaalt God geene onwaarheden op de wijs der
dichters.--Neen.--Maar zou God ook onwaarheid spreken uit vrees voor
zijne vijanden?--Dat is ondenkbaar.--Maar dan om de dwaasheid of
waanzin zijner vrienden?--Neen, want geen dwaas of waanzinnige is
een vriend van God.--Dus is er geen reden, waarom God onwaarheid zou
spreken.--Volstrekt niet.--Dus is de godheid boven alle onwaarheid
verheven.--Ongetwijfeld.--Dus is God in woorden en werken altijd
zichzelven gelijk en waarachtig, en hij verandert zelf, noch misleidt
anderen door schijnvertooningen, of woorden, of voorteekens, of
droomgezigten.--Nu gij het zegt, vind ik het ook.--Dus, stemt gij
toe, dat de tweede grondregel ten opzigte van het spreken en dichten
over de goden deze is, dat men ze niet mag voorstellen als, gelijk
goochelaars, zich zelven veranderende, of ons door woorden of daden
misleidende.--Dat stem ik toe.--Hoezeer wij dus anders veel in
~Homerus~ prijzen, zullen wij het zenden van den bedriegelijken droom
aan ~Agamemnon~ door ~Zeus~ niet goedkeuren[35], en evenmin, dat
~Aeschylus~ ~Thetis~ laat verhalen, hoe ~Apollo~ op hare bruiloft
«met gezang hare toekomstige spruiten verhief, daar die zonder rampen
lang zouden leven;» en er bijvoegt: «hij zeide, dat mijn leven vol
blijken van de gunst der goden was, en zong daar een lied op, dat mij
verkwikte. En ik hoopte, dat de goddelijke mond van ~Phoebus~, die
overvloeide van voorspellingen, de waarheid zeide. Edoch dezelfde, die
zóó zong, dezelfde, die op het feest tegenwoordig was, dezelfde, die
dit zeide, heeft zelf mijnen zoon gedood.»
Wanneer iemand zulke dingen van de goden zegt, zullen wij boos worden
en zijne stukken van het tooneel weren, en wij zullen de leermeesters
verbieden die bij het onderwijs der jeugd te gebruiken; zoo althans
onze wachters zoo godvreezend en goddelijk moeten worden als voor een
mensch eenigzins mogelijk is.--Die grondregels keur ik volmaakt goed,
en ik wil ze wel onder de wetten opnemen.--