DERDE BOEK.

I. Aangaande de goden moeten zij dus van kindsbeen zulke dingen hooren

en niet hooren, zoo zij de goden en hunne ouders zullen vereeren,

en de onderlinge genegenheid niet van weinig waarde rekenen.--Ja,

zeide hij, dat zeggen wij, geloof ik, met regt.--Maar, zoo zij verder

moedig zullen zijn, is het dan niet noodig, dat zulke dingen tot hen

gezegd worden, die hen zoo weinig mogelijk voor den dood doen vreezen?

Of gelooft gij, dat ooit iemand moedig worden kan, die deze vrees

koestert?--Neen waarlijk niet.--Maar denkt gij nu, dat iemand, die het

bestaan van al die verschrikkelijkheden in de onderwereld gelooft,

onbevreesd voor den dood zal wezen, en dien in den strijd boven

nederlaag en slavernij zal verkiezen?--Zeker niet.--Dus moeten wij,

naar het schijnt, ook op hetgeen daarvan verteld wordt een wakend oog

houden, en de dichters verzoeken, den dood niet zoo onbepaald kwaad

te noemen, daar zij dan dingen zouden zeggen, die niet waar, en voor

hen, die moedig behooren te zijn, niet nuttig zouden wezen.--Dat is

noodig.--Dus zullen wij, om met ~Homerus~ te beginnen, alle dergelijke

regels uitschrappen als:

«ik zou liever op aarde een lijfeigene wezen van een gering man, die

naauwelijks genoeg te eten had, dan over al de schimmen der gestorvenen

te regeren[36].»

en «aan stervelingen en onsterfelijken zouden de akelige, ruime

woningen vertoond zijn, waarvoor zelfs de goden een afschrik

hebben[37].»

en «Zoo is er dan waarlijk ook in het huis van ~Hades~ nog eene ziel en

schim, maar zonder eenig bewustzijn[38].»

en «het is alleen aan de schim van den wigchelaar ~Tiresias~ gegeven

verstand te hebben, maar de andere schimmen zijn zonder bewustzijn[39].»

en «de ziel vloog uit het ligchaam weg naar den Hades, over haren dood

treurende en hare kracht en jeugd achterlatende[40].»

en «de ziel ging suizende als een damp onder den grond[41].»

en «even als vleermuizen, die zich in een hoek van een groot hol

aan elkander vasthielden, wanneer er een uit de rij van de rots

is afgevallen, suizende door elkander vliegen, gingen de zielen

der gesneuvelde minnaars van ~Penelope~ te zamen suizende naar de

onderwereld[42].»

Wij zullen ~Homerus~ en de andere dichters verzoeken het ons ten goede

te houden, zoo wij alle dergelijke plaatsen doorschrappen; niet omdat

zij niet dichterlijk en aangenaam voor de meeste toehoorders zijn, maar

omdat, naarmate zij dichterlijker zijn, jongens en mannen ze minder

moeten hooren, zoo wij vrij zullen leven en de slavernij meer vreezen

dan den dood.--Toegestemd.--

II. Dus moeten wij ook al die schrikverwekkende namen, die hiervan

gebruikt worden, wegwerpen, b. v. _jammermeir_, _haatrivier_,

_onderaardsch_, _schimmen_ en alle andere woorden van denzelfden

stempel, die er op zijn ingerigt, om allen, die ze hooren, te doen

sidderen. Misschien is dit voor iets anders goed, maar wij vreezen voor

onze wachters, dat zij door dat sidderen vreesachtiger en weekelijker

dan noodig is zouden worden.--Ja, daarvoor vreezen wij met regt.--Dus

moeten die uitdrukkingen worden weggenomen?--Ja.--En wij moeten in den

tegenovergestelden geest spreken en dichten?--Natuurlijk.--Dus zullen

wij ook het beweenen en beklagen van groote mannen afschaffen.--Dat

volgt uit het vorige.--Onderzoek dan eens, of wij dat met regt

zullen afschaffen, of niet? Wij zeggen immers, dat een redelijk

mensch voor zijnen vriend, die van denzelfden aard is, het sterven

niet schrikkelijk zal vinden.--Dat zeggen wij.--Dus zal hij ook niet

over hem treuren, alsof hij een groot ongeluk ondergaan had.--Zeker

niet.--Verder zeggen wij ook, dat zulk een het meest voor zich zelven

genoeg is, en het minst de hulp van anderen noodig heeft.--Dat is

waar.--Dus is het voor hem ook het minst schrikkelijk, van een

zoon, of broeder, of geld, of iets anders dergelijks beroofd te

worden.--Zekerlijk.--Dus zal hij ook het minst treuren, en het met de

meeste kalmte dragen, als hem zulk een lot overkomt.--Dat spreekt.--Dus

zullen wij teregt dat jammeren in beroemde mannen misprijzen, en dat

overlaten aan vrouwen van geringe voortreffelijkheid en aan mannen,

die weinig bijzonders zijn; opdat zij, die wij tot bewaking van het

land opvoeden, er afkeerig van worden zulke dingen te doen.--Dat

is goed.--Dus zullen wij dan ook ~Homerus~ en de andere dichters

verzoeken, niet te zeggen, dat ~Achilles~, de zoon eener godin, «dan

eens op de zijde lag, dan eens op den rug, dan eens voorover, dan weêr

opstond en rondzwierf langs het strand van de onvruchtbare zee,» en

dat hij «met beide handen de asch opnam en die op zijn hoofd strooide»

en, dat hij zóó weende en klaagde, als hij in de Ilias doet[43], en

dat ~Priamus~, die nog niet ver van den goddelijken oorsprong van zijn

geslacht af was[44], smeekte en zich in den drek wentelde en ieder bij

name toeriep[45].

En nog veel meer zullen wij hen verzoeken, de goden niet te laten

weeklagen en zeggen, «ach ik ongelukkige, die tot mijn verdriet een

uitstekenden zoon heb gebaard[46].» En vooral zich niet te verstouten,

om den grootsten der goden zoo ongelijkend af te beelden, dat zij hem

laten zeggen, «helaas! daar zie ik, dat een man, dien ik lief heb,

rond de stad wordt vervolgd, en mijn hart heeft er deernis mede[47].»

Of: «wee mij! dat het noodlot over mijn waardsten zoon, ~Sarpedon~,

besloten heeft hem door ~Patroclus~, den zoon van ~Menoetius~, te doen

ombrengen[48].»

III. Want, mijn beste ~Adimantus~! als onze jongelieden dergelijke

dingen in ernst hoorden verhalen, en er niet om lachten als om

onwaardige voorstellingen, dan zou genoegzaam geen mensch zich

daarboven verheven rekenen noch het zich verwijten, indien hij bij

geval zoo iets zeide of deed; maar zonder zich te schamen of in te

houden zou hij over kleine rampen groote weeklagten en jammerkreten

aanheffen.--Wat gij daar zegt is zeer waar.--En dit mag toch niet,

zoo als daareven is gebleken uit onze redekaveling, waarbij wij ons

maar houden zullen, tot men ons met betere bewijzen van het tegendeel

overtuigt.--Dat ben ik met u eens.--Ook moeten zij geene liefhebbers

van lagchen zijn. Want wanneer iemand aan hevig lagchen toegeeft,

is hij meestal geneigd ook in het tegenovergestelde uiterste te

vervallen.--Dat vind ik ook.--Dus moeten wij het niet toelaten, wanneer

men menschen van naam in lagchen laat uitbarsten, en nog veel minder

zoo dit van goden verteld wordt.--Vooral het laatste.--Dus is het uw

gevoelen, dat wij van ~Homerus~ ook het volgende aangaande de goden

niet zullen goedkeuren:

«En er ontstond een onbluschbaar gelach onder de zalige goden, toen zij

~Hefaestus~ zich in het huis zagen afsloven[49].»--

Zoo gij dat mijn gevoelen wilt heeten, heb ik er vrede mede, zeide

hij.--

Verder moet ook de waarheid ten hoogste geëerd worden. Want zoo wij

daareven juist spraken, en werkelijk de onwaarheid voor goden nutteloos

is, maar voor menschen als geneesmiddel nuttig, dan is het duidelijk,

dat wij haar aan de geneesmeesters geven moeten, maar dat oningewijden

er af moeten blijven.--Dat is duidelijk.--Dus mogen alleen de overheden

van den staat haar tegen vijanden of burgers voor het welzijn van den

staat bezigen, maar alle anderen moeten er afblijven, en wij zullen

zeggen, dat, als een onderdaan tegen overheden, gelijk wij aanstellen,

onwaarheid spreekt, dit een niet minder, ja erger kwaad is, dan,

wanneer een zieke den geneesheer of een, die de gymnastiek leert, den

schermmeester onwaarheden aangaande den toestand van zijn ligchaam

vertelt, of wanneer iemand den bestuurder van een schip misleidt

over den waren toestand, waarin hij zelf of het andere scheepsvolk

verkeert.--Dat is volkomen waar.--En, zoo de overheid een ander burger

b. v. «een werkman, of wigchelaar, of geneesmeester van zieken, of

vervaardiger van speren[50]» op onwaarheden betrapt, zal zij hem

bestraffen, omdat hij den grond legt tot eene gewoonte, die den staat

geheel zou doen ten ondergaan.--Dat is noodig, zoo wij overeenkomstig

het gezegde moeten handelen.--

Moeten verder onze jongelieden geen ingetogenheid

hebben?--Natuurlijk.--En rekent men niet meestal tot de ingetogenheid

vooral deze twee punten: gehoorzaamheid aan meerderen, en beheersching

van de begeerte naar drank, mingenot en spijs?--Ja.--Dus zullen wij

als goed gesproken aanmerken, wat ~Diomedes~ bij ~Homerus~ tot zijnen

wagenmenner ~Sthenelus~ zegt: «Vadertje! houd u stil en luister naar

mijne woorden[51],» en wat kort daarop volgt: «de moed ademende Grieken

trokken in stilte voort, uit eerbied voor hunne opperhoofden[52],»

en wat meer dezelfde strekking heeft.--Ja, dat is goed.--Maar zulke

stukken, als wanneer ~Achilles~ tot ~Agamemnon~ zegt: «Wijnzuiper,

die hondenoogen hebt en een hertenhart[53],» en wat er verder volgt;

of welke andere onbeschaamde uitvallen van onderdanen tegen overheden

in proza of verzen verhaald worden, zullen wij die als goed gesproken

aanmerken?--Als niet goed.--Zij zijn dan ook, denk ik, niet geschikt

om aan de jeugd tot bevordering der ingetogenheid verhaald te worden;

anders zijn zij welligt heel vermakelijk, of hoe denkt gij er

over?--Evenzoo.

IV. En verder, wanneer men den verstandigsten man van zijnen tijd laat

zeggen, dat hij nergens meer schik in heeft dan, «wanneer de tafels

vol zijn van brood en vleesch, en de schenker den wijn uit het vat

schept, dien ronddraagt, en in de bekers giet[54],» vindt gij dan het

hooren daarvan geschikt om de matigheid der jeugd te bevorderen? Of

dit: «de allerrampzaligste dood is van honger te sterven[55].»

Of wanneer de dichter ~Zeus~ alles, wat hij in eenzaamheid, terwijl

de andere goden en de menschen sliepen, overlegd had, door verlangen

naar mingenot, zóó gemakkelijk laat vergeten, en hem op het gezigt

van ~Hera~ zóó laat ontroeren; dat hij niet eens naar huis wilde

gaan, maar dáár op den grond bij haar wilde liggen, zeggende: dat hij

nog veel meer door de begeerlijkheid overmeesterd was, dan toen zij

«buiten weten hunner ouders voor de eerste keer heimelijk bij elkander

kwamen[56].»

Of het binden van ~Ares~ en ~Aphrodite~ door ~Hephaestus~, om

eene dergelijke reden[57].--Neen, waarachtig! dat vind ik niet

oorbaar.--Maar, als eenig blijk van zelfbeheersching door een

beroemd man in woorden of daden gegeven wordt, dan moeten zij dat

zien en hooren, b. v. dit, «hij sloeg zich op de borst en zeide

tot zijn hart: houd moed, mijn hart! gij hebt wel erger dingen

uitgestaan[58].»--Zekerlijk.--Ook moeten onze mannen immers geen

geschenken aannemen of inhalig zijn?--Wel neen.--Dus moeten wij

ook voor hen niet zingen: «geschenken overreden de goden en de

eerwaardige koningen.» En ~Phoenix~, de leermeester van ~Achilles~,

moet niet om zijne verstandige taal geprezen worden, wanneer hij

hem raadt, voor geschenken de Grieken te helpen, maar zonder dat

geen afstand van zijnen wrok te doen[59]. En ~Achilles~ zelf mag

niet als zóó inhalig beschreven worden, dat hij van ~Agamemnon~

geschenken aanneemt[60], en een lijk wel voor losgeld, maar geenszins

voor niet wil vrijgeven[61].--Zulke dingen zijn althans zeker niet

lofwaardig.--Omdat het ~Homerus~ is, durf ik het haast niet te zeggen,

maar toch vind ik het heiligschennis zulke dingen van ~Achilles~ te

beweren, en aan anderen mede te deelen. Ook dat hij tot ~Apollo~ zeide:

«O verschietende! gij slechtste van al de goden! gij hebt mij kwaad

gedaan. Waarlijk, als ik maar kon, ik zou er u voor straffen[62].» Of

dat hij naar den riviergod ~Scamander~ niet wilde luisteren, en gereed

was, om tegen hem te vechten[63]; en dat hij zijne haren, die aan

den riviergod ~Spercheus~ geheiligd waren, afsneed, met de woorden:

«ik zal ze aan den dapperen ~Patroclus~ (die nog wel dood was) als

geschenk medegeven[64],» dat moet niet verhaald worden. En het slepen

van ~Hector~ rond het graf van ~Patroclus~[65], en het slagten der

gevangenen bij den brandstapel[66], dat alles zullen wij zeggen, dat

niet waar is, en wij zullen evenmin onze jongelieden laten gelooven,

dat ~Achilles~, de zoon van eene godin en van den redelijken ~Peleus~,

den kleinzoon van ~Zeus~, de kweekeling van den wijzen ~Chiron~, zóó

door hartstogten geslingerd werd, dat hij in zich twee tegenstrijdige

ziekten had, namelijk laagheid uit inhaligheid voortgesproten, en

hoogmoed, die goden noch menschen ontzag.--Dat zegt gij goed.--

V. Dus zullen wij hen dit niet wijs maken, en evenmin, dat ~Theseus~,

de zoon van ~Poseidon~, en ~Pirithous~, de zoon van ~Zeus~, zulke

schandelijke rooftogten ondernomen hebben, of dat eenig ander

godenzoon of halve god zulke schandelijke en goddelooze dingen heeft

durven doen, als tegenwoordig van hen gelogen worden; maar wij willen

de dichters dwingen te zeggen, dat zij dit niet gedaan hebben, of

dat zij geen zonen van goden zijn, en hen beletten beiden tevens te

beweren en onze jongelieden in de meening te brengen, dat de goden

iets slechts voortbrengen, en dat de halve goden geen zier beter

zijn dan de menschen. Want wat wij daareven zeiden, is goddeloos en

onwaar, daar wij beredeneerd hebben, dat van de goden niets kwaads kan

komen.--Natuurlijk.--En het is ook schadelijk voor de hoorders, want

niemand zal zich zelven over zijne slechtheid veroordeelen, wanneer hij

gelooft, dat hetzelfde gedaan wordt, en gedaan is «door afstammelingen

der goden, nabestaanden van ~Zeus~, die op den top van den aan vader

~Zeus~ geheiligden ~Ida~ een altaar in de vrije lucht hebben,» en «uit

wier aderen het bloed der goden nog niet verdwenen is.» Weshalve al die

sprookjes moeten afgeschaft worden, om onze jongelingen niet op den

slechten weg te brengen.--Dat ben ik volmaakt met u eens, zeide hij.--

Welke soort van grondregels voor de verhalen, die al of niet mogen

verhaald worden, moeten wij nu nog vaststellen? Want wij hebben gezegd,

hoe men spreken moet van de goden[67], van de halve goden en van de

onderwereld.--Juist.--Dus zouden wij nog moeten zeggen, hoe men van

de menschen moet spreken.--Natuurlijk.--Maar, mijn vriend! dat kunnen

wij op het oogenblik nog niet bepalen.--Waarom niet?--Omdat wij dan,

geloof ik, zeggen zouden, dat de dichters en verhalers van de menschen

de ergste leugens vertellen, namelijk, dat velen onregtvaardig en

toch gelukkig zijn, en regtvaardig maar toch ongelukkig; en dat de

onregtvaardigheid nuttig is, zoo zij verborgen blijft; en dat de

regtvaardigheid voor vreemden nuttig maar voor hem, die haar heeft,

schadelijk is; en omdat wij dan zouden verbieden zulke dingen te

zeggen, en gelasten het tegenovergestelde in verzen en verhalen te

leeren. Denkt gij dat ook niet?--Neen! maar dat weet ik.--Maar,

zoo gij dan toestemt, dat ik de waarheid zeg, zal ik zeggen, dat

gij hetgeen, waarnaar wij zoeken, aan mij hebt toegestemd.--Dat is

ook waar.--Dus zullen wij het voorschrijven van zulke verhalen ten

opzigte der menschen uitstellen, tot dat wij gevonden hebben, wat de

regtvaardigheid is, en hoe zij uit haren aard nuttig is voor hem die

haar heeft, óf hij zoodanig schijnt te wezen, óf niet.--Opperbest.--

VI. De inhoud der verhalen kunnen wij dus als afgehandeld beschouwen,

en moeten nu nog over de wijze van verhalen spreken, om de vraag,

wat en hoe er verhaald moet worden, geheel af te handelen.--Wat gij

daarmede meent, begrijp ik niet, zeide ~Adimantus~.--Dat dient gij

toch te begrijpen. Maar misschien zult gij het beter op deze wijs

vatten. Is hetgeen de dichters of de vertellers van fabelen zeggen,

niet meest een verhaal van verledene, tegenwoordige of toekomende

dingen?--Gewoonlijk.--En klaren zij dat niet op door eenvoudig

verhalen, óf door nabootsing, óf door beiden?--Ook dat verzoek ik

u duidelijker te zeggen.--Het schijnt, dat ik een gek en duister

leermeester ben. Daarom zal ik, even als zij, die niet knap zijn in het

spreken, niet het geheele begrip, maar een enkel voorbeeld nemen, om u

daarmede wat ik wil duidelijk te maken. Zeg mij dan: gij kent immers

het begin van de _Ilias_, waarin de dichter zegt, dat de priester

~Chryses~ ~Agamemnon~ verzocht hem zijne dochter los te geven, maar

dat deze boos werd, en dat de ander, toen hij zijnen zin niet kreeg,

de Grieken bij ~Apollo~ vervloekte?--Ja.--Weet dan nu, dat tot aan de

regels: «en hij smeekte al de Grieken, maar vooral de twee Atriden, de

aanvoerders der troepen,» de dichter zelf spreekt, en onze verbeelding

niet naar elders poogt te leiden, als sprak er een ander dan hij, maar

dat hij het volgende zóó zegt, als ware hij ~Chryses~, en al zijn best

doet, om ons te laten denken, dat niet ~Homerus~ spreekt, maar de oude

priester. En bijna het geheele verhaal van het bij Troje, op Ithaca en

op de togten van ~Ulysses~ gebeurde heeft hij aldus ingerigt.--Dat is

zoo.--En verhaalt hij nu niet, wanneer hij het gesprokene mededeelt,

en ook wanneer hij zegt, wat daar tusschen valt?--Natuurlijk.--Maar

wanneer hij nu een ander laat spreken, moeten wij dan niet zeggen,

dat hij zoo veel mogelijk zijne wijze van uitdrukking zoekt gelijk

te maken aan die van hem, dien hij te voren zeide dat spreken

zou?--Zekerlijk.--Edoch zich zelven in stem, houding enz., aan een

ander gelijk te maken, is toch dien anderen, aan wien men zich gelijk

maakt, nabootsen.--Juist.--In zulke stukken dus, verhalen hij en de

andere dichters door middel van nabootsing.--Ja.--Maar zoo de dichter

zich nergens verborg, dan zou zijn geheele dichtstuk of verhaal zonder

nabootsing zijn ingerigt. En opdat gij niet zeggen zoudt, dat gij het

weêr niet begrijpt, zal ik zeggen, hoe dit zou geschieden. Want als

~Homerus~, na gezegd te hebben, dat ~Chryses~ met den losprijs voor

zijne dochter bij de Grieken kwam en hen, vooral de Koningen, smeekte,

vervolgens niet sprak alsof hij ~Chryses~ was, maar als ~Homerus~,

dan zou het geene nabootsing wezen, maar een eenvoudig verhaal, dat

omtrent aldus zou zijn ingerigt: maar ik zal het zonder maat zeggen,

want ik ben geen dichter: toen de priester gekomen was, bad hij, dat

de goden hun mogten geven, Troje in te nemen, en er zelve goed af te

komen, en hem zijne dochter voor losgeld weerom te geven, uit eerbied

voor ~Apollo~. En toen hij dit zeide, eerden hem de anderen en keurden

het goed, maar ~Agamemnon~ werd boos, en gelastte hem nu heen te gaan

en later niet weder te komen, opdat niet de schepter en de offerbanden

van den God nutteloos voor hem zijn zouden; en hij zeide, dat zijne

dochter, eer zij werd losgegeven, met hem in Argos oud zoude worden; en

hij beval hem heen te gaan en niet lastig te zijn, opdat hij behouden

mogt naar huis keeren. En de grijsaard, dat hoorende, werd bevreesd en

ging stil weg, maar toen hij buiten het leger kwam, bad hij veel tot

~Apollo~, den God bij zijne eerenamen noemende, en herinnerde hem in

zijn gebed, welke geschenken hij hem gemaakt had door het bouwen van

tempels of het doen van heilige offers; en daarom smeekte hij hem,

de Grieken door zijne pijlen voor de tranen, die zij hem hadden doen

vergieten, te straffen. Zóó, mijn vriend! is een eenvoudig verhaal,

zonder nabootsing ingerigt.--Dat begrijp ik.--

VII. Begrijp dan ook, dat het tegenovergestelde hiervan plaats heeft,

wanneer, hetgeen de dichter zelf tusschen de woorden, die hij anderen

laat spreken, zegt, wordt weggenomen en slechts, wat de in het stuk

voorkomende personen beurtelings zeggen, wordt overgelaten.--Ook

dit begrijp ik, en ik meen, dat dit vooral in tooneelstukken plaats

heeft.--Goed gevat, en nu zult gij wel begrijpen, wat u daareven niet

helder was, dat dichtkunst en vertelling van fabelen óf geheel door

nabootsing tot stand komt, zoo als gij ook inziet, dat in treur- en

blijspel plaats heeft; óf doordien de dichter zelf zijne meening zegt,

hetgeen vooral in lierzangen gebeurt; óf door beiden, zoo als in het

heldendicht en elders. Begrijpt gij het nu?--Ja, nu vat ik, wat gij

hebt willen zeggen.--Herinner u dan nog eens, wat wij te voren zeiden,

dat wij gezien hebben, wat er moet verhaald worden, en nu nog moeten

onderzoeken, _hoe_ dit gebeuren moet.--Ik herinner het mij.--Hiermede

nu bedoelde ik dit, dat wij het te zamen moeten eens worden, of wij

aan onze dichters zullen toelaten door nabootsing te verhalen, óf de

nabootsing tot bepaalde onderwerpen zullen beperken, óf ze geheel

verbieden.--Ik gis, dat gij overweegt, of wij het treur- en blijspel in

den staat moeten opnemen, of niet. Misschien zullen wij nog wel meer

soorten van dichtkunst behandelen. Want ik weet niet, waar wij komen

zullen, maar wij moeten gaan, waar de gang der redekaveling ons heen

drijft[68].--Dat zegt gij goed.--Bezie dan dit nog eens, ~Adimantus~!

of onze wachters nabootsers moeten zijn, of niet; en of wij ons niet

houden moeten aan het vroeger beredeneerde, dat ieder slechts één

vak goed kan beoefenen, maar niet verscheidene vakken, daar hij, dat

beproevende, door veel op zich te nemen, alles zou laten vallen, of

het althans met niets ver brengen.--Wij moeten ons daaraan houden.--En

geldt hetzelfde niet van de nabootsing, dat dezelfde niet even zoo goed

veel dingen als één kan nabootsen?--Ja.--Dus zal iemand bezwaarlijk

eenig belangrijk werk kunnen waarnemen, en tevens knap zijn in

het nabootsen van allerlei dingen, zoo althans dezelfden niet goed

tweeërlei soort van nabootsing, die niet eens ver van elkander zijn

kunnen, uitvoeren, en, b. v. treur- en blijspelen tevens vervaardigen.

Of heet gij die geen nabootsingen?--Wel ja, en het is zoo als gij zegt,

dat dezelfden niet voor beiden geschikt zijn.--Ook is iemand niet ligt

te gelijk opzegger van gedichten[69] en tooneelspeler.--Neen.--En ook

zijn dezelfden geen goede tooneelspelers voor treur- en blijspelen: en

dat alles is toch nabootsing, niet waar?--Ja zeker.--En, ~Adimantus~!

ik geloof, dat de menschelijke natuur nog fijner verdeeld is, zoodat

zij onmogelijk verscheidene dingen goed kan nabootsen, of de zaken

zelve uitvoeren, die door die nabootsingen worden afgebeeld.--Dat vind

ik ook.--

VIII. Zoo wij dus het eerste gezegde vasthouden, dat onze wachters, met

uitsluiting van alle andere werkzaamheden, voortreffelijke werkmeesters

van de vrijheid van den staat zijn moeten, en niets anders beoefenen,

wat daarop geene betrekking heeft, dan moeten zij ook niets anders

doen of nabootsen: en, zoo zij in ’t geheel nabootsen, dan moeten

zij zich van kindsbeen af toeleggen op de nabootsing van menschen,

die reeds zijn zoo als zij zelve moeten worden, namelijk moedig,

ingetogen, godsdienstig, vrij enz.; maar al wat laag of in eenig opzigt

schandelijk is, mogen zij niet doen noch er werk van maken om het na

te bootsen, opdat zij zich uit die nabootsing, de werkelijkheid niet

toeëigenen. Of hebt gij niet opgemerkt, dat het nabootsen, zoo men het

jong begint, de hebbelijkheden en de natuur van de ziel zoowel als

van het ligchaam wijzigt?--Ja zeker.--Dus zullen wij niet toelaten,

dat zij, voor wie wij zeggen te zorgen, en die flinke mannen moeten

worden, hoewel zij mannen zijn eene vrouw nabootsen[70], die jong of

oud is, of haren man bekijft, of tegen de goden mort en zich trotsch

aanstelt, of zich heel gelukkig vindt, of door ongelukken en droefheid

overstelpt is; en nog veel minder eene, die ziek, of verliefd, of in

barensnood is.--Dat ben ik met u eens.--En ook geene slavinnen of

slaven, die slaafsche bezigheden verrigten.--Ook dat niet.--En ook geen

ondeugende mannen, die lafhartig zijn, en het tegenovergestelde doen

van wat wij daareven zeiden, en elkander belasteren en beschimpen, of

hetzij dronken, hetzij nuchteren schandelijke taal uitslaan, of wat

zulke menschen meer in woorden of werken tegen zichzelven en anderen

misdoen. En ik zou denken, dat zij zich ook niet gewennen moeten,

om als waanzinnigen te spreken of te handelen; want zij moeten wel

kennis hebben aan waanzinnige en ondeugende mannen en vrouwen, maar

zelve niets daarvan doen of nabootsen.--Dat is volkomen waar.--Moeten

zij verder kopersmeden of andere werklieden, of scheepsroeijers, of

hunne aanvoerders, of iets anders van die soort nabootsen?--Wel neen,

want zij mogen aan dat alles niet eens denken[71].--En mogen zij

brieschende paarden, of loeijende stieren, of bruischende stroomen,

of eene bulderende zee, of donderslagen, enz., nabootsen?--Zij

moeten niet waanzinnig zijn, noch zich aan waanzinnigen gelijk

maken.--Als ik dan uwe meening vat, is er eene wijs van zich uit te

drukken, waarvan zich de wezenlijk goede bedient, als hij iets te

spreken heeft; en eene andere daarvan verschillende, die gewoonlijk

gebezigd wordt door hen, die door hunne geaardheid en opvoeding van

hem verschillend zijn.--Welke meent gij?--Naar mijn inzien, zal een

redelijk mensch, wanneer hij onder het verhalen tot een gezegde of

eene daad van een goed man komt, dezelve, daar ze met zijne inborst

overeenstemmen, gaarne willen vermelden, en zich over die nabootsing

niet schamen, maar dien goeden vooral nabootsen, wanneer hij met

zekerheid en overleg handelt, minder, wanneer hij door ziekte of

verliefdheid aan ’t wankelen gebragt, of door dronkenschap of een ander

ongeluk overmeesterd is; maar wanneer hij in zijn verhaal tot iemand

komt, die aan hem ongelijk is, zal hij zich geenszins aan eenen, die

slechter is, willen gelijk maken, (behalve wanneer hij voor een poos

goed handelt), maar hij zal zich daarvoor schamen, daar hij én geene

oefening heeft in het nabootsen van dezulken, én weinig zin heeft, om

zichzelven te vormen en te plooijen naar het voorbeeld van slechteren,

die hij veracht; behalve misschien somtijds voor de grap.--Dat is

waarschijnlijk.--

IX. Dus zal hij zich van zulk een verhaaltrant bedienen als wij

daar even over ~Homerus~ sprekende aanwezen, en zijne wijze van

uitdrukking zal aan beiden deel hebben, aan de nabootsing en aan het

gewone verhaal, doch het kleinste deel van hetgeen hij zegt, zal uit

nabootsing bestaan. Heb ik daarin geen gelijk?--Ja, gij hebt zeker

goed opgegeven, in welken trant zulk een redenaar zal spreken.--Dus

zal ook hij, die zóó niet is, naarmate hij minder deugt, meer alles

durven verhalen, en het zijner niet onwaardig rekenen, zijn best te

doen, om alles in ernst en in ’t openbaar na te bootsen; zelfs wat

wij zeiden, donderslagen en geraas van wind, en hagel, en assen, en

wielen, en trompetten, en fluiten en allerlei andere instrumenten, en

het geschreeuw van honden, en schapen, en vogels; en zijn verhaaltrant

zal grootendeels bestaan in nabootsing van geluiden en houdingen,

met weinig gewoon verhalen er tusschen in.--Dat is natuurlijk.--Deze

twee soorten van verhalen nu bedoelde ik.--Die onderscheidt gij ook

teregt.--En nu heeft de eene soort weinig afwisseling, en zoo men

zulk een verhaal met gepaste muzijk begeleiden wil, dan kan men bijna

altijd dezelfde wijs bezigen, daar er weinig afwisseling in is, en

ook alles in dezelfde versmaat voordragen.--Ja, dat is zeker.--Maar

de tegenovergestelde soort eischt van alles het tegenovergestelde,

namelijk allerlei wijzen en allerlei versmaten, zoo zij althans

behoorlijk zal uitgevoerd worden, want zij heeft allerlei vormen van

afwisseling.--Juist.--Maar bezigen nu niet alle dichters en verhalers

eene der beide soorten, of eene uit beide gemengde soort?--Dat moet

wel.--En zullen wij die allen in onzen staat opnemen, of één der

twee onvermengde soorten of de gemengde?--Zoo ik mijn zin heb, de

onvermengde soort, die bij het nabootsen van deugdzame menschen

gebezigd wordt.--Maar, ~Adimantus~! de gemengde is zoo aangenaam, en

de soort, die tegen de door u gekozene overstaat, is voor kinderen en

opvoeders[72], en de menigte het alleraangenaamst.--Ja, aangenaam is

zij.--Maar misschien zult gij zeggen, dat zij voor onzen staat niet

past, omdat wij geen dubbele of veelvuldige menschen hebben, maar

ieder één ding doen moet.--Juist.--Dus zullen wij dan ook alleen in

zulk eenen staat den schoenmaker schoenmaker zien en niet te gelijk

schipper; den boer boer en niet te gelijk regter; den krijgsman

krijgsman en niet te gelijk financier, enz.--Dat is waar.--Dus, als

in onzen staat iemand kwam, die knap genoeg was, om zich aan alles

gelijk te maken en alle dingen na te bootsen, en als die zijne verzen

wilde voordragen; dan zouden wij hem wel eerbiedig ontvangen, als

een gunsteling der goden, die bewondering verdiende, en de menschen

vermaken kon, maar wij zouden zeggen, dat bij ons zulke menschen niet

zijn en ook niet mogen zijn, en wij zouden hem zalven en bekransen,

maar hem naar eenen anderen staat sturen en zelve om der wille van

het nut ernstiger en minder aangename dichters en verhalers bezigen,

die ons den spreektrant van den deugdzame nabootsten en zich aan de

grondregels hielden, die wij vastgesteld hebben, toen wij begonnen de

krijgslieden op te voeden.--Ja, als het aan ons lag, zouden wij zeker

zóó doen.--Nu, mijn vriend! geloof ik, dat de muzenkunst, voor zoover

zij de verhalen en de fabelen insluit, is afgehandeld; want wij hebben

gezegd, wat en hoe er moet verhaald worden.--Dat geloof ik ook.--

X. Wij moeten dus nu nog handelen over het gezang en de verschillende

soorten van liederen.--Juist.--Maar is het nu niet voor allen

duidelijk, hoe wij over dat punt moeten spreken, om met het vorige niet

in strijd te komen?--Hierop zeide ~Glauco~ lagchende: ~Socrates~,

ik schijn buiten die allen te staan; althans op het oogenblik kan

ik niet aangeven, hoe wij over dat punt moeten spreken, hoezeer ik

het wel kan gissen.--Gij kunt toch, zeide ik, vooreerst wel inzien,

dat een lied uit drie dingen is zamengesteld, uit de woorden, de

wijs en de versmaat.--Ja, dat wel.--Voor zoover er nu woorden in

komen, verschilt het eigenlijk, wat de grondregels aangaat, niet van

dichtstukken, die niet gezongen worden, maar wij moeten er hetzelfde

bij in acht nemen.--Dat is waar.--En de zangwijs en versmaat moeten

met de woorden overeenstemmen.--Natuurlijk.--Maar wij zeiden immers

daareven, dat wij geen woorden, die jammer en geklaag uitdrukken,

noodig hebben.--Die kunnen wij ook waarlijk wel missen.--Welke zijn

dan nu de klagende zangwijzen? zeg gij dit, want gij zijt een kenner

der muzijk.--De half lydische, en de hoog lydische, en wat meer van

die soort is.--Dus zijn die te verwerpen, want zij deugen zelfs

niet voor vrouwen, die goed gezind moeten wezen, laat staan voor

mannen.--Zekerlijk.--En ook dronkenschap, weekelijkheid en ledigheid

passen niet voor wachters.--Volstrekt niet.--En welke zangwijzen zijn

weekelijk en voor drinkliederen geschikt?--De Jonische, en de Lydische,

die den naam hebben van luchtige.--Zult gij die dan bezigen, mijn

vriend! bij de opleiding van krijgslieden?--Geenszins; maar gij zult,

denk ik, de dorische en de phrygische wel overlaten.--Ik ken al die

wijzen niet, zeide ik; maar laat die blijven, welke behoorlijk den

toon en de uitdrukking der stem nabootsen van iemand, die mannelijk

is in den oorlog en in alle handelingen, welke inspanning vereischen,

en die, zoo hij zijn doel mist, of wonden en dood te gemoet gaat,

of in eenig ander ongeval komt, met bezadigde kracht zich tegen het

onheil verzet; en ook eene andere, die de gemoedstemming uitdrukt van

iemand, die met vreedzaam en niet zoo veel inspanning vorderend werk

bezig is, en b. v. de Godheid ergens om bidt of door onderwijs en

vermaning een mensch ergens van zoekt te overtuigen, of ook luistert

naar een verzoek of leering of vermaning van een ander, en in dat

alles verstandig handelt, zonder opgeblazenheid, maar ingetogen en

redelijk en met den uitslag genoegen nemende. Laat dus twee zangwijzen

over, de eene meer, de andere minder ernstig, die het best de wijze

van uitdrukking van ingetogene, krachtvolle menschen in voor- en

tegenspoed nabootsen.--Best: dan wilt gij geene andere overlaten, dan

die ik daareven noemde.--Dus hebben wij in liederen en gezangen geene

veelheid van toonen of sterke afwisseling van zangwijzen noodig.--Ik

vind van neen.--Dus zullen wij ook geene vervaardigers toelaten van al

zulke instrumenten, die veel toonen hebben, en voor allerlei wijzen

geschikt zijn.--Neen.--Zult gij dan vervaardigers van fluiten of

fluitspelers in den staat opnemen? of heeft dat instrument niet de

grootste verscheidenheid, en is het niet het oorspronkelijkste van al

die instrumenten met veel toonen?--Voorzeker.--Dus houdt gij slechts

de lier en den cither voor bruikbaar in onzen staat, en misschien voor

de herders op het land een panfluitje?--Dit volgt althans uit onze

redenering.--Wij doen dan ook niets vreemds, mijn vriend! wanneer wij

aan ~Apollo~ en zijne instrumenten boven ~Marsyas~[73] met de zijne de

voorkeur geven.--Dat vind ik waarlijk ook niet.--Maar, zie eens, hebben

wij dien weelderigen staat van daareven niet weer schoongemaakt?--Daar

hebben wij goed aan gedaan.--

XI. Komaan, laat ons hem dan verder schoonmaken. Na de zangwijzen

komen wij van zelfs aan de versmaten, en het volgt noodzakelijk uit

het gezegde, dat wij geen maten vol afwisseling en van allerlei soort

moeten najagen, maar omzien naar zulke, die in overeenstemming zijn

met de gemoedstemming van een ingetogen en krachtvol man; ten einde,

zoo wij deze in woorden willen uitdrukken, daaraan de enkele voeten en

hunne verbinding gelijkvormig te maken, niet omgekeerd. En wat voor

maten dat zijn, moet gij zeggen, even als bij de zangwijzen.--Maar dat

kan ik niet zeggen. Want dat er drie verschillende hoofdsoorten van

voeten zijn, en dat daaruit de versmaten worden zamengesteld, zoo als

in de zangwijzen vier grondtoonen, waaruit al de wijzen haren oorsprong

hebben, dat weet ik uit mijne studie van het vak; doch welke hunner met

iedere soort van gemoedstemming overeenkomt, ben ik niet in staat om

te zeggen[74].--Hierover zeide ik, zullen wij dan maar met ~Damon~[75]

raadplegen, en hem vragen, welke soorten van versmaat de uitdrukking

zijn van laagheid, of overmoed, of waanzin, of eenig ander gebrek,

en welke met het tegengestelde overeenkomen. Want ik heb wel het een

en ander van dactylische en heroische versmaten en van jamben en

trochaeën en van allerlei verbindingen van lange en korte lettergrepen

gehoord, en dat de enkele voeten evenzeer goed of af te keuren zijn

als de versmaten; maar het regte kan ik er niet van zeggen. Dit moet

dus aan ~Damon~ gevraagd worden, want dit onderzoek zou ons te ver

afleiden; of hoe denkt gij er over?--Ik heb er ook geen zin in.--Maar

dit kunt gij toch wel inzien, dat de goede of de kwade houding van

het lied grootendeels van de deugd of gebrekkigheid van de versmaat

afhangt.--Wel zeker.--En de goede of gebrekkige versmaat past op

hetgeen goed of gebrekkig is gezegd, en de wijs eveneens, zoo althans

versmaat en wijs zich, zooals wij zeiden, naar de woorden moeten

schikken, niet omgekeerd.--Ik vind ook, dat zij zich naar de woorden

moeten schikken.--En de vorm en inhoud van het gesprokene schikt zich

immers naar de stemming van den geest?--Natuurlijk.--En naar het

gesprokene de rest.--Ja.--Dus zijn goede woorden, goede wijs, goede

houding van het lied, en goede versmaat een gevolg van een goed hart,

wanneer wij althans daaronder geen dwaze toegefelijkheid verstaan,

maar eene stemming van het hart, die op waarachtig goed inzigt van het

verstand gebouwd is.--Toegestemd.--En moeten de jongelingen, om goed

hunnen pligt te doen, dit niet overal najagen?--Voorzeker.--Edoch ook

de schilderkunst, en alle andere kunsten, b. v. het weven, beeldhouwen,

huizenbouwen, en de gesteldheid der ligchamen, zoo van menschen als

van alle andere levende wezens, zijn allen vatbaar voor diezelfde

deugden en ondeugden, die wij in de wijzen, de versmaten en de woorden

hebben opgemerkt, en zijn dus afbeeldingen van eene goede of kwade

inborst.--Ongetwijfeld.--

XII. Moeten wij dan alleen op de dichters het oog houden en ze

noodzaken, om óf in hunne gedichten goede zeden na te bootsen,

óf bij ons geen verzen te maken; of is het zaak ook op de andere

kunstenaars te passen, en ze te beletten eenige slechtheid van zeden,

of ongebondenheid, of laagheid, of onwelvoegelijkheid in schilderwerk,

of gebouwen, of in wat dan ook, te doen doorschijnen; en die dat niet

vermijden kan, bij ons niet toe te laten: opdat onze wachters niet

onder allerlei afbeeldingen van slechtheid als met vergiftigde spijs

gevoed wordende, door daar dagelijks een weinig van in te nemen,

ongemerkt veel kwaad in hunne zielen vergaderen? En is het niet

raadzaam kunstenaars te zoeken, die in staat zijn al wat schoon en

betamelijk is op te sporen en na te bootsen, opdat de jongelieden, als

in eene gezonde plaats wonende, van alles nut trekken, daar hun gezigt

of gehoor steeds door schoone dingen getroffen wordt, als waaide hun

een heil aanbrengende koelte uit gezonde plaatsen toe, en zij alzoo van

kindsbeen ongemerkt aan al wat schoon is gelijkvormig worden?--Het zou

zeker het beste zijn, ze zóó op te voeden.--En juist daarom, ~Glauco~!

is het opvoeden door middel der muzenkunst van zoo veel belang, omdat

maat en zangwijs zoo gemakkelijk in de ziel indringen, en haar zoo

stevig aangrijpen, en bij goede leiding ingetogen maken, bij verkeerde

het tegendeel. En ook, omdat, die daarin behoorlijk is onderwezen,

het meest ziet, wat verzuimd of niet goed bewerkt is, en zich daaraan

ergert, en het schoone prijst en gaarne opneemt, om er zijne ziel mede

te voeden, en daardoor schoon en goed te worden, maar reeds in zijne

jeugd het leelijke juist weet te berispen en te haten, nog voordat hij

daar reden van geven kan; en, zoo hij de reden leert, die het best kan

vatten, daar de zaak hem eigen is[76].--Dat is dan ook, geloof ik, het

doel van het bezigen der muzenkunst bij de opvoeding.--Nu kan immers

iemand eerst dán gezegd worden de letters te kennen, wanneer hij die

overal herkent, en wel evenzeer of ze groot of klein zijn?--Ja.--En hij

kan immers ook de beelden der letters in het water of in een spiegel

niet herkennen, voordat hij de letters zelve kent, daar het laatste uit

het eerste volgt?--Wel neen.--En zoo zullen wij immers ook geene ware

dienaars der muzen zijn, en onze kweekelingen evenmin, voordat wij de

ingetogenheid, den moed, de edelaardigheid, de grootmoedigheid, en wat

daar meer toe behoort of daartegen strijdt, overal herkennen, en in

andere dingen opmerken, zoowel waar zij zelve, als waar hunne beelden

zijn, en of zij zich in groote of in kleine dingen vertoonen?--Dat

moet ik u toestemmen.--Edoch, die in zijne ziel schoone zeden

koestert en wiens uiterlijke daarmede overeenstemt, is voor hem, die

het waarderen kan, het schoonste schouwspel.--Ongetwijfeld.--En het

schoonste is het beminnenswaardigste.--Voorzeker.--Dus zal de ware

dienaar der muzen vooral voor zulke menschen genegenheid koesteren,

en niet voor personen, die met hem niet overeenstemmen.--Dat is te

zeggen, zoo het gebrek in de ziel huist; zoo slechts het ligchaam niet

schoon is, heeft hij er vrede meê.--Ik begrijp het al, gij spreekt

hier uit ondervinding[77]. Doch ik geef het u toe. Verder zult gij

mij zeker toestemmen, dat hier aan geen zinnelijk vermaak mag gedacht

worden, daar dit hier volstrekt niet in aanmerking komt, en met al

het vorige strijdig is.--Toegestemd.--Dus kunnen wij de redenering

over de muzenkunst als afgehandeld beschouwen, daar zij niet beter kon

eindigen, dan met de zuivere liefde voor het wezenlijk schoone?--Dat

is waar.--

XIII. Na het onderwijs in de muzenkunst moeten de jongelieden door de

gymnastiek[78] worden opgevoed.--Natuurlijk.--Dus moeten zij ook daarin

van hunne jeugd af behoorlijk onderwijs krijgen. Hiermede nu geloof ik,

dat het aldus staat: zie gij ook eens. Ik meen, dat een goed ligchaam

door zijne voortreffelijkheid de ziel nog niet goed maakt, doch dat

daarentegen eene goede ziel door hare voortreffelijkheid het ligchaam

zoo goed mogelijk kan maken. Hoe denkt gij daarover?--Dat geloof ik

ook.--Wanneer wij dus het verstand behoorlijk vormen, en daaraan het

uitdenken van de bijzonderheden omtrent het ligchaam overlaten, terwijl

wij ter vermijding van noodeloozen omslag slechts de grondregels

opgeven, doen wij dan niet goed?--Zekerlijk.--Nu hebben wij reeds

gezegd[79], dat zij zich van dronkenschap moeten onthouden; want het

misstaat vooral aan een wachter door dronkenschap niet te weten, waar

ter wereld hij is.--Het is dan ook wat gek, dat een wachter zelf een

wachter noodig heeft.--En hoe staat het met het eten? Onze wachters

zijn immers kampvechters in den grootsten strijd?--Ja.--Zou dan nu

de ligchaamsgesteldheid van de gewone kampvechters voor hen geschikt

wezen?--Misschien wel.--Maar, die menschen zijn dommelig en worden

ligt ongesteld. Of weet gij niet, dat zij hun leven verslapen, en dat,

zoo zij maar een weinig van den voorgeschrevenen leefregel afwijken,

zij dadelijk en dikwijls erg ziek worden?--Dat weet ik.--Dus is er

een matiger levenswijs noodig voor de kampvechters in den oorlog,

die als honden wakker moeten wezen, en zoo scherp mogelijk zien en

hooren, en in het veld allerlei afwisseling van drank, en spijs, en

hitte, en koude kunnen ondergaan, zonder daarvan ligt kwade gevolgen

voor hunne gezondheid te ondervinden.--Dat vind ik ook.--Maar zou nu

de beste gymnastiek geene zuster zijn van de eenvoudige muzenkunst,

die wij daareven behandelden?--Hoe zegt gij?--Ik meen eene eenvoudige

en geschikte gymnastiek, die tot voorbereiding voor den oorlog is

ingerigt.--En hoe moet die dan wezen?--Dit zoude men zelfs van

~Homerus~ wel kunnen leeren. Want gij weet dat hij de helden in het

veld geen visch laat eten, hoezeer zij aan den Hellespont, vlak bij zee

gelegerd waren, noch gekookt vleesch, maar alleen gebraden, hetwelk

voor krijgslieden het gemakkelijkst te krijgen is, want het is toch

veel gemakkelijker het vuur zelf te bezigen dan overal vaatwerk mede te

slepen.--Dat spreekt.--Ook herinner ik mij niet, dat ~Homerus~ ergens

van lekkernijen spreekt. Doch ook anderen, die hun ligchaam oefenen,

weten wel, dat die gezond wil zijn, zich daarvan moet spenen.--Ja, dat

weten zij zeer goed, en onthouden zich er ook van.--Dus, mijn vriend!

hebt gij, naar het schijnt, weinig op met eene Syracusaansche tafel,

en een Sicilischen overvloed van toespijs.--Neen waarlijk niet.--Dan

keurt gij het zeker ook af, dat mannen, die krachtvol en gezond zijn

moeten, zich op Corinthische meisjes verslingeren?--Natuurlijk.--En

ook het maken van goede sier met Attische taarten?--Dat spreekt.--Want

wij zouden, geloof ik, teregt die geheele levenswijs met het maken van

verzen en liederen op zulke kunstige wijzen en in allerlei versmaten

kunnen vergelijken.--Ja.--En die groote verscheidenheid maakt hier

losbandigheid en dáár ziekte, maar eenvoudigheid van muzenkunst verwekt

ingetogenheid in de zielen, en eenvoudigheid van gymnastiek gezondheid

in de ligchamen?--Volkomen waar.--En wanneer er veel losbandigheid

en ziekten in den staat zijn, worden er dan niet vele regtbanken en

ziekenhuizen geopend, en wordt dan de regtswetenschap en de geneeskunst

niet geëerd, daar vele personen van goede afkomst ze vlijtig

beoefenen?--Dat spreekt van zelfs.--

XIV. En zoudt gij wel een grooter bewijs van verkeerde opvoeding

kunnen uitdenken, dan dat in een staat niet alleen de daglooners en de

handwerkslieden, maar ook zij, die op eene goede opvoeding aanspraak

maken, bekwame geneesmeesters en regters noodig hebben! Of houdt gij

het niet voor schandelijk en voor een groot bewijs van onbeschaafdheid,

wanneer men zich door anderen als door heeren en regters moet laten

voorschrijven, wat regt en billijk is, omdat men er zelf geen begrip

van heeft?--Dat is zeker al heel schandelijk.--En vindt gij het niet

nog schandelijker, wanneer iemand niet slechts een groot deel van zijn

leven vermorst met voor de regtbank anderen te beschuldigen en zich

zelven te verdedigen, maar er zich ook uit gebrek aan schoonheidszin op

verheft, dat hij een baas is in het doen van onregt en geschikt om met

allerlei kunstige wendingen door alle gaten te kruipen, en door zich

in allerlei bogten te wringen, de straf te ontduiken; en dat nog wel

om nesterijen zonder waarde, daar hij niet begrijpt, hoe veel schooner

en beter het is zijn leven zóó in te rigten, dat men in ’t geheel niet

met slaperige regters te doen heeft?--Ja, dat is nog schandelijker.--En

de geneeskunst noodig te hebben, niet wegens wonden of ziekten, die

aan het jaargetijde eigen zijn, maar wegens allerlei kwalen, die

een gevolg zijn van ledigheid en overdaad, waarvoor de fatsoenlijke

dienaars van ~Esculaap~ allerlei vreemde namen verzonnen hebben, vindt

gij dat ook niet schandelijk?--Wel zeker, en die gekke, vreemde namen

toonen genoeg, waar die ziekten vandaan komen.--Zij waren er dan ook

waarschijnlijk niet, toen ~Esculaap~ zelf leefde.--Dit geloof ik ten

minste, omdat zijne zonen toelieten, dat ~Eurypylus~, die voor Troje

gewond was, Pramneïschen wijn met meel en geraspte kaas er in te

drinken kreeg, en omdat zij ~Patroclus~, die hem oppaste, daar niets

over zeiden[80].--Maar ik vind het toch gek, zulk een drank te geven

aan iemand, die in zulk een toestand is.--Och neen! wanneer gij maar

bedenkt, dat de dienaars van ~Esculaap~ de tegenwoordige geneeskunst,

die de ziekten slepende houdt, voor den tijd van ~Herodicus~, naar men

zegt, niet gekend hebben. Maar ~Herodicus~, die een onderwijzer der

gymnastiek en ziekelijk was, verbond de gymnastiek met de geneeskunst,

en pijnigde daarmede eerst zich zelven en toen vele anderen.--Hoe

dat?--Wel, zeide ik, door zijnen dood zoo lang als hij kon te rekken.

Want hij vocht altijd met zijne ongeneeslijke kwaal, en kon die wel

niet overmaken, maar hield zich zijn leven door met medicineren bezig;

en terwijl hij zware pijnen moest doorstaan, zoo hij maar even van

zijne gewone levenswijs afging, bereikte hij door zijne wijsheid

langzaam stervend een vrij hoogen ouderdom.--Dan had hij veel aan

zijne kunst!--Men kon niet anders verwachten van iemand, die niet

inzag, dat ~Esculaap~ deze soort van geneeskunst niet uit onkunde aan

zijne nakomelingen onthouden heeft, maar omdat hij wist, dat in goed

geordende staten ieder zijn werk heeft, dat hij noodzakelijk doen moet,

en dus niemand zijn leven met medicineren kan doorbrengen. Maar wij

zijn dwaas genoeg, om dit bij handwerkslieden te begrijpen, maar bij

rijken en zoogenaamde gelukkigen niet.--Hoe meent gij dat?--

XV. Een timmerman, zou, als hij ziek was, van den geneesmeester een

drank vragen om in eens de kwaal door braking of ontlasting kwijt te

raken, of er door branden of snijden van verlost te worden: maar zoo

men hem een omslagtigen leefregel voorschreef, en zijn hoofd inpakte

en hem wilde broeijen; dan zou hij spoedig zeggen, dat hij geen tijd

had om ziek te zijn, en geen lust om zóó te leven, en altijd met

zijne kwaal bezig zijnde zijn werk te verzuimen. En dan zou hij dien

geneesheer laten loopen en zijne gewone levenswijs hervattende, óf

beter worden en zijnen arbeid volbrengen, óf als zijn ligchaam het niet

kon uithouden, door den dood van alle smart verlost worden.--Zóó iemand

heeft dan ook gelijk, dat hij zóó met de geneeskunst omspringt.--Gij

meent zeker, omdat hij een werk heeft, dat hij doen moet, en omdat

hij anders niets aan zijn leven heeft.--Juist.--Maar de rijke heeft,

naar men zegt, geen zoodanig werk, waarvan hij niet door dwang kan

afgehouden worden, zonder verdriet in het leven te krijgen.--Zoo

wordt er althans over gesproken.--Maar gij hebt toch wel gehoord, wat

~Phocylides~ zegt: dat een mensch, als hij eerst voor zijn onderhoud

gezorgd heeft, de deugd moet beoefenen?--Ik zou zeggen, dat bij daar

vroeger meê beginnen moest.--Daarover willen wij nu niet met hem

twisten, maar zelve onderzoeken, of de rijke dit doen moet en anders

niets aan zijn leven heeft, dan of het koesteren eener ziekte wel

nadeelig is voor het timmeren, doordien het daarvan aftrekt, maar

niet verhindert den raad van ~Phocylides~ te volgen.--Waarlijk, bij

~Zeus~! die overdrevene verzorging des ligchaams is daarvoor bijzonder

hinderlijk; want zij staat in den weg én aan het huisbestier, én aan

den oorlog, én aan het waarnemen van bedieningen in den staat. En

het ergste van alles is, dat zij alle studie, en nadenken, en eigene

oefening belemmert, en altijd vreest voor hoofdpijn en duizeling, en

daarvan aan de wijsbegeerte de schuld geeft; zoodat zij, waar zij is,

het beoefenen en overdenken van de deugd ten hoogste belemmert, door

ons altijd te doen meenen, dat wij ziek zijn, en ons over onze kwalen

te laten tobben.--Dit heeft ~Esculaap~ zeker ingezien, zeide ik, en

daarom voor hen, die een door natuur en levenswijs gezond ligchaam

hadden, en tijdelijk door bijkomende omstandigheden ziek waren, eene

geneeswijs aan de hand gedaan, die de ziekte door geneesmiddelen en

snijden uitdreef, zonder dat de menschen hunne gewone levenswijs

behoefden te veranderen, daar dit voor den staat nadeelig zou wezen;

maar de door en door zieke ligchamen heeft hij zeker niet beproefd

door allerlei leefregels en door langdurige bewerkingen te plagen,

en zóó aan de menschen een lang en ellendig leven te bezorgen, en

ze natuurlijk even gebrekkige kinderen te laten voortbrengen; daar

hij meende hem, die bij de bestaande orde van dingen niet leven

kon, niet in het leven te moeten houden, omdat zulks noch voor den

lijder noch voor den staat nuttig was.--Gij maakt ~Esculaap~ dan tot

een staatkundige.--En met regt, zoo als ook uit zijne zonen blijkt.

Of ziet gij niet, dat zij voor Troje dapper streden, en tevens de

geneeskunst zóó uitoefenden als ik zeide? Herinnert gij u niet, dat

zij, toen ~Menelaus~ door ~Pandarus~ gewond was, het bloed afwischten

en er verzachtende kruiden op leiden, maar aan hem evenmin als aan

~Eurypylus~ voorschreven, wat hij eten of drinken moest[81]; daar er

niets dan die kruiden vereischt werd, om mannen te genezen, die gezond

waren en matig geleefd hadden, zelfs al dronken zij op het oogenblik

wijn met geraspte kaas. Maar zij oordeelden, dat bij een ziekelijk en

door weelde bedorven ligchaam noch voor hetzelve noch voor anderen het

leven nuttig was, en dat de kunst aan zulken niet moest besteed worden,

al waren zij rijker dan ~Midas~.--Gij maakt die zonen van ~Esculaap~ al

heel knap.--

XVI. Dat is niet meer dan behoorlijk. De treurspeldichters echter en

~Pindarus~ denken er anders over, en zeggen, dat ~Esculaap~ een zoon

van ~Apollo~ was, en dat hij zich door goud heeft laten overhalen, om

een rijk man, wiens dood reeds was vastgesteld, te genezen; en daarom

zelf door den bliksem getroffen is. Maar wij zullen, zoo als gezegd is,

beide verhalen niet tevens aannemen, en zeggen: Zoo hij een godenzoon

was, was hij niet inhalig; en zoo hij inhalig was, geen godenzoon.--Dat

is heel goed. Maar wat zegt gij hiervan, ~Socrates~! Moeten wij dan in

onzen staat geen goede geneesheeren hebben, en dus vooral zulken, die

zooveel gezonde en zooveel zieke menschen mogelijk uit ondervinding

kennen? En evenzoo regters, die met allerlei soort van karakters hebben

omgegaan?--Die zouden al heel goed zijn. Maar weet gij, hoe ik over

dezulken denk?--Zoo gij het eerst zegt.--Ik zal het beproeven. Maar gij

hebt in ééne vraag twee ongelijke dingen zamengevoegd.--Hoe zoo.--Een

geneesmeester zou wel het knapst worden, wanneer hij van kindsbeen,

bij zijne studie, met zoo vele en verschillende zieken als mogelijk

omging, en zelf aan allerlei ziekten sukkelde, en een voos gestel

had. Want zij genezen toch de ligchamen niet met het ligchaam, want

dan zouden er geen ongezonde ligchamen zijn, maar met de ziel, die,

zoo zij zelve niet deugt, bezwaarlijk iets anders genezen kan.--Dat

is waar.--Maar een regter, mijn vriend! heerscht met zijne ziel over

zielen, en die mag toch niet van jongs af onder slechte zielen worden

opgeleid en daarmede omgaan, en zelve allerlei onregt doen, om uit

eigen ondervinding het onregt van anderen te merken, zoo als dit met

de ligchaamsziekten plaats heeft; maar zij moet in hare jeugd van alle

aanraking met kwade zeden bevrijd blijven, zoo zij goed en schoon

zal worden, en goed zal beoordeelen, wat billijk is. Daarom schijnen

ook brave menschen in hunne jeugd onnoozel en ligt te foppen door

onregtvaardigen, van wier boosheid zij geen denkbeeld hebben.--Ja, dat

ondervinden zij veel.--Daarom moet een goed regter niet jong, maar oud

wezen, daar hij eerst laat heeft gemerkt, wat de onregtvaardigheid is,

niet door er in zijn eigen ziel mede gemeenzaam te worden, maar door

ten gevolge eener waarneming van vele jaren bij anderen op te merken,

welk een kwaad zij is, en haar alzoo door studie, niet door eigen

ondervinding, te leeren kennen.--Zoodanig een regter zou zeker het

allerbest zijn.--En goed, waarnaar gij gevraagd hebt, want, die eene

goede ziel heeft, is goed. Maar die knappe en ergdenkende, die zelf

veel onregt gedaan heeft, en tot alles in staat is, en zich zelven heel

wijs vindt, zal, zoo hij met zijns gelijken te doen heeft, voor heel

schrander en voorzigtig doorgaan, daar hij de anderen naar zich zelven

beoordeelt; doch wanneer hij met brave menschen van jaren moet omgaan,

dan komt zijne slechtheid uit, daar hij dan ten ontijde wantrouwend is,

en duidelijk toont geen denkbeeld van een gezond karakter te hebben.

Daar hij echter meer met slechten dan met goeden te doen heeft, zal hij

over ’t geheel aan zich zelven en anderen verstandig toeschijnen.--Dat

is volkomen waar.--

XVII. Dus moeten wij, om een goeden en wijzen regter te hebben, niet

zóó iemand zoeken, maar een man zoo als den eersten. Want de boosheid

kan de deugd en zich zelve niet kennen, maar de deugd van een man van

langdurige ondervinding staat aan zijne kennis van de boosheid niet in

den weg. Daarom is deze, en niet de booze, naar mijn inzien, wijs.--Dat

vind ik ook.--Dus zult gij in onzen staat eene geneeskunst, zoo als

wij beschreven hebben, en tevens zulk eene regterlijke magt instellen,

die de burgers, wier zielen en ligchamen goed zijn, zullen ten dienste

staan, maar hen, wier ligchaam niet deugt, zullen laten sterven, en

de slecht geaarden en ongeneeslijken van ziel zullen dooden?--Dit

schijnt althans het beste te wezen, zoo voor de lijders als voor den

staat.--En de jongelingen zullen zich natuurlijk voor regtshandel

wachten, wanneer zij zijn opgeleid door die eenvoudige muzenkunst,

welke wij zeiden, dat ingetogenheid aankweekt.--Zekerlijk.--En

zal de dienaar der muzen niet volgens hetzelfde rigtsnoer in de

gymnastiek datgene kiezen, waardoor hij zoo weinig mogelijk met de

geneeskunst te maken heeft?--Ik zou zeggen van ja.--Dus zal hij dan

ook bij ligchaamsoefeningen en inspanning meer letten op hetgeen

meest dienstig is tot vermeerdering van de veerkracht zijner ziel,

dan op de aankweeking zijner ligchaamskracht, en niet zoo als de

andere kampvechters voedsel en oefening vooral tot vermeerdering van

ligchaamskracht aanwenden.--Juist.--Dus, ~Glauco~! is het hoofddoel

van de opvoeding door muzenkunst en gymnastiek niet, zoo als sommigen

meenen, om door de ééne het ligchaam, door de andere de ziel te

verzorgen.--Hoe zoo?--Beiden zijn, geloof ik, vooral om der wille

van de ziel ingesteld.--Hoe dat?--Merkt gij niet, hoe de ziel gesteld

is bij hen, die hun leven met gymnastiek doorbrengen en de muzenkunst

niet beoefenen, en hoe bij hen, die het tegenovergestelde doen?--In

welk opzigt meent gij?--Wat woestheid, en hardvochtigheid, of zachtheid

en weekhartigheid aangaat.--Wel zeker, want zij, die zich alleen met

gymnastiek bezig houden, worden al te woest, en zij, die alleen aan

de muzenkunst doen, al te week.--Juist! En die woestheid heeft haren

oorsprong in de aangeboren driftigheid, die, zoo zij goed geleid wordt,

de grond van den moed is, maar, zoo zij te veel wordt aangewakkerd,

natuurlijk in hardvochtigheid en kwaadaardigheid overgaat.--Dat vind

ik ook.--En is aan den anderen kant de zachtzinnigheid geen gevolg

van aanleg voor de wijsbegeerte? En ontstaat daaruit niet bij te veel

aankweeking te groote weekheid, maar bij goede leiding zachtmoedigheid

en zedigheid?--Dat is zoo.--En wij zeggen, dat de wachters deze twee

eigenschappen moeten hebben.--Dat moeten zij ook.--En moeten dezelve

niet goed zamen verbonden worden?--Natuurlijk.--En de ziel, waarin

zij goed verbonden zijn, is ingetogen en moedig.--Zekerlijk.--En die,

waarin zij dit niet zijn, laf of woest.--Dat spreekt.--

XVIII. Wanneer dus iemand aan de muzenkunst toelaat door zijne ooren

als door een trechter in zijne ziel die aangename, zachte, klagende

wijzen, waarvan wij gesproken hebben, in te fluiten en in te gieten,

en zijn leven al neuriënd en door liederen vervrolijkt doorbrengt; dan

maakt hij in het eerst zijn aangeboren driftigheid, als ijzer door

het vuur, zacht en handelbaar: maar wanneer hij onafgebroken met dat

weeken voortgaat, dan doet hij ze eindelijk smelten en vervloeijen,

tot hij al zijne geestkracht versmolten heeft, en de zenuwen zijner

ziel heeft verlamd, en een lafhartig oorlogsman is geworden.--Dat is

zeker.--En wanneer hij dit met eene ziel zonder veerkracht begint,

dan klaart hij het spoedig; maar zoo dezelve driftig van aard is, dan

maakt hij die drift zwak en gevoelig, zoodat zij door kleinigheden

snel wordt opgewekt en nedergezet. Zulke menschen worden, in plaats

van krachtig, ligt geraakt en korzelig en kunnen niets velen.--Hierin

hebt gij gelijk.--En wanneer iemand daarentegen veel werk van

gymnastiek maakt en allerlei krachtige spijs nuttigt, maar de muzijk

of de wijsbegeerte niet aanroert, dan wordt hij in het eerst sterk

en vol zelfvertrouwen en geestdrift, en veel moediger dan hij te

voren was.--Natuurlijk.--Maar, wanneer hij nu niets anders doet, en

zich met de Muzen niet ophoudt, wordt dan niet de leergierigheid,

die hij nog had, daar zij van studie of onderzoek niets proeft, noch

aan eenige redekaveling of muzenkunst deel neemt, zwak en doof en

blind, daar zij niet wordt opgewekt, noch gevoed, noch van dwaling

gezuiverd?--Ja.--Dus wordt, zou ik denken, zóó iemand een redehater[82]

en een vijand van de muzen, en bedient zich volstrekt niet meer van

overreding, maar doet als een wild dier alles met geweld en woestheid,

en leeft in bekrompenheid en onkunde, zonder eenige beschaving of

bevalligheid.--Ja, zoo gaat het.--Dus zou ik haast zeggen, dat een

God aan de menschen die twee kunsten, de muzenkunst en de gymnastiek,

niet voor den geest en het ligchaam, maar voor het driftige en het

wijsgeerige gegeven heeft, ten einde die twee tot de juiste maat

te brengen, waarop zij zijn moeten, om in goede verhouding tot

elkander te staan.--Dat is wel waarschijnlijk.--Die dus het best de

muzenkunst met de gymnastiek vereenigt en ze in de beste verhouding

aan de ziel toedient, heeft veel meer aanspraak op den naam van een

waren dienaar der Muzen, dan hij, die de snaren behoorlijk kan

stemmen.--Ongetwijfeld, ~Socrates~!--Dus, ~Glauco~! hebben wij ook in

onzen staat zulk een opperhoofd noodig, zoo onze staatsregeling zal

bloeijen.--Ja, die hebben wij hard noodig.--

XIX. Dit zijn dan nu de grondregels voor onderwijs en opvoeding. Want

waartoe zouden wij nu nog het dansen, jagen, de ligchaamsoefeningen,

en het paardrijden van zulke menschen behandelen? Want het is toch

duidelijk genoeg, dat dit alles met het vorige moet overeenkomen, en

hoe dat geschieden kan, is niet moeijelijk te vinden.--Dat zal wel

gaan.--Komaan dan, wat ligt er nu aan de beurt? Immers, wie hunner

moeten heerschen, en wie beheerscht moeten worden?--Hoe zoo?--Wel,

het is duidelijk, dat de ouderen moeten heerschen en de jongeren

beheerscht worden.--Dat spreekt.--En dat de besten hunner moeten

heerschen.--Ook dat.--En zijn de beste boeren niet zij, die het land

het best bebouwen?--Ja.--Daar zij dan nu de beste uit de wachters

zijn moeten, zoo moeten wij zeker die kiezen, die den staat het best

bewaken?--Ja.--Dus moeten zij het daartoe noodige verstand en de

noodige kracht en tevens hart voor den staat hebben.--Natuurlijk.--En

iemand heeft het meeste hart voor hetgeen hij lief heeft.--Juist.--En

hij heeft dat het meest lief, wat, naar zijn oordeel, met hem hetzelfde

belang heeft, en welks voor- en tegenspoed hij dus het meest als den

zijnen beschouwt.--Dat is zoo.--Dus moeten wij uit de andere wachters

zulke mannen uitkiezen, die in hun geheele leven doen blijken, dat

zij, wat zij voor den staat nuttig oordeelen, met allen ijver doen

willen, maar het tegenovergestelde volstrekt niet.--Die zijn zeker

geschikt.--Dus vind ik, dat wij ze op alle leeftijden moeten waarnemen,

om te zien, of zij standvastig zijn en door bedrog noch geweld de

meening laten varen, dat zij doen moeten, wat voor den staat het beste

is.--Hoe meent gij dat?--Dat zal ik u zeggen. Mijns inziens laat iemand

eene meening óf vrijwillig óf tegen zijnen wil varen; vrijwillig, zoo

zij valsch is en hij beter onderrigt wordt; tegen zijnen wil, zoo zij

waar is.--Dat vrijwillig laten varen begrijp ik, maar ik wenschte wel

te hooren, hoe men dit tegen zijnen wil kan doen.--Maar oordeelt gij

dan ook niet, dat de menschen het goede tegen hunnen wil laten varen,

en het kwade vrijwillig? En is het dwalen niet een kwaad en het kennen

der waarheid een goed? En bestaat het kennen der waarheid niet in het

overeenstemmen onzer meening met de dingen, die werkelijk bestaan?--Dat

alles stem ik toe, en dus ook, dat de menschen tegen hunnen wil de

ware meening laten varen.--En gebeurt dat niet, zoo zij er door

diefstal, begoocheling of geweld van beroofd worden?--Nu begrijp ik

het nog niet.--Ik schijn dan al heel hoogdravend te spreken. Want door

diefstal meen ik overreding of vergetelheid, daar bij de ééne de tijd,

bij de andere de redenering ongemerkt de ware meening wegneemt. Dat

begrijpt gij toch wel?--Ja, dat wel.--En met geweld bedoel ik, wanneer

pijn of droefheid ons noopt van meening te veranderen.--Dat begrijp

ik ook, en ik stem het toe.--En nu zult gij ook wel toestemmen, denk

ik, dat begoocheling hier beteekent zich door de kitteling van het

vermaak of door vrees voor dreigend gevaar van zijne meening te laten

afbrengen.--Juist, want al wat ons misleidt, begoochelt ons.--

XX. Wij moeten dus onderzoeken, wie het best de meening bewaren,

dat zij steeds doen moeten wat het beste is voor den staat. Daarom

moeten zij van hunne jeugd af aan beproefd worden, door hun zulk werk

te geven, waarbij iemand die het ligtst zou vergeten en zich laten

misleiden, en dan moet de volhardende en die bezwaarlijk te misleiden

is worden goedgekeurd en de ander afgekeurd. Niet waar?--Ja.--Ook

moeten zij door moeite, pijn en wedstrijden beproefd worden, en

daarin diezelfde meening vasthouden.--Dat is goed.--Verder moet er

ook een derde proef, met de begoocheling, genomen worden; en even

als jonge paarden in geraas en rumoer gebragt worden, om te zien of

zij schrikachtig zijn, zoo moeten ook de jongelingen door gevaren en

tevens door vermaken nog veel meer beproefd worden dan goud in het

vuur, om te zien, of zij in alles zich moeijelijk te begoochelen en

ingetogen betoonen, en goede bewaarders zijn van de muzenkunst, die zij

geleerd hebben, en, door in al die dingen den goeden regel en de ware

verhoudingen in acht te nemen, voor zich zelven en voor den staat zoo

nuttig zijn als mogelijk is. En die aanhoudend als kind, als jongeling

en als man beproefd en goed bevonden is, moet als overheid en wachter

van den staat worden aangesteld, en bij zijn leven vereerd en na zijnen

dood geprezen en met de grootste onderscheiding begraven worden; maar

die de proef niet doorstaat, moet verworpen worden. Aldus ~Glauco~!

moeten wij met het uitkiezen en aanstellen der overheden en wachters

handelen; om het nu maar in de hoofdtrekken, niet in de bijzonderheden,

op te geven.--Ik hecht er mijn zegel aan.--Dus kunnen wij hen met het

volste regt volkomene wachters, zoo tegen de vijanden van buiten als

tegen de vrienden van binnen heeten, die zorgen dat de laatsten geen

kwaad willen doen, en de eersten het niet kunnen; en de jongelingen,

die wij tot nog toe wachters genoemd hebben, noemen wij dan helpers en

handhavers van de besluiten der overheid.--Dat vind ik goed.--

XXI. Zouden wij nu niet met vrucht eene dier nuttige onwaarheden,

waarvan wij straks spraken[83], kunnen toepassen, en zoo mogelijk

de overheden zelve, maar althans de andere burgers in eene heilzame

dwaling brengen?--Wat meent gij.--Niets ongehoords, maar iets, dat

onder anderen met de Phoenicische Colonie in Thebe en op vele andere

plaatsen vroeger meermalen, zooals de dichters zeggen, gebeurd is,

doch in onzen tijd niet, en waarschijnlijk ook niet gebeuren zal, en

dat men bezwaarlijk iemand kan doen gelooven.--Gij schijnt niet veel

zin te hebben, om het te zeggen.--En teregt, zooals gij zelf zult

inzien, als gij het hoort.--Zeg het maar onbeschroomd.--Komaan dan! al

weet ik ook niet, hoe ik het zal durven of kunnen staande houden. Ik

zal dan vooreerst de overheden en de krijgslieden en verder de andere

burgers zoeken te doen gelooven, dat zij eigenlijk slechts gedroomd

hebben, dat zij door ons werden opgevoed en onderwezen, maar dat zij in

waarheid met hunne wapenen en ander gereedschap onder den grond zijn

gegroeid en gevormd; en, dat, toen zij behoorlijk gevormd waren, hunne

moeder, de aarde, hen gebaard heeft; en dat zij dus nu voor hun land

als voor hunne moeder behooren te zorgen en te strijden, zoo het wordt

aangevallen, en de andere burgers beschouwen moeten als hunne broeders,

die ook uit de aarde ontsproten zijn.--’t Is geen wonder, dat gij

weinig zin hadt, om die onwaarheid te zeggen.--Neen waarlijk niet, maar

toch moet gij ook de rest van het verzinsel aanhooren. Want wij zullen

hen verder aldus toespreken: gij allen, die in onzen staat woont, zijt

dus wel broeders, maar God heeft, toen hij u maakte, bij de vorming

van hen, die voor regeren bekwaam zijn, goud gebezigd, weshalve zij de

voortreffelijksten zijn; en bij de helpers der overheden zilver; en

ijzer, en koper bij de landlieden en de handwerkers. Daar gij dus allen

bloedverwanten zijt, zult gij wel meestal kinderen verwekken, die aan u

gelijk zijn, maar kan het toch gebeuren, dat uit goud gevormde ouders

zilveren spruiten verwekken, en uit zilver gevormde gouden, en evenzoo

bij de anderen. Daarom gelast God vooreerst en vooral de overheden om

niets zoozeer in het oog te houden en te bewaken als de kinderen, ten

einde te zien, welk van die metalen zij in de ziel hebben, en als uit

hen een kind geboren wordt, dat aan koper of ijzer verwant is, hetzelve

geenszins te sparen, maar het naar zijne geaardheid te behandelen, en

in de klasse der handwerkers en landlieden te doen overgaan, en als

onder dezen personen geboren worden, die blijken verwantschap met goud

of zilver te hebben, die te vereeren en met de wacht of het helpen der

overheden te belasten, daar de godspraak bepaald heeft, dat onze staat

zal ondergaan, zoo hij door zilver of koper bewaakt wordt. Ziet gij er

eenig middel op, om voor hen dat verzinsel geloofelijk te maken?--Voor

hen zelven, volstrekt niet, maar wel voor hunne kinderen en verdere

nakomelingen.--Dit zou ook al goed zijn, om te maken, dat zij meer zorg

voor den staat en voor elkander droegen; want ik vat wel, wat gij wilt.

Wij zullen het dan maar aan de overlevering opdragen, dit denkbeeld te

verspreiden.

XXII. Wanneer wij nu deze kinderen der aarde gewapend hebben, moeten

wij ze onder aanvoering der overheden de stad doen intrekken. Wanneer

zij daar gekomen zijn, moeten zij zien, waar zij zich het best kunnen

legeren, om zoowel de personen van binnen, die niet aan de wetten

willen gehoorzamen, te bedwingen, als hen, die van buiten als wolven de

schaapskooi aanvallen, af te weren. Als zij die plaats gekozen hebben,

moeten zij, na de gebruikelijke offers, verblijfplaatsen voor zich

laten maken.--Dat spreekt.--En immers zulke, die voldoende zijn voor

het afweren van koude en hitte?--Natuurlijk, want gij meent huizen,

geloof ik.--Ja, maar voor krijgslieden, niet voor kapitalisten.--Maar

welk onderscheid maakt gij dan tusschen die twee?--Ik zal trachten het

u te zeggen. Het is voor herders allerschadelijkst en schandelijkst,

de honden, die de kudde moeten beschermen, zóó te kiezen en zóó te

behandelen, dat zij door teugelloosheid, of honger, of eenig ander

gebrek de schapen pogen kwaad te doen, en meer op wolven dan op honden

gelijken.--Dat is zeker erg.--Dus moeten wij op allerlei wijzen zorgen,

dat onze krijgslieden in het omgaan met burgers, die hunne minderen

zijn, niet meer op woeste meesters dan op welwillende beschermers

gelijken.--Ja daar moeten wij voor zorgen.--En zou dit zorgen niet

grootendeels in het geven eener goede opvoeding bestaan?--Ja, maar

daarvoor is reeds gezorgd.--Dat is wat stellig gesproken, mijn beste

~Glauco~! maar, wat wij daareven zeiden, is zeker waar, namelijk:

dat hen goed op te voeden, waar dan ook die opvoeding in besta,

het voornaamste middel is, om hen jegens elkander en jegens hunne

beschermelingen zachtzinnig te maken.--Dat is zeker.--Daarenboven leert

het gezond verstand, dat zij zulke woningen en andere bezittingen

moeten hebben, waardoor zij evenmin zelve bedorven worden als aangezet,

om de andere burgers te mishandelen.--Dat leert het met regt.--Zie

dan nu eens, of zij zóó moeten leven en wonen, om zoodanig te worden.

Vooreerst moet niemand hunner, zoover dit niet volstrekt noodig is, een

eigen bezitting hebben; verder moet niemands woning en voorraadkamer

gesloten zijn, maar ieder moet er in kunnen komen; ook moeten zij

tot levensonderhoud hebben, wat ingetogene, moedige krijgslieden

behoeven; en daartoe moeten zij van de andere burgers, tot loon voor

hunne bewaking, zoo veel krijgen, dat zij jaarlijks rondkomen, maar

niet overhouden; en als krijgslieden in eene legerplaats moeten zij

aan gemeenschappelijke tafels te zamen eten. Verder moeten wij hun

zeggen, dat zij goddelijk goud en zilver van de goden in hunne zielen

gekregen hebben, en dus het menschelijke niet behoeven, noch, door het

bezit van dat vergankelijke goud, wat zij hebben, mogen bezoedelen,

daar er vele gemeene dingen met het goud, dat de menigte heeft, gedaan

worden, maar het hunne zuiver is; en daarom mogen zij alleen onder de

burgers geen goud of zilver behandelen, noch aanraken, noch er mede

onder hetzelfde dak zijn, of het aan hun ligchaam hangen, of er uit

drinken. Alzoo toch kunnen zij behouden blijven en den staat behouden;

doch, wanneer zij eigen landerijen, huizen en geld hebben, zullen zij

financiers of boeren zijn, maar geen wachters; en zullen de andere

burgers beheerschen, niet beschermen; en ze hatende en door hen gehaat

wordende, gedurende hun geheele leven ze belagen en aan hunne lagen

blootstaan, en veel meer voor de vijanden van binnen dan voor die van

buiten vreezende, zoowel zich zelven als den geheelen staat hals over

kop in het verderf storten. Om al deze redenen zullen wij zeggen, dat

de wachters, wat woningen enz. aangaat, zóó moeten gesteld zijn, en

wij zullen dat bij de wet vaststellen. Niet waar?--Zekerlijk, zeide

~Glauco~.

De republiek van Plato · 第 42 / 65 题