Een uitvoerige inleiding is tot verstand van de Republiek niet noodig,
daar het werk zijn eigen inleiding in zich bevat, en de lezer door
eenvoudig aan ~Plato’s~ hand voort te gaan van zelfs op de hoogte komt.
Een enkel woord zij daarom voldoende.
Men heeft veel getwist over het doel van de Republiek, en gevraagd, of
dit werk een staatkundig of een zedekundig geschrift is. Het komt mij
het beste voor ons eenvoudig aan ~Plato’s~ verklaring te houden, die
hij in Boek II. Hoofdst. X. heeft afgelegd, en dus de regtvaardigheid
als het eigenlijke onderwerp des boeks te beschouwen; daarbij in
het oog houdende, dat bij de Grieken de enkele mensch te veel als
staatsburger beschouwd werd, om in eene ontwikkeling der zedekunde
slechts den enkelen mensch, niet tevens den staat te behandelen.
Wat de tijd betreft, waarin ~Plato~ de Republiek heeft te boek gesteld,
zoo is Boek IX Hoofdst. IV klaarblijkelijk na ~Plato’s~ terugkomst van
bet hof van ~Dionysius~ den ouderen geschreven, en in Boek VI. Hoofdst.
XIV. kan men welligt toespelingen zien op ~Archytas~ van Tarente, en op
~Plato’s~ plan tot verbetering van ~Dionysius~ den jongeren. Met dat al
is het bij zulk een uitvoerig werk onmogelijk den juisten tijd, waarop
het geschreven is, te bepalen; te meer, daar de overlevering zegt en
de lezing des boeks bevestigt, dat ~Plato~ zijne Republiek voortdurend
beschaafd en gewijzigd heeft.
Nu willen wij nog kortelijk van de sprekende personen handelen.
~Socrates~ is de hoofdpersoon, doch hem te bespreken is overbodig.
~Glauco~ en ~Adimantus~ waren waarschijnlijk broeders van ~Plato~,
wier gedachtenis hij in de Republiek heeft willen bewaren. Behalve
hetgeen hier van hen gevonden wordt, weten wij nog uit _Xenophons
Gedenkwaardigheden_, Boek III. Hoofdst. VI., dat ~Glauco~ reeds op zijn
twintigste jaar zich met staatszaken wilde bemoeijen, maar toen door
~Socrates~ weerhouden is.
~Cephalus~ was de vader van den redenaar ~Lysias~. Hij schijnt van
Syracuse naar Athene verhuisd te wezen. In de Republiek komt hij voor
als een eerbiedwaardig grijsaard; verder is er weinig van hem bekend.
~Polemarchus~ is een zoon van ~Cephalus~, en was, zoo als uit de
Republiek blijkt, zeer bevriend met ~Socrates~. Ook in den _Phaedrus_
wordt zijn aanleg voor de wijsbegeerte geroemd.
~Thrasymachus~ behoorde tot de klasse der Sophisten (Zie mijne
inleiding voor den _Phaedo_, blz. 9). Vooral de welsprekendheid was
zijn hoofdvak, en hij legde zich toe op een brommenden, hoogdravenden
spreektrant. Ook over de natuur aller dingen schijnt hij geschreven te
hebben, hoewel daarvan niets is bewaard. Zijn karakter blijkt genoeg
uit de Republiek. Dat hij niet tot de minste Sophisten behoorde, kan
uit de rol, die hij dáár vervult, opgemaakt worden.