TIENDE BOEK.

I. ~Socrates~ komt nog eens op de nabootsende kunst terug. Een schilder

bootst alles na, wat met oogen gezien wordt.

II. Nu zijn de idéen het eigenlijk zijnde. De stoffelijke wereld

is naar de idéen gevormd. Zij staat dus op de tweede plaats van de

waarheid af. De nabootsende kunst bootst de stoffelijke wereld na. Zij

staat dus op de derde plaats. En dat nog op zijn best, want zij bootst

de dingen na, niet zoo als zij zijn, maar zoo als zij zich vertoonen,

zonder dat zij hun eigenlijk wezen kent.

III. Dit geldt ook van de nabootsende dichters, die verzen maken over

veel dingen, waarvan zij volstrekt geen kennis hebben,

IV. En dus ook alleen door onwetende menschen voor geleerd gehouden

worden. Ook weet de gebruiker van eenige zaak, hoe zij wezen moet, en

de vervaardiger gelooft hierin den gebruiker, maar de nabootser heeft

geen kennis noch geloof op goed gezag, en gaat alleen op het uiterlijke

af.

V. Daarenboven is de rede het beste deel van den mensch, en komt

dikwijls met de hartstogten in strijd.

VI. De hartstogten echter zijn veel ligter na te bootsen dan de rede,

en de menigte wordt door de hartstogten geregeerd. Daarom kiest de

nabootsende dichtkunst de hartstogten, en is bijgevolg voor een

redelijk mensch niet geschikt.

VII. Ook bederft zij de goede menschen, die zich met haar bezig houden,

door hunne hartstogten op te wekken. Daarom verbanden wij haar met regt.

VIII. Er is dan ook eene oude vijandschap tusschen dichtkunst en

wijsbegeerte. Daar echter de dichtkunst zoo vermakelijk is, zijn wij

bereid hare verdediging aan te hooren, maar zoo zij zich niet goed kan

verdedigen, willen wij er onze deugd niet aan wagen.

IX. Te meer daar de ziel onsterfelijk is. Dit wordt aldus bewezen.

Een ding kan alleen door zijn eigen kwaad vergaan. Wat dus door zijn

eigen kwaad niet vergaat is onvergankelijk. Het kwaad van de ziel is de

ondeugd. De ondeugd doet de ziel niet vergaan.

X. Want tusschen den dood en de ondeugd vertoont zich geen onmiddellijk

verband. Dus is de ziel onvergankelijk.

XI. En dit zou nog veel duidelijker blijken, als het ons gegeven was de

ziel in hare zuiverheid te beschouwen.

XII. Thans kunnen wij het vroeger gestelde terugnemen en erkennen, dat

de deugd wel degelijk door goden en menschen gekend en beloond wordt.

XIII.--XVI. De gevolgen van deugd en ondeugd na den dood worden hier in

een mythisch verhaal medegedeeld, dat van ER, den zoon van ~Armenius~,

wiens ziel eene poos zijn ligchaam verlaten en de andere wereld bezocht

had, afkomstig genoemd wordt.

Beoordeeling van ~Plato’s~ Republiek door ~Aristoteles~.

Besluit.

De republiek van Plato · 第 36 / 65 题