Voetnoten

[1] De Godin ~Bendin~, wier dienst eerst onlangs uit Thracie naar

Athene was overgebragt.

[2] Ieder der mededingers zat te paard. Ieder wachtte zijnen voorman

op, die hem de fakkel brandend moest brengen, opdat hij die brandend

aan den volgenden zou overgeven.

[3] Seriphus is een der nietigste eilandjes van den Griekschen archipel.

[4] ~Cicero~ heeft reeds gezien, dat ~Plato~ ~Cephalus~ verwijdert, om

zulk een eerbiedwaardig persoon niet in eene met zijne jaren minder

strookende rol te doen optreden (Zie ~Stallbaums~ noot). Hij komt

slechts in de inleiding voor, waar ~Plato~ hem waarschijnlijk vermeld

heeft, om daardoor aan zijne inborst hulde te doen, en tevens het

einde van het geheele werk voor te bereiden, door de rust en kalmte,

die een regtvaardig leven bij het naderen van den dood geeft, hier

aanschouwelijk voor te stellen.

[5] De Grieken noemden alles toespijs behalve het brood.

[6] De citherspeler is natuurlijk maar een voorbeeld, daar ~Socrates~

hier even goed alle andere kunstenaars en alle andere kunsten had

kunnen noemen.

[7] De sophisten verwijten ~Socrates~ bij ~Plato~ telkens, dat hij

alleen vraagt en nooit zijne meening zegt; en zij houden het vragen

voor veel gemakkelijker dan het verklaren en beredeneren van zijn

eigene meening. Dit laatste is wel op zich zelf waar, doch hij, die

de Socratische vraagmethode eenigzins opmerkzaam beschouwd heeft, zal

toestemmen, dat zij lang en breed van het gewone vragen verschilt, en

eigenlijk een andere vorm van bewijs is, daar ~Socrates~ zijne vragen

steeds zóó inrigt, dat op elke vraag maar één antwoord kan gegeven

worden, en dat antwoord telkens het punt aangeeft, dat door den gang

der redenering gevorderd wordt.

[8] Dit ziet op het Grieksche bijgeloof, dat zou iemand door een’ wolf

werd aangezien voor hij zijne oogen op den wolf gevestigd had, daardoor

zijne stem verloren ging.

[9] Het is bekend, dat ~Socrates~ doodarm was en toch van niemand geld

vorderde, hoewel hij ongevraagde geschenken gaarne aannam; hetwelk

hier niet op hetzelfde neêrkwam, dewijl hij den schijn van onderwijs

te geven zoo veel mogelijk vermeed. Deze zijne onbaatzuchtigheid

wordt door zijne leerlingen telkens in het licht gesteld, en met de

inhaligheid der Sophisten vergeleken.

[10] ~Socrates~ was door het orakel van ~Apollo~ te Delphi de wijste

der stervelingen genoemd. Hij zelf stelde die wijsheid daarin, dat

alleen hij niet meer kennis voorwendde dan hij werkelijk bezat, maar

ronduit zijne onwetendheid bekende. _Apologie_, hoofdst. V-IX. Zijn

doel was klaarblijkelijk zijne toehoorders zelve aan het denken te

helpen, zonder voor zich iets anders te verlangen dan den roem, dat hij

hun den eersten stoot had gegeven. Zie ~Theaetetus~. Hoofdst. VI. VII.

[11] Hieruit blijkt volstrekt niet, dat ~Socrates~ die bepaling

goedkeurde, daar hij ze hier alleen vasthoudt, om ~Thrasymachus~ te

bestrijden. Later zal het blijken, dat ~Socrates~ (dat is ~Plato~)

de regtvaardigheid wel voor nuttig hield, maar toch eene geheel

andere bepaling derzelve gaf, en niet haren invloed op andere dingen,

maar hare eigene wezenheid zocht uit te drukken. Dit is dan ook het

vereischte van eene goede bepaling. Zie ~Krause~, _Analytische Logik_.

p. 501.

[12] Natuurlijk op zich zelve, als ideaal beschouwd. Hier wordt niet

gesproken van den toestand waarin de kunsten [en wetenschappen]

tegenwoordig zijn, maar zij worden zóó gedacht, als zij zijn zouden,

zoo zij geheel aan haar begrip beantwoordden. Overigens merke men hier

op dat _kunst_ bij ~Plato~ zoowel kunst, in onzen zin, als wetenschap

beteekent.

[13] Hier wordt aan de ondervinding eene tegenwerping tegen de

wijsbegeerte ontleend. Deze tegenwerping is van denzelfden stempel als

wanneer men het zoeken naar waarheid zoekt af te raden door te beweren,

dat de menschelijke geest de waarheid (dat is _de geheele waarheid_)

niet vinden kan. Zie _Opklimmend deel der Wijsbegeerte_ blz. 109 (1).

De wijsbegeerte stelt idealen, de werkelijke wereld beantwoordt daaraan

gebrekkig; des niet te min zijn en blijven die idealen het rigtsnoer

waarnaar ieder zich regelen moet. Al is onze eindige natuur buiten

staat de volmaaktheid te bereiken, volmaakbaarheid is echter een

grondtrek van ons wezen, en een wezen, dat volmaakbaar is, kan meer en

meer tot de volmaaktheid naderen. Zie _De Godsdienst beschouwd als de

oorspronkelijke eenheid en het ware rustpunt van het zelfbewustzijn_,

door ~W. Reuter~. Medegedeeld met een Voorberigt en Aanmerkingen door

~J. Nieuwenhuis~, blz. 26-32.

[14] Tiranny beteekent hier de aanmatiging van volstrekte oppermagt in

een gemeenebest. Zie ~Bosscha~, _Schets der algemeene Geschiedenis_,

blz. 55 (*).

[15] Deze redenering wordt somtijds sophistisch genoemd omdat de kunst

van geldverdienen niet als eene afzonderlijke kunst bestaat, maar een

toevoegsel is der overige kunsten. Deze aanmerking is onjuist. Al

wordt in het dagelijksch gebruik der woorden het geldwinnen niet als

eene afzonderlijke kunst beschouwd, zoo is het toch duidelijk, dat

elke andere kunst zoowel voor niet en uit zuivere liefhebberij als om

geld te verdienen kan uitgeoefend worden. Daar dus het geldverdienen

steeds als toevoegsel voorkomt en met geene andere kunst noodzakelijk

zamenhangt, zie ik niet in, waarom men het niet als eene afzonderlijke

kunst zou mogen beschouwen, daar het toch werkelijk geene geringe

bekwaamheid is zijne bedrevenheid in andere vakken tot zijn voordeel

aan te wenden. Dus kan men teregt beweren, dat elke kunst haar

eigenaardig doel heeft, en zoo ook de kunst van geldverdienen naar

geld streeft, en dat, wanneer eene andere kunst ons geld bezorgt, dit

veroorzaakt wordt, door dien haar beoefenaar tevens de kunst bezit, _de

convertir_, zoo als ~Sue~ zegt, _son latin et son grec en argent_.

[16] Het is niet onbelangrijk hier de volgende plaats uit ~Xenophons~

Gedenkwaardigheden van ~Socrates~ te vergelijken. «Wanneer hij zelf

iets beredeneerde, nam hij zijnen weg door die punten welke het meest

door ieder werden toegestemd, daar hij dit voor de zekerste wijs van

redekavelen hield. Daarom was hij ook het meest van allen, die ik

gekend heb, in staat zijne toehoorders te overtuigen. En hij zeide, dat

ook ~Homerus~ ~Ulysses~ daarom een overtuigend redenaar genoemd heeft,

dewijl hij de kunst bezat, om zijne rede te doen voortloopen langs die

punten, welke door de menschen werden toegestemd.»

Ik wil tevens deze gelegenheid aangrijpen om de opmerkzaamheid

mijner lezers op nieuw te vestigen op de Nederduitsche vertaling

van ~Xenophons~ Gedenkwaardigheden van ~Socrates~, onder den titel:

_Xenophons, Gedenkwaardigheden van Socrates_. Uit het Grieksch

vertaald, door Prof. ~J. ten Brink~, in gr. 8vo.

[17] Het hier voorkomende is welligt in veler oogen al te hatelijk, en

toch heeft ~Socrates~ hier waarschijnlijk niets te veel gezegd. Door

de aanhoudende burgeroorlogen en revoluties en door het toenemen in

natuurkennis en den daardoor bewerkten twijfel aan de overleveringen,

waarop de godsdienst steunde, waren alle beginsels van zedelijkheid

ondermijnd, en het was juist bij tijds, dat ~Socrates~ door zijne

scherpe dialectiek de drogredenen ontzenuwde, waarmede de misdaad in

zijnen tijd werd vergoelijkt.

[18] Natuurlijk alleen voor zoo veel de muzijk aangaat. Niet den mensch

als mensch, maar den musicus beschouwende, kunnen wij met regt den

bekwamen musicus wijs, den onbekwamen niet wijs noemen. In dergelijke

redeneringen van ~Plato~ komt telkens een werken met abstracties voor

den dag, dat, hoezeer de nieuwere wijsbegeerte in het gebied van het

afgetrokkene waarlijk niet vreemd is, voor onze ooren vreemd klinkt.

[19] Alle geneeskundigen, voor zoo ver zij dit waarlijk zijn, oordeelen

juist ten opzigte van de hoeveelheid en de soort van spijs of drank,

die voor de gezondheid goed is. Daarom wil niemand hunner meer hebben

dan de juiste maat en dus ieder (natuurlijk, ceteris paribus) even veel.

[20] Deze redenering komt kortelijk hierop neder.

De waarheid is één. Dus wil de kenner der waarheid overal één en

hetzelfde. Een volmaakt kenner der muzijk b. v. wil dus in elk geval

hetzelfde als ieder ander kenner in dat geval wil; en zóó in ieder vak.

Ieder toch, die een vak verstaat, wil wat volgens de wetten van dat

vak goed is, en daar dit van ieder kenner geldt, wil de eene kenner

niets boven den anderen vooruit hebben. Zoo dus iemand onbepaald meer

wil dan elk ander, of hij aan hem gelijk is of niet, is hij zeker

geen kenner maar een onwetende. Daar nu het voornaamste kenmerk der

onregtvaardigheid juist in het onbepaalde streven naar meer dan elk

ander bestaat, vertoont de onregtvaardige zich als een onwetende.

[21] De Sophisten hadden hunne grootste sterkte in geïmproviseerde

redevoeringen, doch ~Socrates~ wist hen er steeds toe te krijgen, om

bedaard met hem te redeneren en liet hen er dan inloopen.

[22] Het is duidelijk, dat ~Thrasymachus~ dit niet in ernst zegt,

maar alleen om geen gevaar te loopen van wegens kettersche gevoelens

veroordeeld te worden. Vrij wat onschuldiger ketterijen toch hadden

~Anaxagoras~ bijna het leven gekost, en ~Protagoras~ was werkelijk

ter dood veroordeeld, omdat hij verklaarde niets over het al of niet

bestaan der Goden te durven beslissen; later is ~Socrates~ zelf op de

beschuldiging, dat hij andere Goden dan de orthodoxen vereerde en de

jeugd bedierf, gedoemd om den gifbeker te drinken. In ’t voorbijgaan

zij echter aangemerkt, dat deze vervolgingen minder voortsproten uit

het denkbeeld, dat de Godheid hulp van menschen behoefde, om hare eer

te handhaven, dan wel, omdat de staatsgodsdienst door den staat erkend

was, en dus hij, die haar aanrandde, zich tegen den staat vergreep.

De republiek van Plato · 第 39 / 65 题